Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Mattheüs, 18, 23–35
IN DIE TIJD hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor: Het rijk der hemelen gelijkt op een koning die afrekening wilde houden met zijn dienaren. En toen hij met afrekenen was begonnen, werd er iemand voor hem gebracht die hem tienduizend talenten schuldig was. Daar hij echter niets had om te betalen, gaf zijn heer bevel hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, om zo de schuld te voldoen. Maar de dienaar viel voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen! Toen kreeg de heer medelijden met zijn dienaar, liet hem weer vrij en schold hem de schuld kwijt. Maar toen deze dienaar wegging, trof hij een van zijn mededienaren die hem honderd denariën schuldig was. Hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent! En zijn mededienaar viel neer en smeekte hem: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen! Doch de ander wilde dat niet. Hij ging heen en liet hem in de gevangenis werpen totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu zijn mededienaren dat zagen gebeuren, werden zij zeer bedroefd. Zij gingen naar hun heer en deelden hem alles mee wat er was voorgevallen. Toen liet zijn heer hem roepen en sprak tot hem: Slechte knecht! Heel uw schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u het mij gevraagd hebt. Moest u dan ook geen medelijden hebben met uw medeknecht, zoals ik medelijden heb gehad met u? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij geheel zijn schuld zou hebben betaald. Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als ieder van u zijn broeder niet van harte vergiffenis schenkt.
Dominica XXI. Post Pentec. De gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht. Adriaen Collaert naar Bernardino Passeri, 1593. Rijksmuseum, Amsterdam.
Deze gravure uit 1593 verbeeldt de gelijkenis uit Mattheüs 18, 23–35. De verschillende gebeurtenissen uit het Evangelie zijn samengebracht in één voorstelling. De dienaar die zijn koning tienduizend talenten schuldig is, ontvangt kwijtschelding van zijn schuld. Zelf weigert hij echter zijn mededienaar, die hem slechts honderd denariën schuldig is, dezelfde barmhartigheid te betonen.
De figuren zijn gekleed naar de opvattingen van de zestiende eeuw en bevinden zich in een uitvoerig weergegeven architectonische omgeving. Letters bij de afzonderlijke taferelen verwijzen naar de Bijbeltekst en helpen de beschouwer de opeenvolgende gebeurtenissen te volgen.
Homilie over de gelijkenis van de schuldenaar van tienduizend talenten
De H. Johannes Chrysostomus (ca. 347–407), aartsbisschop van Constantinopel, behoort tot de grootste kerkvaders en kerkleraren. Zijn bijnaam Chrysostomus, Guldenmond, dankt hij aan zijn buitengewone welsprekendheid. Zijn preken kenmerken zich door een grondige kennis van de Heilige Schrift, een heldere verklaring van de geloofsleer en een krachtige aansporing tot deugd en boetvaardigheid. Deze homilie over de onbarmhartige dienstknecht, het evangelie van de 21e zondag na Pinksteren (Mattheüs 18, 23–35), werd waarschijnlijk in 387 te Antiochië gehouden, toen Chrysostomus daar priester was. Hij verklaart de gelijkenis van de koning die zijn dienaar een ontzaglijke schuld kwijtscheldt, terwijl deze vervolgens weigert zijn mededienaar een geringe schuld te vergeven. Chrysostomus behandelt daarbij het goddelijk oordeel, de rekenschap die ieder mens van zijn leven moet afleggen, de kracht van het gebed en Gods barmhartigheid. Hij toont hoe ernstig de zonde van de wraakzucht is en waarom de christen verplicht is zijn naaste van harte te vergeven. Hieronder volgt de volledige homilie, vertaald naar een katholieke Franse uitgave uit 1864.
1.
Wat ik zou voelen wanneer ik u eindelijk na een lange reis terugzag, dat voel ik vandaag. Want wat baat het mensen die elkaar liefhebben dat zij niet ver van hun geliefden verwijderd zijn, wanneer zij toch niet in hun midden kunnen verkeren? Hoewel ik mij dus in de stad bevond, was ik niet minder bedroefd dan een balling, omdat ik sinds enige tijd niet meer tot u kon spreken. Maar vergeef het mij. Niet traagheid, maar lichamelijke zwakheid was de oorzaak van mijn zwijgen. U verheugt zich erover dat mijn gezondheid is teruggekeerd. Ik van mijn kant verheug mij omdat ik u, mijn geliefden, heb teruggevonden. Want tijdens mijn ziekte bedroefde het mij nog meer dan de ziekte zelf dat ik niet aan deze dierbare samenkomst kon deelnemen. Nu mijn krachten door het herstel langzamerhand terugkeren, is het voor mij een groter goed dan de gezondheid zelf dat ik wederom ongestoord de liefde mag genieten van hen die mij dierbaar zijn. De koorts ontsteekt immers in het lichaam een minder hevig vuur dan de scheiding van onze geliefden in de ziel. En zoals zieken die door koorts worden gekweld verlangen naar dranken, verkoelende middelen en koud water, zo verlangen gescheiden vrienden met even grote vurigheid naar het weerzien van degenen die zij missen. Wie weet wat liefhebben is, begrijpt wel wat ik zeg. Houd dus moed! Nu de ziekte mij heeft verlaten, laat ons genieten van elkaars tegenwoordigheid, indien wij daarvan ooit verzadigd kunnen worden. Want de liefde kent geen verzadiging. Hoe meer zij geniet van degenen die zij liefheeft, des te sterker wordt zij ontstoken en ontvlamd. De leerling van de liefde, de heilige Paulus, wist dit zeer goed, toen hij zei: Wees niemand iets schuldig, dan dat u elkaar liefhebt (Rom. 13, 8). Dit is immers de enige schuld die men voortdurend aangaat en nooit geheel aflost. Het is schoon en prijzenswaardig altijd deze schuld te hebben. Wanneer het stoffelijke goederen betreft, prijzen wij degenen die niemand iets schuldig zijn. Maar wanneer het de liefde betreft, prijzen en bewonderen wij juist degenen die altijd schuldenaar blijven. In het eerste geval is het onrechtvaardig zijn schuld niet te voldoen. In het tweede geval is het een teken van een edele ziel dat men de schuld van de liefde nooit geheel afbetaalt. Ontvang welwillend het onderricht dat ik u ga geven, ook al zal het lang zijn. Want ik wil u leren op voortreffelijke wijze de lier te bespelen, niet een levenloze lier, maar een lier waarvan de snaren bestaan uit de verhalen van de Heilige Schrift en de geboden van God. De leermeesters die het lierspel onderwijzen, nemen de vingers van hun leerlingen en leiden deze langzaam over de snaren. Zij leren hun de snaren met vaardigheid aan te raken en aan een zwijgend instrument de aangenaamste en lieflijkste klanken te ontlokken. Ik wil hun voorbeeld volgen. Ik zal uw ziel als vingers gebruiken, haar tot de geboden van God brengen en haar leren deze met vaardigheid aan te raken. Niet om een vergadering van mensen te verheugen, maar om vreugde te verwekken bij de scharen van de engelen. Het is immers niet voldoende de goddelijke uitspraken te bestuderen. Men moet ze ook onderhouden, in zijn levenswandel tot uitdrukking brengen en door zijn daden vervullen. De snaren van een lier worden zowel door de kunstenaar als door de onkundige aangeraakt. Maar terwijl de laatste slechts het gehoor kwelt, brengt de eerste de toehoorder in verrukking en vervult hem met genot. Toch zijn het dezelfde vingers en dezelfde snaren. Alleen de kunst maakt het verschil. Zo is het ook met de goddelijke Schriften. Velen lezen ze, maar niet allen trekken er voordeel en vrucht uit. De reden daarvan is dat niet allen het woord grondig overwegen en deze lier met vaardigheid bespelen. Want wat de kunst is voor het lierspel, dat is de beoefening voor de wet van God. Gedurende de gehele vastentijd hebben wij slechts één snaar aangeraakt. Ik heb u alleen de wet betreffende het zweren uiteengezet. En door Gods genade hebben velen van mijn toehoorders begrepen hoe schoon het is deze wet te onderhouden. Daarom hebben zij een verfoeilijke gewoonte verlaten. In plaats van bij de Heer te zweren, hoort men hen in hun gesprekken nog slechts zeggen: ja, nee, geloof mij. En al zouden duizend dringende zaken hen overstelpen, zij zouden niet verder durven gaan.
