Quas Primas

Katholieke Klassieken

Quas primas

ENCYCLIEK

van Z.H. Pius XI

Over het koningschap van Onze Heer Jezus Christus

11 december 1925

Aan onze eerbiedwaardige broeders, de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en overige plaatselijke kerkelijke overheden die in vrede en gemeenschap met de Apostolische Stoel leven.

Eerbiedwaardige broeders, heil en apostolische zegen.

In onze eerste encycliek, die wij na de aanvaarding van het pausschap tot alle bisschoppen hebben gericht, hebben wij de voornaamste oorzaken onderzocht van de zware rampen waaronder de mensheid gebukt gaat. Wij hebben toen duidelijk verklaard dat deze overvloed van ellende de wereld heeft getroffen omdat de meeste mensen Jezus Christus en zijn allerheiligste wet uit hun persoonlijke leven, uit hun gezinnen en uit de samenleving hebben verwijderd. Ook hebben wij erop gewezen dat er geen gegronde hoop op een duurzame vrede tussen de volkeren kan bestaan zolang de afzonderlijke mensen en de staten weigeren de heerschappij van onze Verlosser te erkennen en te aanvaarden. Daarom hebben wij aangespoord de vrede van Christus te zoeken in het Koninkrijk van Christus en beloofd daartoe naar vermogen alles in het werk te stellen. Wij herhalen dat de vrede gezocht moet worden in het Koninkrijk van Christus, want naar onze overtuiging bestaat er geen doeltreffender middel om de vrede te herstellen en duurzaam te bevestigen dan het herstel van de heerschappij van onze Heer Jezus Christus.

Intussen heeft een verschijnsel ons de vaste hoop op betere tijden gegeven. Wij bedoelen de toenemende belangstelling voor Christus en zijn Kerk, die als enige het heil brengt. Die belangstelling is op sommige plaatsen nieuw ontstaan en elders krachtiger geworden. Hieruit blijkt dat voor velen die vroeger het gezag van onze Verlosser verwierpen en zich daardoor buiten zijn Koninkrijk plaatsten, de weg wordt voorbereid om tot gehoorzaamheid aan Christus terug te keren.

Gedurende dit Heilig Jaar hebben zich vele gedenkwaardige gebeurtenissen voorgedaan die tot grote eer en heerlijkheid hebben gestrekt van onze Heer en Koning, de Stichter van de Kerk. Op de Vaticaanse missietentoonstelling konden velen zien met hoeveel ijver de Kerk zich voortdurend inspant om het Koninkrijk van haar Bruidegom uit te breiden tot in de verst verwijderde streken van de aarde. Zij konden aanschouwen hoeveel landen reeds door de onvermoeibare arbeid en de offers van de missionarissen voor het katholieke geloof gewonnen zijn, maar ook hoeveel gebieden nog wachten op de heilzame en liefdevolle heerschappij van onze Koning. De talrijke gelovigen die gedurende het Heilig Jaar onder leiding van hun bisschoppen en priesters naar Rome zijn gekomen, hadden allen hetzelfde doel: zich van hun zonden te zuiveren en bij de graven van de apostelen, in onze tegenwoordigheid, hun trouw aan het Koninkrijk van Christus te betuigen.

Dit Koninkrijk van onze Verlosser werd met nieuwe luister omgeven toen wij zes belijders en maagden, wier buitengewone deugden naar behoren waren vastgesteld, tot de eer der altaren verhieven. Grote vreugde en troost vervulden ons hart toen in de indrukwekkende Sint-Pietersbasiliek, na onze plechtige uitspraak, uit de mond van een ontelbare menigte gelovigen het danklied weerklonk: Gij, o Christus, zijt de Koning der heerlijkheid. Terwijl mensen en volkeren die zich van God hebben afgekeerd door onderlinge afgunst en verdeeldheid hun ondergang tegemoetgaan, blijft de Kerk haar taak vervullen en de mensheid het voedsel van het geestelijke leven schenken. Zij brengt telkens nieuwe zonen en dochters voor Christus voort en voedt hen op in trouw en gehoorzaamheid aan zijn Koninkrijk op aarde, opdat zij eenmaal door Hem tot de eeuwige zaligheid in zijn hemelse Koninkrijk worden geroepen.

In dit jubeljaar wordt bovendien de zestiende eeuwherdenking van het Concilie van Nicea gevierd. Wij hebben bevolen deze gebeurtenis plechtig te herdenken en hebben zelf aan de viering in de Vaticaanse basiliek deelgenomen. Daartoe bestond een bijzondere reden. Dit concilie heeft immers de wezensgelijkheid van de eniggeboren Zoon met de Vader plechtig als katholieke geloofswaarheid vastgesteld en in de geloofsbelijdenis de woorden opgenomen dat aan zijn Koninkrijk geen einde zal komen. Daarmee werd ook de koninklijke waardigheid van Christus beleden.

Daar dit Heilig Jaar ons dus meer dan één gelegenheid heeft geboden om het koningschap van Christus in een nieuw licht te plaatsen, menen wij geheel in overeenstemming met ons apostolisch ambt te handelen wanneer wij dit jaar besluiten met de instelling van een bijzonder feest van onze Heer Jezus Christus Koning in de heilige liturgie van de Kerk. Daarmee voldoen wij aan de talrijke verzoeken die kardinalen, bisschoppen en gelovigen, afzonderlijk en gezamenlijk, tot ons hebben gericht. Dit onderwerp ligt ons zozeer ter harte, eerbiedwaardige broeders, dat wij er enige woorden aan willen wijden. Vervolgens zal het uw taak zijn om hetgeen wij over de verering van Christus Koning uiteenzetten, op passende wijze aan de gelovigen te verklaren, opdat de instelling van dit jaarlijkse feest ook in de toekomst overvloedige geestelijke vruchten mag voortbrengen.

