7 november — H. Willibrord, bisschop en belijder † 739
Op 7 november viert de Nederlandse Kerkprovincie het hoogfeest van de H. Willibrordus, apostel der Friezen en een van de grote geloofsverkondigers in de Nederlanden. Hij is de eerste aartsbisschop van Utrecht en patroon van de Nederlandse Kerkprovincie, het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem-Amsterdam. Bij apostolische brief van 11 januari 1940 verklaarde paus Pius XII hem tot eerste patroon van de gehele Nederlandse Kerkprovincie en bepaalde dat zijn feest in alle Nederlandse bisdommen als feest van de eerste klasse met octaaf moest worden gevierd.
Willibrordus werd omstreeks 658 geboren in Northumbrië, in Engeland. Reeds als kind werd hij toevertrouwd aan het klooster van Ripon, waar hij onder leiding van de H. Wilfridus werd opgevoed. Later begaf hij zich naar Ierland, waar hij twaalf jaren het kloosterleven beoefende en tot priester werd gewijd.
In 690 vertrok hij met elf gezellen naar het land der Friezen om er het Evangelie te verkondigen. Met steun van Pepijn van Herstal begon hij zijn missiewerk. Hij begaf zich naar Rome om de goedkeuring van de Apostolische Stoel te verkrijgen. In 695 werd hij door paus Sergius I tot bisschop gewijd en ontving hij de naam Clemens.
Hij vestigde zijn bisschopszetel te Utrecht, waar hij kerken oprichtte en de grondslag legde voor de kerkelijke organisatie. Zijn missiereizen voerden hem ook buiten het Friese gebied. Te Echternach stichtte hij een klooster, dat een belangrijk middelpunt van zijn apostolische arbeid werd.
Na bijna vijftig jaren van onvermoeibare geloofsverkondiging overleed Willibrordus op 7 november 739 te Echternach. Daar werd hij begraven en zijn graf werd spoedig een plaats van verering. Alcuinus beschreef later zijn leven en de wonderen die op zijn voorspraak werden toegeschreven.
Willibrordus behoort tot de heiligen die reeds vóór de instelling van de latere formele heiligverklaringsprocedures door de Kerk werden vereerd. Van een afzonderlijke pauselijke heiligverklaring is dan ook geen sprake. Zijn heiligheid werd erkend door de oude kerkelijke verering, die berustte op zijn leven van gebed en versterving, zijn apostolische arbeid en de wonderen die aan zijn voorspraak werden toegeschreven.
Leven van de H. Willibrordus
Echternach en de verering van de H. Willibrordus
Preek van Alcuinus op het feest van de H. Willibrordus
Florilegium
Het leven van de H. Willibrordus
De eerste pogingen van Angelsaksische missionarissen in de loop van de zevende eeuw om het Friese volk te bekeren, waren tot mislukken gedoemd omdat zij niet op steun van de machthebbers konden rekenen. Pas de missie van Willibrord zou succesvol zijn.
De heilige Willibrord: achtergronden van zijn missie
Willibrord groeide op in Engeland. Dit land was rechtstreeks vanuit Rome gekerstend. Bovendien had de Angelsaksische koning Oswio tijdens de Synode van Whitby in het jaar 664 bewust gekozen voor de heilige Petrus, aan wie de sleutels van het hemels koninkrijk waren toevertrouwd: om niet het risico te lopen bij het kloppen op de hemelpoort afgewezen te worden.
Dit feit was van betekenis, omdat de Angelsaksische kerk, die in de loop van de zevende eeuw tot ontwikkeling en tot bloei kwam, gekenmerkt bleef door die verbondenheid met Rome en de organisatie van de kerk naar Romeins model. Dit in tegenstelling tot de Iers-Schotse kerk. Ierland en Schotland hadden geen deel uitgemaakt van het Romeinse rijk, en de kerk was er in afzondering van het vasteland tot grote bloei gekomen. Door die afzondering waren er gebruiken ontstaan die afweken van de Romeinse. De Ierse kerk werd gekenmerkt door een sterk monastieke inslag: zij was georganiseerd rondom de kloosters, waarvan de abten een bestuursmacht hadden die op het vasteland aan een bisschop werd toebedeeld. Hier ontwikkelde zich ook een eigen spiritualiteit. Zo ontstond in de Ierse kerk de praktijk van de oorbiecht, die later door de Angelsaksische missionarissen ook op het vasteland ingang zou vinden, en de openbare biecht zou vervangen.