2.
Maar omdat het voor het heil niet voldoende is slechts één gebod te onderhouden, wil ik u vandaag een tweede leren. Want hoewel nog niet allen het gebod onderhouden waarover ik eerst gesproken heb, en sommigen achterblijven, zullen zij toch, naarmate de tijd voortgaat, degenen willen inhalen die hun zijn voorgegaan. Ik heb immers opgemerkt dat de ijver voor dit gebod tegenwoordig zo groot is, dat allen, zowel bij hun huiselijke bezigheden als aan tafel, mannen en vrouwen, vrijen en slaven, met elkaar wedijveren wie het het beste zal onderhouden. En ik kan niet nalaten degenen geluk te wensen die zich aldus gedragen tijdens hun maaltijden. Want wat is heiliger dan een tafel waarvan dronkenschap, gulzigheid en iedere vorm van losbandigheid verbannen zijn, om plaats te maken voor een bewonderenswaardige wedijver in het onderhouden van Gods wetten? Daar let de echtgenoot op zijn vrouw en de vrouw op haar echtgenoot, opdat geen van beiden in de afgrond van de meineed valt. Daar staat een strenge straf op de overtreding. Daar schaamt de meester zich niet wanneer hij door zijn slaven terechtgewezen wordt, noch wanneer hij zelf degenen terechtwijst die in zijn huis wonen. Zou men zich vergissen wanneer men zulk een huis de Kerk van God noemde? Want waar een dergelijke wijsheid heerst, waar men zelfs aan tafel, op een ogenblik dat tot ongebondenheid schijnt uit te nodigen, zorg draagt voor de wet van God, en waar allen met elkaar wedijveren om haar het beste te onderhouden, daar is het duidelijk dat de duivel, de boze geest, geen plaats meer heeft, maar dat Christus er heerst, zijn dienaren gelukwenst met hun heilige wedijver en hun alle gunsten schenkt. Ik zal dus een gebod laten rusten waarvan de onderhouding, dankzij God en dankzij u, die zo vurig begonnen bent het na te leven en daartoe reeds zo vastbesloten bent, zich weldra over de gehele stad zal verbreiden. Ik zal overgaan tot een ander gebod, namelijk dat wij de toorn moeten leren verachten en bedwingen. Want zoals één enkele snaar op een lier geen melodie kan voortbrengen, maar men alle snaren in het juiste ritme moet bespelen, zo is het ook met de deugd die onze ziel moet bezitten. Het is voor ons heil niet voldoende slechts één wet te onderhouden, zoals ik reeds gezegd heb. Wij moeten ze alle nauwgezet onderhouden, willen wij een harmonie voortbrengen die lieflijker en nuttiger is dan iedere andere harmonie. Uw mond heeft geleerd niet meer te zweren en uw tong heeft geleerd onder alle omstandigheden slechts ja en nee te zeggen. Leer bovendien ieder beledigend woord vermijden en leg u met des te meer ijver toe op de onderhouding van dit gebod, naarmate het meer inspanning vereist. Bij het zweren ging het er slechts om een gewoonte te overwinnen. Om de toorn te bedwingen zijn grotere inspanningen nodig. Het is een tirannieke hartstocht, die zelfs degenen meesleept die ervoor op hun hoede zijn en hen in de afgrond van het verderf stort. Verdraag daarom de lengte van mijn rede. Het zou onverstandig zijn wanneer wij, die iedere dag verwond worden op het marktplein, in onze huizen, door onze vrienden, onze verwanten, onze vijanden, onze buren, onze dienaren, onze echtgenotes, onze kleine kinderen en zelfs door onze eigen gedachten, niet bereid zouden zijn ons al was het maar eenmaal per week bezig te houden met de genezing van deze wonden. En dat terwijl wij weten dat deze behandeling ons geen geld en geen pijn zal kosten. Want zie, ik houd geen ijzer in mijn hand. Ik bedien mij slechts van het woord, maar dat is scherper dan ijzer. Het zal alle bederf wegnemen zonder iemand die deze ingreep ondergaat pijn te veroorzaken. Ik houd geen vuur in mijn hand, maar ik bezit een leer die sterker is dan het vuur. Zij zal u niet verbranden, maar de verwoestingen van de ongerechtigheid verhinderen. In plaats van pijn zal zij degene die van het kwaad bevrijd wordt slechts vreugde schenken. Hier zijn geen tijd, geen arbeid en geen geld nodig. Het is voldoende te willen, en hetgeen de deugd verlangt, wordt volbracht. En wanneer u nadenkt over de majesteit van God, die gebiedt en deze wet heeft gegeven, zal dat dan niet voldoende zijn om u te verlichten en tot handelen te bewegen? Want het zijn niet mijn eigen gedachten die ik u voorleg. Ik wil u slechts allen tot de grote Wetgever voeren. Volg mij dus en luister naar de wet van God. Waar wordt gesproken over de toorn en het verlangen naar wraak? Op vele verschillende plaatsen, maar vooral in de gelijkenis die Jezus tot zijn leerlingen richtte: Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. Toen hij daarmee begonnen was, bracht men hem iemand die hem tienduizend talenten schuldig was. En omdat hij niets had om te betalen, beval zijn heer dat hij verkocht zou worden, met zijn vrouw, zijn kinderen en alles wat hij bezat, om de schuld te voldoen. Maar de dienaar wierp zich aan zijn voeten en smeekte hem: Heb geduld met mij, en ik zal u alles terugbetalen. Toen kreeg de heer medelijden met deze dienaar, liet hem gaan en schold hem zijn schuld kwijt. Maar toen deze dienaar naar buiten ging, ontmoette hij een van zijn mededienaren, die hem honderd denariën schuldig was. Hij greep hem vast, kneep hem de keel dicht en zei: Betaal mij wat u schuldig bent. Zijn mededienaar wierp zich aan zijn voeten en smeekte hem: Heb geduld met mij, en ik zal u alles terugbetalen. Maar hij wilde niet. Hij ging heen en liet hem in de gevangenis werpen totdat hij zijn schuld zou betalen. Toen de andere dienaren dit zagen, waren zij diep verontwaardigd. Zij gingen naar hun heer en vertelden hem alles wat er gebeurd was. Daarop liet de heer hem roepen en zei tot hem: Boze dienaar, ik heb u heel uw schuld kwijtgescholden omdat u mij daarom gesmeekt hebt. Had ook u dan geen medelijden moeten hebben met uw mededienaar, zoals ik medelijden met u heb gehad? En hij leverde hem over aan de beulen, totdat hij zijn gehele schuld zou hebben betaald. Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u handelen, indien niet ieder van u zijn broeder van harte vergeeft. (Mattheüs 18, 23–35)
3.
