6 oktober, H. Bruno, belijder † 1101
De H. Bruno werd te Keulen geboren en muntte reeds vroeg uit door godsvrucht en geleerdheid. Als kanunnik en leraar te Reims verwierf Bruno grote naam. Later verliet hij de wereld en wendde hij zich met zes gezellen tot de H. Hugo, bisschop van Grenoble. Deze wees hun in 1084 een afgelegen plaats in het berggebied van de Chartreuse aan. Zij bouwden hier hun cellen en een kleine kerk. Daarmee legde Bruno de grondslag voor de kartuizerorde. Door paus Urbanus II naar Rome geroepen, diende hij de Kerk met zijn raad, maar verkreeg ten slotte toestemming naar de eenzaamheid terug te keren. Hij vestigde zich in Calabrië, waar hij op 6 oktober 1101 in heiligheid ontsliep.
Florilegium
Het leven van de H. Bruno volgens Alban Butler
Dom Guéranger over de H. Bruno en het kartuizerleven
Brief van de H. Bruno aan zijn kartuizer broeders
Feestdag: 6 oktober
Klasse: III
Liturgische kleur: wit
Geboren: omstreeks 1030 te Keulen
† 6 oktober 1101 in Calabrië
Bruno werd omstreeks 1030 te Keulen geboren. In Reims stond hij als scholaster aan het hoofd van de beroemde kathedraalschool en verwierf hij grote naam als leraar in de wijsbegeerte en godgeleerdheid. Onder zijn leerlingen bevond zich Odo van Châtillon, de latere paus Urbanus II.
Bruno behoorde tot de geestelijken die zich openlijk keerden tegen Manasses, aartsbisschop van Reims, wegens simonie en misbruik van zijn ambt. Zijn verzet kostte hem zijn goederen en kerkelijke inkomsten.
In een brief aan zijn vroegere medekanunnik Raoul herinnert Bruno aan een gesprek dat zij samen met hun medekanunnik Fulcius voerden over de vergankelijkheid van aardse goederen en het eeuwige leven. Zij besloten de wereld te verlaten en zich geheel aan God toe te wijden. Bruno bleef aan dit besluit trouw, ook toen hem aanzien en hoge kerkelijke waardigheden openstonden.
Bruno wendde zich in 1084 met zes gezellen tot de H. Hugo, bisschop van Grenoble. Hugo wees hun een afgelegen plaats in het berggebied van de Chartreuse aan en bleef de jonge gemeenschap beschermen. Daar bouwden Bruno en zijn gezellen een kleine kerk en afzonderlijke cellen. Uit deze stichting ontstond de kartuizerorde.
Volgens de vroege kartuizertraditie had de H. Hugo kort voor hun komst in een droom gezien hoe God in de Chartreuse een woning bouwde en hoe zeven sterren hem de weg daarheen wezen. Toen Bruno met zijn zes gezellen verscheen, herkende Hugo daarin de zeven mannen uit zijn visioen.
Bruno werd vergezeld door Landuin, Stefanus van Bourg, Stefanus van Die, Hugo de kapelaan en de lekenbroeders Andreas en Guérin. Hugo werd de kapelaan genoemd omdat hij als enige van hen priester was.
De kartuizers leefden in afzonderlijke cellen rond hun kerk. Stilte, gebed, geestelijke lezing, vasten en handenarbeid bepaalden hun leven. Het overschrijven van boeken kreeg binnen de gemeenschap een bijzondere plaats.
Bruno liet geen geschreven kloosterregel na. De levenswijze van de eerste kartuizers werd door voorbeeld en gewoonte overgeleverd. Later stelde Guigo, de vijfde prior van de Grande Chartreuse, deze gebruiken schriftelijk vast.
Bruno’s vroegere leerling Odo van Châtillon was inmiddels paus Urbanus II geworden. Hij riep zijn leermeester naar Rome om hem als raadgever bij te staan in het bestuur van de Kerk.
Urbanus II wilde Bruno tot aartsbisschop van Reggio verheffen. Bruno weigerde deze waardigheid en verkreeg uiteindelijk toestemming opnieuw in afzondering te leven. Hij vestigde zich in Calabrië, waar een nieuwe gemeenschap rond hem ontstond. Vanuit Calabrië bleef hij verbonden met de broeders van de Grande Chartreuse.
De kerk van de eerste Chartreuse was gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Casalibus. Bruno’s kluizenarij in Calabrië was gewijd aan Onze Lieve Vrouw della Torre. De kartuizerstatuten noemen de Moeder Gods de eerste en voornaamste patrones van alle huizen van de orde.
Landuin, die Bruno als prior van de Grande Chartreuse was opgevolgd, reisde naar Calabrië om hem te raadplegen over het leven van de gemeenschap. Bruno gaf hem een brief voor zijn broeders mee. Deze brief is bewaard gebleven en behoort tot de belangrijkste eigen getuigenissen van Bruno over het kartuizerleven.
Bruno maakte zich zorgen over Landuins gezondheid en keurde een lichamelijke gestrengheid af wanneer deze zijn gezondheid en leven in gevaar bracht. Hij droeg de broeders op ervoor te zorgen dat hun prior de verzorging aanvaardde die hij nodig had.
In zijn brief aan Raoul beschreef Bruno zijn broeders in Calabrië als mannen die waakten in afwachting van de komst van hun Heer en gereed stonden Hem te openen wanneer Hij klopte.
Toen zijn dood naderde, riep Bruno zijn broeders bijeen en legde voor hen zijn katholieke geloofsbelijdenis af. Daarin beleed hij uitdrukkelijk de Allerheiligste Drievuldigheid, de Menswording en de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Allerheiligste Eucharistie.
Na Bruno’s dood werd volgens middeleeuws gebruik een breve depositionis, een bericht van zijn overlijden, van kerk tot kerk en van klooster tot klooster rondgezonden met het verzoek voor zijn ziel te bidden.
Een rolliger, de bode die de rouwrol droeg, trok met de perkamenten rol langs kerken, kloosters en kapittels. Daar werd Bruno’s overlijden bekendgemaakt en werden gebeden en getuigenissen aan de rol toegevoegd.