Het is reeds lang algemeen gebruikelijk Christus in overdrachtelijke zin Koning te noemen, vanwege de hoogste voortreffelijkheid waardoor Hij boven alle geschapen dingen uitmunt. Zo zegt men dat Hij heerst over het verstand van de mensen, niet zozeer vanwege de scherpte van zijn geest en de omvang van zijn kennis, maar omdat Hij de Waarheid zelf is en de mensen de waarheid uit Hem moeten putten en gehoorzaam aanvaarden. Evenzo heerst Hij over de wil van de mensen, omdat in Hem niet alleen de menselijke wil volkomen overeenstemt met de heiligheid van de goddelijke wil en daaraan gehoorzaamt, maar ook omdat Hij door zijn werking en aansporing onze vrije wil zo beïnvloedt dat wij ontvlammen in liefde voor al wat edel is. Ten slotte wordt Christus erkend als Koning van de harten vanwege zijn alles overtreffende liefde en zijn zachtmoedigheid en goedheid, waardoor Hij de mensen tot zich trekt. Want nooit is iemand onder alle mensen zo bemind geweest als Christus Jezus, en ook in de toekomst zal niemand zo bemind worden. Maar wanneer wij de zaak nauwkeuriger beschouwen, ziet iedereen in dat de naam en de macht van Koning ook in de eigenlijke betekenis van het woord aan Christus als mens moeten worden toegekend. Want alleen voor zover Hij mens is, kan gezegd worden dat Hij van de Vader macht, eer en het koningschap heeft ontvangen. Het Woord van God immers, dat één in wezen is met de Vader, bezit noodzakelijkerwijs alles gemeenschappelijk met de Vader en heeft daarom over alle geschapen dingen de hoogste en volstrekte heerschappij.

Lezen wij niet overal in de Heilige Schrift dat Christus Koning is? Hij wordt genoemd de heerser die uit Jakob zal voortkomen, die door de Vader tot Koning is aangesteld over Sion, zijn heilige berg, en die de volkeren tot erfdeel en de grenzen der aarde tot bezit zal ontvangen. In het bruiloftslied waarin onder het beeld van een zeer rijke en machtige koning de ware, toekomstige Koning van Israël wordt bezongen, lezen wij: Uw troon, o God, staat in alle eeuwigheid. Een scepter van gerechtigheid is de scepter van uw Koninkrijk. Om vele dergelijke getuigenissen voorbij te gaan, wordt elders, alsof men de trekken van Christus nog duidelijker wilde tekenen, voorzegd dat zijn Koninkrijk geen grenzen zal kennen en rijk zal zijn aan gerechtigheid en vrede: In zijn dagen zal gerechtigheid opbloeien en overvloed van vrede. En Hij zal heersen van zee tot zee, van de rivier tot aan de grenzen der aarde. Daarbij komen nog talrijker uitspraken van de profeten, vooral die bekende voorspelling van Jesaja: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouders. Zijn naam zal zijn: Wonderbare Raadsman, sterke God, Vader der toekomstige eeuwigheid, Vredevorst. Zijn heerschappij zal toenemen en aan de vrede zal geen einde zijn. Hij zal zetelen op de troon van David en over zijn Koninkrijk heersen, om het te bevestigen en te versterken door recht en gerechtigheid, van nu af tot in eeuwigheid. De overige profeten verkondigen niets anders dan Jesaja. Zo voorspelt Jeremia dat uit het geslacht van David een rechtvaardige Spruit zal voortkomen, een zoon van David die als een wijze Koning zal regeren en recht zal doen op aarde. Daniël voorzegt een Koninkrijk dat door de God des hemels zal worden opgericht, dat nooit vernietigd zal worden en eeuwig zal blijven bestaan. Kort daarop voegt hij eraan toe: Ik zag in de nachtelijke gezichten, en zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een Mensenzoon. Hij naderde tot de Oude van dagen en werd voor Hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap gegeven, en alle volken, stammen en talen zullen Hem dienen. Zijn macht is een eeuwige macht, die Hem niet ontnomen zal worden, en zijn Koninkrijk zal niet te gronde gaan. Ook de voorspelling van Zacharias over de zachtmoedige Koning, die gezeten op een ezelin en haar veulen als rechtvaardige en Verlosser onder het gejubel van de menigte Jeruzalem zou binnentrekken, is volgens het getuigenis van de heilige evangelisten in vervulling gegaan.

Deze leer over Christus Koning, die wij in de boeken van het Oude Testament hebben aangetroffen, verdwijnt geenszins in het Nieuwe Testament, maar wordt daar integendeel op verheven en schitterende wijze bevestigd. Wij hoeven slechts te herinneren aan de boodschap van de aartsengel, die de Maagd verkondigde dat zij een Zoon zou baren, aan wie de Heer God de troon van zijn vader David zou geven, die eeuwig over het huis van Jakob zou regeren en aan wiens Koninkrijk geen einde zou komen. Bovendien getuigt Christus zelf van zijn koningschap. Toen Hij in zijn laatste toespraak tot het volk sprak over de beloningen en straffen die de rechtvaardigen en de schuldigen voor eeuwig zouden ontvangen, toen Hij de Romeinse landvoogd antwoordde die Hem openlijk vroeg of Hij Koning was, en toen Hij na zijn verrijzenis aan de apostelen de opdracht gaf alle volkeren te onderwijzen en te dopen, heeft Hij telkens de gelegenheid aangegrepen om zich de koninklijke naam toe te kennen, openlijk te bevestigen dat Hij Koning was en plechtig te verklaren dat Hem alle macht gegeven was in de hemel en op aarde. Wat wordt door deze woorden anders aangeduid dan de grootheid van zijn macht en de grenzeloosheid van zijn Koninkrijk? Is het dan verwonderlijk dat Hij, die door Johannes de Vorst van de koningen der aarde wordt genoemd, ook in het visioen van de toekomstige dingen aan de apostel verscheen met op zijn kleed en op zijn dij de naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heren? De Vader heeft Christus immers aangesteld tot erfgenaam van alles. Hij moet regeren totdat Hij bij het einde van de wereld al zijn vijanden onder de voeten van God en de Vader heeft gelegd.

