H. Liduina van Schiedam

14 april — Heilige Liduina van Schiedam, maagd, † 1433

Heilige Liduina valt op het ijs te Schiedam
Heilige Liduina van Schiedam. De val op het ijs die het begin werd van haar langdurig lijden.

Liduina van Schiedam is een van de meest geliefde Nederlandse heiligen. Zij is bekend om haar langdurige lijden en nog meer om haar heldhaftig geduld daarin. Zij werd geboren te Schiedam in het jaar 1380, uit arme maar godvruchtige ouders. God had haar met een zo wonderbare schoonheid begiftigd dat zij reeds op twaalfjarige leeftijd vele aanbidders had. Liduina echter wees allen af en gaf als reden dat zij zich geheel, naar ziel en lichaam, aan de Almachtige had toegewijd. Om verdere aandrang te voorkomen bad zij vurig tot God dat haar schoonheid zodanig veranderd mocht worden dat zij, in plaats van bewondering, afkeer zou wekken bij hen die haar zagen. God verhoorde haar gebed, want toen zij vijftien jaar oud was en op een dag met haar gezellinnen op het ijs stond en naar de schaatsers op de dichtgevroren Maas keek, viel een van hen tegen haar aan en wierp haar omver. Zij viel met zulk een kracht dat zij een van haar ribben brak, en van dat ogenblik af begon haar lijden. Talrijke ziekten en pijnen volgden elkaar op en alle middelen bleken vergeefs, vele jaren lang kon zij noch gaan, noch staan, noch zelfs een lid bewegen zonder hevige pijn, het geringste voedsel dat zij tot zich nam veroorzaakte haar ondraaglijke kwelling, een ander gevolg van haar gebroken rib was een vreselijk gezwel dat levend was van wormen, terwijl haar gehele lichaam verkeerde in een toestand van brandende koorts die gewoonlijk gepaard gaat met het doorbreken van een abces, haar rechterarm was zo geheel met zweren tot aan de schouder bedekt dat hij geheel verschrompeld was, in haar hoofd onderging zij een onafgebroken steken alsof het met naalden en messen werd doorboord, terwijl zij tegelijk gekweld werd door tandpijn en keelpijn en dikwijls moest overgeven totdat het bloed uit haar mond, neus, oren en ogen stroomde, zij had een voortdurende pijn in haar zijde, haar longen waren aangetast, haar nieren ontstoken en haar lever verhard, kortom, er was nauwelijks een ziekte waarvan zij niet werd getroffen, zodat de verlenging van haar leven met recht als wonderbaar werd beschouwd, te meer daar zij gedurende dertig jaren nauwelijks zoveel voedsel tot zich nam als een gezond mens in drie dagen nodig heeft. Om al deze ellende te bekronen was zij zeer arm en bijna verlaten, en er waren zelfs sommigen die haar belasterden en haar voor een heks uitmaakten, Liduina vond het in de eerste twee of drie jaren zeer moeilijk zich in haar droevige toestand te schikken, maar God zond haar een vrome priester tot troost, die haar leerde haar lijden met geduld te dragen, hij raadde haar aan vóór alles het lijden van Christus te overwegen, te mediteren over de heilige geheimen en te beschouwen wat de Zoon van God voor haar had geleden, vervolgens te denken aan het martelaarschap dat de heiligen uit liefde tot Christus hadden doorstaan, vervolgens dikwijls de grote en eeuwige beloning te overwegen waarmee God een kort aards lijden vergeldt, en tenslotte, om van de Almachtige de genade van geduld te verkrijgen, dikwijls de heilige Communie te ontvangen en korte gebeden te herhalen tijdens haar pijnen, dit was het onderricht van de vrome priester, dat de heilige Liduina nauwgezet opvolgde en weldra de goede vruchten ervan ondervond, haar verlangen naar gezondheid, haar hunkering naar menselijke hulp, haar moedeloosheid in het lijden verdwenen, en geen woord of teken van ongeduld ontsnapte haar lippen, zij onderwierp zich geheel aan de wil van God, dankte en prees Hem in haar grootste smarten en verlangde zelfs nog