Dit is de gelijkenis. Nu moeten wij verklaren waarom de Heer haar heeft voorgesteld en welke aanleiding Hij daartoe had. Want Hij zegt niet eenvoudig: Het rijk der hemelen is gelijk aan, maar: Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan. Waarom wordt deze aanleiding uitdrukkelijk vermeld? Christus sprak tot Zijn leerlingen over de verdraagzaamheid. Hij leerde hun hun toorn te beheersen, niet te veel gewicht te hechten aan het onrecht dat anderen hun konden aandoen, en Hij zei tot hen: Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga dan heen en wijs hem terecht onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. (Mattheüs 18, 15) Terwijl Christus deze en dergelijke dingen tot Zijn leerlingen sprak en hun leerde hoe zij hun leven moesten inrichten, trad Petrus naar voren, de eerste van het apostelcollege, de mond van de leerlingen, de zuil van de Kerk, de steunpilaar van het geloof, hij met wie allen eensgezind moeten denken, in wiens netten allen zich moeten laten vangen, die ons uit de afgrond van de dwaling naar de hemel heeft teruggevoerd, die wij overal vol liefde en vrijmoedigheid aantreffen, maar nog meer vol liefde dan vrijmoedigheid. Petrus dus trad, terwijl alle anderen zwegen, naar de Meester en zei: Hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven wanneer hij tegen mij zondigt? (Mattheüs 18, 21) Hij stelt deze vraag en toont reeds dat hij tot alles bereid is. Hij kent de wet nog niet en toont zich toch vol ijver om haar te onderhouden. Want hij wist zeer goed dat zijn Meester meer tot zachtmoedigheid neigde en dat degene Hem het meest zou behagen die het gemakkelijkst zijn naaste vergaf en niet met bitterheid de fouten van anderen onderzocht. Daarom wilde hij de Wetgever behagen en vroeg Hem: Moet ik tot zevenmaal toe vergeven? Maar opdat u zou leren wat de mens is en wat God is, en hoe de goedheid van de mens, vergeleken met de oneindige rijkdommen van Gods barmhartigheid, nog beneden de uiterste armoede staat, en hoe onze liefde zich tot de onuitsprekelijke liefde van God verhoudt als een waterdruppel tot de onmetelijke zee, moet u luisteren naar het antwoord van de Heer. Terwijl Petrus vraagt of hij tot zevenmaal toe moet vergeven en meent daarmee reeds zeer ruimhartig en edelmoedig te zijn, antwoordt de Heer hem: Ik zeg u niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Sommigen beweren dat dit zevenenzeventigmaal betekent. Maar dat is niet juist. Men moet hieronder bijna vijfhonderdmaal verstaan, want zevenmaal zeventig is vierhonderdnegentig. En meen niet, mijn geliefde toehoorders, dat dit gebod moeilijk te onderhouden is. Want wanneer u degene die tegen u zondigt één, twee of driemaal per dag vergeeft, zal hij, ook al heeft hij een hart van steen en is hij wreder dan alle duivelen, zeker niet zo ongevoelig blijven dat hij voortdurend in dezelfde fouten vervalt. Integendeel, door de vergeving die hem zo dikwijls geschonken wordt, zal hij getroffen worden en beter en minder hardvochtig worden. En wat uzelf betreft, wanneer u bereid bent zo dikwijls het onrecht te vergeven dat u wordt aangedaan, zal het u, nadat u eenmaal, tweemaal of driemaal vergeven hebt, tot een gewoonte worden. Het zal u dan geen moeite meer kosten in deze handelwijze te volharden, omdat u, na zo dikwijls vergeven te hebben, niet meer door het onrecht van anderen getroffen zult worden. Toen Petrus dit hoorde, stond hij verbaasd. Hij dacht daarbij niet alleen aan zichzelf, maar ook aan allen die aan zijn zorgen zouden worden toevertrouwd. En opdat hij niet opnieuw zou doen wat hij gewoon was bij andere geboden, voorkwam onze Heer iedere verdere vraag. Wat deed Petrus immers wanneer het om een gebod ging? Wanneer onze Heer een wet had gegeven die enige moeilijkheid scheen op te leveren, trad Petrus naar voren, stelde Hem vragen en vroeg om een verklaring van die wet. Toen bijvoorbeeld de rijke jongeling de Meester naar het eeuwige leven had gevraagd en, nadat hij vernomen had wat hem tot de volmaaktheid zou voeren, bedroefd was heengegaan omdat hij grote rijkdommen bezat, voegde onze Heer eraan toe dat het gemakkelijker was voor een kameel door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke het rijk der hemelen binnen te gaan. Toen trad Petrus, hoewel hij alles had verlaten, zelfs zijn vishaak niet had behouden en zijn beroep en zijn boot had prijsgegeven, naar Christus en zei: Wie kan dan zalig worden? (Marcus 10, 26) Let hier op het prijzenswaardige gedrag en de ijver van de leerling. Enerzijds zegt hij niet dat de Heer iets onmogelijks gebiedt, dat dit voorschrift te streng of deze wet te hard is. Anderzijds bewaart hij evenmin het stilzwijgen. Hij toont zijn bezorgdheid voor allen en bewijst onze Heer de eerbied die een leerling zijn Meester verschuldigd is, door Hem te vragen: Wie kan dan zalig worden? Hoewel hij nog geen herder was, bezat hij reeds de ijver van een herder. Hoewel hij nog niet tot hoofd was aangesteld, toonde hij reeds de zorg van een hoofd en dacht hij aan de gehele wereld. Indien hij rijk was geweest en een groot vermogen had bezeten, zou men misschien gezegd hebben dat hij deze vraag niet ter wille van anderen stelde, maar uit eigenbelang en voor zichzelf. Zijn armoede neemt echter iedere verdenking daarvan weg en toont dat uitsluitend zijn bezorgdheid voor het heil van anderen hem verontrustte, hem met zorg vervulde en hem ertoe bracht de Meester naar de weg van het heil te vragen. Daarom sprak onze Heer hem moed in en zei: Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Daarmee wilde Hij zeggen: Meen niet dat u alleen en verlaten zult blijven. Ikzelf zal met u aan dit werk de hand slaan, Ik, door wie moeilijke dingen gemakkelijk en uitvoerbaar worden. Evenzo, toen onze Heer over het huwelijk en de vrouw sprak en zei dat wie zijn vrouw verstoot, behalve wegens overspel, haar tot overspel brengt, en daarmee te verstaan gaf dat echtgenoten alle fouten van hun vrouwen moesten verdragen, behalve overspel, trad Petrus, terwijl alle anderen zwegen, naar Christus en zei: Indien de toestand van de man tegenover zijn vrouw zo is, dan is het niet voordelig te huwen. (Mattheüs 19, 9–10) Merk op hoe hij ook bij deze gelegenheid de eerbied bewaart die hij zijn Meester verschuldigd is en toch niet nalaat zich om het heil van anderen te bekommeren, zonder daarbij aan zijn eigen belangen te denken. Om nu een dergelijke opmerking te voorkomen en iedere verdere tegenwerping af te snijden, stelt Jezus de gelijkenis voor. Daarom zegt de evangelist: Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. Hiermee toont hij ons dat deze gelijkenis ons moet leren dat wij, zelfs wanneer wij onze broeder zeventigmaal zevenmaal per dag zouden hebben vergeven, nog niets bijzonder groots zouden hebben gedaan. Wij zouden nog zeer ver verwijderd zijn van de zachtmoedigheid van onze God en nog niet zoveel hebben gegeven als wij zelf ontvangen hebben.