Uit deze algemene leer van de Heilige Schrift moest noodzakelijk volgen dat de katholieke Kerk, die het Koninkrijk van Christus op aarde is en zich over alle mensen en alle landen moet uitbreiden, haar Stichter en Schepper gedurende de jaarlijkse kringloop van de heilige liturgie met veelvuldige hulde als Koning, Heer en Koning der koningen zou begroeten. Reeds in de oude psalmgezangen en de oude sacramentaria gebruikte zij deze verschillende uitdrukkingen van eerbetoon, die alle dezelfde betekenis hebben. Ook thans gebruikt zij ze dagelijks in haar openbare gebeden tot de goddelijke Majesteit en bij het opdragen van het onbevlekte Offer. In deze voortdurende lofprijzing van Christus Koning openbaart zich de schoonste overeenstemming tussen onze liturgische ritussen en die van het Oosten, zodat ook hier het beginsel geldt dat de wet van het gebed de wet van het geloof bepaalt.

Op welke grondslag deze waardigheid en macht van onze Heer berusten, heeft de heilige Cyrillus van Alexandrië treffend uiteengezet: Om het in één woord te zeggen: Hij bezit de heerschappij over alle schepselen, niet door geweld verkregen en evenmin van elders ontvangen, maar krachtens zijn wezen en zijn natuur. Zijn koningschap berust namelijk op die wonderbare vereniging die men de hypostatische vereniging noemt. Daaruit volgt niet alleen dat Christus door engelen en mensen als God moet worden aanbeden, maar ook dat engelen en mensen aan het gezag van Christus als mens moeten gehoorzamen en onderworpen zijn. Reeds krachtens de hypostatische vereniging bezit Christus dus de macht over alle schepselen.

Maar wat kan voor ons aangenamer en troostrijker zijn dan te bedenken dat Christus niet alleen krachtens zijn natuur, maar ook krachtens een verworven recht, namelijk dat van de verlossing, over ons heerst? Mochten alle mensen die dit vergeten zijn toch bedenken wat wij onze Verlosser hebben gekost: Niet door vergankelijke dingen, goud of zilver, zijt gij verlost, maar door het kostbare Bloed van Christus, als van een vlekkeloos en onbesmet Lam. Wij behoren niet langer aan onszelf toe, omdat Christus ons voor een hoge prijs heeft gekocht. Zelfs onze lichamen zijn ledematen van Christus.

Om nu de kracht en de aard van dit koningschap in het kort uiteen te zetten, behoeft nauwelijks gezegd te worden dat het drieërlei macht omvat, zonder welke een koningschap nauwelijks denkbaar is. De getuigenissen die wij uit de Heilige Schrift hebben aangehaald over de algemene heerschappij van onze Verlosser, tonen dit reeds meer dan voldoende aan. Het behoort bovendien tot het katholieke geloof dat Jezus Christus aan de mensen gegeven is als Verlosser, op wie zij moeten vertrouwen, maar tegelijk als Wetgever, aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn. De evangelies verhalen niet alleen dat Hij wetten heeft vastgesteld, maar stellen Hem ook voor als Degene die met gezag wetten geeft. Wie zijn geboden onderhouden, zullen volgens de goddelijke Meester daarmee hun liefde voor Hem bewijzen en in zijn liefde blijven. Dat Hem door de Vader ook de rechterlijke macht is gegeven, verklaart Jezus zelf aan de Joden, toen zij Hem verweten dat Hij door de wonderbare genezing van een zieke de sabbatsrust had geschonden: Want de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven. Daarin ligt tevens besloten dat Hij het recht heeft reeds tijdens dit leven aan de mensen beloningen en straffen toe te kennen, want dit kan van de rechterlijke macht niet worden gescheiden. Bovendien moet Christus ook de uitvoerende macht worden toegekend, omdat allen verplicht zijn aan zijn bevelen te gehoorzamen. Aan hen die zich tegen Hem verzetten, zijn straffen aangekondigd waaraan niemand kan ontkomen.

Dat dit Koninkrijk echter op bijzondere wijze geestelijk is en op geestelijke zaken betrekking heeft, blijkt zowel uit de reeds aangehaalde woorden van de Heilige Schrift als uit de handelwijze van Christus zelf. Toen de Joden en zelfs de apostelen herhaaldelijk ten onrechte meenden dat de Messias het volk zijn vrijheid zou teruggeven en het koninkrijk Israël zou herstellen, wees Hij deze ijdele verwachting van de hand. Toen de bewonderende menigte Hem tot koning wilde uitroepen, onttrok Hij zich aan die eer door te vluchten en zich te verbergen. Ten overstaan van de Romeinse landvoogd verklaarde Hij dat zijn Koninkrijk niet van deze wereld was. In de evangelies wordt dit Koninkrijk zo voorgesteld dat de mensen zich door boetvaardigheid op de toegang ertoe moeten voorbereiden. Zij kunnen het niet binnengaan dan door het geloof en het doopsel, dat weliswaar een uiterlijke handeling is, maar een innerlijke wedergeboorte aanduidt en bewerkt. Dit Koninkrijk staat uitsluitend tegenover het rijk van Satan en de macht van de duisternis. Het verlangt van zijn onderdanen niet alleen dat zij hun hart losmaken van rijkdom en aardse goederen, zachtmoedig zijn en hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, maar ook dat zij zichzelf verloochenen en hun kruis opnemen.

