1 oktober – H. Bavo, belijder, patroon van het bisdom Haarlem Amsterdam † ca. 659
De H. Bavo, die ook onder de naam Allowin bekend was, stamde uit een aanzienlijk geslacht en leidde aanvankelijk als rijke edelman en krijgsman een werelds en zondig leven. Door de prediking van de H. Amandus kwam hij tot bekering. Hij verdeelde zijn goederen onder de armen en legde zich voortaan toe op gebed, boete en versterving. Later trok hij zich terug in de eenzaamheid bij Gent, waar hij omstreeks 659 stierf. Zijn graf werd een middelpunt van verering en reeds in de vroege middeleeuwen werd zijn feest op 1 oktober gevierd. Van Gent verbreidde de verering van de H. Bavo zich ook naar Haarlem, waar hij reeds in de middeleeuwen als patroon werd vereerd. Wanneer het Haarlemse patronaat precies is ontstaan, is niet met zekerheid bekend. Een oude overlevering verbindt het met de belegering van Haarlem in 1274. De band met Gent kreeg in 1472 bijzondere bevestiging door de schenking van een armreliek van de heilige aan Haarlem. Ook in de liturgie werden Gent en Haarlem met elkaar verbonden. In de zeventiende eeuw werkten kanunniken van beide steden gezamenlijk aan een eigen officie van de H. Bavo, dat in 1639 werd goedgekeurd. Daarin klinkt de oude aanroeping Bavo pater et patrone, Bavo, vader en patroon. Als patroon van het bisdom Haarlem Amsterdam wordt zijn feest op 1 oktober in het gehele bisdom als Hoogfeest gevierd.
Feestdag: 1 oktober
Liturgische kleur: wit
Geboren: ca. 589
Gestorven: 654
De H. Bavo is patroon van Haarlem en van het bisdom Haarlem Amsterdam. Ook Gent staat sinds eeuwen onder zijn bijzondere bescherming.
Als boetedoening droeg Bavo dagelijks een zware steen naar de kerk. De steen werd daardoor een van zijn herkenningstekens in de kunst.
Bij de bouw van zijn cel werd een man onder een zwaar beladen wagen verpletterd. Bavo bad voor hem en wekte hem weer tot leven.
In zijn strenge boeteleven trok Bavo zich terug als kluizenaar en woonde hij in een holle boom.
Toen Bavo op zijn sterfbed zijn vriend Domlinus verlangde te zien, leidde een engel deze door de uitgestrekte bossen naar Gent, zodat hij de heilige nog tijdig kon bereiken.
Na zijn overlijden verscheen Bavo aan de H. Gertrudis van Nijvel en droeg haar op zorg te dragen voor zijn begrafenis.
De wonderen die op zijn voorspraak geschiedden werden verzameld in de Miracula Sancti Bavonis, het oude wonderboek van de H. Bavo.
Keizer Maximiliaan I rekende de H. Bavo onder zijn voorouders.
De valk is zijn bekendste attribuut en herinnert aan zijn vroegere leven als edelman en jager voordat hij bezit en wereldse staat prijsgaf.
Bavo verschijnt als edelman, boeteling of kluizenaar. Valk, steen, zwaard en holle boom maken hem op oude voorstellingen herkenbaar.