Van deze rondgang zijn 178 tituli funebres, rouwgetuigenissen, overgeleverd. Onder hen bevonden zich ook getuigenissen van personen die Bruno persoonlijk hadden gekend. Zij roemden zijn geleerdheid en zijn werk als leraar, maar ook zijn gebedsleven, versterving en godsvrucht.
Bruno werd begraven bij zijn kluizenarij in Calabrië. Rond zijn kluizenarij en graf ontstond later een plaatselijke verering. Vanaf de zestiende eeuw werd hij daar ook aangeroepen bij gevallen van bezetenheid.
De kartuizers hadden voor geen van hun eigen leden om canonisatie verzocht. Voor hun stichter maakte het Generaal Kapittel in 1514 een uitzondering. Pas ruim vier eeuwen na Bruno’s dood werd de zaak ter hand genomen. Op 19 juli 1514 stond paus Leo X zijn liturgische verering toe zonder het gewone canonisatieproces. In 1623 werd zijn feest tot de gehele Kerk uitgebreid.
Jeugd, studie en onderwijs te Reims
De H. Bruno stamde uit een oud en aanzienlijk geslacht en werd omstreeks het jaar 1030 te Keulen geboren. Reeds in zijn kindsheid scheen hij verheven boven de gewone zwakheden van die leeftijd en in zijn gedrag vertoonde zich niets kinderachtigs. Zijn godvruchtige ouders, die zijn deugd door een goede opvoeding wilden beveiligen, plaatsten hem reeds zeer jong aan de school van de geestelijkheid van de kerk van de H. Cunibert. Daar gaf hij zulke buitengewone blijken van godsvrucht, begaafdheid en geleerdheid dat de H. Anno, destijds bisschop van Keulen, hem een kanunnikenplaats aan die kerk verleende. Bruno was nog jong toen hij Keulen verliet en naar Reims ging om zich verder in de wetenschappen te bekwamen, waarschijnlijk aangetrokken door de faam van de school die door de geestelijkheid van die kerk werd onderhouden. Hij werd daar met grote onderscheiding ontvangen. Hij maakte zich de gehele kring der wetenschappen eigen, was voor zijn tijd een goed dichter, maar muntte vooral uit in wijsbegeerte en godgeleerdheid. Daarom gaven tijdgenoten hem bij uitstek de namen dichter, wijsgeer en godgeleerde en werd hij beschouwd als een groot meester en voorbeeld der scholen. De geschiedschrijvers van die tijd spreken met nog grotere bewondering over zijn bijzondere godsvrucht. Toen Heriman, kanunnik en scholaster van Reims, zijn waardigheden neerlegde en de wereld verzaakte om zich geheel toe te leggen op de studie van de ware wijsheid, benoemde Gervasius, die in 1056 aartsbisschop van Reims werd, Bruno tot scholaster. Aan deze waardigheid was toen de leiding verbonden over het onderwijs en over de grote scholen van het bisdom. De voorzichtigheid en buitengewone geleerdheid van de heilige schitterden in deze bediening met grote luister. In al zijn lessen en onderrichtingen had hij vooral ten doel de mensen tot God te voeren en hun zijn heilige wet te leren kennen en eerbiedigen. Vele voortreffelijke leerlingen in wijsbegeerte en godgeleerdheid deden hem door hun vorderingen en bekwaamheden eer aan en verbreidden zijn naam naar verre streken. Onder hen was Odo, die later kardinaal bisschop van Ostia werd en ten slotte als Urbanus II de pauselijke Stoel besteeg. Robert van Bourgondië, bisschop van Langres, broeder van twee hertogen van Bourgondië en kleinzoon van koning Robert, Rangier, kardinaal en aartsbisschop van Reggio nadat de H. Bruno die waardigheid had geweigerd, en vele andere geleerde prelaten en abten van die tijd vermeldden het als een bijzondere eer en een geluk dat zij leerlingen van Bruno waren geweest. Zo groot was zijn naam dat hij het licht der kerken, de leraar der leraren, de roem van de beide volken van Duitsland en Frankrijk, het sieraad van zijn tijd, het voorbeeld der goeden en de spiegel der wereld werd genoemd, om de woorden van een oude schrijver te gebruiken.