Omdat Christus als Verlosser de Kerk met zijn Bloed heeft verworven en als Priester zichzelf voor de zonden als offer heeft opgedragen en voortdurend blijft opdragen, is het duidelijk dat zijn koninklijk ambt deel heeft aan de aard van deze beide ambten. Overigens zou men zich schromelijk vergissen wanneer men aan Christus als mens iedere heerschappij over de burgerlijke aangelegenheden zou ontzeggen. Hij heeft immers van de Vader een zo volstrekt recht over alle geschapen dingen ontvangen dat alles aan zijn wil is onderworpen. Niettemin heeft Hij zich gedurende zijn aardse leven geheel onthouden van de uitoefening van deze heerschappij. Zoals Hij destijds het bezit en het beheer van aardse goederen versmaadde, zo liet Hij deze aan hun bezitters over en doet Hij dat nog. Hierop zijn de bekende woorden toepasselijk: Hij die de hemelse koninkrijken schenkt, ontneemt de aardse koninkrijken niet.

Het koningschap van onze Verlosser omvat derhalve alle mensen. Wij maken hier graag de woorden tot de onze van onze voorganger Leo XIII, wiens gedachtenis onsterfelijk is: Zijn heerschappij strekt zich niet alleen uit over de katholieke volkeren of over hen die door het heilig doopsel gereinigd zijn en daardoor rechtens tot de Kerk behoren, ook wanneer dwalingen hen op een dwaalweg hebben gebracht of verdeeldheid hen van de liefde heeft gescheiden. Zij omvat eveneens allen die het christelijk geloof niet bezitten, zodat werkelijk het gehele menselijk geslacht onder de macht van Jezus Christus staat. In dit opzicht bestaat er geen verschil tussen afzonderlijke personen, gezinnen en staten, want mensen die in een gemeenschap verenigd zijn, staan niet minder onder de macht van Christus dan afzonderlijke personen. Hij is dezelfde bron van heil voor de enkeling en voor de gemeenschap: En bij niemand anders is het heil, want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij zalig moeten worden. Hij is voor de afzonderlijke burgers en voor de staat dezelfde oorsprong van ware voorspoed en geluk. Want, zoals de heilige Augustinus zegt, een staat wordt niet op andere wijze gelukkig dan een mens, aangezien een staat niets anders is dan een eensgezinde gemeenschap van mensen.

Laten daarom de bestuurders van de volkeren niet weigeren om persoonlijk en namens hun volk aan de heerschappij van Christus de openbare hulde van eerbied en gehoorzaamheid te brengen, wanneer zij hun eigen gezag willen bewaren en de voorspoed van hun vaderland willen bevorderen. Wat wij bij het begin van ons pontificaat schreven over het sterk verminderde aanzien van het recht en de eerbied voor het gezag, is immers ook op de tegenwoordige tijd volkomen van toepassing. Wij betreurden toen dat, nu God en Jezus Christus uit de wetten en uit het openbare leven zijn verwijderd en het gezag niet langer van God, maar van de mensen wordt afgeleid, de grondslagen van het gezag zelf worden ondermijnd. Daarmee is immers de voornaamste reden weggenomen waarom sommigen het recht hebben te bevelen en anderen de plicht hebben te gehoorzamen. Het gevolg moest noodzakelijk zijn dat de gehele menselijke samenleving aan het wankelen werd gebracht, omdat zij niet langer op een vaste grondslag en een betrouwbare steun rustte.

Wanneer de mensen daarentegen zowel in hun persoonlijke leven als in het openbare leven het koninklijk gezag van Christus erkennen, zullen ongetwijfeld onschatbare weldaden de gehele samenleving ten deel vallen: rechtmatige vrijheid, orde en rust, eendracht en vrede. Zoals de koninklijke waardigheid van onze Heer het gezag van vorsten en bestuurders met een zekere godsdienstige wijding bekleedt, zo verleent zij ook aan de plichten en de gehoorzaamheid van de burgers een hogere waardigheid. Daarom heeft de apostel Paulus, hoewel hij vrouwen en dienaren aanspoorde om in hun echtgenoot en hun meester Christus te eerbiedigen, hen tevens vermaand niet aan hen gehoorzaam te zijn alsof zij slechts mensen waren, maar omdat zij Christus vertegenwoordigden. Het zou immers onwaardig zijn wanneer mensen die door Christus zijn verlost, slaven van mensen zouden worden: Gij zijt voor een hoge prijs gekocht. Wordt geen slaven van mensen.

Wanneer wettig aangestelde vorsten en bestuurders ervan overtuigd zijn dat zij hun gezag niet zozeer krachtens een eigen recht uitoefenen, maar op bevel en in de plaats van de goddelijke Koning, dan zal iedereen begrijpen hoe heilig en verstandig zij van hun gezag gebruik zullen maken en hoezeer zij bij het vaststellen en handhaven van wetten rekening zullen houden met het algemeen welzijn en de menselijke waardigheid van degenen die aan hen zijn onderworpen. Dan zal de rust die uit een goede ordening voortvloeit, opbloeien en blijven bestaan, omdat iedere aanleiding tot oproer wordt weggenomen. De burger zal immers in zijn vorst en in de overige bestuurders weliswaar mensen zien die van nature zijn gelijken zijn en die om de een of andere reden zelfs onwaardig of berispelijk kunnen zijn, maar daarom zal hij hun gezag nog niet verwerpen, wanneer hij in hen het beeld en het gezag van Christus, God en mens, erkent.