De Legende van Sint Bavo
De roemrijke krijgsknecht van de Heer, Bavo, die vroeger Alewyn heette, werd geboren in Haspengouw, het Walenland, waar zijn vader graaf was. Deze heette Agilolf en was een neef van Karloman. Zijn moeder was Adeltrudis, eveneens van doorluchtige afkomst. Beiden waren zeer rijk aan aardse goederen. Bavo, uit zo edel bloed gesproten, leerde als toekomstig erfgenaam van de hertogen van Austrasië de krijgskunst onder keizer Mauritius en later onder de koningen van Frankenland en Austrasië. Hij huwde met een dochter van graaf Adilio, eveneens van oud en edel geslacht. Zij schonk hem een dochter, Agletrudis, die kuis, rein en vroom van zeden was en door haar heilige levenswandel haar ouders de weg naar een beter leven heeft gebaand. Want haar vader Alewyn werd vooral door haar voorbeeld opgewekt om zijn hart van de aardse dingen los te maken en de hemelse te zoeken. Steeds sterker verlangde hij ernaar het voorbeeld van de heilige kluizenaars te volgen en afstand te doen van alle wereldse eer. Maar zijn vrouw, die hij zonder de goddelijke wet te schenden niet kon verlaten, verhinderde hem aan dit voornemen gevolg te geven. Dag en nacht dacht hij aan niets anders en toen zijn vrouw spoedig stierf, aarzelde hij niet langer met het volgen van zijn hoogste wens. Juist in die dagen kwam de H. Amandus naar Gent om aan het verblinde volk het Evangelie te verkondigen. Met veel tegenstand had hij te kampen en zwaar werd hij vervolgd, maar toch slaagde hij erin het volk tot het licht van Christus te brengen en overal kerken te stichten ter ere van Jezus. Het gerucht van deze heilige verspreidde zich wijd en zijd en trof ook Bavo, die ondanks de grote afstand de H. Amandus wist te vinden en zich geheel aan hem toevertrouwde. Het bezwaar dat de keizer alle soldaten verboden had de oorlog te verlaten en het kloosterleven te omhelzen, werd voor hem door de gunst van de koningen en die van de paus overwonnen. Door het onderricht van de H. Amandus, wiens geest hij volkomen in zich had opgenomen, verliet hij plechtig de wereld, verdeelde al het zijne onder de armen en de Kerk, nam het kruis op en sloeg de weg van de heiligen in. Binnen Gent stichtte hij een klooster onder aanroeping van de H. Petrus, dat hij rijk begiftigde. Later werd dit huis naar hemzelf genoemd. Spoedig toonde de H. Bavo welke keuze hij had gemaakt. Want voor al zijn aardse goederen koos hij nu nederigheid, geduld en liefde. Als een andere Antonius bezocht hij alle kloosters en heilige plaatsen in de omgeving en als een nijvere bij bracht hij overal waar hij iets goeds vond vele deugden bijeen in zijn hart.
Dit was hem niet genoeg. Op een afgelegen plaats vond hij in een eenzaam woud een hoge eik, die zijn kruin als een reus naar de hemel hief en hem in zijn stam een kleine verblijfplaats bood, waarin Bavo alle heerlijkheid van een paradijs meende te ontdekken. Deze woning, alsof God haar voor hem had bereid, betrad hij met vreugde. Hoewel hij zijn lichaam hier verborgen hield, bleef zijn grote deugd niet verborgen. Duizenden snelden naar hem toe, zodat hij op een nacht, om de toestroom van het volk te ontgaan, heimelijk deze woning verliet en naar een nog verder afgelegen woud trok. In dit bos bouwde hij van sprokkelhout een armzalig hutje, waarin hij leefde alsof het een paleis was. De vele noten en appels die hij er vond, verschaften hem voedsel en de rivier gaf hem overvloedig te drinken. Ook hier bleef hij niet verborgen en uiteindelijk keerde hij terug naar Gent om in zijn eigen klooster een geringe plaats te verzoeken. Met toestemming van de abt liet hij een kleine cel bouwen om daar wel in de wereld, maar geheel daarvan afgezonderd te kunnen leven. Hoe welgevallig deze daad aan God was, bleek uit het wonder dat Hij ten gunste van zijn dienaar werkte. Een zekere Artinus reed zand en stenen aan voor dit bouwwerk. Toen hij door waanzin bevangen begon te lasteren en te vloeken, barstte hij uit in woede en vervloekte de heilige man uit de grond van zijn hart. Dat was de duivel, die verstoord was omdat zijn afgoden werden verbrijzeld en zijn tempels leegliepen. Hij zorgde ervoor dat de man door een slag van de wagen viel en dood onder de stenen werd bedolven. Het volk liep op het bericht toe en bracht het lichaam in