De strijd tegen Manasses en het besluit de wereld te verlaten
Bruno onderwees gedurende geruime tijd aan de kerk van Reims en volgens zijn levensbeschrijver was hij lange tijd de steun van dat grote bisdom, waarmee kennelijk bedoeld wordt dat hij onder aartsbisschop Gervasius een belangrijk deel van het geestelijk bestuur droeg. Toen deze prelaat in 1067 stierf, bemachtigde Manasses I door openlijke simonie de aartsbisschoppelijke zetel en onderdrukte hij de kerk door zeer tirannieke kwellingen en misbruiken. Bruno behield onder hem zijn gezag en waardigheden, in het bijzonder het ambt van kanselier van het bisdom, waarin hij samen met hem de stichtingsoorkonde van Sint Maarten aux Jumeaux en enkele andere schenkingsakten ten gunste van kloosters ondertekende. Niettemin verzette hij zich krachtig tegen zijn misdadige ondernemingen. Hugo van Die, legaat van de paus, riep Manasses op om te verschijnen voor een concilie dat hij in 1077 te Autun hield. Toen Manasses weigerde aan die oproep gehoor te geven, verklaarde de legaat hem geschorst uit zijn bediening. De H. Bruno, Manasses de proost en Pontius, een kanunnik van Reims, traden tijdens dit concilie als zijn aanklagers op. Onze heilige handelde daarbij met zoveel voorzichtigheid en godsvrucht dat de legaat in een brief aan de paus zijn deugd en wijsheid buitengewoon prees, hem de meest waardige leraar van de kerk van Reims noemde en hem bij Zijne Heiligheid aanbeval als iemand die bij uitstek geschikt was om goede raad te geven en hem in de kerken van Frankrijk bij te staan in de bevordering van Gods zaak. De simonistische overweldiger, verbitterd tegen de drie kanunniken die tijdens het concilie tegen hem waren opgetreden, liet hun huizen openbreken en plunderen en verkocht hun prebenden. De vervolgde kanunniken zochten hun toevlucht in het kasteel van de graaf van Roucy en bleven daar tot augustus 1078, zoals blijkt uit een brief die de simonistische aartsbisschop in die tijd tegen hen aan de paus schreef. Reeds vóór die tijd had de H. Bruno het voornemen opgevat zich uit de wereld terug te trekken. Zelf verhaalt hij hierover in zijn brief aan Raoul, de proost van Reims. Bruno, Raoul en een andere kanunnik van Reims, Fulcius geheten, spraken op zekere dag samen in de tuin van een zekere Adam over de ijdelheid en de bedrieglijke genoegens van de wereld en over de vreugden van het eeuwige leven. Diep getroffen door deze ernstige overwegingen beloofden zij elkander de wereld te verlaten. Zij stelden de uitvoering van hun voornemen uit totdat Fulcius uit Rome zou zijn teruggekeerd, waarheen hij op reis ging. Toen hij daar werd opgehouden, verslapte Raoul in zijn voornemen. Hij bleef te Reims en werd later aartsbisschop van die zetel. Bruno daarentegen bleef standvastig in zijn besluit een leven van religieuze afzondering te omhelzen. Ernstige overweging deed hem dagelijks dieper beseffen welk een onschatbaar geluk de eeuwige heerlijkheid is en vermeerderde zijn afkeer van de wereld. Zo verliet hij de wereld op een ogenblik van de meest voorspoedige omstandigheden, toen hij rijkdom, eer en de gunst der mensen bezat en toen de kerk van Reims gereed stond hem tot aartsbisschop te kiezen in de plaats van Manasses, die inmiddels wegens simonie veroordeeld en afgezet was. Hij legde zijn beneficie neer, verliet zijn vrienden, deed afstand van alles wat hem aan de wereld bond en bewoog enige van zijn vrienden hem in de eenzaamheid te volgen. Het waren mannen met grote gaven en deugden en zij vergoedden ruimschoots het verlies van zijn eerste twee metgezellen in dit voornemen.
De weg naar de Chartreuse
Bruno schijnt zich eerst te hebben teruggetrokken naar Reciac of Roucy, een versterkte plaats aan de Aisne in Champagne, waar graaf Ebal verbleef, die zich met ijver bij de H. Bruno en anderen had aangesloten in hun verzet tegen de goddeloosheid van Manasses. Na enige tijd ging Bruno naar Keulen, zijn geboortestad. Later werd hij opnieuw naar zijn kanunnikenplaats te Reims geroepen, maar hij bleef daar slechts zeer kort en begaf zich vervolgens naar Saisse Fontaine in het bisdom Langres, waar hij enige tijd woonde met enkele van zijn leerlingen en gezellen. Twee van hen, Petrus en Lambertus geheten, bouwden daar een kerk die later met de abdij van Molesme werd verenigd. In deze eenzaamheid overwoog Bruno, gedreven door een vurig verlangen naar ware volmaaktheid in de deugd, samen met zijn gezellen wat hem het beste te doen stond, terwijl hij zijn tijd doorbracht in de oefeningen van heilige afzondering, boete en gebed. Hij vroeg raad aan een monnik van grote ervaring en heiligheid, de H. Robert, abt van Molesme. Deze spoorde hem aan zich te wenden tot Hugo, bisschop van Grenoble, die waarlijk een dienaar Gods was en beter dan iemand anders geschikt om hem in zijn voornemen bij te staan. Bruno volgde deze raad. Hij had vernomen dat zich in het bisdom Grenoble bossen, rotsen en woestenijen bevonden die bijzonder geschikt waren voor zijn verlangen naar volkomen afzondering en dat deze heilige prelaat zijn voornemen zeker zou begunstigen. Zes van degenen die hem in zijn terugtrekking hadden vergezeld, gingen met hem mee. Het waren Landuin, die hem later als prior van de Grande Chartreuse zou opvolgen, Stefanus van Bourg en Stefanus van Die, beiden kanunniken van Sint Rufus in Dauphiné, Hugo, die zij de kapelaan noemden omdat hij als enige van hen priester was, en twee leken, Andreas en Guerin. De H. Bruno en deze zes gezellen kwamen omstreeks midzomer van 1084 te Grenoble aan en wierpen zich aan de voeten van de H. Hugo met het verzoek hun een plaats in zijn bisdom te geven waar zij God konden dienen, ver van de zaken van de wereld en zonder iemand tot last te zijn.
De zeven sterren en de stichting van de Chartreuse
Toen de heilige bisschop hun verlangen begreep, verheugde hij zich buitengewoon en ontving hen met open armen. Hij twijfelde er niet aan dat deze zeven vreemdelingen degenen waren die hem waren aangeduid in een droomgezicht dat hij in de voorafgaande nacht had ontvangen. In zijn slaap had hij God zelf een kerk zien bouwen in een woestenij van zijn bisdom die de Chartreuse werd genoemd, terwijl zeven sterren uit de aarde oprezen, zich in een kring verenigden en voor hem uit naar die plaats gingen alsof zij hem de weg naar die kerk wezen. Hij omhelsde hen met grote liefde en meende hun edelmoedige besluit nooit voldoende te kunnen prijzen. Hij wees hun de woestenij van de Chartreuse als verblijfplaats toe en beloofde hun alle mogelijke hulp bij hun vestiging. Opdat zij echter gewapend zouden zijn tegen de moeilijkheden die hun te wachten stonden en niet aan zo groot een werk zouden beginnen zonder het wel te hebben overwogen, stelde hij hun tegelijk de verschrikkelijke gesteldheid van deze eenzaamheid voor ogen, omgeven door zeer hoge en steile rotsen, die bijna het gehele jaar met sneeuw en dikke nevels bedekt waren en de plaats vrijwel onbewoonbaar maakten. Dit verhaal ontmoedigde de dienaren Gods niet. Integendeel, de vreugde die op hun gelaat te lezen stond, toonde hun voldoening dat zij een verblijfplaats hadden gevonden die zo volledig van het verkeer met de mensen was afgesneden. De H. Hugo hield hen enige dagen in zijn bisschoppelijk huis en bracht hen vervolgens zelf naar deze plaats. Hij stond hun al zijn rechten op het bos af en enige tijd later deed ook Siguin, abt van Chaise Dieu in Auvergne, die medeheer van het gebied was, hetzelfde. Bruno en zijn gezellen bouwden er onmiddellijk een bidplaats en zeer kleine cellen, op enige afstand van elkander, naar het voorbeeld van de oude laura’s van Palestina. Dit was het begin van de kartuizerorde, die haar naam ontleende aan de woestenij van de Chartreuse. Sommigen hebben haar stichting in 1086 geplaatst en anderen in 1085, maar Mabillon toont duidelijk aan dat de H. Bruno zich in juni 1084 naar deze woestenij terugtrok, zoals een van zijn grafschriften en de tijdgenoot Sigebert van Gembloux uitdrukkelijk vermelden. De H. Hugo verbood reeds in een oorkonde van de daaropvolgende maand dat vrouwen hun gebied zouden betreden en dat iemand er zou vissen, jagen of vee doorheen drijven.