4. De rekenschap die ieder mens aan God moet afleggen
Laten wij deze gelijkenis dus beschouwen. Want hoewel zij op zichzelf duidelijk genoeg schijnt, bevat zij toch een gehele schat, een verborgen en onuitsprekelijke schat van kostbare gedachten die wij moeten verzamelen. Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning die met zijn dienaren afrekening wilde houden. Ga niet lichtvaardig aan deze woorden voorbij. Stel u deze rechterstoel voor ogen en daal af in uw geweten om rekenschap af te leggen van alles wat u gedurende uw gehele leven hebt gedaan. Bedenk dat onder de dienaren die rekenschap moeten afleggen zowel koningen als legeraanvoerders, landvoogden, rijken en armen, slaven en vrijen worden verstaan. Want wij moeten allen verschijnen voor de rechterstoel van Christus (2 Kor. 5, 10). Indien u rijk bent, bedenk dan dat men u rekenschap zal vragen van de wijze waarop u uw rijkdom hebt besteed. Hebt u die gebruikt om ontuchtige vrouwen te onderhouden of om in de behoeften van de armen te voorzien? Om tafelgenoten en vleiers te voeden of om behoeftigen te helpen? Voor losbandigheid of voor de naastenliefde? Voor uitspattingen, verkwisting en dronkenschap, of om degenen bij te staan die in verdrukking verkeerden? Men zal u eveneens rekenschap vragen van de wijze waarop u uw goederen hebt verkregen. Hebt u ze door eerlijke arbeid verworven of door roof en bedrog? Hebt u ze van uw vader geërfd of bezit u ze ten koste van wezen wier huizen u hebt geruïneerd en van weduwen wier vermogen u hebt geroofd? Want zoals wij onze dienaren niet alleen rekenschap laten afleggen van hun uitgaven, maar ook van hun ontvangsten, en hun vragen vanwaar zij bepaalde goederen hebben ontvangen, van wie, op welke wijze en in welke hoeveelheid, zo zal ook God willen weten, niet alleen hoe wij ons vermogen hebben besteed, maar ook hoe wij het hebben verkregen. En indien de rijke rekenschap moet afleggen van zijn rijkdom, zal de arme rekenschap moeten afleggen van zijn armoede. Heeft hij die moedig en zonder tegenzin verdragen, zonder morren en zonder ongeduld? Heeft hij de goddelijke Voorzienigheid niet beschuldigd wanneer hij zag dat zoveel anderen in weelde en verkwisting leefden, terwijl hijzelf door gebrek werd gedrukt? De rijke zal rekenschap afleggen van zijn barmhartigheid en de arme van zijn geduld. En niet alleen van zijn geduld, maar ook van zijn barmhartigheid. Want armoede verhindert niet aalmoezen te geven. Daarvan getuigt de weduwe die twee kleine muntstukken in de offerkist wierp en door haar geringe aalmoes meer verdiensten verwierf dan de anderen door hun rijke gaven. En niet alleen de rijken en de armen, maar ook degenen aan wie het gezag en de rechtspraak zijn toevertrouwd, zullen aan een streng onderzoek worden onderworpen. Men zal hun vragen of zij het recht niet hebben verdorven, of hun beslissingen niet werden geleid door persoonlijke genegenheid of haat, of zij niet, om bij iemand in de gunst te komen, hun stem tegen het recht hebben uitgebracht, en of zij niet uit wraakzucht onschuldigen hebben gestraft. En naast de wereldlijke overheid zal ook het kerkelijk gezag rekenschap moeten afleggen van zijn bestuur. Vooral dit laatste zal aan een streng en verschrikkelijk onderzoek worden onderworpen. Bij degene aan wie de bediening van het woord is toevertrouwd, zal nauwkeurig worden onderzocht of hij uit traagheid of haat niet heeft verzwegen wat gezegd moest worden, of hij door zijn werken zijn woorden niet heeft tegengesproken en of hij niets heeft achtergehouden van hetgeen nuttig was. Wat de bisschop betreft, hoe hoger zijn ambt is, des te strenger zal de rekenschap zijn die men van hem vraagt. Men zal hem rekenschap vragen van het onderricht dat hij zijn volk heeft gegeven, van de bescherming die hij de armen heeft verleend en vooral van het onderzoek dat hij heeft ingesteld naar degenen die hij tot de heilige wijdingen heeft toegelaten, en van duizend andere zaken. Daarom schreef de heilige Paulus aan Timotheüs: Leg niemand overhaast de handen op en maak u niet medeplichtig aan de zonden van anderen (1 Tim. 5, 22). En aan de Hebreeën schreef hij, sprekend over hun geestelijke oversten, deze ontzagwekkende woorden: Gehoorzaam uw oversten en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die daarvan rekenschap moeten afleggen (Hebr. 13, 17). En na onze daden zullen wij ook rekenschap moeten afleggen van onze woorden. Want zoals wij, wanneer wij geld aan onze dienaren hebben toevertrouwd, willen weten wat zij daarmee hebben gedaan, zo zal God, die ons het vermogen om te spreken heeft toevertrouwd, ons vragen hoe wij daarvan gebruik hebben gemaakt. Hij zal door een streng onderzoek nagaan of wij dit talent niet nutteloos en tevergeefs hebben verspild. Geld dat aan dwaze uitgaven wordt besteed, is minder schadelijk dan ijdele, nutteloze en doelloze woorden. Want verkeerd besteed geld brengt meestal slechts schade toe aan het vermogen, maar een onbezonnen woord kan gehele gezinnen ten val brengen en zielen verderven en verlammen. Bovendien kan het verlies van vermogen worden hersteld, maar een eenmaal uitgesproken woord kunt u niet meer terugnemen. Ja, wij zullen rekenschap afleggen van onze woorden. Luister naar hetgeen de Heer verklaart: Ik zeg u dat de mensen van ieder ijdel woord dat zij op aarde gesproken hebben, rekenschap zullen moeten afleggen op de dag van het oordeel. Want uit uw woorden zult u gerechtvaardigd worden en uit uw woorden zult u veroordeeld worden (Mattheüs 12, 36–37). Wij zullen rekenschap afleggen van hetgeen wij gezegd hebben en van hetgeen wij gehoord hebben. Bijvoorbeeld wanneer wij zonder ons daartegen te verzetten hebben geluisterd naar laster die tegen onze naaste gericht was. Want de Schrift zegt: Neem de woorden van een leugenaar niet aan (Ex. 23, 1). En indien degenen die zulke woorden aannemen geen genade zullen vinden, welke verontschuldiging zullen dan de kwaadsprekers en lasteraars kunnen aanvoeren?