allerijl naar huis om het spoedig te begraven. Niet lang daarna vernam de H. Bavo dit ongeval en hij achtte zich mede schuldig aan de dood van de man die voor zijn gerief had gewerkt. Daarom begon hij innig te bidden en ootmoedig te smeken dat Artinus het leven mocht worden teruggegeven. Nauwelijks had hij zijn gebed beëindigd, of Artinus stond weer op, strekte zich uit en begon te lopen. Het volk was ten hoogste verbaasd, zodat velen voortaan geloofden in de verrijzenis van de doden en het eeuwige leven. Op zekere dag ontmoette de H. Bavo een man die vroeger zijn dienaar was geweest en die hij uit boosheid om een nietigheid had laten verkopen. De ongelukkige had een harde slavernij ondergaan. Toen de heilige man hem nu ontmoette, werd hij door berouw getroffen en verzocht hij zijn vroegere knecht hem te straffen. Hij gaf hem daartoe zweep en geselroede in de hand. Maar de zeeman waagde het niet de H. Bavo ook maar in gedachte iets aan te doen. Toen knielde Bavo neer en beval zijn knecht hem streng te slaan, omdat hij deze straf verdiende wegens het verkopen van een christen. Met die straf nog niet tevreden liet Bavo zich, bebloed en gewond, naar zijn cel brengen en beval hij dat men zijn voeten in een blok zou sluiten. Zo bleef hij vier maanden zitten en zelfs dat scheen hem nauwelijks iets aangenaams te zijn. Nog meer wilde hij zichzelf kastijden en daarom verzocht hij de H. Amandus om een zwaardere boete, die hem ternauwernood werd toegestaan. Hij liet midden in zijn cel een stenen kast metselen, juist groot genoeg om er rechtop in te kunnen staan. Daar stond hij dan met uitgestrekte armen, als een kruiseling, en zo hield hij urenlang vol terwijl hij zijn gebeden sprak. Met plechtigheid werd hij door bisschop Amandus, abt Floribert en een grote volksmenigte in deze spelonk gebracht en ingesloten. Van die tijd af beoefende hij een buitengewoon strenge matigheid. Hij at en dronk niets anders dan een stukje ongezuurd brood en enkele druppels water per dag. Deze levenswijze hield hij vol totdat zijn lichaam zo was afgevast dat de ziel er niet langer in kon wonen. Meer dan eens viel hij door vasten, bidden en waken flauw. De aarde, met as bestrooid, was zijn bed, een steen zijn kussen en kiezelstenen waren zijn deken. Toch onderwees hij anderen voortdurend hoe zij moesten leven. Uit alle streken stroomde het volk naar hem toe. Edelen en burgers, geleerden en ongeletterden, mannen en vrouwen, urenlang, ja dagen en nachten, waakten zij voor zijn cel. Hij vermaande het volk tot boetvaardigheid, beslechtte hun twisten, berispte hun kleingeestigheid en reinigde zo iedere dag hun besmette zielen. Geen dag was zijn cel zonder gast en geen maaltijd werd niet met een arme gedeeld.
Daarenboven bad en waakte hij ten bate van vele kerken. Geen ogenblik verloor de H. Bavo zijn menselijke zwakheid uit het oog. Steeds bedacht hij nieuwe oefeningen om de boze vijand te beletten hem te bedriegen of te overwinnen. Maar die oude slang, die vijand van het menselijk geslacht, die kronkelende draak, ziedend van nijd en haat, liet niet na deze oude heldhaftige krijgsknecht van Christus te beproeven en hem tot de strijd uit te dagen. Op zekere dag greep hij als met een wervelwind zijn cel aan en dreigde die door het hellevuur te verbranden. Op een andere dag kwam hij aan het hoofd van een leger slangen, draken, adders en een ontelbare menigte wilde en afzichtelijke dieren op hem af. Zij maakten allerlei dreigende en angstaanjagende bewegingen om de trouwe dienaar van de Heer kleinmoedig te maken en hem door vrees te overwinnen. Maar de H. Bavo lachte om deze pogingen van het hellegebroed, omdat hij altijd wist dat degene die in de hulp van de Allerhoogste woont, op leeuwen en slangen kan treden. Ook troostte God zijn dienaar. Dat bleek duidelijk op een dag toen hij zacht was ingesluimerd. Toen verscheen hem een bode van de Heer in de gedaante van een duif, die in zijn cel kwam rondvliegen en deze met zoete geur vervulde, zodat het de H. Bavo was alsof hij alle zaligheid van het paradijs tegelijk ervoer. Bij zijn ontwaken overdacht hij onmiddellijk wat dit gezicht mocht betekenen. Hij was zo geheel vervuld van liefde tot God dat hij verlangde ontbonden te worden en met de Heer te zijn. Maar nog twijfelde de ootmoedige heilige