Het leven van de eerste kartuizers
Zij bouwden eerst een kerk op een hoogte en daarnaast cellen. Aanvankelijk woonden zij met twee in iedere cel, kort daarna ieder afzonderlijk. Zij kwamen in de kerk bijeen voor de metten en de vespers, terwijl zij de andere uren, de priem, terts, sext, noon en completen, in hun cellen baden. Nooit gebruikten zij tweemaal op één dag voedsel behalve op de grootste feesten, waarop zij gezamenlijk in een refter aten. Op de andere dagen aten zij als kluizenaars in hun cellen. Op de dagen waarop dit was toegestaan, werd hun een bepaalde hoeveelheid peulvruchten gegeven. Het is moeilijk het wonderbare leven van deze heilige kluizenaars in hun woestenij naar behoren te beschrijven. Guibert van Nogent zegt dat zij de zes dagen van de week afzonderlijk in hun cellen doorbrachten en alleen de zondag gezamenlijk vierden. Wanneer zij daarna weer uit elkander gingen, nam ieder één brood en één soort peulvruchten mee als voedsel voor de rest van de week. Alles bij hen was uiterst eenvoudig en arm. Zelfs in hun kerk wilden zij geen goud of zilver bezitten, met uitzondering van een zilveren kelk. Zij spraken vrijwel nooit met elkander en bedienden zich slechts van tekens, want zij hadden zich tot voortdurende stilte verplicht opdat hun gehele omgang met God zou zijn. Een aanzienlijk deel van de dag brachten zij door met het verkondigen van Gods lof en zij schenen hun lichaam nauwelijks voor iets anders te gebruiken dan om het door gestrengheden te bedwingen en te vernederen. Op het gebed volgde de arbeid. Hun voornaamste werk was het overschrijven van godvruchtige boeken, waarmee zij tevens trachtten in hun levensonderhoud te voorzien, opdat zij niemand tot last zouden zijn. Petrus Venerabilis, abt van Cluny, schreef ongeveer vijftig jaar na de H. Bruno over hen dat hun kleding geringer en armer was dan die van andere monniken, zo kort en schaars en zo ruw dat alleen de aanblik ervan reeds ontzag inboezemde. Zij droegen grove haren boetekleren op de huid, vastten vrijwel voortdurend, aten slechts grof brood, raakten nooit vlees aan, noch gezond noch ziek, kochten nooit vis maar aten die wanneer zij hun als aalmoes werd gegeven, gebruikten op zon en donderdagen eieren en kaas, op dinsdagen en zaterdagen gekookte peulvruchten of kruiden en op maandag, woensdag en vrijdag niets dan brood en water. Zij gebruikten slechts één maaltijd per dag, behalve tijdens de octaven van Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Driekoningen en op enkele andere feesten. Hun voortdurende bezigheid was gebed, lezing en handenarbeid, die voornamelijk bestond in het afschrijven van boeken. Zij baden de kleine uren van het goddelijk officie in hun cellen wanneer de klok luidde en kwamen voor de vespers en metten bijeen met een wonderbare ingetogenheid. Zij droegen de H. Mis alleen op zon en feestdagen op. Deze levenswijze volgden zij zonder geschreven regel. Mabillon meende dat zij zich in de punten die met hun kluizenaarsleven verenigbaar waren grotendeels naar de regel van de H. Benedictus richtten, terwijl anderen, waaronder de Bollandist Bye, daarin geen bijzondere overeenkomst zagen en oordeelden dat hun gebruiken eigen waren aan hun instelling en niet aan een bepaalde andere regel waren ontleend. De H. Bruno liet zijn leerlingen achter als vurige onderhouders van de gebruiken en praktijken die hij onder hen had ingesteld. Guigo, de vijfde prior van de Chartreuse, stelde later hun gebruiken schriftelijk op. Verschillende generale kapittels voegden daarna nieuwe statuten toe. De kartuizerorde is door kerkelijke schrijvers beschouwd als het volmaaktste voorbeeld van een boetvaardige en beschouwende levensstaat, waarin mensen zich geheel wijden aan de volmaakste heiliging van hun ziel en door hun tranen en gebeden Gods barmhartigheid trachten af te smeken over de zondaars en over de gehele wereld. De H. Bruno wordt door schrijvers uit zijn tijd meester van de Chartreuse en soms prior genoemd. Omdat hij degene was die de anderen tot deze levenswijze had gebracht, beschouwden zij hem als hun overste, en zoals hij hen in geleerdheid overtrof, zo overtrof hij hen ook in de vurigheid van zijn liefde, zijn rouwmoedigheid en zijn nederigheid.