5.
En waarom spreek ik slechts over hetgeen wij gezegd en gehoord hebben? Wij zullen zelfs rekenschap moeten afleggen van onze gedachten. Dat toont de heilige Paulus ons met deze woorden: Oordeel daarom niet vóór de tijd, totdat de Heer komt, die hetgeen in de duisternis verborgen is aan het licht zal brengen en de geheime gedachten van de harten openbaar zal maken (1 Kor. 4, 5). En de psalmist zegt: Zelfs de gedachte van de mens zal U tot lof strekken (Ps. 75, 11). Wat betekenen deze woorden, dat zelfs de gedachte van de mens God tot lof zal strekken? Dat zal het geval zijn wanneer u tot uw broeder slechts geveinsde en boosaardige woorden spreekt, wanneer uw mond en uw tong hem prijzen, terwijl u diep in uw hart slechts kwaad van hem denkt en hem haat toedraagt. Christus wil ons doen begrijpen dat wij niet alleen van onze daden, maar ook van onze gedachten rekenschap moeten afleggen. Daarom zegt Hij: Alwie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds overspel met haar bedreven (Matt. 5, 28). Zijn zonde is nog niet tot een daad geworden. Zij bestaat nog slechts in zijn gedachten. En toch is ook hij niet zonder schuld die de schoonheid van een vrouw beschouwt met het doel in zichzelf de begeerte tot onkuisheid op te wekken. Wanneer u dus hoort dat de heer met zijn dienaren afrekening wil houden, ga dan niet lichtvaardig aan deze woorden voorbij. Bedenk dat zij betrekking hebben op iedere waardigheid, iedere leeftijd en beide geslachten, op mannen zowel als vrouwen. Stel u voor ogen hoe die rechterstoel zal zijn en overdenk alle fouten die u hebt bedreven. Want indien u ze vergeten bent, God zal ze niet vergeten. Hij zal ze u alle opnieuw voor ogen stellen, tenzij u dat verschrikkelijke ogenblik voorkomt en ze uitwist door boetvaardigheid, belijdenis en vergeving van het onrecht dat u is aangedaan. Maar waarom laat de Heer rekenschap afleggen? Niet omdat Hij onze werken niet kent, Hij die alles weet voordat het geschiedt. Hij wil Zijn dienaren tonen dat hun schulden werkelijk bestaan en rechtvaardig zijn. Hij wil dat zij dit zelf erkennen en hun tevens leren hoe zij hun schulden kunnen voldoen. Daarom zond Hij de profeet om de Joden hun ongerechtigheden in herinnering te brengen: Verkondig het huis van Jakob zijn ongerechtigheden en het huis van Israël zijn zonden (Is. 58, 1). Niet alleen opdat zij die zouden horen, maar opdat zij zich zouden beteren. Toen hij begonnen was afrekening te houden, bracht men hem een dienaar die hem tienduizend talenten schuldig was. Wat een som was hem toevertrouwd! Wat een som had hij verspild! Wat een ontzaglijke schuld! Hoeveel moet hij wel ontvangen hebben, hij die zoveel heeft uitgegeven! Zwaar was de last van zijn schulden. Maar wat zijn toestand nog erger maakte, was dat deze dienaar als eerste voor zijn heer werd gebracht. Want indien vele schuldenaren die konden betalen hem waren voorgegaan, zou het niet zo verwonderlijk zijn geweest dat de koning niet vertoornd werd. De mogelijkheid van de eersten om hun schuld te voldoen, had hem welwillend kunnen stemmen tegenover degenen die daarna niet konden betalen. Maar dat de eerste schuldenaar onvermogend is, en wel voor zulk een aanzienlijke schuld, en dat hij niettemin de goedertierenheid van zijn heer ondervindt, dat is werkelijk verwonderlijk en buitengewoon. Wanneer mensen een schuldenaar ontdekken, verheugen zij zich alsof zij een buit gevonden hebben. Zij stellen alles in het werk om hem zijn gehele schuld te laten betalen. En wanneer de armoede van de schuldenaar dit onmogelijk maakt, richten zij hun toorn tegen het lichaam van die ongelukkige. Zij kwellen hem, slaan hem en doen hem duizend kwellingen ondergaan. God daarentegen stelt alles in het werk en brengt alles in beweging om Zijn schuldenaren van hun schulden te bevrijden. De mens verrijkt zich door op te eisen wat hem verschuldigd is, God door het kwijt te schelden. Wanneer wij ontvangen wat men ons schuldig is, neemt onze rijkdom toe. Maar God wordt des te rijker naarmate Hij meer schulden kwijtscheldt die men tegenover Hem heeft aangegaan. Want Gods rijkdom bestaat in het heil van de mensen, zoals de heilige Paulus zegt: Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen (Rom. 10, 12). Maar, zult u mij zeggen, indien de heer zijn dienaar wil vergeven en hem zijn schuld wil kwijtschelden, waarom beveelt hij dan dat men hem verkoopt? Juist daarin openbaart zich zijn liefde het duidelijkst. Laten wij ons echter niet haasten, maar de gelijkenis in haar juiste volgorde volgen. Omdat hij niets had om te betalen, zegt de evangelist. Wat betekenen deze woorden, dat hij niets had om te betalen? Hierin ligt een verzwaring van zijn ongerechtigheid. Dat hij niets had om te betalen, betekent dat hij verstoken was van goede werken, dat hij niets goeds had verricht wat hem tot vergeving van zijn fouten kon worden toegerekend. Want onze goede werken worden ons, ja waarlijk, toegerekend tot vergeving van onze zonden, zoals het geloof tot rechtvaardiging wordt toegerekend. Aan degene die geen werken verricht, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof tot gerechtigheid gerekend (Rom. 4, 5). En waarom zou ik slechts spreken over het geloof en de goede werken, aangezien zelfs de verdrukkingen ons tot vergeving van onze fouten worden toegerekend? Dat toont de Verlosser ons in de gelijkenis van Lazarus, waar Hij Abraham tot de rijke laat zeggen dat Lazarus op aarde slechts kwaad heeft ontvangen en dat hij daarom in het andere leven vertroost wordt. Dat toont ons ook de heilige Paulus, wanneer hij aan de Korintiërs schrijft over de ontuchtige en hun zegt: Lever deze man over aan Satan, opdat zijn vlees gestraft en zijn geest gered wordt (1 Kor. 5, 5). En wanneer hij andere zondaars vertroost, richt hij tot hen deze woorden: Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk, en velen zijn ontslapen. Indien wij onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden. Maar wanneer wij geoordeeld worden, worden wij door de Heer terechtgewezen, opdat wij niet met deze wereld veroordeeld worden (1 Kor. 11, 30–32). Indien dus de verdrukkingen, de ziekten, de slechte gezondheid en het lichamelijk lijden, allemaal zaken die wij slechts tegen onze wil verdragen en die wij onszelf allerminst bezorgen, ons tot vergeving van onze fouten worden toegerekend, hoeveel te meer dan de goede werken waartoe wij ons uit eigen beweging en met ijver begeven! Maar deze dienaar bezat niets goeds. Hij had slechts een verpletterende last van zonden. Daarom zegt de evangelist: Omdat hij niets had om te betalen, beval zijn heer dat hij verkocht zou worden (Matt. 18, 25). Juist hierin wordt de goedertierenheid van de Heer het duidelijkst getoond, namelijk dat Hij de dienaar rekenschap liet afleggen en beval hem te verkopen. Want door beide dingen te doen, wilde Hij niets anders dan verhinderen dat de dienaar verkocht zou worden. Wat bewijst dit? Het einde van de gelijkenis. Want indien Hij werkelijk gewild had dat men hem verkocht, wie zou zich daartegen hebben verzet? Wie zou Hem dat hebben verhinderd?