aan zijn eeuwig geluk. Daarom stelde God hem gerust door een groot en sprekend wonder. Voor de ogen van het volk daalde een helder stralend kruis uit de hoge hemel neer en zette zich op het hoofd van de heilige, dat het met meer dan zonlicht omstraalde. Vanaf dat ogenblik hield de H. Bavo zich verzekerd van zijn eeuwig geluk en sindsdien roemde hij slechts in het kruis van de Heer. Eindelijk naderde het uur van zijn verscheiden en de H. Bavo verzocht ootmoedig dat men zijn uitverkoren vriend, de pastoor van Turnhout, zou ontbieden om hem in zijn laatste uur bij te staan. Omdat deze wegens de lange reis, de woeste bossen en de uitgestrekte wildernis niet spoedig genoeg kon komen en omdat de knecht die hem moest halen verdwaalde, zond God zijn engel, die hem niet alleen de weg wees, maar hem ook gezond en wel met de pastoor van Turnhout terugbracht. Bavo aarzelde niet zijn zielsgeheimen aan pastoor Domlinus te openbaren. Toen hij daarna zijn handen en ogen ten hemel hief, volgde heel zijn heilig lichaam en zo aanschouwde hij de engelen, zijn toekomstige medeburgers. Hierover verheugde hij zich ten hoogste. Vaarwel, zei hij toen, vaarwel, kerk der dienstknechten Gods, mij wacht de Heer. O mijn ziel, treed Hem tegemoet. Met deze woorden verliet zijn ziel haar stoffelijk tabernakel en ging de hemelse glorie tegemoet. Men zegt dat hij bij zijn verscheiden verschenen is aan de uitverkoren maagd Gertrudis en haar heeft opgedragen het lijnwaad te verzorgen waarin zijn lichaam voor de begrafenis moest worden gewikkeld. Onder het geween van de armen, die in hem hun vader verloren hadden, werd hij met grote plechtigheid naar de kerk geleid en daarna in zijn cel begraven. Zeer vele wonderen hebben zijn gedachtenis doen voortbestaan en de steden Gent en Haarlem hebben hem als hun patroon verkozen.
Bron: Engelbertus Lagerwey, Boden en helden Gods. Legenden van in Noord-Nederland veel vereerde heiligen, 1955.
Begin van het Vita van de H. Bavo. Op de linkerbladzijde staat in grote gekleurde letters: Incipit vita sancti atque beatissimi Bavonis confessoris Christi, het begin van het leven van de heilige en allerzaligste Bavo, belijder van Christus. Ook zijn feest in oktober en Gent worden in deze openingsregels genoemd. De oorspronkelijke Vita behoort tot de oudste geschreven levensbeschrijvingen van Bavo en wordt omstreeks 825 gedateerd. De tekst is hier overgeleverd in een middeleeuws handschrift uit de Sint-Baafsabdij te Gent. Het handschrift bevat behalve het leven van Bavo ook zijn wonderen en de overbrenging van zijn relieken. Op de rechterbladzijde staat een rijk versierde initiaal met vlechtwerk en dierfiguren. Universiteitsbibliotheek Gent, HS 0308.
Sinte Baaf ons patroen
De H. Bavo werd reeds in de middeleeuwen als patroon van Haarlem vereerd. Over de oorsprong van dit patronaat bestaat een oude Haarlemse overlevering. In 1274, toen de stad door opstandige Kennemerlanders werd belegerd, zou de H. Bavo aan de Haarlemmers zijn verschenen. Nadat de belegeraars de strijd hadden opgegeven, zou Haarlem hem uit dankbaarheid als schutspatroon hebben aangenomen. Naast deze overlevering wijzen de historische banden van Haarlem met Vlaanderen, en in het bijzonder met Gent, op een andere achtergrond van de oude Bavoverering. Wanneer en langs welke weg Bavo precies patroon van Haarlem is geworden, kan uit de bewaarde gegevens niet met zekerheid worden vastgesteld. Zeker is wel dat zijn patronaat in de late middeleeuwen diep in het kerkelijke en stedelijke leven van Haarlem was verankerd. Een bijzonder gewicht kreeg deze verering door de komst van een reliek van zijn arm uit Gent. Volgens de overgeleverde gegevens schonken de abt van de Sint-Baafsabdij te Gent en de bisschop van Doornik in 1472 een armreliek van de heilige aan Haarlem. Haarlem verbond zich daarbij jaarlijks op 1 oktober, de feestdag van de H. Bavo, een waskaars van één pond aan de abdij te schenken. De kostbare reliek werd in zilver gevat. Voor de arm werd bovendien een afzonderlijk tabernakel met vleugeldeuren vervaardigd, waarop twaalf voorstellingen uit het leven van de H. Bavo waren geschilderd. Op 1 oktober werd de reliek uit dit tabernakel genomen en, omringd door brandende kaarsen, midden in de kerk ter verering van de gelovigen opgesteld.
