Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Mattheüs, 5, 1–12
IN DIE TIJD ging Jezus bij het zien van de menigte de berg op; en toen Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen tot Hem. Dan opende Hij de mond en onderrichtte hen als volgt: Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen; Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land in bezit nemen; Zalig zij die wenen, want zij zullen getroost worden; Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden; Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven; Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien; Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden; Zalig zij die vervolging lijden omwille van de gerechtigheid, want aan hen behoort het rijk der hemelen. Zalig bent u, wanneer men u beschimpt en vervolgt en valselijk beschuldigt van allerlei kwaad om Mijnentwil; verheugt en verblijdt u, want overvloedig is uw loon in de hemel.
Allerheiligen. De Heilige Maagd Maria staat met gevouwen handen in gebed, omgeven door een menigte heiligen met gouden aureolen. Links van haar staat de H. Augustinus in zwart habijt, rechts de H. apostel Paulus met zwaard en boek. De miniatuur maakte deel uit van een liturgisch zangboek voor het feest van Allerheiligen.
Meester van de Osservanza, Siena, ca. 1430–1440. Tempera en bladgoud op perkament. Metropolitan Museum of Art, New York.
De zegepralende Kerk.
Het voortschrijden van de herfst, met het vallen van de verdorde bladeren, en de lange reeks zondagen na Pinksteren, die een gevoel van droefheid en vermoeidheid oproept dat het laatste gedeelte ervan doordringt, richten onze gedachten op de plechtige werkelijkheid van de eeuwigheid en van de wereld aan gene zijde van het graf, die wij steeds dichter naderen naarmate de jaren en maanden voorbijgaan.
De ziener van Patmos laat ons vandaag reeds het einde aanschouwen van die lange reeks, die het moeizame leven van de strijdende Kerk verzinnebeeldt. Hij licht een tip van de sluier op en toont ons de zegepralende Kerk in al haar heerlijkheid.
Aan het begin van deze liturgische periode, die zich uitstrekt van Pinksteren tot de Advent, werd gezegd dat de Heilige Geest Jezus zou verheerlijken: Ille me clarificabit. Vandaag zien wij op welke wijze Hij zijn belofte heeft vervuld en over het mystieke Lichaam van de Verlosser een zodanige heiligheid heeft uitgestort, dat deze thans vrucht draagt in zulk een grote heerlijkheid.
De oorsprong van het feest.
Een gemeenschappelijk feest van alle martelaren, verbonden met de overwinning van Christus’ Verrijzenis, was reeds in de vierde eeuw in Syrië bekend. In Byzantium werd het echter gevierd op de zondag na Pinksteren, een gebruik dat ook enige tijd te Rome werd ingevoerd. Dit blijkt uit het oude Comes, dat door Morin werd gepubliceerd naar het beroemde handschrift van Würzburg: Dominica in natale Sanctorum.
Dit feest, dat vanuit Byzantium naar de oevers van de Tiber was overgebracht, bleef slechts korte tijd bestaan. Volgens een oude overlevering moesten de Romeinen in de week na Pinksteren het plechtige vasten van de Quatertemperdagen onderhouden, evenals de grote vigilie in de Sint-Pieterskerk. Na zulk een vermoeiende nachtwake was het onmogelijk om de volgende morgen ook nog het feest van Allerheiligen te vieren.
Daarom werd het Byzantijnse gebruik verlaten en bleef alleen het feest van 13 mei ter ere van de martelaren bestaan, dat door Bonifatius IV was ingesteld toen hij het Pantheon tot christelijke kerk wijdde.
De instelling van Allerheiligen.
Het denkbeeld van een gemeenschappelijk feest van alle heiligen, en niet slechts van de martelaren, won echter steeds meer veld.
In een tijd waarin de beeldenstormers in het Oosten de heilige afbeeldingen en relieken vernielden en de begraafplaatsen van de martelaren in Latium verlaten werden wegens de invallen van de Longobarden in de omgeving van Rome, bouwde Gregorius III in de Sint-Pieterskerk een kapel ter ere van alle heiligen, zowel belijders als martelaren, die in alle delen van de wereld gestorven waren.