Van belang in de Ierse spiritualiteit was vooral het ideaal van de peregrinatio pro Christo, het vreemdeling willen zijn omwille van de Heer, dat de Ierse monniken ertoe inspireerde hun vaderland te verlaten in vrijwillige ballingschap. Willibrord verbleef na zijn opvoeding in Engeland jaren lang in een Iers klooster, waar hij doordrongen werd van dit verlangen naar het pelgrim-zijn. Het Ierse ideaal had ook grote invloed in de Engelse kerk; het kreeg hier echter een ander accent. De Ierse monniken werden geïnspireerd door ascetische motieven en een streven naar zelfheiliging; de Angelsaksische monniken verbonden het ideaal van de peregrinatio met de missieopdracht van Christus: Komt, en onderwijst alle volkeren, en doopt hen.
De werkzaamheid van Willibrord valt te begrijpen tegen de achtergrond van deze beide invloeden, de Angelsaksische en de Ierse kerkelijke tradities. Hij trok naar de Lage Landen in peregrinatio, als pelgrimerende monnik, bezield van het verlangen het evangelie van Christus te verkondigen aan de heidenen, én om hen te binden aan de kerk van Petrus.
Verbondenheid met wereldlijke en geestelijke macht
In 690 landden Willibrord en zijn gezellen op de Hollandse kust. Kort tevoren had de Frankische machthebber, hofmeier Pippijn II Frisia Citerior (het zuidelijk deel van het Friese gebied) veroverd. Willibrord stelde zijn missie onder bescherming van de Frankische machthebbers, want zonder die bescherming achtte hij een succesvolle missionering onmogelijk. De Franken ondersteunden zijn werk krachtig. De bekering van de Friezen kon voor hen ook een middel zijn in de strijd om de Friezen te onderwerpen. De kerstening van de noordelijke Nederlanden was voortaan nauw verbonden met de consolidering van de Frankische macht in deze streken.
Willibrord kreeg Frisia Citerior door Pippijn aangewezen als missiegebied, met Utrecht als basis. Het jaar daarop, in 691, begaf Willibrord zich naar Rome om de zegen van de paus voor zijn missie te vragen; hij wilde zijn werk niet alleen onder bescherming van de Frankische machthebbers doen, maar ook in verbondenheid met de paus van Rome. Willibrord wilde geen zendeling zijn van Pippijn, maar van de kerk van Rome.
De bisschopswijding van Willibrord
Geheel volgens het Iers model was Willibrord de leider van de missie, hoewel hij geen bisschop was. Wél had hij een bisschop in zijn gevolg: Suitbertus. Pippijn wilde echter een structuur zoals op het vasteland gangbaar was. De leider en de bisschop moesten één en dezelfde persoon zijn. Daarom ging Willibrord in 695 voor de tweede keer naar Rome om gewijd te worden tot ‘aartsbisschop van de Friezen’ (21 november), en om het pallium te ontvangen. Bij deze gelegenheid ontving hij van de paus de naam Clemens. Het pallium is een ringvormige witte band waarop zwarte kruisjes staan. Het is te beschouwen als teken van aartsbisschoppelijke waardigheid en verbondenheid met de paus. Over zijn bisschopswijding schreef Willibrord in 728 in zijn liturgische kalender bij de maand november: In de naam van onze Heer kwam Clemens Willibrordus in het jaar 690 na de menswording van Christus over zee naar Francië, en in Gods naam werd hij er in het jaar 695 na de menswording van de Heer, ofschoon onwaardig, te Rome tot bisschop gewijd door de apostolische man heer Sergius, de paus. En nu beleeft hij in Gods naam het jaar 728 na de menswording van onze Heer Jezus Christus, in Dei nomine feliciter, in Gods naam gelukkig’. Deze korte aantekening getuigt van het grote godsvertrouwen van Willibrord.
De kerkelijke nederzetting te Utrecht
Wat hierboven gezegd is over de twee steunpilaren van het werk van Willibrord, laat zich goed illustreren aan het patronage van de beide kerken die hij bouwde op het huidige Domplein, de kerkelijke nederzetting die zich ontwikkelde op de plaats van het oude Romeinse castellum. De eerste werd opgericht op de resten van het kerkje van Dagobert, dat rechtens toebehoorde aan de bisschop van Keulen. Willibrord wijdde het opnieuw toe aan Sint Maarten, zoals gezegd schutspatroon van de Franken, als teken van afhankelijkheid van de politieke macht. Een tweede kerk echter wijdde Willibrord toe aan de allerheiligste Verlosser, Sint Salvator, de titel ook van de kathedrale kerk van Rome, die later Sint Jan van Lateranen genoemd werd, met het trotse opschrift: mater omnium ecclesiarum, moeder van alle kerken. Hiermee bracht Willibrord zijn verbondenheid met de opvolger van de heilige Petrus tot uitdrukking. Het complex van twee kerken is wel ‘dubbel-kathedraal’ genoemd. Dat is een groot woord voor wat een bescheiden geheel moet zijn geweest. In de Sint Salvator doopte de bisschop, wijdde hij zijn medewerkers, en sprak hij recht. De bisschoppen werden tot het begin van de tiende eeuw in de Sint Salvator begraven. De Sint Maarten was de plaats van samenkomst van het gelovige volk.
