Augustinus werd in 354 te Tagaste in Noord-Afrika geboren uit gegoede ouders. Hij blonk reeds jong uit in kennis. Als jongeman te Carthago verviel hij tot de dwalingen van de Manicheeërs. Later vertrok hij naar Rome en vandaar naar Milaan om retorica te onderwijzen. Op aansporen van zijn vrome moeder Monica bevond hij zich daar dikwijls onder het gehoor van de heilige bisschop Ambrosius, onder wiens invloed in hem het verlangen naar het katholieke geloof ontvlamde. Toen hij drieëndertig jaar oud was, werd hij door Ambrosius gedoopt. Teruggekeerd in Noord-Afrika leidde hij een godsdienstig en heilig leven. Bisschop Valerius van Hippo wijdde hem tot priester en koos hem later tot medehelper in het bisschopsambt. Augustinus stichtte een gemeenschap van geestelijken met wie hij hetzelfde voedsel en dezelfde levenswijze deelde en die hij zorgvuldig vormde in het apostolische leven. Hij schreef vele vrome, scherpzinnige en uitvoerige werken om de ketterijen te bestrijden en de christelijke leer uiteen te zetten. Terwijl de Vandalen Afrika verwoestten en Hippo reeds drie maanden belegerden, werd Augustinus door koorts overvallen en ging hij op zesenzeventigjarige leeftijd tot de Heer. Romeins brevier
Augustinus, Adelaar der Kerkleraren
Augustinus in zijn studeervertrek
Het leven van de H. Antonius
Het leven van de heilige Augustinus
De Belijdenissen

De Belijdenissen van de heilige Augustinus behoren tot de grote meesterwerken van de christelijke literatuur. Augustinus verhaalt er zijn leven en bekering in de vorm van een belijdenis tot God. Uit het eerste hoofdstuk stamt zijn meest beroemde uitspraak:
Gij hebt ons geschapen voor U,
en ons hart is onrustig
totdat het rust vindt in U.
Fecisti nos ad te et inquietum est cor nostrum,
donec requiescat in te.
H. Augustinus, Belijdenissen I, 1
Augustinus, Adelaar der Kerkleraren
De heilige Augustinus behoort met de heilige Ambrosius, de heilige Hiëronymus en de heilige Gregorius de Grote tot de vier grote Kerkvaders van het Westen. De Kerk heeft in de bisschop van Hippo van oudsher een van haar grote leraren erkend.
Meer dan twaalf eeuwen later spreekt Bossuet, de grote bisschop van Meaux en hofprediker van Lodewijk XIV, met grote bewondering over hem. Hij noemt hem de onvergelijkelijke Augustinus en de adelaar der Kerkleraren. In zijn Défense de la tradition et des saints Pères schrijft hij:
Daar alle leerstukken van de godsdienst, zowel de beschouwende als de praktische, door de heilige Augustinus zo diepgaand zijn verklaard, kan men zeggen dat hij de enige onder de ouden is die de goddelijke Voorzienigheid, door de geschillen die zich in zijn tijd voordeden, ertoe heeft gebracht ons een volledig lichaam van theologie te geven, als vrucht van zijn diepe en voortdurende lezing van de heilige Boeken.
Daarbij moet men nog voegen de wijze waarop hij de heilige leer behandelt. Hij gaat altijd tot de bron en tot het hoogste, omdat hij steeds tot de beginselen teruggaat. Wanneer hij predikt, doet hij deze als het ware trapsgewijze afdalen tot het begrip van de eenvoudigste geesten. Wanneer hij disputeert, drijft hij ze met zoveel kracht door dat hij de ketters nauwelijks tijd laat om adem te halen.
Van zulk een verstandige meester, en om zo te zeggen van iemand die zo geheel meester is, moet men leren het woord der waarheid waardig te behandelen.
Bossuet wijst ook op Augustinus liefde tot de waarheid:
God had hem vanaf zijn eerste jaren een liefde tot de waarheid ingeprent die hem dag noch nacht rust liet. Zij volgde hem steeds te midden van de afdwalingen en dwalingen van zijn jeugd en kwam zich ten slotte verzadigen in de heilige Schrift als in een onmetelijke oceaan, waarin de volheid van de waarheid wordt gevonden die hij zo vurig en zo vergeefs had gezocht, voordat het gezag van de katholieke Kerk hem uiteindelijk tot deze studie had gebracht.