6.
Waarom heeft hij dan bevolen hem te verkopen, als hij niet van plan was dit werkelijk te doen? Om de dienaar meer vrees in te boezemen. Door zijn bedreiging wilde hij hem bevreesd maken, opdat hij zou gaan smeken. En hij wilde hem tot smeken brengen om daarin aanleiding te vinden hem te vergeven. Hij had hem ook zonder enig smeekgebed kunnen vergeven, maar hij deed dit niet om te voorkomen dat de dienaar nog slechter zou worden. Hij had hem zelfs vóór iedere afrekening kunnen vergeven. Maar dan zou de dienaar, die de grootte van zijn schuld niet kende, nog onmenselijker en wreder tegenover zijn broeders zijn geworden. Daarom liet de koning hem eerst de omvang van zijn schuld zien en schold hem vervolgens alles kwijt. Want nadat hem bij de afrekening was getoond hoe groot zijn schuld was, nadat men hem had bedreigd en hem de straf had voorgehouden die hij rechtvaardig verdiende, juist toen gedroeg hij zich zo meedogenloos en onmenselijk tegenover zijn mededienaar. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet waren genomen, tot welke graad van wreedheid zou hij dan niet zijn vervallen? God had met dit alles geen ander doel dan dit zo onstuimige karakter tot zachtheid te brengen. En indien niets geholpen heeft, ligt de schuld niet bij de meester, maar bij deze onverbeterlijke dienaar. Laten wij echter zien hoe de meester deze kwaal behandelt. De dienaar wierp zich aan zijn voeten en smeekte hem: Heb geduld met mij en ik zal u alles terugbetalen. Hij zei niet dat hij niets had om te betalen. Maar schuldenaren beloven altijd te betalen, zelfs wanneer zij niets bezitten, om aan het onmiddellijke gevaar te ontkomen. Laten wij, die zo weinig ijver voor het gebed bezitten, hieruit leren hoe groot de kracht van het smeekgebed is. Deze dienaar kon geen vasten, geen vrijwillige armoede of iets dergelijks voorleggen. Hij bezat geen enkele deugd. Toch begon hij zijn meester te smeken, en zijn gebed had zoveel kracht dat het hem tot barmhartigheid bewoog. Laten wij daarom nooit wanhopen aan onze gebeden. Want kan er een groter zondaar bestaan dan iemand die, gebukt onder de last van zoveel misdaden, geen enkel goed werk kon voorleggen, noch een groot, noch een klein? En toch zei hij niet bij zichzelf: Ik durf niet te spreken. Ik ben vol schaamte. Hoe zou ik mijn meester kunnen naderen? Hoe zou ik hem kunnen smeken? En toch zeggen vele zondaars juist dit, daartoe aangezet door de schaamte die de duivel hun ingeeft. U durft niet te spreken? Juist daarom moet u naderbij komen, opdat uw vertrouwen groter wordt. Is Hij die u vergeving zal schenken dan een mens, zodat u door schaamte overweldigd zou moeten worden? Nee, het is God. God verlangt vuriger u te vergeven dan uzelf verlangt vergeving te ontvangen. U verlangt uw eigen geluk niet zozeer als Hij uw heil verlangt. En dat heeft Hij ons door vele voorbeelden getoond. U hebt geen vertrouwen? Juist dat moet u vertrouwen schenken. Want het is een grote reden tot vertrouwen wanneer men meent daarop geen recht te hebben, zoals het een grote reden tot schaamte is wanneer men zich tegenover de Heer durft te rechtvaardigen. Wie zichzelf rechtvaardigt, maakt zich schuldig, ook al zou hij overigens de heiligste van alle mensen zijn. Daarentegen wordt degene gerechtvaardigd die zichzelf als de minste van allen beschouwt. Daarvan getuigen de farizeeër en de tollenaar. Wanneer wij dus gezondigd hebben, laten wij dan noch de hoop noch het vertrouwen verliezen, maar tot God naderen, ons voor Hem neerwerpen en Hem smeken, zoals deze dienaar deed, die tenminste hierin door een goede gezindheid werd geleid. Niet wanhopen, het vertrouwen niet verliezen, zijn zonden belijden en om enig uitstel vragen, dat alles is goed en behoort tot een berouwvol hart en een vernederde geest. Maar wat nu volgt, lijkt in niets op hetgeen eraan voorafging. Wat hij door zijn smeekbeden had verkregen, zou hij weldra verliezen door de toorn die hij tegen zijn mededienaar zou laten ontbranden. Laten wij intussen zien hoe hij vergeving verkreeg, hoe zijn meester hem vrijliet en wat hem daartoe bewoog. De koning werd door medelijden bewogen, zegt de evangelist, liet hem gaan en schold hem zijn schuld kwijt. De dienaar had om uitstel gevraagd, maar de meester schonk hem vergeving. Zo ontving hij meer dan hij had gevraagd. Daarom zegt de heilige Paulus dat God machtig is om oneindig meer te doen dan alles wat wij vragen of denken (Ef. 3, 20). Want u zult zich nooit kunnen voorstellen wat Hij besloten heeft u te schenken. Daarom geen wantrouwen en geen schaamte. Of liever, schaam u over uw ongerechtigheden, maar wanhoop niet en laat het gebed niet varen. Ga, ook wanneer u gezondigd hebt, tot uw Meester om Hem te verzoenen en Hem gelegenheid te geven Zijn barmhartigheid te betonen door u uw fouten te vergeven. Want wanneer u niet durft te naderen, stelt u een belemmering aan Zijn goedheid en verhindert u, voor zover het van u afhangt, dat Hij toont hoe edelmoedig Zijn hart is. Daarom geen moedeloosheid en geen traagheid in onze gebeden. Zelfs wanneer wij in de afgrond van de ondeugd gevallen zouden zijn, kan Hij ons daar zeer spoedig uit bevrijden. Niemand heeft zoveel gezondigd als deze slechte dienaar. Hij had alle vormen van ondeugd uitgeput. Dat tonen de tienduizend talenten aan. Niemand kon meer dan hij verstoken zijn van goede werken. Daarom wordt ons gezegd dat hij niets kon betalen. En toch werd deze schuldige, tegen wie alles getuigde, door de kracht van het gebed bevrijd. Is het gebed dan zo krachtig dat het iemand die zich door zijn slechte daden en werken tegenover zijn Meester schuldig heeft gemaakt, aan straf en kastijding kan onttrekken? Ja, dat kan het, o mens. Want het gebed staat bij deze onderneming niet alleen. Het bezit de machtigste hulp en ondersteuning, namelijk de barmhartigheid van God tot wie het gericht wordt. Het is de barmhartigheid die alles doet en aan het gebed zijn kracht verleent. Om ons deze waarheid te doen begrijpen, zegt de evangelist: Zijn meester werd door medelijden bewogen, liet hem gaan en schold hem zijn schuld kwijt. Daarmee toont hij dat zowel bij het gebed als reeds vóór het gebed de barmhartigheid van de Meester alles heeft gedaan. Toen deze dienaar naar buiten ging, ontmoette hij een van zijn mededienaren, die hem honderd denariën schuldig was. Hij greep hem vast, kneep hem de keel dicht en zei: Betaal mij wat u schuldig bent. Maar wat kan er schandelijker zijn? De woorden van vergeving klonken nog in zijn oren, en reeds had hij de barmhartigheid van zijn Meester vergeten.
