Elfde zondag na Pinksteren

Evangelie van de zondag (Marcus 7, 31–37)

IN DIE TIJD vertrok Jezus uit de streek van Tyrus en begaf Zich over Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van de Tiensteden. En men bracht iemand bij Hem die doof was en stom, en zij verzochten Hem deze de hand op te leggen. Hij nam hem uit de menigte terzijde, stak hem de vingers in de oren en raakte met speeksel zijn tong aan. En Hij zag op naar de hemel, zuchtte en sprak tot hem: Effeta, dat wil zeggen: Ga open. En aanstonds gingen zijn oren open, en zijn tong werd van haar banden bevrijd, en hij sprak gewoon. En Hij gebood hun het aan niemand te zeggen. Maar hoe meer nadruk Hij hun dat gebood, des te luider verkondigden zij het. En des te groter werd hun bewondering, en zij zeiden: Alles heeft Hij wel gedaan. Doven heeft Hij doen horen en stommen heeft Hij doen spreken.

Christus geneest de doofstomme
Christus geneest de doofstomme. En Hij zag op naar de hemel, zuchtte en sprak tot hem: Effeta, dat wil zeggen: Ga open. (Marcus 7, 34)

Onderstaande preek voor de elfde zondag na Pinksteren is van pater Franciscus Xaverius Weninger S.J. (1805–1888), dezelfde schrijver van Lives of the Saints, waaruit op deze website verschillende heiligenlevens zijn opgenomen. De preek verscheen in 1882.

En men bracht iemand bij Hem die doof was en stom, en zij verzochten Hem hem de hand op te leggen.
Marcus 7, 32

De gedeelten uit de Evangeliën die in de loop van het kerkelijk jaar aan de gelovigen worden voorgelezen, schijnen op het eerste gezicht bijna willekeurig uit de Heilige Schrift gekozen te zijn. Ook voor de prediker, die jaar na jaar over deze gedeelten moet spreken, kan het aanvankelijk moeilijk lijken om dit of dat Evangelie praktisch toe te passen op de geestelijke behoeften van zijn toehoorders. Toch is dit niet zo. Wanneer ieder Evangelie op zijn beurt aan de gelovigen ter onderrichting wordt voorgehouden, wordt steeds duidelijker dat het woord van God een manna is dat de meest verschillende en heerlijke smaken in zich bevat. Bovendien dringt het zich aan onze geest op als de altijd nieuwe en toch onveranderlijke waarheid van het woord van Hem tot Wie de heilige Augustinus sprak als tot de schoonheid die altijd oud en toch altijd nieuw is.

Inderdaad, zelfs wanneer de prediker ieder jaar de aandacht van zijn toehoorders op hetzelfde belangrijke geloofspunt zou vestigen, zou dit voor dezelfde gemeente steeds belangwekkend en leerzaam blijven, want ieder woord van het Evangelie staat in innig verband met het grote werk van onze verlossing. Zo verhaalt het Evangelie van deze zondag hoe Christus Zich verwaardigde de doofstomme te genezen. Laten wij daarom overwegen hoe doof het menselijk geslacht altijd geweest is voor het woord van God en voor alles wat zijn eeuwig heil betreft. Maria, wier hart altijd geopend was voor de ingevingen van de Heilige Geest, verkrijg voor ons dezelfde bereidheid om de vermaningen van de Geest van liefde en waarheid te ontvangen. Ik spreek in de allerheiligste naam van Jezus, tot meerdere eer en glorie van God.

Als er iets is dat onze verbazing moet wekken, dan is het wel deze geestelijke doofheid van het menselijk geslacht, zowel van de afzonderlijke mens als van de mensheid in haar geheel, en de ongelooflijke onverschilligheid tegenover alles wat God geopenbaard heeft over ons bestaan en onze eeuwige bestemming, over de val van de mens, zijn verlossing en die eeuwigheid die iedere dag naderbij komt. Deze gesteldheid openbaarde zich reeds in het paradijs vóór de zondeval en ontwikkelde zich daarna in zo ontzaglijke mate, dat men terecht kan zeggen dat, nadat onze eerste ouders aan de verleiding van Satan hadden toegegeven, hun gehele nageslacht met deze vrijwillige doofheid werd geslagen.

