Vrijdagmeditatie XII over het Heilig Hart van O.H.J.C.

Heilig Hart van Jezus

Overzicht Vrijdagmeditaties

Vrijdagmeditatie over het Heilig Hart van Onze Heer Jezus Christus
door Alexis M. Lepicier O.S.M.

HOOFDSTUK XII

Het koningschap van Jezus Christus is goddelijk, algemeen en eeuwig

Om de aard van het koninkrijk van Jezus Christus beter te begrijpen, is het nuttig dit te vergelijken met de koninkrijken van aardse vorsten. Deze vergelijking zal ons helpen het ware kenmerk van Zijn koninkrijk te verstaan en het des te meer te waarderen en lief te hebben. Zij zal ons ertoe brengen ons geheel toe te wijden aan deze beminnelijke Koning van onze harten, als Zijn trouwe en toegewijde onderdanen.

Talrijk en diepgaand zijn de verschillen die het koninkrijk van Onze Heer Jezus Christus onderscheiden van de koninkrijken dezer wereld. Al deze verschillen kunnen echter onder vier hoofdpunten worden samengebracht, namelijk de oorsprong, de uitgebreidheid, de duur en de wijze waarop Jezus Christus Zijn koninklijke macht uitoefent. Van deze vier verschillen is het laatste, dat betrekking heeft op de wijze waarop Jezus Christus Zijn koninklijke macht openbaart, voor ons het belangrijkste, omdat het ons het bijzondere kenmerk van Zijn koninklijke waardigheid doet kennen. Wij zullen dit daarom in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen en ons hier in het kort bepalen tot de eerste drie kenmerken van Zijn koninkrijk, namelijk zijn goddelijke oorsprong, zijn algemeenheid en zijn eeuwige duur.

In de eerste plaats onderscheidt het koninkrijk van onze gezegende Zaligmaker zich van de koninkrijken van aardse vorsten door zijn oorsprong, die uitsluitend goddelijk is. Jezus werd tot Koning van het heelal aangesteld, niet door de wil van mensen of door omstandigheden van geboorte of fortuin, maar door de uitdrukkelijke wil van Zijn Vader.

Weliswaar komt alle gezag uiteindelijk van God, maar bij de tijdelijke koninkrijken bestaan verschillende ondergeschikte oorzaken die bepalen waarom de macht aan de ene persoon en niet aan een andere wordt verleend. Zo wordt de koninklijke waardigheid soms verkregen door geboorterecht, soms verleend door de wil van het volk en soms verworven door een bijzondere daad ten bate van het algemeen welzijn of door een groot krijgsbedrijf.

Maar bij Onze Heer Jezus Christus heeft geen van deze oorzaken een rol gespeeld. Het was het Woord Gods Zelf, door de hypostatische vereniging verbonden met Zijn allerheiligste Mensheid, dat de bron was van Zijn opperheerschappij over het gehele heelal. Uit deze goddelijke bron ontving Hij al die eigenschappen die een koning nodig heeft om zijn onderdanen te besturen en te leiden, hen met zijn macht bij te staan en in hun menigvuldige noden met vaderlijke mildheid te helpen. Daarom zegt Jezus van Zichzelf door de mond van de profeet: Maar Ik ben door Hem tot Koning aangesteld over Sion, Zijn heilige berg.1

Wanneer wij de uitgebreidheid van het koninkrijk van Jezus Christus beschouwen, zien wij dat Zijn gezag niet beperkt is tot één volk, één gebied of één natie, maar in zijn algemeenheid alle volkeren der wereld omvat. En Hij zal heersen van zee tot zee en van de rivier tot aan de uiteinden der aarde.2 Niemand kan zich aan de heerschappij van Jezus Christus onttrekken. Want vanaf het ogenblik waarop een redelijk wezen ter wereld komt, behoort het krachtens goddelijk recht tot het rijk van Jezus Christus.

Beschaafde volkeren en barbaren, groten en kleinen, rijken en armen zijn Zijn onderdanen en zijn Hem eer, heerlijkheid en gehoorzaamheid verschuldigd, omdat Hij allen door Zijn kostbaar Bloed heeft verlost. De machtigste vorsten en de schitterendste veroveraars behoren tot Zijn koninkrijk en zijn Zijn dienaren, niet minder dan de overige mensen. Niemand kan zich aan Zijn heerschappij onttrekken.

De heilige koningen Lodewijk van Frankrijk, Stefanus van Hongarije, Ferdinand van Spanje, Eduard de Belijder van Engeland, Hendrik van Duitsland en Knoet van Zweden hebben deze waarheid werkelijk begrepen, toen zij het als hun plicht beschouwden hun kronen en scepters aan de voeten van Jezus Christus neer te leggen. Zij stelden er meer eer in Zijn dienaren genoemd te worden dan de hulde en eerbied van hun eigen onderdanen te ontvangen.

Wanneer wij vervolgens de duur van het koninkrijk van Jezus Christus vergelijken met die van de aardse koninkrijken, vinden wij opnieuw een wezenlijk verschil tussen Zijn koninklijke waardigheid en die van de koningen der aarde. Een aardse koning verliest bij zijn dood, hoe lang hij ook geleefd mag hebben, alle gezag over hen die eenmaal zijn onderdanen waren. De dood stelt iedere aardse vorst gelijk aan de geringste van zijn dienaren, ontneemt hem zijn kroon en breekt in zijn hand de scepter waarvoor zijn onderdanen beefden. Zo is het niet met onze Koning, Jezus Christus.