Wat de weldaden van eendracht en vrede betreft, is het duidelijk dat de mensen zich des te meer bewust worden van de gemeenschap die hen onderling verbindt, naarmate het Koninkrijk van Christus zich verder uitbreidt en daadwerkelijk het gehele menselijk geslacht omvat. Dit bewustzijn voorkomt vele conflicten en verzacht en vermindert de hevigheid van de overige. Waarom zouden wij dan wanhopen aan de vrede die de vredevorst op aarde heeft gebracht, wanneer het Koninkrijk van Christus allen werkelijk zou omvatten, zoals het hen rechtens reeds omvat? Hij is gekomen om alles met elkaar te verzoenen. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Hoewel Hij de Heer van allen was, heeft Hij zichzelf tot voorbeeld van nederigheid gesteld en daarvan, samen met het gebod van de liefde, de voornaamste wet gemaakt. Bovendien heeft Hij gezegd: Mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Welk een geluk zou ons ten deel vallen wanneer de afzonderlijke mensen, de gezinnen en de staten zich door Christus lieten besturen! Dan eindelijk, om de woorden te gebruiken die onze voorganger Leo XIII vijfentwintig jaar geleden tot alle bisschoppen richtte, zouden zoveel wonden genezen kunnen worden, zou het recht zijn vroegere gezag herkrijgen en zou de vrede in haar luister worden hersteld. De zwaarden zouden wegvallen en de wapens uit de handen glijden, wanneer allen gewillig de heerschappij van Christus aanvaarden en Hem gehoorzamen, en iedere tong zou belijden dat de Heer Jezus Christus in de heerlijkheid van God de Vader is.

Opdat deze zozeer gewenste weldaden in rijkere mate worden verkregen en in de christelijke samenleving duurzamer worden bevestigd, moet de kennis van de koninklijke waardigheid van onze Verlosser zo ruim mogelijk worden verbreid. Niets lijkt ons daartoe nuttiger dan de instelling van een eigen en bijzonder feest van Christus Koning. Want om het volk te onderrichten in de waarheden van het geloof en het daardoor op te voeren tot de innerlijke vreugden van het geestelijke leven, bezitten de jaarlijkse vieringen van de heilige geheimen een veel grotere kracht dan zelfs de gewichtigste documenten van het kerkelijk leergezag. Deze laatste bereiken gewoonlijk slechts een kleiner aantal ontwikkelde mensen, terwijl de feestdagen alle gelovigen aanspreken en onderrichten. De documenten spreken slechts eenmaal, maar de feesten keren ieder jaar terug en spreken als het ware voortdurend. De eerste richten zich vooral tot het verstand, de laatste raken zowel het verstand als het hart en oefenen zo een heilzame invloed uit op de gehele mens. Omdat de mens uit ziel en lichaam bestaat, moet hij door de uiterlijke plechtigheid van de feestdagen worden bewogen en aangespoord, opdat hij door de verscheidenheid en schoonheid van de heilige riten de goddelijke leer overvloediger in zich opneemt en deze, wanneer zij als het ware tot zijn eigen vlees en bloed is geworden, aanwendt tot zijn vooruitgang in het geestelijke leven.

Uit de geschiedenis weten wij dat dergelijke feesten in de loop der eeuwen telkens werden ingesteld wanneer de nood of het welzijn van het christenvolk dit verlangde. Dat gebeurde wanneer het volk in een gemeenschappelijk gevaar moest worden gesterkt, wanneer het tegen de dwalingen van opkomende ketterijen moest worden beschermd, of wanneer het met grotere godsvrucht moest worden opgewekt tot de overweging van een geloofsgeheim of een weldaad van de goddelijke goedheid. Zo begon men reeds in de eerste eeuwen van het christendom, toen de christenen aan de hevigste vervolgingen waren blootgesteld, de martelaren met heilige plechtigheden te gedenken, opdat, zoals de heilige Augustinus getuigt, de feesten der martelaren aansporingen tot het martelaarschap zouden zijn. De liturgische eer die later aan de heilige belijders, maagden en weduwen werd bewezen, heeft eveneens op wonderbare wijze bijgedragen tot het aanwakkeren van het streven naar de deugden die de gelovigen ook in vredige tijden nodig hebben. Vooral de feesten die ter ere van de Allerheiligste Maagd werden ingesteld, hebben ertoe geleid dat het christenvolk de Moeder Gods, zijn machtige Beschermster, niet alleen met grotere godsvrucht vereerde, maar ook met vuriger liefde de Moeder beminde die de Verlosser het als een testamentaire erfenis had nagelaten. Onder de weldaden die uit de openbare en wettige verering van de Moeder Gods en de heiligen zijn voortgekomen, mag niet op de laatste plaats worden genoemd dat de Kerk te allen tijde de besmetting van ketterijen en dwalingen onoverwonnen van zich heeft afgeweerd. Laten wij hierin het raadsbesluit bewonderen van de allerwijste God, die gewoon is uit het kwaad het goede voort te brengen. Hij heeft herhaaldelijk toegelaten dat het geloof en de godsvrucht van het volk verzwakten of dat valse leringen de katholieke waarheid bedreigden, maar telkens was het gevolg dat de waarheid met nieuwe luister schitterde en de godsvrucht, uit haar sluimering gewekt, zich tot hogere en heiligere dingen verhief.