Bij de twee kerken op het Domplein bouwde Willibrord ook een monasterium, een klooster. Daar leefden de monniken in een actieve kloostergemeenschap onder leiding van Willibrord. De rondtrekkende missionarissen vonden er een rustpunt. Aan het klooster was een school verbonden, waar de toekomstige missionarissen werden opgeleid. De Utrechtse kloosterschool kan beschouwd worden als de vroege voorloper van de universiteit in de Domstad.
De missie onder de Friezen
De Friezen kenden geen christelijke traditie. Hun woongebied had buiten de invloedssfeer van de Romeinse cultuur gelegen, in extremo margine mundi (aan de uiterste grenzen van de beschaafde wereld), zoals een tijdgenoot het formuleerde. Hoe heeft het geloof hier wortel kunnen schieten?
Het feit dat de Friezen kennismaakten met het christendom in het kielzog van de Frankische overheersing, door geloofsverkondigers die gesteund werden door de vijandelijke machthebbers, gaf de kerstening onvermijdelijk het karakter van bekering onder dwang. Niettemin was de missionering succesvol. De eerste missionarissen in deze streken waren heilige mannen met een grote overtuigingskracht. Het feit ook dat zij dragers waren van een hoger staande cultuur dan die van de heidense Friezen, droeg sterk bij aan het succes van hun missie. Zij imponeerden de heidenen door hun beschaving en hun kennis. Heel anders dus dan de evangeliepredikers uit de eerste dagen van het christendom, die de blijde boodschap verkondigden onder de hoog ontwikkelde bevolking van de Grieks-Romeinse cultuur. Willibrord was reeds exponent van de georganiseerde hiërarchische kerk van Rome, van de westerse eenheid in cultuur en godsdienst die ontstaan was uit de versmelting van de klassieke en de christelijke beschaving.
De praktijk van de missie
Wat kan men zich van de missie in de praktijk voorstellen? Vanuit de Utrechtse nederzetting trokken de missionarissen predikend rond. De geloofsinstructie moet eenvoudig geweest zijn, met nadruk op de voornaamste waarheden van het geloof: één God in drie personen, de mensgeworden Zoon Gods, de verlossing van de zonde, de noodzaak van bekering en doopsel, en een leven in overeenstemming met de christelijke moraal.
Om de heidense Friezen ertoe aan te sporen zich te laten dopen werden middelen gehanteerd die indruk moesten maken. In de levensbeschrijving van Willibrord, geschreven door Alcuin, een geleerde in dienst van Karel de Grote, kunnen wij lezen over de manier waarop hij te werk moet zijn gegaan. Alcuin noemt twee pijlers van de missie onder de heidenen: ‘de doornen der afgoderij uittrekken’ en ‘Gods woord ijverig op allerlei plaatsen zaaien’. Waar Willibrord en zijn gezellen de oude heidense cultusplaatsen, afgodsbeelden of heilige bomen schonden, zonder zich blijkbaar de toorn van de gevreesde heidense goden op de hals te halen, vonden zij het volk bereid te luisteren naar de christelijke boodschap, daar in zijn ogen de christelijke God machtiger bleek te zijn. Toen paus Gregorius de Grote aan het einde van de zesde eeuw missionarissen naar Engeland stuurde, gaf hij hun als praktische raad mee aan te knopen bij de plaatselijke, heidense tradities, en deze vervolgens te kerstenen. Willibrord en de zijnen hebben deze raad nagevolgd. Concreet hield dit bijvoorbeeld in dat op de plaats van een heidens heiligdom een kerk werd opgetrokken, of dat bekeerlingen werden gedoopt in bronnen die door de heidenen werden vereerd. Nadat aldus een stam bereid was tot het nieuwe geloof over te gaan, vond de bezegeling hiervan door middel van massale doop plaats. De bekering was nog maar oppervlakkig. Op het platteland zou nog lang een magisch wereldbeeld heersen: de geloofsbeleving werd sterk bepaald door heidense gebruiken en elementen. Degenen die in naam christen waren, moesten in feite nog kennis maken met het evangelie, zodat de missionarissen voor de opgave stonden de ‘christenen te kerstenen’.