Ook bij de jaarlijkse viering van de translatie van de H. Bavo nam de reliek een voorname plaats in. De Haarlemse kerkrekening van 1502 geeft daarvan een bijzonder levendig beeld. De processie trok om het Sant, de huidige Grote Markt, waarna de reliek midden in de kerk op een tafel werd geplaatst. Daarbij brandden twee kaarsen van ieder een half pond en een toorts voor het heiligdom van de H. Bavo. De heren van het Haarlemse gerecht namen in hun stedelijke gewaden aan de processie deel. Zij liepen achter de kinderen en vóór de priesters en droegen ieder een brief van Sinte Baef onse patroen. De plechtigheid werd vooraf vanaf de preekstoel aangekondigd in de kerken van de dominicanen, karmelieten, augustijnen en minderbroeders, en eveneens in het gasthuis, op het begijnhof en te Bakenes. Zo werd de viering werkelijk door de katholieke stad als geheel gedragen. De rekening van 1502 bewaart zelf de oude woorden waarin de plechtigheid werd vastgelegd: Item, anno XV hondert ende twe wast translacie van Sinte Baef, die wij alle jaers daerof hoehtyt houden moeten ghelicken vrouwendaghen ende gaen in processy omt Sant en werpen wy water in die kerc ende sitten met die reliquie van Sinte Baef midden in die kerc op een taeffel ende met twee caerssen elc van een half pont ende een toers barnende den avond ende den dach tot elf uerren voert heylichdom van Sinte Baef. De Haarlemse kerkrekeningen vermelden daarnaast herhaaldelijk geschenken van gelovigen voor de H. Bavo. Sommige daarvan moesten bij of om zijn reliek worden gehangen. Van wonderen die door deze Haarlemse reliek zouden zijn geschied, maken de bewaarde gegevens geen melding.
De openbare middeleeuwse verering in de Grote Kerk kwam ten einde na de omwentelingen van de zestiende eeuw. Bij de plundering van de kerk in 1578 werd de armreliek naar Keulen overgebracht. De herinnering aan Bavo als patroon van Haarlem bleef echter bestaan. Nog in de achttiende eeuw schreef Alban Butler over de H. Bavo: Een arm van de H. Bavo wordt te Haarlem in een zilveren schrijn bewaard. Hij is daar de titelheilige en patroon van de kerk, zoals hij dat ook te Gent is. Daarmee getuigt Butler nog van dezelfde eeuwenoude band tussen Haarlem en zijn patroon die in de Haarlemse rekening van 1502 zo eenvoudig en treffend wordt uitgedrukt: Sinte Baef onse patroen.
Bronnen: Haarlemse kerkrekening van 1502 en historische gegevens over de verering van de H. Bavo te Haarlem, ontsloten door het Meertens Instituut; Alban Butler, The Lives of the Fathers, Martyrs, and Other Principal Saints, 1 oktober.
De H. Bavo, Noord-Nederlands kalkstenen beeld, omstreeks 1460, mogelijk vervaardigd in Utrecht. Bavo is hier voorgesteld als de aanzienlijke edelman en krijgsman die hij volgens zijn oude levensbeschrijving vóór zijn bekering was. Onder zijn rijk uitgewerkte kleding zijn maliën en delen van zijn wapenrusting zichtbaar en aan zijn zijde draagt hij een zwaard. Op het hoofd draagt hij een kostbare, met juwelen versierde muts. In zijn rechterhand houdt hij een gordelboek, een klein boek waarvan de leren band onder het boek doorloopt en in een knoop eindigt, zodat het aan de gordel kon worden gedragen. De voorstelling verenigt zo zijn vroegere wereldlijke staat als rijke edelman en krijgsman met het godsdienstige leven dat op zijn bekering volgde. Op het kalksteen zijn nog resten van de oorspronkelijke beschildering aanwezig. The Metropolitan Museum of Art, New York.