7.
Ziet u hoe nuttig het is zich zijn zonden te herinneren? Indien deze dienaar zich zijn zonden voortdurend voor ogen had gehouden, zou hij niet zo wreed en onmenselijk zijn geweest. Daarom herhaal ik u voortdurend, en zal ik niet ophouden het u te zeggen, dat het zeer nuttig en noodzakelijk is dat wij ons al onze ongerechtigheden onophoudelijk herinneren. Niets maakt de ziel zo wijs, zo zachtmoedig en zo vergevensgezind als de voortdurende herinnering aan haar eigen fouten. Daarom herinnerde de heilige Paulus zich niet alleen de zonden die op zijn doopsel waren gevolgd, maar zelfs die welke hij vóór zijn doopsel had bedreven, hoewel deze geheel waren uitgewist. En indien deze apostel zich zelfs de zonden herinnerde die hij vóór zijn doopsel had begaan, hoeveel te meer moeten wij dan niet denken aan de zonden die op onze wedergeboorte zijn gevolgd? Want de herinnering daaraan zal ons niet alleen tot grotere boetvaardigheid bewegen, maar ons ook zachtmoediger maken jegens onze naaste en ons vervullen met grotere dankbaarheid jegens God, onze Meester, doordat wij ons voortdurend Zijn onuitsprekelijke barmhartigheid voor ogen stellen. Dat deed deze slechte dienaar niet. Integendeel, doordat hij de grootte van zijn schuld vergat, vergat hij ook de grootheid van de weldaad die hij had ontvangen. En doordat hij deze weldaad vergat, handelde hij boosaardig tegenover zijn mededienaar. Door deze slechte daad verloor hij alles wat Gods barmhartigheid hem had geschonken. Hij greep hem vast, kneep hem de keel dicht en zei: Betaal mij wat u schuldig bent. Hij zei niet: Betaal mij de honderd denariën, want hij zou zich geschaamd hebben over de geringheid van deze schuld. Hij zei slechts: Betaal mij wat u schuldig bent.Zijn mededienaar wierp zich aan zijn voeten en smeekte hem: Heb geduld met mij en ik zal u alles terugbetalen. Hij gebruikte dezelfde woorden die de slechte dienaar vergeving hadden bezorgd en hoopte daardoor zelf gered te worden. Maar deze wreedaard, meegesleept door zijn onmenselijkheid, bleef ongevoelig voor die woorden en dacht er niet meer aan dat juist deze woorden hem hadden gered. Voor hem was vergeving schenken echter niet langer een daad van goedertierenheid, maar een schuld en een verplichting. Want indien hij vóór de afrekening, vóór zijn veroordeling en vóór de buitengewone genade die hem was bewezen, zijn mededienaar had vergeven, zou dit een daad van zijn eigen edelmoedigheid zijn geweest. Maar nadat hij zulk een grote weldaad en de vergeving van zoveel fouten had ontvangen, was het voor hem een noodzakelijkheid geworden medelijden met zijn mededienaar te hebben. Daarmee zou hij slechts een schuld hebben voldaan. Toch deed hij dit geenszins. Hij overwoog niet welk een verschil er bestond tussen de genade die hij zojuist had ontvangen en die welke hij zijn mededienaar had moeten schenken. Dit verschil blijkt zowel uit de omvang van beide schulden als uit de onderlinge verhouding van de betrokken personen en uit de wijze waarop alles geschiedde. Aan de ene kant ging het om tienduizend talenten, aan de andere kant om honderd denariën. Aan de ene kant had een dienaar zich tegenover zijn meester op beledigende wijze gedragen, aan de andere kant had een mededienaar een schuld aangegaan tegenover iemand die evenals hijzelf in dienstbaarheid verkeerde. Na zo edelmoedig te zijn behandeld, had de dienaar op zijn beurt genade moeten schenken. De meester daarentegen had hem zijn gehele schuld kwijtgescholden, hoewel de schuldenaar deze weldaad door geen enkel goed werk, groot of klein, had verdiend. Maar zonder over dit alles na te denken, geheel verblind door zijn toorn, greep hij zijn schuldenaar bij de keel en wierp hem in de gevangenis. Toen de andere dienaren dit zagen, zo voegt de evangelist eraan toe, waren zij verontwaardigd. Nog voordat de meester een uitspraak had gedaan, veroordeelden zij hem reeds. Ook dit is een nieuw bewijs van de goedheid van de koning. Toen zijn meester ervan hoorde, liet hij hem roepen en onderwierp hem aan een nieuw oordeel. Zelfs op dat ogenblik veroordeelde hij hem niet zonder voorafgaande behandeling, maar liet hem zien dat zijn handelwijze door het recht gerechtvaardigd was. Wat zei hij daarom? Boze dienaar, ik heb u uw gehele schuld kwijtgescholden. Wat kan er beter zijn dan deze meester? Toen zijn dienaar hem tienduizend talenten schuldig was, sprak hij geen enkel verwijt tegen hem uit. Hij noemde hem zelfs niet slecht, maar beval slechts hem te verkopen, en dat alleen om gelegenheid te vinden hem zijn schuld kwijt te schelden. Maar toen deze dienaar zich tegenover zijn mededienaar onwaardig gedroeg, werd de meester vertoornd. Daarmee leert hij ons dat God de zonden die tegen Hemzelf worden bedreven gemakkelijker vergeeft dan die welke tegen de naaste worden begaan. En niet alleen bij deze gelegenheid handelt Hij zo, maar ook in andere omstandigheden. Indien u uw offergave naar het altaar brengt en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, ga