De H. Hugo en de groei van de gemeenschap
De H. Hugo, die Bruno aanvankelijk als zijn kind had ontvangen, kreeg zulk een bewondering voor diens deugd dat hij hem later als vader en geestelijk leidsman beschouwde. Zonder acht te slaan op de moeilijkheid van de wegen ging hij dikwijls van Grenoble naar de Chartreuse om van het hemelse gesprek van de H. Bruno te genieten en zichzelf door diens raad en voorbeeld te vormen. De heilige bisschop voelde een onuitsprekelijke vreugde telkens wanneer hij hoorde dat zich een nieuwe novice bij deze ware leerlingen van het Kruis had aangesloten. Die vreugde werd hem dikwijls geschonken, want hun voorbeeld wekte velen uit de geestelijke loomheid van de wereld en mensen van allerlei leeftijden, zelfs jonge knapen, snelden naar de woestijn om in hun gezelschap het Kruis van Christus op te nemen. De graaf van Nevers, een heer van bijzondere godsvrucht, verbleef lange tijd bij hen om te leren God met nieuwe vurigheid te dienen en keerde terug terwijl hij God prees om de wonderen die zijn rechterhand bewerkt in de harten waarin Hij woont. Kort daarna zond hij hun een kostbaar geschenk van zilverwerk. Zij stuurden het terug met de verklaring dat het voor hen nutteloos was. Daarop zond hij hun een grote hoeveelheid leer en perkament voor hun boeken.
De oproep van paus Urbanus II
De H. Bruno had deze gemeenschap nog geen zes jaar bestuurd toen paus Urbanus II, die vroeger zijn leerling te Reims was geweest, vernam welk een heilig leven hij leidde. Omdat de paus uit persoonlijke ervaring volkomen overtuigd was van Bruno’s grote voorzichtigheid en geleerdheid, zond hij hem een streng bevel naar Rome te komen om hem door zijn raad bij te staan in het bestuur van de Kerk. De nederige monnik had nauwelijks een zwaardere beproeving van zijn gehoorzaamheid kunnen treffen of een groter offer kunnen brengen. Niettemin vertrok hij zonder verdere aarzeling in 1089, nadat hij Landuin tot prior van de Chartreuse had benoemd. De paus had tegelijk het huis aan de bescherming van Siguin, abt van Chaise Dieu, aanbevolen. Het vertrek van de heilige veroorzaakte bij zijn leerlingen een onuitsprekelijk verdriet. Voor hen waren de zwaarste gestrengheden vreugden geweest en de meest afschrikwekkende woestenij een paradijs zolang zij de aanwezigheid van zulk een leidsman en meester genoten. Zonder hem werden zelfs hun rotsen hun zwaar. De heilige trachtte hen tevergeefs te troosten en beloofde alles te zullen doen wat in zijn vermogen lag om zo spoedig mogelijk naar hen terug te keren. Verscheidene verklaarden dat zij nooit van hem gescheiden wilden worden en deze nam hij met zich mee naar Rome. De anderen verlieten kort nadat hij was vertrokken de Chartreuse, maar aangezien zij bij elkander bleven wonen, wist Landuin hen spoedig te bewegen naar hun vroegere verblijfplaats terug te keren. De monniken van Chaise Dieu hadden deze na hun vertrek in bezit genomen maar gaven haar hun terug. De H. Bruno werd door de paus ontvangen met alle mogelijke blijken van achting en genegenheid. Zijne Heiligheid hield hem bij zich in het pauselijk verblijf en raadpleegde hem in alle gewichtige aangelegenheden van godsdienst en geweten. Op bevel van de paus kregen ook de metgezellen van de heilige een verblijfplaats in de stad toegewezen. Zij trachtten daar te leven zoals zij in de woestijn hadden gedaan, maar bemerkten spoedig dat het in Rome niet zo gemakkelijk was zich geheel te wijden aan de heilige overweging, godvruchtige lezing, psalmzang en het vurige gebed waarin al hun vreugde bestond. Zij konden storende bezoeken niet vermijden en evenmin de stilte onderhouden die zij tussen de rotsen hadden genoten en die hun zo nuttig was geweest. Deze verandering deed tranen uit hun ogen vloeien en deed hen zuchten naar de eenzaamheid die zij hadden verlaten. Zij klaagden bij de H. Bruno dat zij in de stad niet vonden wat zij zochten.

Waarom Bruno niet naar de Chartreuse terugkeerde
De heilige verlangde vurig zijn gezellen terug te brengen naar de berg van de Chartreuse, maar omdat hij voor zichzelf geen toestemming kon verkrijgen, wist hij ten minste te bewerken dat zij naar de woestijn mochten terugkeren. Daar hadden de overige gezellen inmiddels opnieuw bezit genomen van hun vroegere cellen, die hun door de abt van Chaise Dieu waren teruggegeven tot grote vreugde van de H. Hugo en van Hugo, aartsbisschop van Lyon en legaat van de Heilige Stoel, die hen beiden terugbrachten en hen opnieuw daar gevestigd zagen. Het rumoer van het pauselijke hof werd voor de H. Bruno van dag tot dag moeilijker te verdragen. Hij had de zoetheid van de eenzaamheid en de ononderbroken beschouwing geproefd en beefde te midden van de verstrooiingen van de wereld. De paus stelde zo grote prijs op deze vriend dat hij hem geen toestemming wilde geven naar de Chartreuse terug te keren. Hij drong er zelfs bij hem op aan het aartsbisdom Reggio in Calabrië te aanvaarden. De heilige man verontschuldigde zich echter met zoveel nadruk en herhaalde zo dringend zijn verzoek om de vrijheid te verkrijgen in eenzaamheid voor God te leven dat Zijne Heiligheid ten slotte oordeelde zijn heilige neiging niet langer geweld te mogen aandoen en hem toestond zich terug te trekken in een woestenij in de bergen van Calabrië.