Daar Hij verrezen is tot een onsterfelijk en verheerlijkt leven en niet langer onderworpen is aan de veranderlijkheid van de aardse dingen, blijft Hij Zijn koninklijke macht voor altijd uitoefenen, opdat in de Naam van Jezus iedere knie zich zou buigen van hen die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn.3

Er valt hierover nog meer te zeggen. Het is onmogelijk dat een aardse koning begint te regeren voordat hij bestaat. Maar onze Koning, Jezus Christus, en Hij alleen, bezit het voorrecht dat Zijn koninkrijk alle tijden omvat, het verleden, het heden en de toekomst. Reeds vóór Zijn geboorte heerste Hij in zekere zin over de wereld. God is onze Koning van vóór de eeuwen.4 Hij heerste inderdaad als almachtige God, van Wie hemel en aarde afhankelijk zijn. Maar ook als Mens gaat Zijn koningschap terug tot het allereerste begin van de wereld, want de Vader heeft van dat ogenblik af alle dingen beschikt met het oog op de volstrekte macht die Zijn mensgeworden Zoon eenmaal zou bezitten.

De engelen erkenden en aanbaden Hem vanaf het begin als de ene grote Koning, die eenmaal zou zetelen aan de rechterhand van de Vader. De profeten bezongen Hem alsof Hij reeds voor hun ogen tegenwoordig was. De koningen van Israël waren, wanneer zij hun macht ten volle uitoefenden, voorafbeeldingen, zij het onvolmaakte, van hetgeen Pilatus later zou uitspreken, toen hij Jezus aan de Joden toonde met de woorden: Ecce Rex vester. Ziehier uw Koning.

Het koningschap van Jezus Christus heeft geen begin gehad en zal evenmin ooit een einde hebben. De tijd gaat voorbij en de opeenvolging van menselijke geslachten zal eenmaal tot een einde komen, maar het koningschap van Jezus Christus zal eeuwig duren.5 Zijn gezegend koninkrijk, waarnaar de aartsvaders, profeten en rechtvaardigen van het Oude Testament zo vurig verlangden en waarom zij zo innig smeekten, zal tot in alle eeuwigheid voortbestaan. Want in alle eeuwigheid zal de allerheiligste Mensheid van Jezus schitteren als de zon in de heerlijkheid van het paradijs.

De aanschouwing daarvan zal voor de rechtvaardigen die Hij Zelf heeft gered en die Hem hun eeuwig geluk verschuldigd zijn, een eeuwige beloning wezen. In de aanschouwing van diezelfde Mensheid zullen alle engelen en heiligen in het paradijs zalig zijn. Want die Keizer die daarboven regeert, heerst en gebiedt in alle delen. Daar is Zijn stad en Zijn verheven zetel. Gelukkig hij die Hij daarvoor uitkiest.6

Zo omvat het koninkrijk van Jezus Christus alle tijden en strekt het zich zelfs uit voorbij de tijd. Het begon met de schepping van de wereld en zal eeuwig voortduren. Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen en Uw heerschappij duurt voort van geslacht tot geslacht.7

Hier hebben wij dus de eerste drie hoofdverschillen tussen het koninkrijk van Jezus Christus en dat van een aardse koning. Het eerste ontleent zijn oorsprong niet aan mensen, maar rechtstreeks aan God. Het is niet beperkt tot een bepaald grondgebied, maar strekt zich uit over alle volkeren der wereld. Het is niet gebonden aan een bepaald tijdperk, maar omvat alle tijden en duurt zelfs voort tot in alle eeuwigheid. Aardse koninkrijken daarentegen hebben een zwakke oorsprong, zijn beperkt in hun uitgebreidheid en van korte duur.

Maar nu moeten wij onze aandacht richten op het voornaamste verschil tussen het geestelijke koninkrijk van Jezus Christus en dat van aardse koningen, namelijk de wijze waarop Onze Heer Zijn gezag over de mensen uitoefent. Wij zullen zien hoe juist uit dit verschil die heerlijke titel voortvloeit van Koning van onze harten, die wij aan onze goddelijke Zaligmaker toekennen.

1 Ps. 2, 6.
2 Ps. 71, 8.
3 Fil. 2, 10.
4 Ps. 73, 12.
5 Luc. 1, 33.
6 Dante, Inferno, I, 124, in de vertaling van dr. J. A. Carlyle.
7 Ps. 144, 13.

Deze meditatie is ontleend aan Jesus Christ the King of Our Hearts, de Engelse uitgave van Lepiciers werk over het koningschap van Onze Heer Jezus Christus over de harten, de Kerk en de wereld.

De auteur, Alexis M. Lepicier O.S.M. (1863–1936), was priester van de Orde der Servieten en een vooraanstaand theoloog en marioloog. Zijn geestelijke geschriften ademen een klassieke katholieke geest en verbinden Schrift, dogma en devotie op sobere en verheven wijze.

Katholieke Klassieken