Kerk- en kloosterstichtingen
Willibrord stichtte overal waar de missie succesvol was, en de Frankische macht voldoende gevestigd was, kloosters en kerken, vertrouwde ze toe aan geestelijken, en trok daarna zelf predikend verder. De adel speelde een belangrijke rol bij de vestiging van de kerk op het platteland door middel van schenkingen van landerijen en boerderijen en de stichting van zogeheten eigenkerken. Dit laatste hield in dat een grootgrondbezitter in zijn gebied een kerk, kapel of klooster liet bouwen voor zijn eigen familie, pachters en horigen. Hij stelde voor de kerk een priester aan, in wiens onderhoud hij voorzag. Hij kon echter vrij beschikken over de kerk, omdat deze zijn eigendom bleef. Het eigenkerkenstelsel, dat zou blijven bestaan tot de twaalfde eeuw, heeft de organisatie van de kerk op het platteland sterk gestimuleerd.
Bonifatius
De voorspoedige missionering werd bedreigd toen Pippijn, de beschermer van Willibrord, in 714 stierf, en de Friezen van de wanorde gebruik maakten om Utrecht te heroveren op de Franken. Willibrord en de andere geestelijken vluchtten uit Utrecht, en vonden onderdak in het klooster te Echternach in Luxemburg. Dit klooster was Willibrord in 697/698 geschonken door Irmina, de schoonmoeder van Pippijn II. Willibrord was er bijzonder aan gehecht, en bracht er ook de laatste jaren van zijn leven door.
Pas in 719, toen Karel Martel (714-741), de zoon van Pippijn, de Frankische macht had weten te herstellen, konden zij terugkeren, en het kerkelijk centrum te Utrecht herstellen. Willibrord werd nu in zijn werk geholpen door de Angelsaks Winfried, ons beter bekend onder de naam Bonifatius, die hij van de paus bij zijn bisschopswijding in 722 zou ontvangen. Bonifatius heeft niet langer dan drie jaar in het Utrechtse bisdom gewerkt. Van de paus kreeg hij de opdracht om de Frankische kerk in Duitsland te hervormen, en de bekering van de heidenen tot het christendom voort te zetten. Als bisschop van Mainz heeft Bonifatius grote betekenis gehad voor de organisatie van de kerk. Hij wordt ‘de apostel van Duitsland’ genoemd. Bonifatius bleef de Friese kerk echter altijd een warm hart toedragen. Hij beijverde zich voor de zelfstandigheid van het Utrechtse bisdom tegen de aanspraken van de Keulse bisschop. De Utrechtse kerk was weliswaar door koning Dagobert onder Keulen geplaatst, maar op voorwaarde dat van hieruit de missie onder de Friezen zou worden ondernomen. De Keulse bisschop had zich evenwel nooit iets gelegen gelaten aan die missionering. Het feit dat deze met succes was ondernomen vanuit Utrecht, rechtvaardigde de zelfstandigheid van de Utrechtse zetel, aldus Bonifatius.
De opvolgers van Willibrord
Willibrord stierf op 7 november 739, op ongeveer tachtigjarige leeftijd in zijn klooster te Echternach, en werd daar begraven. Zijn levenswerk was geslaagd, Frisia Citerior was gekerstend. Zijn opvolgers zouden op grond hiervan hun missioneringswerk verder naar het noorden en het oosten kunnen uitbreiden.
Echternach en de verering van de H. Willibrordus
De stichting van de abdij
De geschiedenis van Echternach, gelegen aan de rivier de Sauer in het huidige Groothertogdom Luxemburg, is nauw verbonden met de H. Willibrordus. In 698 ontving de heilige van de abdis Irmina een landgoed te Echternach, waarop hij een klooster stichtte. De schenking vormde de grondslag van een abdij die gedurende vele eeuwen een belangrijk middelpunt van kerkelijk leven, wetenschap en beschaving zou zijn. Omstreeks 706 liet Willibrord er een kloosterkerk bouwen. Hij bleef als aartsbisschop van de Friezen werkzaam vanuit Utrecht, maar onderhield een nauwe band met zijn stichting te Echternach. Toen de Friezen in 714 opnieuw tegen de Frankische overheersing in opstand kwamen en Utrecht voor de missionarissen verloren ging, bood het klooster hun een toevluchtsoord. Willibrord bracht er ook zijn laatste levensjaren door.
Het graf van de heilige
Op 7 november 739 overleed Willibrord te Echternach. Overeenkomstig zijn wens werd hij begraven in de kerk die hij zelf had gesticht. Reeds kort na zijn dood werd zijn graf een plaats van bijzondere verering. Pelgrims kwamen naar Echternach om de heilige te eren en zijn voorspraak af te smeken. De oorspronkelijke kerk werd omstreeks 800 vervangen door een aanzienlijk groter Karolingisch kerkgebouw, waarvan de crypte bewaard is gebleven. In de elfde eeuw verrees een nieuwe romaanse abdijkerk. De tegenwoordige basiliek heeft, ondanks latere verbouwingen en verwoestingen, haar oorsprong in deze middeleeuwse bouwgeschiedenis.