Zoals ik reeds zei, was deze gesteldheid reeds zichtbaar toen de trouw van onze eerste ouders op de proef werd gesteld. Zij schenen immers gemakkelijker het oor te lenen aan de verleidelijke woorden van de verleider dan aan de waarschuwende stem van God. Ja, het schijnt dat onze eerste moeder iets veel aantrekkelijkers vond in de verlokkende stem van de duivel en in de aangename smaak van de vrucht dan in de gehoorzaamheid die zij aan haar Schepper en hoogste Heer verschuldigd was. Het goddelijk gebod werd veronachtzaamd en veracht om de grootheid die de slang haar voorspiegelde: Gij zult als goden zijn. Adam en Eva vielen en met hen werd het menselijk geslacht onderworpen aan zonde en dood. Maar God bepaalde in Zijn barmhartigheid dat Zijn welbeminde Zoon de zielen, die voor het eeuwige geluk geschapen waren, zou verlossen en redden.

Maar helaas, Kaïn, de eerstgeborene van het menselijk geslacht, sloot zijn hart voor de ingevingen van de goddelijke genade en bevlekte de aarde met het bloed van zijn broeder. En in ieder tijdperk van de wereld zijn er zoveel zielen geweest die zijn voetsporen volgden, dat het menselijk geslacht met het voortgaan van de tijd steeds dover werd voor de stem van God en zijn wegen steeds verder afdwaalden naar de wegen van de ongerechtigheid. Noach sprak honderd jaar lang, smekend en waarschuwend, maar zijn woorden vielen op oren die weigerden te luisteren. Onder spot en hoongelach van hen die hem verachtten, bouwde hij de ark. En hoe spoedig verstikte, zelfs na de zondvloed, het heidendom opnieuw de stem van het geweten en sloot het de oren van de ziel.

God de Almachtige zonderde Zich een volk af, opdat daardoor de gehele menselijke familie gewaarschuwd en onderricht zou worden en voorbereid op die wonderbare en zo lang verlangde gebeurtenis: de geboorte van de Verlosser van de wereld. Maar hoe gedroeg de wereld zich tegenover dit volk? Wij behoeven slechts naar Farao te zien. Mozes sprak tot hem en bedreigde hem in de naam van de Heer. Hij luisterde, maar hoorde niet, want zijn hart was verhard. Opnieuw verscheen Mozes en sprak met verschrikkelijke waarschuwingen tot de goddeloze koning. God zond hem verschillende straffen. Schadelijk ongedierte teisterde het land en richtte grote verwoestingen aan. Het water veranderde in bloed. Het licht van de zon werd verduisterd. De verderfengel spaarde de eerstgeborenen van de Egyptenaren niet. En toch bleven de harten van Farao en zijn volk gesloten voor de stem van God. Uiterlijk hoorden zij haar, maar innerlijk verachtten zij haar, totdat de Heer Zijn straffende arm uitstrekte en de wateren van de Rode Zee dat weerspannige leger in hun verschrikkelijke diepte verzwolgen.

En was ook bij het uitverkoren volk van God de geestelijke doofheid niet verbazingwekkend en beklagenswaardig? Onder het rollen van de donder en het flitsen van de bliksem hoorden de Israëlieten hoe Gods geboden werden afgekondigd. Maar terwijl zij luisterden, keerden zij zich reeds af en sloegen er geen acht op. Ondanks de wonderen waarvan zij getuige waren, brachten zij hulde aan een gouden kalf. God zond hun de ene profeet na de andere en zij doodden hen. Christus Zelf verscheen. Hij sprak, Hij, de mensgeworden Wijsheid van God. Het volk verdrong zich rondom Hem. Maar die klasse van priesters, die zichzelf zo wijs achtte en toch zo diep verdorven was, de schriftgeleerden en Farizeeën, riep verachtelijk uit: Wie van ons luistert naar Hem?