Een koor van monniken verzorgde de liturgische diensten van dit heiligdom in het Vaticaan. Tijdens de Heilige Mis werd dagelijks een gedachtenis gehouden van alle heiligen wier sterfdag op die dag in de verschillende kerken van de christenheid werd gevierd.
De reden waarom juist 1 november voor het feest van Allerheiligen werd gekozen, staat niet vast. De verandering vond plaats onder Gregorius IV (827–844), met medewerking van Lodewijk de Vrome en het Frankische episcopaat. Het is echter nog niet bewezen of het initiatief daartoe van de paus dan wel van de keizer is uitgegaan.
Sixtus IV voegde later de viering van een octaaf aan het feest toe.
De heiligheid van de Kerk.
Op alle andere dagen van het jaar viert de liturgie de gedachtenis van één of meer afzonderlijke heiligen. Vandaag echter heeft de Heer het volk talrijk gemaakt en de vreugde vergroot, zoals Isaias zegt: Multiplicavit gentem et magnificavit laetitiam.
Zo wordt op dit feest de verheerlijking van Christus en van de Kerk voltooid.
De Geest des Heren verspreidt zich, als de geheimzinnige welriekende olie die door de psalmist wordt beschreven, over het gehele mystieke Lichaam van Christus. Hij heiligt zelfs het geringste lidmaat en bereidt het aldus voor op de hoogste heerlijkheid.
Apostelen en martelaren, geestelijken en leken, arbeiders en zelfs slaven: allen hebben de Heilige Geest ontvangen en zijn tot heldhaftige heiligheid verheven. (Idefonso Schuster)
De Litanie van Alle Heiligen
De Litanie van alle heiligen behoort tot de oudste gebeden van de Kerk. Zij wordt gezongen tijdens de Paaswake, op de Kruisdagen en bij plechtige wijdingen, waaronder priester- en bisschopswijdingen en de wijding van een kerk. Ook bij bijzondere noden en rampen werd de voorspraak van de heiligen door middel van deze litanie ingeroepen. De litanie heeft bovenal het karakter van een plechtige smeekbede. De Kerk roept de Heilige Maagd Maria, de engelen, apostelen, martelaren en alle overige heiligen aan om hun voorspraak bij God te verkrijgen. Op het Hoogfeest van Allerheiligen viert de Kerk de gezamenlijke heerlijkheid van alle heiligen. De litanie behoort niet tot de voorgeschreven liturgie van deze feestdag, maar is bijzonder geschikt om ook op deze dag als persoonlijk gebed te worden gebeden. Litanie van Alle Heiligen.
H. Beda Venerabilis — Preek op Allerheiligen
Vandaag, zeer geliefde broeders, vieren wij met één gemeenschappelijke feestvreugde het feest van alle heiligen. Over hun gemeenschap verheugt zich de hemel, door hun voorspraak verblijdt zich de aarde en door hun overwinningen wordt de Kerk gekroond. Hoe standvastiger hun belijdenis was te midden van het lijden, des te schitterender is hun eer. Want naarmate de strijd toenam, groeide ook de heerlijkheid van hen die streden. De overwinning van het martelaarschap wordt gesierd door de vele soorten van lijden, en naarmate de folteringen zwaarder waren, werden ook de beloningen groter.
De katholieke Moederkerk, die zich over de gehele wereld heeft uitgebreid, heeft van haar eigen Hoofd, Jezus Christus, geleerd beschimpingen, kruisen en de dood niet te vrezen. Zij werd steeds sterker, niet door weerstand te bieden, maar door te verdragen. Allen die als een roemrijke schare in de gevangenis werden opgesloten, bezielde zij met dezelfde vurigheid en geestkracht om de strijd aan te gaan en de heerlijkheid van de overwinning te behalen.
O waarlijk zalige Moederkerk! Hoe schittert zij door de eer waarmee Gods goedheid haar heeft verlicht! Hoe wordt zij gesierd door het glorierijke bloed van de overwinnende martelaren! Hoe wordt zij bekleed met het stralende wit van de ongeschonden maagdelijkheid en de belijdenis van het geloof! Onder haar bloemen ontbreken noch de rozen, noch de lelies.