Calabrië en de brief aan zijn broeders
De heilige vond een geschikte eenzaamheid in het bisdom Squillace en vestigde zich daar in 1090 met enige nieuwe leerlingen die hij in Rome had verkregen. Hier hervatte hij met nog grotere vreugde en vurigheid dan tevoren de oefeningen van het kluizenaarsleven. Hij herinnerde zich de belofte van zijn oude vriend Raoul, proost van Reims, om eveneens het eenzame leven te omhelzen en schreef hem vanuit deze woestijn een voortreffelijke en innige brief. Daarin nodigde hij hem uit naar zijn kluizenarij te komen, herinnerde hem aan zijn belofte en aan de verplichting die hij op zich had genomen en gaf hem een aangename en opgewekte beschrijving van zijn woestijn en van de onafgebroken zuivere vreugde en vertroostingen die hij en zijn gezellen er vonden. Uit de toon van deze brief blijkt voldoende hoe ver de heilige verwijderd was van iedere neiging tot zwaarmoedigheid, norsheid of harde strengheid. Blijdschap van de ziel, die de deugd steeds vergezelt, is bijzonder noodzakelijk voor hen die geroepen zijn tot een leven van volkomen afzondering, waarin niets verderfelijker is dan droefgeestigheid en waarmee niets minder verenigbaar is dan een neiging tot overdreven zwaarmoedige overpeinzing. Zij die aan deze zwakheid lijden, moeten doorgaans ongeschikt worden geacht voor een staat van strenge en voortdurende afzondering. Ook grote vurigheid, die geen ogenblik aan ledigheid prijsgeeft, is daarvoor een noodzakelijke gesteldheid. Landuin, prior van de Chartreuse, ging naar Calabrië om de H. Bruno te raadplegen over de levenswijze die de heilige in de Chartreuse had ingevoerd, want zijn leerlingen verlangden op geen enkel punt af te wijken van de geest en levensregel van hun heilige meester. De H. Bruno schreef hun een voortreffelijke brief, vervuld van tedere liefde en van de Geest Gods, die hij Landuin meegaf toen deze in 1099 terugkeerde. In deze brief onderrichtte hij hen in de oefeningen van het eenzame leven, loste de moeilijkheden op die zij hem hadden voorgelegd, troostte hen in hun beproevingen en spoorde hen aan tot volharding en waakzaamheid tegen alle aanvallen van hun vijanden.

De geschriften van de H. Bruno
De voornaamste werken van de H. Bruno zijn zijn verklaringen van het Psalter en van de brieven van de H. Paulus. Beide worden als echte werken van onze heilige erkend en beantwoorden aan hetgeen over hem is overgeleverd, namelijk dat hij een van de geleerdste mannen was, niet alleen van zijn eigen tijd maar ook van vele andere tijden. Hij kende zowel het Hebreeuws als het Grieks en was zeer vertrouwd met de geschriften van de kerkvaders, in het bijzonder van de H. Ambrosius en de H. Augustinus. Hij verdedigt krachtig de leer van de H. Augustinus betreffende de geheimen van de goddelijke genade. In zijn verklaring van de Psalmen legt hij eerst de letterlijke betekenis uiteen, maar voert deze steeds terug tot de geestelijke zin en betrekt alles op Christus en zijn Kerk als de betekenis die voornamelijk door de Heilige Geest is bedoeld. Een kundig schrijver heeft over dit werk gezegd dat ieder die dit commentaar aandachtig leest zal erkennen dat het moeilijk zou zijn een werk van deze aard te vinden dat tegelijk helderder, degelijker, vollediger en beknopter is. Indien het beter bekend was, zou het meer worden gebruikt. Men zou dan overtuigd worden dat het een voortreffelijk werk is dat de sleutel verschaft tot het ware verstaan van de Psalmen en dat de schrijver meester was van alle wetenschappen en vervuld van de Geest Gods. Het ware te wensen dat dit commentaar in handen kwam van alle gelovigen en vooral van degenen die krachtens hun levensstaat verplicht zijn tot het openbare gebed. Een elegie van veertien verzen over de verachting van de wereld of over de laatste dingen, die aan de H. Bruno wordt toegeschreven, was gegraveerd onder de afbeelding van de heilige in het koor van de beroemde kartuize van Dijon. Zij bevat een bewogen klacht over de algemene ongevoeligheid van de mensen die zo weinig denken aan een gelukkige of rampzalige eeuwigheid en werd in verschillende Latijnse gebedenboeken opgenomen. Verschillende andere verklaringen van de Heilige Schrift en andere geschriften zijn aan deze heilige toegeschreven, maar behoren deels aan de H. Bruno, bisschop van Segni, en deels aan Bruno, bisschop van Würzburg, die beiden in dezelfde tijd leefden.
De laatste jaren in Calabrië
Toen de H. Bruno zich in zijn woestenij in het bisdom Squillace had gevestigd, verlangde hij niets anders dan onbekend voor de mensen te leven. Maar hoe verborgen hij ook leefde, hij had nog niet lang in zijn nieuwe kluizenarij verbleven toen Roger, vorstelijk graaf van Sicilië en Calabrië, hem op zekere dag ontdekte terwijl hij in dat bos aan het jagen was. Nadat de vorst met hem had gesproken, werd hij zozeer door zijn deugd getroffen dat hij vurig verlangde zijn hoogachting door bijzondere gunsten te tonen. De liefde tot de armoede en een volkomen onthechte geest lieten de heilige man echter niet toe voordeel te trekken uit diens vrijgevigheid door rijke geschenken te aanvaarden. Het klooster della Torre in Calabrië was het tweede huis van de orde. De H. Bruno vestigde er de volmaaktste geest van nederigheid, verachting van de wereld, afzondering en versterving en bleef tegelijk door zijn raad en onderrichtingen op afstand de monniken van de Grande Chartreuse leiden in al hun geestelijke en tijdelijke moeilijkheden.