De abdij onderging in de loop der eeuwen talrijke veranderingen. Na de Franse Revolutie werd het klooster opgeheven en verloor de kerk haar oorspronkelijke bestemming. Het gebouw werd onder meer als porseleinfabriek gebruikt en raakte ernstig in verval. In 1862 werd een vereniging opgericht om de kerk te herstellen. Zes jaar later kon zij opnieuw worden ingewijd. In 1906 werden de relieken van de H. Willibrord plechtig naar de voormalige abdijkerk teruggebracht. Zijn oude Merovingische sarcofaag werd opgenomen in een rijk versierd neogotisch grafmonument van wit Carraramarmer, waarop voorstellingen uit zijn leven zijn aangebracht.
Bij het twaalfhonderdjarig jubileum van Willibrords overlijden in 1939 werd de abdijkerk verheven tot basilica minor en kreeg het grafmonument een plaats in de crypte. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Echternach zwaar getroffen. Op 26 december 1944 bliezen terugtrekkende Duitse troepen de basiliek op, waarbij vooral het westelijke gedeelte werd verwoest. Na de oorlog volgde een omvangrijke wederopbouw. In 1953 werd de herstelde basiliek opnieuw ingewijd. De sarcofaag en het grafmonument van de H. Willibrord bevinden zich nog altijd in de crypte, waar gelovigen het graf van de apostel der Friezen kunnen bezoeken.
De abdij als centrum van kerkelijke wetenschap
Echternach verwierf niet alleen bekendheid door het graf van Willibrord. De benedictijnerabdij ontwikkelde zich tot een belangrijk centrum van onderwijs en handschriftkunst. Reeds in de achtste eeuw bestond er een schrijfatelier, waar monniken liturgische boeken en andere handschriften vervaardigden. Vooral in de elfde eeuw bereikte de boekverluchting van Echternach een grote bloei. Een van haar beroemdste voortbrengselen is de Codex Aureus Epternacensis, een rijk versierd evangeliarium uit de jaren omstreeks 1030–1045, geschreven met gouden letters en voorzien van kostbare miniaturen. Het handschrift wordt tegenwoordig bewaard in het Germanisches Nationalmuseum te Neurenberg. De abdij van Willibrord was daarmee gedurende eeuwen niet alleen een bedevaartsoord, maar ook een plaats waar de kerkelijke geleerdheid en de kunst van het boek werden beoefend.
De springprocessie van Echternach
Een bijzondere uiting van de verering van de H. Willibrordus is de beroemde springprocessie, die ieder jaar op de dinsdag na Pinksteren door de straten van Echternach trekt. De processie voert de bedevaartgangers naar het graf van de heilige in de basiliek. Haar oorsprong ligt in de oude bedevaarten die reeds kort na Willibrords overlijden ontstonden. Omstreeks het jaar 1100 wordt melding gemaakt van grote bijeenkomsten van pelgrims tijdens de Pinksterdagen. De karakteristieke springende beweging wordt echter pas in latere bronnen vermeld. Een document uit 1497 spreekt van zogenaamde springende heiligen, gelovigen die zich door een gelofte onder de bijzondere bescherming van een heilige hadden gesteld.
Over het ontstaan van deze merkwaardige processievorm bestaan verschillende verklaringen. Volgens een oude overlevering zou zij verband houden met geloften die tijdens een nood of ziekte werden afgelegd. Ook is gewezen op de bijzondere verering van Willibrord als voorspreker bij ziekten die met krampen en zenuwaandoeningen gepaard gingen. Een andere verklaring zoekt de oorsprong in oudere godsdienstige gebruiken. Geen van deze verklaringen kan echter met zekerheid als de historische oorsprong van de springprocessie worden aangewezen. Vaststaat dat de processie gedurende vele eeuwen een eigen plaats heeft ingenomen in het godsdienstige leven van Echternach en de omliggende landen.
De processie tot op heden
De springprocessie heeft een vaste orde. De deelnemers trekken in rijen van vijf personen, die elkaar met witte zakdoeken verbinden. Op de maat van een traditionele melodie, gespeeld door muziekkapellen, bewegen zij zich met kleine springende passen voorwaarts. De processie wordt voorafgegaan door het zingen van de litanieën van de H. Willibrordus. Daarnaast nemen pelgrims deel die biddend, onder meer met de rozenkrans, de tocht volgen. De bedevaart eindigt in de basiliek, bij het graf van de heilige. De bekende voorstelling dat de deelnemers voortdurend drie stappen voorwaarts en twee achterwaarts zouden zetten, behoort niet tot de huidige vaste vorm van de processie.