Na Zijn hemelvaart zond Christus Zijn apostelen uit om aan alle mensen het woord van het heil te verkondigen. De Heilige Geest, de beloofde Vertrooster, verscheen boven hun hoofden in de gedaante van vurige tongen. Zij trokken tot aan de uiterste grenzen van de aarde en verkondigden aan alle mensen het woord van God. Maar de heilige Paulus heeft ons de uitkomst daarvan getoond uit hetgeen hij zelf ondervond toen hij te Athene openlijk tot de inwoners van die wereldberoemde stad sprak. Sommigen lachten hem uit, anderen beloofden hem op een later tijdstip te zullen aanhoren, een tijdstip dat voor hen nooit gekomen is. Ook de andere apostelen ontmoetten op hun wegen onder de volkeren van de aarde maar al te dikwijls hetzelfde ontmoedigende gevolg. Hoe bedroevend is het, mijn broeders, wanneer wij bedenken dat deze betreurenswaardige onverschilligheid de kinderen van Adam nog altijd kenmerkt, zelfs nadat het Evangelie verkondigd is, de Kerk zich over de gehele aarde heeft verbreid en haar heiligheid door de wonderbaarlijkste vruchten en verbazingwekkende wonderen is bevestigd.

Zelfs tegenwoordig, in deze zogenaamde eeuw van verlichting en beschaving, in onze negentiende eeuw, hoe ontstellend onverschillig zijn de mensen voor de waarheden die het woord van God leert omtrent hun geestelijke plichten, hun uiteindelijke bestemming en de gewichtige zaak van hun eeuwig heil. Deze onachtzaamheid en onverschilligheid zijn des te verbazingwekkender omdat zij zo scherp afsteken tegen de wijze waarop mensen gewoonlijk handelen wanneer hun iets wordt voorgehouden waardoor zij, indien zij bepaalde werkzaamheden verrichten of bepaalde voorwaarden vervullen, groot tijdelijk voordeel kunnen verkrijgen. Ach ja, met grote haast trekken zij naar een verre streek wanneer hun gezegd wordt dat daar het blinkende goud diep in de aarde verborgen ligt en slechts wacht om degene rijk te maken die het geluk heeft het te vinden. Zij trotseren zelfs de gevaren van de machtige zee, zonder te weten of zij ooit veilig de kust zullen bereiken. Hetzelfde geldt voor eer en waardigheden. Zie slechts naar hen die naar een troon dingen. Met hoeveel bezorgdheid volgen zij iedere politieke verandering, uit vrees zelfs de geringste gelegenheid voorbij te laten gaan om er voordeel uit te trekken.

Zo is het altijd, geliefden in Christus. Zie naar de zieken. Wanneer hun over een voortreffelijke geneesheer of een beroemd geneesmiddel wordt verteld, zullen zij ernaar informeren of het laten halen. Vol bezorgdheid laten zij niets na om hun gezondheid terug te krijgen. De handwerksman is voortdurend opmerkzaam op nieuwe uitvindingen. De koopman let op iedere gelegenheid om voordelig te kopen en te verkopen. De rijke kent geen rust, want dag en nacht zoekt hij zijn bezit te vermeerderen. Hoort hij van een dreigende financiële ramp, dan haast hij zich naar de plaats waar hij de waarheid kan vernemen en tracht hij het ergste te voorkomen.

En door Gods heilig woord wordt de mens gesproken over de vreugden van de hemel en de heerlijkheid die daar wacht, maar ook over de verschrikkelijke en eeuwige straffen die voor de zondaars in de hel bereid zijn. Het woord dringt door tot de oren van het lichaam, maar het geestelijk gehoor is verdwenen. Het menselijk geslacht gaat roekeloos verder en leeft in onverschilligheid alsof de toekomst het geheel niet aanging. Helaas, zelfs christenen, zelfs katholieken, zijn niet beter, indien zij zich daarvan maar bewust waren. Zij handelen zoals de Joden toen de heilige Stefanus tot hen predikte: Zij stopten hun oren. Dat wil zeggen, zij vermijden opzettelijk de godsdienstoefeningen op die uren waarop zij aan hun plichten jegens God herinnerd zouden worden. Of wanneer zij wel aanwezig zijn, letten zij niet op het woord van het heil, ook al horen zij het uiterlijk.

O dwaasheid, dwaasheid. De vergankelijke vreugden en eerbewijzen van de aarde na te jagen in plaats van naar het goddelijk woord te luisteren. Zich misschien in de laagste uitspattingen te storten in plaats van de hartstochten te versterven. Naar de stem van de wereldling of ongelovige te luisteren, maar het hart te sluiten voor de waarschuwende stem van Gods dienaar, die zielen voor Christus tracht te winnen.

O Heer, bewaar ons voor het kwaad van de vrijwillige doofheid van de ziel. Want wanneer zij blijvend wordt, is alle hoop op het heil voor eeuwig verloren. Amen.