Zijn laatste ziekte, geloofsbelijdenis en dood
Toen de tijd gekomen was waarop God besloten had de arbeid van zijn dienaar te belonen, bezocht Hij hem tegen het einde van september 1101 met ziekte. Toen de heilige bemerkte dat zijn dood nabij was, verzamelde hij zijn monniken rond zijn bed en legde in hun tegenwoordigheid als het ware openbaar rekenschap af van zijn leven. Vervolgens legde hij een belijdenis van zijn geloof af, die zijn leerlingen uit zijn mond optekenden en bewaarden. Zij is zeer duidelijk en uitdrukkelijk over de geheimen van de Allerheiligste Drie eenheid en de Menswording en veroordeelt de ketterij van Berengarius, die kort tevoren grote beroeringen in de Kerk had veroorzaakt. Over het Sacrament des Altaars beleed de heilige zijn geloof aldus: Ik geloof de Sacramenten die de Kerk gelooft en in het bijzonder dat het brood en de wijn die op het altaar worden geconsacreerd waarlijk het lichaam van onze Heer Jezus Christus zijn, zijn waarachtig vlees en zijn waarachtig bloed, dat wij ontvangen tot vergeving van onze zonden en in de hoop op het eeuwige leven. Deze leer van de Kerk tegen Berengarius had hij reeds uitvoeriger uiteengezet in zijn verklaring van de H. Paulus. Hij gaf zijn ziel aan God terug op zondag 6 oktober 1101. Zijn monniken van La Torre zonden overeenkomstig het gebruik een rondzendbrief over zijn dood aan de omliggende kerken en kloosters met het verzoek de ziel van de overledene in hun gebeden aan te bevelen. Bijna tweehonderd antwoorden op deze brief zijn bewaard gebleven en bevatten de hoogste lofprijzingen van de buitengewone deugd, wijsheid en geleerdheid van de H. Bruno. Lanuin, een leerling van onze heilige in Calabrië, volgde hem op in het bestuur van het klooster della Torre en stond in hoog aanzien bij paus Paschalis II. De H. Bruno werd begraven op het kerkhof van de kerk van de H. Maagd te Torre. Sommigen hebben beweerd dat zijn lichaam later naar de kerk van de H. Stefanus werd overgebracht, maar dit is weinig waarschijnlijk, aangezien zijn gebeente in 1515 op de eerstgenoemde plaats werd teruggevonden. Paus Leo X had reeds het jaar tevoren aan zijn orde toegestaan een officie ter ere van hem te vieren. In 1623 breidde Gregorius XV zijn officie uit tot de gehele Kerk. Een gedeelte van zijn kaakbeen met twee tanden werd naar de Grande Chartreuse gezonden, een vinger naar de kartuize van Parijs en kleine gedeelten van zijn relieken naar de kartuizen van Keulen, zijn geboortestad, en Freiburg. (Butler)
Dom Guéranger over de H. Bruno en het kartuizerleven
Hoewel het arbeidsveld zich steeds verder uitbreidt en de noodzaak van strijd en worsteling steeds dringender wordt, aarzelt de Kerk niet om allen die door de genade tot het leven in de woestijn geroepen zijn, met de bescherming van haar wetten te omringen en met de grootste gunsten aan te moedigen. De reden daarvan is niet ver te zoeken. Heeft de mens, in een tijd waarin iedere poging om de wereld in haar halsstarrige neergang tegen te houden vergeefs schijnt, niet meer dan ooit behoefte zich voor God neer te werpen? De vijand weet dit, en daarom is de eerste wet die hij zijn dienaren oplegt, hun iedere toegang tot de weg der kloosters te ontzeggen en ieder leven van aanbidding, boete en gebed te verstikken. Want hij weet maar al te goed dat er, al schijnt een volk aan de vooravond van zijn ondergang te staan, nog hoop voor het is zolang de besten van zijn zonen voor de Majesteit van God ter aarde liggen.

Zie naar de geschiedenis van het Westen in de elfde eeuw. Indien er ooit een tijd is geweest waarin het dringend scheen dat het klooster, verre van het aantal van zijn bewoners te vermeerderen, hen tot de laatste man moest uitzenden voor de actieve dienst van de Kerk, dan was het wel de tijd waarin het vlees, zegevierend over de geest, zijn overwinningen zelfs in het heiligdom had opgericht en waarin Caesar en Satan, elk omwille van de ander, de herders van het volk in slavernij hielden. En toch werd juist in die tijd niet alleen Cluny een bolwerk van de christenheid, maar werden ook Camaldoli, Vallombrosa, de Chartreuse en ten slotte Cîteaux gesticht en kwamen zij tot grote bloei. Zo groot was zelfs binnen het kloosterleven de behoefte aan steeds diepere afzondering bij zielen die dorstten naar zelfoffer en boete. En verre van zich verlaten te achten, rekende de wereld Romualdus, Johannes Gualbertus, Bruno en Robertus van Molesme onder haar roemrijkste bevrijders. Bovendien was die eeuw groot in geloof en in die kracht van het geloof die vuur en staal wist aan te wenden op de etterende wonden van de mensheid. Zij was groot in de rechtschapenheid waarmee zij de noodzaak van boete voor zulke ten hemel schreiende euvelen erkende. De samenleving, in haar uitgelezenste leden voor de voeten van God vertegenwoordigd, ontving van Hem nieuw leven.
Dit feest is dan ook de hulde van de wereld aan een van haar grootste weldoeners. De legende van het Brevier is kort, maar wie meer over onze heilige wil vernemen, kan zijn toevlucht nemen tot zijn werken. Zijn brieven ademen de geur van de eenzaamheid en zijn geschreven in de schone stijl die de monniken van die heldhaftige tijd eigen was. Zijn commentaren op de H. Paulus en op de Psalmen zijn helder en beknopt en openbaren tegelijk zijn geleerdheid en zijn liefde tot Jezus en tot de Kerk.
Volgens het gebruik van die tijd werd de breve depositionis, waarin zijn dood werd bekendgemaakt, van kerk tot kerk rondgezonden en keerde zij terug, bedekt met getuigenissen van algemene verering. Zijn leerlingen waren er evenwel meer op bedacht zijn heiligheid na te volgen dan haar door de Apostolische Stoel te doen erkennen. Vier eeuwen na zijn dood gaf Leo X, zonder enig proces en op grond van de eenvoudige bewijskracht van de zaak zelf, aan de kartuizers toestemming hun vader openbare eer te bewijzen. Een eeuw later, in 1622, breidde Gregorius XV zijn feest uit tot de gehele wereld.