Laat daarom ieder van u, zeer geliefden, ernaar streven deze beide eerbewijzen in de hoogste mate te verwerven: de witte kronen van de maagdelijkheid of de purperen kronen van het lijden. Want in het hemelse leger hebben zowel de vrede als de strijd hun bloemen, waarmee de soldaten van Christus worden gekroond.
De onuitsprekelijke en onmetelijke goedheid van God heeft ook hierin voorzien, dat de tijd van arbeid en strijd niet lang zou duren of eeuwig zou zijn, maar kort en als het ware slechts een ogenblik. In dit korte en beperkte leven zouden strijd en arbeid bestaan, maar in het eeuwige leven de kroon en de beloning van de verdiensten.
Zo komt aan de arbeid spoedig een einde, terwijl de beloning van de verdiensten zonder einde blijft bestaan. Na de duisternis van dit leven zullen wij het allerhelderste licht aanschouwen en een zaligheid ontvangen die al de bitterheid van het lijden overtreft.
De Apostel getuigt hiervan wanneer hij zegt: Het lijden van deze tijd is niet te vergelijken met de toekomstige heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden. (Rom. 8, 18)
Met welk een ruim onthaal ontvangt de hemelse stad hen die van de strijd terugkeren! Zij treedt hun tegemoet wanneer zij, na de vijand te hebben overwonnen, hun zegetekenen dragen.
Samen met de zegevierende mannen komen ook de vrouwen, die niet alleen de wereld, maar ook de zwakheid van hun geslacht hebben overwonnen. Daar komen eveneens de maagden en de kinderen, die door hun deugden hun jeugdige leeftijd te boven gingen en een dubbele heerlijkheid verwierven in hun strijd.
Ook de overige menigte van de gelovigen gaat het koninklijke paleis van de eeuwige woning binnen: zij die de zuiverheid van het geloof hebben bewaard door de hemelse geboden standvastig te onderhouden, in onderlinge vrede en eensgezindheid.
Kom dan, broeders, laat ons de weg van het leven betreden. Laat ons terugkeren naar de hemelse stad, waar onze namen zijn opgeschreven en waar wij tot burgers zijn bestemd.
Wij zijn geen vreemdelingen, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, ja, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
De deuren van deze stad zullen ons door standvastigheid worden geopend en het vertrouwen zal ons een ruime toegang verschaffen.
Laat ons daarom de heerlijke gelukzaligheid van die stad beschouwen, voor zover het ons mogelijk is. Want geen menselijk woord is werkelijk toereikend om haar te beschrijven.
Van haar wordt ergens gezegd dat alle smart, droefheid en zuchten daar zullen verdwijnen.
Welk leven is gelukkiger dan dit, waar geen vrees voor armoede bestaat en geen zwakheid door ziekte? Niemand wordt daar gekwetst, niemand wordt toornig, niemand is afgunstig. Geen begeerte ontbrandt er, geen verlangen naar eer of eerzucht naar macht beroert er de harten.
Daar bestaat geen vrees voor de duivel, geen hinderlaag van de boze geesten, geen schrik voor de hel. Er is geen dood meer, noch van het lichaam, noch van de ziel, maar een vreugdevol leven door de gave van de onsterfelijkheid.
Daar zal nergens tweedracht bestaan, maar alles zal overeenstemmen en één geheel vormen. Want alle heiligen zullen in volmaakte eensgezindheid verenigd zijn. Vrede en vreugde zullen alles vervullen.
Alles zal er rustig en vredig zijn. Er heerst een voortdurende glans, niet zoals het licht dat wij nu kennen, maar des te heerlijker naarmate de zaligheid groter is.
Want van die stad staat geschreven dat zij het licht van de zon niet nodig heeft. De almachtige Heer zal haar verlichten en haar lamp is het Lam.