Ondanks perioden van onderbreking en verboden is de springprocessie blijven voortbestaan. Zij trekt nog altijd duizenden deelnemers en bedevaartgangers uit Luxemburg, Duitsland, België, Nederland en andere landen. Zijn graf te Echternach vormt nog steeds het middelpunt van deze eeuwenoude bedevaart, waarin de H. Willibrordus als apostel der Friezen wordt vereerd en zijn hemelse voorspraak wordt afgesmeekt.
Preek van Alcuinus op het feest van de H. Willibrordus
Alcuinus (ca. 735–804) was een Angelsaksische monnik, geleerde en theoloog, afkomstig uit York in Engeland. Hij behoorde tot de voornaamste geleerden aan het hof van Karel de Grote en speelde een belangrijke rol in de herleving van het kerkelijk onderwijs en de studie van de Heilige Schrift. In zijn latere jaren stond hij aan het hoofd van de abdij van Sint-Maarten te Tours. Alcuinus was verwant aan de H. Willibrordus en schreef omstreeks 796 diens levensbeschrijving, op verzoek van de abt van Echternach. Ook stelde hij een preek samen voor het feest van de heilige. Daarin verheerlijkt hij Willibrordus als apostel en geloofsverkondiger, roept hij zijn hemelse voorspraak aan en spoort hij de gelovigen aan diens voorbeeld na te volgen.
I. De bijzondere bescherming van de heiligen
Hoewel het passend is dat het gehele christenvolk in de kerken over de gehele wereld de feesten der heiligen viert, hun overwinningen prijst en hun leven navolgt, en hoewel hun geluid over de gehele aarde is uitgegaan en hun woorden tot aan de grenzen der wereld, zodat zij overal door de eensgezinde stem van alle levenden geprezen moeten worden, worden toch op afzonderlijke plaatsen bepaalde heiligen met een bijzondere verering geëerd. Dit geschiedt wegens de vertrouwdheid die voortkomt uit hun verblijf aldaar en wegens de aanwezigheid van hun heilige relieken, die tot vertroosting zijn geschonken aan de bewoners van die plaatsen. Zo verheugt Rome, de hoofdstad der wereld, zich op bijzondere wijze over de roemrijke overwinningen van de zalige apostelen Petrus en Paulus. Daarom stromen dagelijks volkeren en mensen daarheen om met godvruchtige gezindheid bij de heilige apostelen hun zonden te bewenen, of met grotere hoop op het hemelse leven te smeken dat hun de toegang daartoe geopend moge worden. Milaan, eens een keizerlijke stad, verheugt zich over de heilige Ambrosius als haar beschermer. De Alpen van Agaunum worden meer verheven door het bloed van de heilige martelaren van het Thebaanse legioen dan door hun besneeuwde bergtoppen. Poitiers verheugt zich meer over de relieken van de heilige bisschop Hilarius dan over de handel en het koopmansverkeer, waarbij zo dikwijls ongerechtigheid voorkomt. Wat zal ik van u zeggen, stad Tours, klein en onaanzienlijk door uw muren, maar groot en prijzenswaardig door de bescherming van de heilige Martinus? Wie zou u om uzelf bezoeken? Stromen de menigten der christenen niet naar u toe wegens zijn machtige voorspraak? Alle voorsteden van Parijs verheugen zich over de heerlijke bijstand van de heilige Dionysius en de heilige Germanus, en vieren hun feestdagen met een grotere toeloop van het volk. Geheel Champagne haast zich met zijn bewoners naar Reims, wegens de eerbiedwaardige prediker Remigius, om daar zijn gebeden en geloften aan te bieden alsof hun patroon zelf tegenwoordig was. Zo heeft de goddelijke goedertierenheid voor de gehele wereld gezorgd, door aan iedere landstreek en ieder volk een bijzondere patroon te schenken.