De feesten die in latere eeuwen in de jaarlijkse liturgische kring werden opgenomen, hebben geen andere oorsprong gehad en geen andere vruchten voortgebracht. Toen bijvoorbeeld de eerbied en de verering voor het Allerheiligste Sacrament begonnen te verflauwen, werd het feest van Sacramentsdag ingesteld. Dit moest met zulk een plechtige luister worden gevierd, met schitterende processies en openbare gebeden gedurende het octaaf, dat de volkeren opnieuw werden opgeroepen om de Heer openlijk te aanbidden. Evenzo werd het feest van het Allerheiligst Hart van Jezus ingesteld in een tijd waarin de zielen van de mensen, verzwakt en ontmoedigd door de somberheid en strenge hardheid van de jansenisten, geheel verkild waren en van de liefde tot God en het vertrouwen op het eeuwige heil werden afgeschrikt.

Wanneer wij nu voorschrijven dat Christus Koning door de gehele katholieke wereld wordt vereerd, zullen wij daardoor tevens voorzien in de nood van onze tijd en een bijzonder geneesmiddel aanwenden tegen de kwaal die de menselijke samenleving heeft aangetast. Wij bedoelen de kwaal van onze tijd, het zogenaamde laïcisme, met zijn dwalingen en verderfelijke ondernemingen. Gij weet, eerbiedwaardige broeders, dat dit kwaad niet op één dag tot rijpheid is gekomen, maar reeds lang in de samenleving verborgen lag. Men begon de heerschappij van Christus over alle volkeren te ontkennen. Vervolgens ontkende men het recht van de Kerk, dat uit het recht van Christus zelf voortvloeit, om het menselijk geslacht te onderrichten, wetten te geven en de volkeren te besturen, opdat zij tot de eeuwige zaligheid worden geleid. Daarna werd de godsdienst van Christus geleidelijk gelijkgesteld met de valse godsdiensten en op geheel ongepaste wijze op één lijn met hen geplaatst. Vervolgens werd hij aan het burgerlijk gezag onderworpen en vrijwel overgelaten aan de willekeur van vorsten en bestuurders. Nog verder gingen zij die meenden dat de goddelijke godsdienst vervangen moest worden door een zekere natuurlijke godsdienst, die slechts op een natuurlijke godsdienstige gezindheid berustte. Er waren zelfs staten die meenden zonder God te kunnen bestaan en die hun godsdienst stelden in goddeloosheid en verwaarlozing van God.

Over de uiterst bittere vruchten die deze zo veelvuldige en langdurige afval van Christus, zowel van afzonderlijke burgers als van gehele staten, heeft voortgebracht, hebben wij reeds in onze encycliek Ubi arcano geklaagd, en ook heden beklagen wij ze opnieuw. Overal zijn de zaden van tweedracht gezaaid en de vlammen van afgunst en vijandschap tussen de volkeren aangewakkerd, die het herstel van de vrede nog altijd ernstig belemmeren. Wij zien de teugelloosheid van de begeerten, die niet zelden onder de schijn van het algemeen welzijn en de vaderlandsliefde wordt verborgen. Daaruit komen de verdeeldheid onder de burgers en die blinde, onmatige eigenliefde voort, die niets anders zoekt dan het eigen voordeel en gewin en alles daaraan afmeet. De huiselijke vrede is door het vergeten en verwaarlozen van de plichten geheel ondermijnd. De verbondenheid en de bestendigheid van het gezin zijn verzwakt. Ten slotte wordt de gehele menselijke samenleving geschokt en naar de ondergang gevoerd.

De jaarlijkse viering van het feest van Christus Koning vervult ons met de beste hoop dat de menselijke samenleving zich gelukkig zal haasten om tot haar liefdevolle Verlosser terug te keren. Het zou zeker de taak van de katholieken zijn deze terugkeer door hun handelen en werken te bevorderen en te bespoedigen. Maar velen van hen schijnen in het maatschappelijk leven niet die plaats in te nemen en niet dat gezag uit te oefenen dat past bij degenen die de fakkel van de waarheid dragen. Misschien moet dit nadeel worden toegeschreven aan de traagheid of vreesachtigheid van de goeden, die zich van tegenstand onthouden of slechts zwak weerstand bieden. Daardoor worden de tegenstanders van de Kerk noodzakelijkerwijs stoutmoediger en vermeteler. Wanneer echter alle gelovigen begrijpen dat zij onder de vaandels van Christus Koning moedig en voortdurend moeten strijden, zullen zij, bezield met apostolische ijver, trachten de van God vervreemde of onwetende zielen met hun Heer te verzoenen en zich inspannen om zijn rechten ongeschonden te bewaren. Zal bovendien de jaarlijkse viering van Christus Koning onder alle volkeren niet in hoge mate bijdragen tot het aanklagen en enigermate herstellen van die openbare afval die het laïcisme met zoveel schade voor de samenleving heeft veroorzaakt? Want hoe onwaardiger de allerzoetste naam van onze Verlosser op internationale bijeenkomsten en in parlementen met stilzwijgen wordt voorbijgegaan, des te luider moet die naam worden verkondigd en des te nadrukkelijker moeten de rechten van Christus’ koninklijke waardigheid en macht worden bevestigd.