dan eerst heen en verzoen u met uw broeder. Kom daarna terug en draag uw gave op. (Matt. 5, 23–24) Ziet u hoe Hij overal onze belangen boven de Zijne stelt en niets hoger acht dan de vrede en de liefde jegens de naaste? Elders zegt Hij: Alwie zijn vrouw verstoot, behalve wegens overspel, maakt haar tot een overspelige. (Matt. 5, 32) Maar door de heilige Paulus stelde Hij deze wet vast: Indien een man een ongelovige vrouw heeft en zij erin toestemt bij hem te blijven, laat hij haar dan niet verstoten. (1 Kor. 7, 12) Indien zij overspel heeft gepleegd, zegt Hij, verstoot haar. Indien zij ongelovig is, verstoot haar niet. Indien zij tegen u zondigt, laat haar gaan. Indien zij tegen Mij zondigt, behoud haar. Zo is het ook hier. Tegen de Meester zijn zware zonden bedreven en deze goede Meester vergeeft ze. Maar zodra het gaat om fouten die tegen een broeder zijn begaan, hoewel deze lichter en minder talrijk zijn dan die waardoor de Meester beledigd werd, vergeeft Hij niet langer, maar straft Hij. Hij noemt de schuldige slecht, terwijl Hij hem in het eerste geval zelfs geen verwijt had gemaakt. Om deze les nog duidelijker te maken, voegt de evangelist eraan toe dat de dienaar aan de beulen werd overgeleverd. Toen de meester hem rekenschap vroeg van de tienduizend talenten, deed hij niets dergelijks. Hieruit leren wij dat het eerste vonnis geen vonnis van toorn was, maar van barmhartigheid, een barmhartigheid die een gelegenheid zocht om te vergeven. De laatste daad daarentegen had hem vertoornd. Wat kan er dus slechter zijn dan het verlangen naar wraak, aangezien dit God ertoe brengt de gevolgen van Zijn goedertierenheid te herroepen en hetgeen de zonden Hem niet hadden kunnen doen besluiten, door de wrok tegen de naaste toch geschiedt? Zeker, er staat geschreven dat Gods gaven onberouwelijk zijn (Rom. 11, 29). Waarom heeft God dan, nadat Hij zulk een grote weldaad had geschonken en zulk een grote goedertierenheid had betoond, hier Zijn eigen oordeel herroepen? Omdat de dienaar wraak wilde nemen. Daarom vergist men zich niet wanneer men deze zonde als de zwaarste van alle zonden beschouwt. Alle andere konden vergeving vinden. Alleen voor deze was er geen vergeving. Sterker nog, zij deed zelfs de zonden herleven die reeds waren uitgewist. Het verlangen naar wraak is dus een dubbel kwaad, omdat het bij God geen verontschuldiging vindt en omdat door deze zonde de andere fouten, zelfs wanneer zij vergeven waren, opnieuw tot leven komen en ons wederom worden toegerekend, zoals hier is geschied. Want niets, niets zeg ik u, beledigt en vertoornt God zozeer als een mens die bezield is door wraakzucht en wrok. Dat leren wij uit de passage die ik zojuist heb verklaard en uit het gebed waarin Christus ons heeft opgedragen te zeggen: Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren. (Matt. 6, 12) Nu wij dit alles weten en de gelijkenis die wij overwogen hebben diep in ons hart hebben gegrift, moeten wij, wanneer wij denken aan hetgeen onze broeders ons hebben aangedaan, ook denken aan hetgeen wijzelf tegen God hebben misdaan. De vrees voor onze eigen fouten zal weldra de toorn bedwingen die het ons aangedane onrecht in ons heeft opgewekt. Indien er zonden zijn die wij ons moeten herinneren, dan zijn het uitsluitend onze eigen zonden. Want indien wij onze eigen zonden gedenken, zullen wij die van anderen spoedig vergeten. Maar indien wij onze eigen zonden vergeten, zullen die van anderen ons spoedig voor de geest komen. Indien deze slechte dienaar had gedacht aan de tienduizend talenten die hij schuldig was, zou hij de honderd denariën vergeten hebben. Maar doordat hij zijn eigen schuld vergat, eiste hij van zijn mededienaar hetgeen deze hem verschuldigd was. En doordat hij een geringe som wilde terugkrijgen, verkreeg hij niet alleen deze som niet, maar haalde hij bovendien de last van de tienduizend talenten opnieuw over zich heen. Daarom zeg ik u zonder vrees dat onmenselijkheid en wraakzucht de zwaarste van alle zonden zijn. Of liever, niet ik zeg u dit, maar Christus Zelf, door middel van de gelijkenis die ik heb verklaard. Want indien deze misdaad niet zwaarder was geweest dan de tienduizend talenten, dat wil zeggen dan ontelbare zonden, zou zij de reeds vergeven fouten niet opnieuw hebben doen herleven. Daarom moet onze voornaamste zorg zijn ieder gevoel van toorn in ons te onderdrukken en ons met onze vijanden te verzoenen. Wij moeten ervan overtuigd zijn dat noch gebed, noch vasten, noch aalmoezen, noch deelneming aan de heilige Mysteriën, kortom geen enkele daad van godsvrucht, ons op de grote dag waarop alles openbaar wordt enig nut zal brengen, indien wij enige wrok blijven koesteren. Indien wij ons daarentegen geheel van deze ondeugd bevrijden, zullen wij, al waren wij duizendmaal zondaars, toch enige barmhartigheid kunnen verkrijgen. En dit zeg niet ik u, maar de God die ons zal komen oordelen. Zie naar de gelijkenis die ik zojuist heb verklaard: Zo zal Mijn hemelse Vader met u handelen, indien niet ieder van u zijn broeder van harte vergeeft. En elders: Indien u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal ook uw hemelse Vader u vergeven. (Matt. 6, 14) Willen wij dus hier op aarde een zacht en rustig leven leiden en hierboven vergeving en barmhartigheid verkrijgen, dan moeten wij al onze zorg en al onze inspanningen richten op de verzoening met de vijanden die wij mochten hebben. Daardoor zal onze Meester, zelfs wanneer wij Hem duizendmaal beledigd hebben, Zijn toorn laten varen en zullen wij de eeuwige beloningen verkrijgen. Mogen wij allen waardig bevonden worden deze te ontvangen door de genade en de liefde van onze Heer Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid en de macht toekomen in de eeuwen der eeuwen. Amen.