II. De apostolische arbeid van de H. Willibrordus
Aan ons echter heeft Hij in de allerheiligste Willibrordus geen geringe hulp geschonken, maar een voortreffelijke en roemrijke voorspraak verleend. Verheugen wij ons, zeer geliefde broeders, in de Heer, en laten wij ons verblijden met geestelijke vreugde, omdat Hij ons zulk een leermeester des levens, zulk een onderrichter in de gerechtigheid en zulk een stichter van onze gemeenschap heeft geschonken. Hij heeft ons in deze allerheiligste schaapskooi bijeengebracht en ons door zijn onderricht in de godsvrucht gevormd. Laat zich met ons verheugen heel het volk dat heden samenstroomt om de geboortedag voor de hemel van onze allerheiligste vader te vieren, dat zich beijverd heeft met godvruchtige toewijding deel te nemen aan de nachtwaken ter ere van deze apostolische man en zich in de tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus, van de heilige engelen en van de allerzaligste bisschop te bevinden. Laat niemand, zo smeek ik u, twijfelen in het geloof, noch aarzelen omtrent de overvloedige vergiffenis, noch omtrent de vrucht en de vervulling van zijn godvruchtig gebed, daar Hij ons zulk een patroon heeft geschonken. Door diens gebeden staat Hij toe dat wij verhoord worden, want hoe vertrouwvoller wij bidden, des te spoediger zullen wij verhoord worden. Door het geloof immers wordt alles verkregen, zoals wij daarvan de zekerste voorbeelden voor ogen hebben in deze allerheiligste man, wiens feestdag wij heden vieren. Reeds vanaf zijn kindsheid streefde hij ernaar door het geloof aan God te behagen. Want uit een vurig geloof verliet hij zijn vaderland, zijn verwanten en zijn vrienden om de liefde Gods. Hij verachtte het aardse om het hemelse te verwerven. Daarom vond hij een rijke vrucht van zijn arbeid. Hij bekeerde talrijke menigten tot Christus en bracht zeer vele heidenen terug van de ongerechtigheid hunner dwaling. Met medewerking van de goddelijke genade maakte hij van kinderen des toorns kinderen der barmhartigheid. Hij sloot de hel en opende de hemel. Hij trok door vele landen om allen op de weg der waarheid te brengen. Hij spaarde zichzelf niet, maar begaf zich onder woeste volkeren, in de hoop wellicht de purperen kroon van het martelaarschap te verwerven. God echter bewaarde hem voor het heil van velen, opdat hij door een grotere heerlijkheid van de prediking geëerd zou worden dan wanneer hij alleen met het martelaarschap gekroond was. Hij rustte in vrede, omdat hij in hoop had gearbeid. Hij vond het eeuwige leven, omdat hij het tijdelijke had prijsgegeven. Aan ons werd hij ontnomen, maar met de engelen werd hij verenigd.
III. De voorspraak van de H. Willibrordus en zijn heerlijkheid
O allerzaligste priester van Christus, verlaat ons niet terwijl wij op aarde arbeiden, maar houd niet op ons vanuit de hemel door uw gebeden bij te staan. Uw leven onder de mensen was steeds beproefd in de dienst van God. Mogen uw gebeden bij God steeds aanhouden ten behoeve van de mensen. Uw overweging was dag en nacht in de wet des Heren. Daarom hebt gij als een palmboom gebloeid in het huis des Heren. Als een ceder van de Libanon hebt gij uw kinderen talrijk gemaakt. Zij roepen tot u met geheel hun hart. Gewaardig u hen door uw godvruchtige voorspraak bij te staan. Mogen wij uw allergoedertierenste hulp ondervinden, wij die ons met zoveel godsvrucht aan uw eredienst wijden. O gelukkige ziel, die de moeiten van deze wereld hebt verlaten en met de veelvuldige vrucht van uw arbeid de hemelse rust zijt binnengegaan! Gij hebt de u toevertrouwde talenten vermeerderd en de beloofde beloning ontvangen. Over weinig zijt gij op aarde getrouw geweest; over veel zijt gij in de hemel gesteld en daarin roemt gij. De vreugden van de Heer, uw God, waarnaar gij altijd hebt verlangd, zijt gij nu voor altijd gaan bezitten. Wij begeleiden u, o vader, met voortdurende lofprijzingen. Sta gij ons bij door uw aanhoudende gebeden. Wij geloven dat gij in de tegenwoordigheid van de Heer, uw God, alles kunt verkrijgen wat gij vraagt, daar gij door Zijn genade reeds in onze tegenwoordigheid zulke grote wonderen hebt kunnen verrichten. Gij zijt nu een burger onder de engelen, een gezel der heiligen. Met hen zult gij verheugd een nieuw gezang zingen: Zoals wij gehoord hebben, zo hebben wij ook gezien. (Ps. 47, 9) Zalig zij die wonen in Uw huis, o Heer; zij zullen U loven in de eeuwen der eeuwen. (Ps. 83, 5) En: De God der goden zal gezien worden op Sion. (Ps. 83, 8) Zijn zalige aanschouwing is de volkomen gelukzaligheid, zoals de Waarheid zelf in het Evangelie getuigt, zeggende: Wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. (Joh. 14, 21) In deze allerzoetste liefde heeft deze heilige op aarde geleefd. Daarom verheugt hij zich thans in de hemel over Zijn aanschouwing.