Zien wij bovendien niet dat reeds sinds het einde van de vorige eeuw op voortreffelijke wijze de weg is bereid voor de instelling van deze feestdag? Iedereen weet immers hoe verstandig en duidelijk deze verering verdedigd is in talrijke boeken die in vele talen over de gehele wereld zijn verschenen. Ook werd de heerschappij en het koningschap van Christus erkend door het godvruchtige gebruik dat bijna ontelbare gezinnen zich aan het Allerheiligst Hart van Jezus hebben toegewijd. Niet alleen gezinnen hebben dit gedaan, maar ook steden en koninkrijken. Zelfs het gehele menselijk geslacht werd onder leiding van Leo XIII in het Heilig Jaar 1900 plechtig aan dit goddelijk Hart toegewijd. Wij mogen evenmin onvermeld laten dat de talrijke eucharistische congressen die in onze tijd gehouden worden, op wonderbare wijze hebben bijgedragen tot de plechtige erkenning van de koninklijke macht van Christus over de menselijke samenleving. Hun doel is immers de volkeren van afzonderlijke bisdommen, landstreken en naties, ja van de gehele wereld, bijeen te brengen om Christus Koning, verborgen onder de eucharistische gedaanten, te vereren en te aanbidden. Door toespraken tijdens de bijeenkomsten en in de kerken, door de gemeenschappelijke aanbidding van het openbaar uitgestelde Allerheiligste Sacrament en door luisterrijke processies begroeten zij Christus als hun door God gegeven Koning. Men zou terecht kunnen zeggen dat het christenvolk, door een goddelijke ingeving geleid, Jezus, die door de goddelozen niet werd ontvangen toen Hij tot het zijne kwam, uit de stilte en als het ware uit de verborgenheid van de kerken naar buiten voert, om Hem als een zegevierende Koning door de straten van de steden te begeleiden en Hem in al zijn koninklijke rechten te herstellen.

Voor de verwezenlijking van ons voornemen biedt het Heilig Jaar, dat nu ten einde loopt, een gelegenheid die nauwelijks gunstiger zou kunnen zijn. De allergoedertierenste God heeft immers de harten en zielen van de gelovigen gericht op de hemelse goederen, die alle begrip te boven gaan. Hij heeft hen opnieuw met de gave van zijn genade verrijkt of hen, door nieuwe aansporingen om naar de hogere genadegaven te streven, gesterkt om op de rechte weg voort te gaan. Wanneer wij dus de vele verzoeken overwegen die tot ons zijn gericht, of letten op hetgeen gedurende dit grote jubeljaar is gebeurd, dan hebben wij alle reden om aan te nemen dat eindelijk de door allen zozeer gewenste dag is aangebroken waarop wij kunnen bepalen dat Christus, de Koning van het gehele menselijk geslacht, met een eigen en bijzonder feest moet worden vereerd. Want in dit jaar is, zoals wij bij het begin hebben gezegd, die goddelijke Koning, die werkelijk wonderbaar is in zijn heiligen, op glorierijke wijze verheerlijkt doordat een nieuwe schare van zijn dienaren tot de eer der altaren werd verheven. In ditzelfde jaar kon iedereen, door de buitengewone tentoonstelling van de missiewerken, de overwinningen bewonderen die de verkondigers van het Evangelie voor Christus hebben behaald bij de uitbreiding van zijn Koninkrijk. Ten slotte hebben wij in dit jaar, bij de herdenking van het Concilie van Nicea, opnieuw de wezensgelijkheid van het mensgeworden Woord met de Vader beleden en verdedigd. Daarop berust als op zijn grondslag de heerschappij van Christus over alle volkeren.

Daarom stellen wij krachtens ons apostolisch gezag het feest van onze Heer Jezus Christus Koning in, dat jaarlijks op de laatste zondag van oktober, onmiddellijk voorafgaand aan het feest van Allerheiligen, over de gehele wereld gevierd moet worden. Tevens schrijven wij voor dat op diezelfde dag jaarlijks de toewijding van het menselijk geslacht aan het Allerheiligst Hart van Jezus wordt hernieuwd, zoals onze voorganger Pius X reeds had voorgeschreven. Alleen voor dit jaar bepalen wij dat deze toewijding op de eenendertigste oktober zal plaatsvinden. Op die dag zullen wij zelf ter ere van Christus Koning een pontificale heilige Mis opdragen en bevelen dat de toewijding in onze tegenwoordigheid wordt verricht. Wij menen het Heilig Jaar niet beter en passender te kunnen besluiten en aan Christus, de onsterfelijke Koning der eeuwen, geen groter bewijs van onze dankbaarheid te kunnen aanbieden voor de weldaden die Hij gedurende dit heilige jaar aan ons, aan de gehele Kerk en aan de katholieke wereld heeft geschonken. Daarmee vertolken wij tevens de gevoelens van dankbaarheid van alle katholieken.

Het is niet nodig, eerbiedwaardige broeders, u uitvoerig uiteen te zetten waarom wij besloten hebben het feest van Christus Koning afzonderlijk te vieren naast de andere feesten waarop zijn koninklijke waardigheid reeds op een bepaalde wijze wordt aangeduid en gevierd. Het volstaat op te merken dat, hoewel bij alle feesten van onze Heer Christus zelf het voorwerp van de viering is, de bijzondere reden van die vieringen geheel verschilt van zijn koninklijke macht en waardigheid. Wij hebben het feest op een zondag vastgesteld, opdat niet alleen de geestelijkheid door het opdragen van het heilig Offer en het zingen van de kerkelijke getijden haar plichten jegens de goddelijke Koning zou vervullen, maar ook het volk, vrij van zijn gewone werkzaamheden, in een geest van heilige vreugde aan Christus een schitterend getuigenis van zijn gehoorzaamheid en onderdanigheid zou geven. De laatste zondag van oktober scheen ons geschikter dan enige andere dag, omdat dan de kring van het liturgische jaar bijna voltooid is. Zo worden de geheimen van het leven van Jezus Christus, die gedurende het jaar zijn herdacht, door het plechtige feest van Christus Koning als het ware bekroond en voltooid. Voordat wij de heerlijkheid van Allerheiligen vieren, wordt de heerlijkheid verkondigd en verheerlijkt van Hem die in al zijn heiligen en uitverkorenen zegeviert. Het zal daarom uw taak zijn, eerbiedwaardige broeders, ervoor te zorgen dat aan de jaarlijkse feestviering op vastgestelde dagen onderrichtingen voor het volk in iedere parochie voorafgaan. Daarin moeten de aard, de betekenis en het gewicht van deze instelling zorgvuldig worden uitgelegd, opdat de gelovigen hun leven zo inrichten en ordenen dat het past bij degenen die het gezag van de goddelijke Koning trouw en ijverig gehoorzamen.