Brief van de H. Bruno aan zijn kartuizer broeders
De H. Bruno legde in 1084 met zijn gezellen in de eenzaamheid van de Chartreuse de grondslag voor de kartuizer levenswijze. Vanuit Calabrië schreef hij later deze brief aan de broeders van de Grande Chartreuse. In zijn eigen woorden zien wij het leven dat hij hun had voorgehouden: afzondering van de wereld, gehoorzaamheid, nederigheid, broederlijke liefde en het zoeken van God.
Aan zijn broeders, hem boven alles dierbaar in Christus, groet broeder Bruno in de Heer. Toen ik uit de herhaalde en aangename berichten van onze zeer dierbare broeder Landuin vernam van de standvastige gestrengheid van uw redelijke en waarlijk prijzenswaardige levensregel, en tevens hoorde van uw heilige liefde en uw onvermoeide ijver voor hetgeen rein en eerbaar is, verheugde mijn geest zich in de Heer. Waarlijk, ik verheug mij en word bewogen tot lof en dankzegging aan de Heer, en toch zucht ik bitter. Ik verheug mij namelijk, zoals het behoort, over de groei van de vruchten van uw deugden. Over mijzelf echter treur ik en schaam ik mij, omdat ik werkeloos en traag neerlig in het vuil van mijn zonden. Verheugt u dan, mijn zeer geliefde broeders, over het geluk dat u ten deel is gevallen en over de milde hand van Gods genade jegens u. Verheugt u, omdat gij ontkomen zijt aan de veelvuldige gevaren en schipbreuken van deze woelige wereld. Verheugt u, omdat gij de rustige en veilige ankerplaats van een meer verborgen haven hebt bereikt. Velen verlangen daarheen te komen en velen spannen zich er met grote inspanning voor in, maar bereiken haar toch niet. Velen ook zijn, nadat zij haar eenmaal verkregen hadden, er weer van uitgesloten, omdat het hun niet van boven gegeven was. Daarom, mijn broeders, moet het voor u zeker en beproefd vaststaan dat ieder die dit begeerlijke goed heeft mogen genieten, wanneer hij het op enigerlei wijze verliest, daarover tot het einde zal treuren, indien hij nog enig besef of enige zorg voor het heil van zijn ziel bezit.
Over u, mijn zeer geliefde lekenbroeders, zeg ik: Mijn ziel maakt groot de Heer, want ik aanschouw de grootheid van zijn barmhartigheid over u, naar hetgeen uw prior en zeer liefhebbende vader mij heeft bericht. Hij beroemt zich zeer op u en verheugt zich over u. Ook wij verheugen ons, omdat de almachtige God, hoewel gij de kennis der letteren niet bezit, met zijn vinger in uw harten niet alleen de liefde tot, maar ook de kennis van zijn heilige wet schrijft. Door uw werken toont gij immers wat gij liefhebt en wat gij kent. Want wanneer gij de ware gehoorzaamheid met alle zorgvuldigheid en ijver onderhoudt, die de vervulling van Gods geboden is en de sleutel en het zegel van de gehele geestelijke tucht, die nooit bestaat zonder grote nederigheid en uitnemend geduld, en die steeds vergezeld wordt door een reine liefde tot de Heer en ware naastenliefde, dan blijkt daaruit dat gij met wijsheid de alleraardigste en levengevende vrucht van de goddelijke Schrift zelf leest. Blijft daarom, mijn broeders, bij hetgeen gij bereikt hebt. Vermijdt als de pest de verderfelijke kudde van sommige volkomen ijdele lekenbroeders, die hun geschriften met zich ronddragen en mompelen over dingen die zij niet begrijpen en niet liefhebben, en die zij met woorden en daden tegenspreken. Zij zijn leeglopers en rondzwervers. Zij belasteren allen die goed en godvruchtig leven en menen dat het hun tot lof strekt wanneer zij hen die lof verdienen in een kwade reuk kunnen brengen. Gehoorzaamheid en iedere vorm van tucht zijn hun gehaat.
Broeder Landuin wilde ik wegens zijn ernstige en veelvuldige ziekten bij ons houden. Maar omdat hij meent dat zonder u niets hem gezond, niets aangenaam, niets levengevend en niets nuttig kan zijn, stemde hij daarin niet toe. Onder een overvloed van tranen die hij om u stortte en onder vele zuchten betuigde hij mij hoe dierbaar gij hem zijt en met welk een volmaakte liefde hij u allen bemint. Daarom wilde ik hem nergens toe dwingen, opdat ik hem niet zou bedroeven, noch u, die ik terecht zeer dierbaar houd wegens uw deugden. Daarom vermaan ik uw broederschap dringend en verzoek ik u nederig en met grote aandrang dat gij de liefde die gij in uw hart voor hem draagt, ook door uw daden jegens hem toont, als jegens uw prior en uw zeer geliefde vader. Voorziet hem met goedheid en vooruitziende zorg van hetgeen hij wegens zijn menigvuldige lichamelijke zwakheden nodig heeft. Wanneer hij echter bij dit werk van menslievendheid niet met u wil instemmen, omdat hij liever zijn gezondheid en zijn leven in gevaar brengt dan iets van de gestrengheid van de lichamelijke tucht prijs te geven, hetgeen volstrekt moet worden afgekeurd, dan doet hij dat wellicht omdat hij zich zou schamen wanneer hij, die in het geestelijke leven de eerste is, in dit opzicht als de laatste zou worden aangetroffen. Hij vreest misschien dat iemand van u door zijn voorbeeld slapper of lauwer zou worden. Ik meen echter dat daarvoor volstrekt geen vrees bestaat. Opdat gij deze gelegenheid tot een werk van liefde niet zou missen, dragen wij daarom in deze ene zaak onze bevoegdheid aan uw liefde over. Het is u toegestaan hem met eerbied te verplichten datgene te aanvaarden wat gij voor zijn gezondheid nodig acht.
Wat mij betreft, broeders, weet dat ik na God slechts één verlangen heb: tot u te komen en u te zien. Wanneer ik daartoe in staat ben, zal ik het met Gods hulp ook werkelijk doen. Vaart wel.