IV. Wij moeten zijn voorbeeld navolgen
Ziet, zeer geliefde broeders, hoe groot de heerlijkheid is van het volgen van God. Deze man heeft uit liefde tot Christus zijn vaderland gering geacht, de vreemdelingschap verkozen, de rijkdommen van de wereld weinig geacht en de armoede vrijwillig liefgehad. Wij weten welke eer hij later onder de mensen genoot, maar groter is de heerlijkheid die hij eeuwig onder de engelen bezit. Mogen de voorbeelden van deze allerheiligste leermeester ons opwekken uit de traagheid der geestelijke verslapping, opdat wij in onszelf volbrengen wat wij in hem verkondigen. Wij prijzen de strijd en de moeiten die hij heeft doorstaan. Laten wij onze wegen richten naar zijn voetstappen, opdat wij, die de voorbeelden van zijn heiligheid volgen, ook deelachtig mogen worden aan de beloningen der zaligheid. Door Hem die hem gekroond heeft en ook ons zal bijstaan, Jezus Christus, onze Heer, die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in eeuwige heerlijkheid. Amen.
Feestdag: 7 november
Liturgische kleur: wit
Geboren: omstreeks 658 in Northumbrië
Bisschopswijding: 695 te Rome, door paus Sergius I
Naam als bisschop: Clemens
Overleden: 7 november 739 te Echternach
Graf: Sint-Willibrordusbasiliek te Echternach
Patroon: Nederlandse Kerkprovincie en het aartsbisdom Utrecht
Willibrordus tekende in zijn kalender aan dat hij in het jaar 695, op drieëndertigjarige leeftijd, te Rome door paus Sergius tot bisschop werd gewijd. Hij vermeldde daarbij ook de naam Clemens, die hij bij zijn wijding ontving. Deze korte aantekening is een uitzonderlijk persoonlijk getuigenis uit zijn eigen leven.
Op een eiland dat aan de heidense god Fosite was gewijd, mocht niemand het vee aanraken of zonder eerbied uit de heilige bron putten. Willibrordus liet er dieren slachten en doopte drie personen in de bron onder aanroeping van de Allerheiligste Drie-eenheid. Koning Radbod liet daarop het lot werpen om de overtreders te straffen. Een van Willibrordus’ gezellen onderging de marteldood.
Toen Willibrordus met zijn gezellen door een waterschaarse streek reisde, wees hij een plaats aan waar men moest graven. Na zijn gebed kwam daar water tevoorschijn, zodat allen hun dorst konden lessen.
Onderweg ontmoette Willibrordus twaalf armen die om een aalmoes vroegen. Hij liet zijn wijnkruik halen en gaf hun te drinken. Allen dronken naar behoefte, maar toen de reis werd voortgezet, bleek de kruik nog even vol als tevoren.
Toen Willibrordus in zijn klooster te Echternach de voorraadkelder bezocht, vond hij daar nauwelijks wijn. Hij stak zijn staf in het vat en bad. In de daaropvolgende nacht steeg de wijn totdat hij over de rand liep. Willibrordus dankte God voor het wonder, maar verbood de keldermeester er tijdens zijn leven over te spreken.
Bij een bezoek aan een vriend bleek er geen wijn voor de gasten te zijn. Willibrordus liet de vier kleine flessen brengen die zijn reisgezelschap bij zich had en zegende deze. Daaruit konden ongeveer veertig personen drinken, totdat allen voldoende hadden ontvangen.
De H. Bonifatius werkte enige tijd onder leiding van Willibrordus. Deze wilde hem als zijn opvolger aanstellen, maar Bonifatius achtte zich daarvoor nog niet geschikt en verkoos zijn missiewerk voort te zetten. Hun verhouding toont hoe de oudere bisschop de volgende generatie missionarissen bij het werk onder de heidense volkeren betrok.
Na Willibrordus’ overlijden bleek de voor zijn begrafenis gereedgemaakte kist te klein voor zijn lichaam. Toen men haar opnieuw probeerde, bleek zij op wonderbare wijze de juiste afmetingen te hebben gekregen. Zo werd ook zijn begrafenis in de overlevering met een bijzonder teken verbonden.
Na Willibrordus’ dood herdachten de monniken van Echternach zijn vader Wilgils. Voor de gezamenlijke maaltijd was nog slechts één kruik wijn beschikbaar. Hoewel de broeders er allen van dronken, raakte de kruik niet leeg.
Alcuinus stelde twee levensbeschrijvingen van Willibrordus samen. De eerste schreef hij in proza, om bij de kerkelijke samenkomsten te worden voorgelezen. De tweede vervaardigde hij in Latijnse verzen, bestemd voor de studie en overweging van de kloosterlingen.
In de abdij van Echternach ontstond een eigen liturgisch officie ter ere van Willibrordus. De monniken bezongen daarin zijn verkondiging van het Evangelie onder de Friezen en zijn bisschoppelijke arbeid. Deze gezangen werden ook buiten Echternach overgenomen en bleven getuigen van zijn verering in de Nederlandse en aangrenzende kerkelijke gebieden.