Aan het einde van deze brief willen wij u, eerbiedwaardige broeders, nog in het kort uiteenzetten welke weldaden wij van deze openbare verering van Christus Koning verwachten, zowel voor de Kerk en de burgerlijke samenleving als voor de afzonderlijke gelovigen. Door de eer die aan de heerschappij van onze Heer wordt bewezen, moet bij de mensen opnieuw het besef worden gewekt dat de Kerk, die door Christus als een volmaakte maatschappij is gesticht, krachtens een aangeboren recht waarvan zij geen afstand kan doen, volledige vrijheid en onafhankelijkheid tegenover de burgerlijke macht moet opeisen. Bij het vervullen van de taak die haar door God is opgedragen, namelijk allen die tot het Koninkrijk van Christus behoren te onderrichten, te besturen en tot de eeuwige zaligheid te leiden, mag zij niet afhankelijk zijn van de willekeur van anderen. Een soortgelijke vrijheid moet de staat bovendien verlenen aan de kloosterorden en religieuze congregaties van mannen en vrouwen. Zij zijn immers zeer krachtige helpers van de herders van de Kerk en arbeiden met de grootste ijver aan de uitbreiding en bevestiging van het Koninkrijk van Christus. Dat doen zij zowel door met hun heilige geloften de drievoudige begeerlijkheid van de wereld te bestrijden als door hun streven naar een volmaakter leven, waardoor de heiligheid die de goddelijke Stichter als een bijzonder kenmerk aan de Kerk heeft gegeven, voortdurend en met steeds grotere luister voor aller ogen straalt.

Ook de staten zullen door de jaarlijkse herhaling van dit feest eraan worden herinnerd dat niet alleen afzonderlijke personen, maar ook de overheidspersonen en bestuurders verplicht zijn Christus openlijk te vereren en Hem te gehoorzamen. Het feest zal hun het laatste oordeel in herinnering brengen, wanneer Christus de zware beledigingen streng zal vergelden die Hem zijn aangedaan doordat Hij niet alleen uit het openbare leven werd verdreven, maar ook met verachting werd verwaarloosd of genegeerd. Zijn koninklijke waardigheid vereist immers dat de gehele staat zich richt naar de goddelijke geboden en de christelijke beginselen, zowel bij het maken van wetten en het uitoefenen van de rechtspraak als bij de opvoeding van de jeugd in de gezonde leer en de zuiverheid van zeden.

Hoeveel kracht en moed zullen de gelovigen bovendien uit de overweging van deze waarheden kunnen putten om hun zielen naar de ware beginselen van het christelijke leven te vormen! Want indien aan Christus de Heer alle macht is gegeven in de hemel en op aarde, indien de mensen, gekocht door zijn kostbaar Bloed, krachtens een nieuw recht aan zijn heerschappij zijn onderworpen, en indien deze macht zich uitstrekt over de gehele menselijke natuur, dan is het duidelijk dat er in ons geen enkel vermogen bestaat dat aan deze verheven heerschappij is onttrokken. Hij moet daarom heersen in het verstand van de mens, dat zich met volkomen onderwerping vast en standvastig moet aansluiten bij de geopenbaarde waarheden en de leer van Christus. Hij moet heersen in de wil, die aan de goddelijke wetten en geboden moet gehoorzamen. Hij moet heersen in het hart, dat de natuurlijke begeerten terzijde moet stellen, God boven alles moet beminnen en zich aan Hem alleen moet hechten. Hij moet heersen in het lichaam en zijn ledematen, die als werktuigen, of om met de woorden van de apostel Paulus te spreken, als wapenen van gerechtigheid voor God, moeten dienen tot de innerlijke heiliging van de zielen. Wanneer dit alles de gelovigen ter overweging wordt voorgehouden en zij het diep in zich opnemen, zullen zij veel gemakkelijker tot een volmaakter leven worden gebracht.

Moge het gebeuren, eerbiedwaardige broeders, dat zij die buiten de Kerk staan het zachte juk van Christus tot hun heil verlangen en aanvaarden, en dat wij allen die door het barmhartige raadsbesluit van God tot zijn huisgenoten behoren, dit juk niet met tegenzin, maar bereidwillig, liefdevol en heilig dragen. Mogen wij, wanneer wij ons leven hebben ingericht naar de wetten van het goddelijke Koninkrijk, een overvloed aan heerlijke vruchten ontvangen en, door Christus als goede en trouwe dienaren erkend, in zijn hemelse Koninkrijk voor eeuwig deelgenoten worden van zijn gelukzaligheid en heerlijkheid.

Moge deze wens en bede, eerbiedwaardige broeders, bij de nadering van het feest van de geboorte van onze Heer Jezus Christus, een bewijs zijn van onze vaderlijke liefde voor u. Ontvangt als onderpand van de goddelijke gaven de apostolische zegen, die wij u, eerbiedwaardige broeders, en uw geestelijkheid en gelovigen met grote genegenheid verlenen.

Gegeven te Rome, bij Sint-Pieter, op 11 december van het Heilig Jaar 1925, in het vierde jaar van ons pontificaat.

PIUS XI

VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN

Embleem van Sint-Michaël met het motto Defende nos in praelio