Daar zullen de heiligen schitteren als sterren tot in alle eeuwigheid, en zij die velen hebben onderwezen, zullen stralen als de glans van het uitspansel.
Daarom zal daar geen nacht zijn, geen duisternis, geen samenkomst van wolken, geen koude en geen verzengende hitte. Daar zal een toestand heersen zoals het oog niet heeft gezien, het oor niet heeft gehoord en die in het hart van de mens niet is opgekomen, behalve bij hen die waardig worden bevonden om ervan te genieten.
Hun namen staan geschreven in het boek des levens. Zij hebben hun gewaden gewassen in het bloed van het Lam, staan voor Gods troon en dienen Hem dag en nacht.
Daar is geen ouderdom en geen ellende van de ouderdom, want allen zullen komen tot de volmaakte mens, tot de maat van de volwassenheid van de volheid van Christus.
Maar boven dit alles staat het geluk verenigd te worden met de scharen van de engelen en aartsengelen, met de Tronen en Heerschappijen, de Vorstendommen en Machten en alle hemelse Krachten.
Daar zullen wij de menigten der heiligen aanschouwen, schitterender dan de sterren: de patriarchen, stralend door hun geloof; de profeten, verheugd in hun hoop; de apostelen, die over de twaalf stammen van Israël oordelen; de martelaren, getooid met de purperen kronen van hun overwinning; en de maagden, die schitterende kransen dragen.
Maar over de Koning die in hun midden zetelt, kan geen menselijke stem naar behoren spreken.
Zijn schoonheid, zijn heerlijkheid, zijn kracht, zijn glorie, zijn luister en zijn majesteit gaan ieder woord en ieder menselijk begrip te boven.
Want boven alle heerlijkheid van de heiligen staat het onuitsprekelijke geluk Hemzelf te mogen aanschouwen en door de glans van zijn majesteit te worden bestraald.
Daarom zouden wij, als het nodig was, iedere dag folteringen moeten verdragen, ja, zelfs voor korte tijd de pijnen van de hel moeten ondergaan, om Christus in zijn heerlijkheid te mogen zien komen en opgenomen te worden onder het getal van zijn heiligen.
Zou het dan niet de moeite waard zijn al het droevige te verdragen, om deel te verkrijgen aan zulk een groot goed en aan zulk een heerlijkheid?
Hoe groot zal die heerlijkheid van de rechtvaardigen zijn, zeer geliefde broeders! Hoe groot de vreugde van de heiligen, wanneer ieder gelaat zal stralen als de zon, wanneer de Heer zijn volk, onderscheiden naar hun rangen, zal beginnen binnen te leiden in het koninkrijk van zijn Vader en aan ieder de beloofde beloning naar zijn verdiensten en werken zal schenken.
Dan zal Hij hemelse goederen geven in plaats van aardse, eeuwige in plaats van tijdelijke en grote in plaats van geringe. Hij zal de heiligen binnenleiden in de aanschouwing van de heerlijkheid van de Vader en hun een plaats geven in de hemel, opdat God alles in allen zij.
Hij zal hun de eeuwigheid schenken die Hij aan zijn beminden heeft beloofd, en de onsterfelijkheid waartoe Hij hen door de levengevende kracht van zijn bloed heeft hersteld. Hij zal hen opnieuw naar het paradijs voeren en het koninkrijk der hemelen openen door zijn trouw en de waarheid van zijn belofte.
Laat dit alles vast in onze gedachten gegrift blijven. Laat ons het met een volkomen geloof erkennen, het met geheel ons hart beminnen en het door de standvastige beoefening van goede werken trachten te verwerven.
De zaak ligt in de macht van degene die handelt, want het koninkrijk der hemelen wordt met geweld veroverd.
O mens, dat koninkrijk der hemelen verlangt geen andere prijs dan uzelf. Het is zoveel waard als gijzelf. Geef uzelf en gij zult het bezitten.
Waarom maakt gij u bezorgd over de prijs?