meer te lijden. Niemand kon Liduina zien, wier gehele lichaam als het ware een verminkte massa van foltering was, zonder medelijden, en toch scheen zij altijd opgewekt en blij, aan hen die haar bezochten gaf zij heilzame vermaningen en zij bekeerde vele verstokte zondaars die men tot haar bracht, onder hen was iemand die, nadat hij al zijn zonden voor haar had beleden, aanvankelijk weigerde naar haar te luisteren, toen hij zijn verhaal beëindigd had, raadde zij hem als boete aan zich de gehele volgende nacht op zijn zijde te leggen zonder van houding te veranderen, en zie, er werd een wonder van genade verricht. De man werd door deze boete geheel bekeerd, want omdat hij niet kon slapen en in dezelfde houding blijven ondraaglijk werd, kwam hem de gedachte op hoe hij de vlammen van de hel zou kunnen verdragen, indien reeds het liggen op een zacht bed zo moeilijk was, door deze overweging bewogen beleed hij de volgende dag met berouw zijn zonden en begon een leven van boete, andere zondaars bekeerde zij door voor hen haar lijden aan de Almachtige op te dragen en om de genade van bekering voor hen te bidden, zij droeg haar lijden ook op voor de zielen in het vagevuur en zij zag velen die zij aldus verlost had opstijgen naar de hemel, bijna alles wat haar als aalmoes werd gegeven deelde zij uit aan de armen. Onze Heer, die deze christelijke heldin tot een voorbeeld van geduld voor de hele wereld wilde stellen, liet niet na haar door geestelijke vertroostingen te sterken, meermalen werd haar een beschermengel gezonden die haar, door haar de vreugden van de hemel en de straffen van vagevuur en hel voor te stellen, met geduld vervulde, Christus zelf verscheen haar dikwijls, vergezeld van zijn heilige Moeder en andere heiligen, eens toonde Hij haar een schone bloemenkrans waarin echter enkele bloemen ontbraken en zei tot haar dat deze krans eerst voltooid moest worden, zij begreep dat zij nog langer moest lijden voordat zij de kroon der eeuwige heerlijkheid zou ontvangen en zij boog het hoofd in onderwerping aan de wil van de Allerhoogste. Het uur van haar dood werd haar eveneens uit de hemel bekendgemaakt en zij werd nog vuriger in de beoefening der deugden waardoor zij haar lijden zo aangenaam had gemaakt in Gods ogen, toen zij de heilige sacramenten had ontvangen verschenen Christus onze Heer, de allerzaligste Maagd en vele heiligen aan haar, vertroostten haar en nodigden haar uit de hemelse beloning te ontvangen die haar wachtte, op de dinsdag in de Paasweek, nadat zij allen die bij haar waren had verzocht haar te vergeven indien zij hen ooit had gekwetst, vroeg zij alleen gelaten te worden opdat zij in eenzaamheid haar vurige liefde tot haar Zaligmaker zou kunnen uitstorten, allen gingen heen behalve een kleine jongen die haar zeer was toegewijd, toen de heilige zich geheel overgaf aan haar verlangen om met God verenigd te worden werden haar gebeden verhoord, de dood sloot haar ogen en haar ziel steeg ten hemel in het jaar 1433 nadat zij achtendertig jaren lang zo heldhaftig had geleden. Na haar dood bleek dat zij een boetekleed van haren had gedragen, aan haar lichaam, dat zo lang één massa van wonden, zweren en wormen was geweest, verdwenen plotseling alle tekenen van ziekte en haar gelaat werd wonderbaarlijk schoon en straalde met een hemels licht, op het uur van haar dood werd aan velen bekendgemaakt dat zij naar de hemel was gegaan, vele wonderen werden verricht bij zieken door het aanraken van de gordel die zij had gedragen en andere voorwerpen die zij had gebruikt, de goddelijke gaven om zieken te genezen, verborgen dingen te openbaren en toekomstige gebeurtenissen te voorzeggen waren haar reeds tijdens haar leven geschonken. Zij wordt aangeroepen bij langdurige ziekte en lijden