Alma Redemptoris Mater – Mariaantifoon voor Advent
De Kerk kent vier vaste Maria-antifonen die door het jaar heen worden gezongen. In de Advent klinkt Alma Redemptoris Mater. Deze antifoon richt onze aandacht op Maria op het moment dat de komst van Christus nabij is. Zij verwoordt nuchter en eenvoudig wat de Advent draagt: het uitzien naar de Verlosser, het besef dat wij Zijn komst nodig hebben, en het vertrouwen dat God de wereld binnenkomt door haar.
1. Alma Redemptoris Mater, quae pervia caeli porta manes, et stella maris.
2. Succurre cadenti, surgere qui curat, populo.
3. Tu quae genuisti, natura mirante, tuum sanctum Genitorem.
4. Virgo prius ac posterius, Gabrielis ab ore sumens illud Ave.
5. Peccatorum miserere.
Tekst en betekenis
1. Milde Moeder van den Verlosser; gij, nooit gesloten poort des hemels en ster der zee. Maria wordt aangesproken als zachte en hulpvaardige moeder van Christus. Gregorius de Grote noemt haar de porta salutis, de poort van het heil. De antifoon neemt dit beeld over wanneer zij haar de “nooit gesloten poort des hemels” noemt. Het beeld van de “ster van de zee” is het klassieke woord van Bernardus: Als de winden van beproeving opsteken, zie naar de ster, roep Maria aan. Zo wordt Maria voorgesteld als gids en toegang tot Christus, juist te midden van onzekerheid of geestelijke storm.
2. Kom uw volk te hulp dat valt en wil opstaan. De tekst is eerlijk en eenvoudig: wij vallen, maar wij verlangen naar opstanding. Bernardus zegt: Wie valt, vindt in haar een hand die niet oordeelt maar opheft. De antifoon sluit daar naadloos bij aan: niet hoogdravend, maar de nuchtere erkenning van onze zwakheid en het verlangen naar herstel.
3. Gij die, tot verwondering van de natuur, uw heiligen Schepper hebt gebaard. Hier raakt de antifoon het hart van het geloof: Maria baart Degene die haar zelf heeft geschapen. Ireneüs spreekt over de Menswording als “het nieuwe begin van de schepping”, en Leo de Grote zegt dat “de natuur verbaasd staat wanneer de Schepper uit een maagd geboren wordt.” De antifoon vat deze patristische visie samen in één zin.
4. Die Maagd waart vóór en nadat Gabriël u zijn Ave sprak. De antifoon verwijst naar de Aankondiging, maar echoot vooral de leer van de Vaders: Ambrosius, Athanasius en Maximus de Belijder bevestigen dat Maria maagd bleef vóór, tijdens en na de geboorte. Het “Ave” van de engel wordt in de traditie het omkeren van Eva’s val genoemd: wat verloren ging in ongehoorzaamheid, wordt door Maria opnieuw geopend voor God.
5. Heb met ons zondaars medelijden. De slotregel is sober en direct. Augustinus leert dat iedere smeking tot Maria verwijst naar Christus, “in wie barmhartigheid woont”, en Bernardus merkt op dat haar mildheid de weg opent naar de Mildheid zelf. De antifoon eindigt precies waar de Advent op gericht is: in nederigheid vragen om de komst van Hem die ons opricht.