Christus heeft Zichzelf overgeleverd om u voor het koninkrijk van God de Vader te verwerven. Geef daarom ook gij uzelf, opdat gij zijn koninkrijk moogt zijn en de zonde niet heerst in uw sterfelijk lichaam, maar de geest tot het verkrijgen van het leven.
Laat ons daarom met vreugde streven naar de zegepalm van heilzame werken. Laat ons allen gewillig en bereidwillig strijden in de strijd om de gerechtigheid.
Laat ons onze wedloop volbrengen onder het oog van God en Christus. En nu wij reeds begonnen zijn boven de tijd en de wereld uit te stijgen, mogen wij onze loop niet laten vertragen door enige begeerte naar deze wereld.
Als de laatste dag ons aantreft terwijl wij onbelemmerd en met spoed voortgaan in deze strijd van goede werken, zal de Heer ons de beloning voor onze verdiensten niet onthouden.
Hij die tijdens de vervolging de purperen kroon schenkt voor het lijden, zal ook aan hen die in vredestijd door de gerechtigheid overwinnen, de witte kroon geven.
Want ook Abraham, Isaak en Jakob zijn niet gedood, en toch hebben zij door hun geloof en gerechtigheid de eer verdiend de eersten onder de patriarchen te zijn. Aan hun gastmaal wordt ieder toegevoegd die trouw, rechtvaardig en prijzenswaardig wordt bevonden.
Wij moeten bedenken dat wij niet onze eigen wil, maar die van God behoren te volbrengen. Want wie zijn wil doet, blijft in eeuwigheid, zoals ook Hij in eeuwigheid blijft.
Daarom, zeer geliefden, laat ons met een onverdeeld hart, een vast geloof, een sterke deugd en een volmaakte liefde bereid zijn de gehele wil van God te volbrengen.
Laat ons zijn geboden getrouw onderhouden: eenvoud en onschuld in ons leven, eensgezindheid in de liefde, bescheidenheid in de nederigheid, ijver bij het vervullen van onze plichten, waakzaamheid bij het helpen van hen die in moeilijkheden verkeren, barmhartigheid jegens de armen, standvastigheid bij het verdedigen van de waarheid en ernst bij het handhaven van de tucht.
Zo zal in ons niets ontbreken van hetgeen tot het voorbeeld van een goed christelijk leven behoort.
Want dit zijn de voetsporen die de heiligen ons hebben nagelaten toen zij naar hun vaderland terugkeerden, opdat wij hun wegen zouden volgen en tot dezelfde vreugde zouden komen.
Laat ons met hen het paradijs als ons vaderland beschouwen.
Wij hebben reeds de patriarchen tot vaders gekregen. Waarom zouden wij dan niet voortmaken en ons haasten om ons vaderland te aanschouwen en onze vaders te begroeten?
Daar wacht ons een grote menigte van dierbaren. Een talrijke schare van ouders, broeders en kinderen verlangt naar onze komst. Zij zijn reeds zeker van hun eigen zaligheid, maar blijven bezorgd om ons heil.
Hoe groot zal de gemeenschappelijke vreugde zijn wanneer wij hen mogen ontmoeten en omhelzen!
Welk een vreugde heerst daar onder onze hemelse mededienaren die onze komst verwachten! Welk een verheven en eeuwigdurend geluk!
Daar is het glorierijke koor van de apostelen, daar de verheugde schare van de profeten. Daar wordt het ontelbare volk van de martelaren gekroond om zijn overwinning in de strijd. Daar verheugt zich de schitterende menigte van de maagden. Daar wordt ook de standvastigheid van de belijders geprezen.
Ook zij ontvangen hun beloning die de geboden des Heren hebben onderhouden en hun aardse bezittingen in hemelse schatten hebben veranderd.
Als wij verlangen bij hen te komen, laat ons ons dan met vurig verlangen haasten, opdat wij spoedig met hen verenigd mogen worden en tot Christus mogen komen.
Moge Hijzelf onze leidsman zijn op deze weg, Hij die de oorsprong van ons heil is, de Vorst van het licht en de Schenker van alle vreugde.
Hij die leeft en heerst met God de almachtige Vader en de Heilige Geest.