Augustinus in zijn studeervertrek
Augustinus wilde aan de heilige Hiëronymus schrijven en hem vragen naar de zaligheid der zielen in de hemel. Terwijl hij zich gereedmaakte over dit geheim te schrijven, werd zijn vertrek vervuld van een buitengewoon licht en hoorde hij de stem van Hiëronymus, die hem bekendmaakte dat hij uit dit leven was heengegaan en de eeuwige heerlijkheid was binnengetreden.
Augustinus heeft zijn pen stilgehouden en ziet op naar het licht dat zijn vertrek binnenvalt. Hiëronymus verschijnt niet zichtbaar in het schilderij. Zijn stem bereikt Augustinus vanuit het hemelse licht. Carpaccio heeft zo het ogenblik weergegeven waarop de grote Kerkleraar, omringd door de tekenen van zijn geleerdheid, zijn blik opheft naar de hemelse werkelijkheid waarover hij wilde schrijven.
Het vertrek is ingericht als de studeerkamer van een geleerde uit Carpaccio’s eigen tijd. Overal bevinden zich boeken en geschriften. Men ziet een armillairsfeer en andere instrumenten voor de beschouwing van de hemel, kleine beelden, kostbare boeken en bladen met muziek. In de nis in het midden staat een altaar met de verrezen Christus. Daar bevinden zich ook de bisschoppelijke tekenen van Augustinus, zijn mijter en staf.
Ook het kleine witte hondje heeft zijn plaats in het tafereel. Het heeft zich opgericht en kijkt evenals Augustinus naar het wonderbare licht. Het gehele vertrek neemt zo deel aan het ogenblik waarop de stem van de gestorven Hiëronymus de bisschop van Hippo bereikt.
Vittore Carpaccio, Augustinus in zijn studeervertrek, 1502. Scuola di San Giorgio degli Schiavoni, Venetië.
Het leven van de H. Antonius

Toen Ponticianus Augustinus en Alipius bezocht, kwam het gesprek op de H. Antonius. Augustinus kende diens leven nog niet. Ponticianus vertelde hun over de grote dienaar Gods en vervolgens over twee van zijn vrienden, die tijdens een wandeling te Trier in een verblijf van dienaren Gods een boek hadden gevonden waarin het leven van Antonius beschreven stond.
Een van hen begon te lezen. Augustinus verhaalt hoe hij tijdens het lezen vervuld werd van bewondering en in vuur raakte. Hij besloot zijn wereldlijke loopbaan prijs te geven en zich geheel aan God te wijden. Zijn metgezel volgde hem. Terwijl Ponticianus dit alles vertelde, zag Augustinus zichzelf en schaamde hij zich.
Kort daarna, tijdens zijn strijd in de tuin te Milaan, dacht Augustinus opnieuw aan Antonius. Hij herinnerde zich hoe deze door een woord uit het Evangelie dat hij in de kerk hoorde, getroffen was alsof het rechtstreeks tot hem gesproken werd en terstond besloot alles te verlaten en de Heer te dienen. Toen Augustinus vervolgens de stem hoorde die hem Tolle lege, neem en lees, toeriep, opende ook hij de Schrift. Daarmee viel de beslissing waarop hij zo lang had gewacht.
Het leven van de heilige Augustinus
De grote verering die pausen, concilies en de gehele Kerk door de eeuwen heen aan de heilige Augustinus hebben bewezen, getuigt van de buitengewone plaats die hij onder de heiligen inneemt. Hij wordt vereerd als voorbeeld van ware boetvaardigheid, als verdediger van het geloof en als Doctor Gratiae, Leraar van de Genade. Augustinus werd op 13 november 354 geboren te Tagaste in Numidië, in Noord-Afrika. Zijn ouders behoorden tot een goede familie, maar waren niet rijk. Zijn vader Patricius was heiden en had een driftig karakter. Door het voorbeeld en de verstandige levenswandel van zijn vrouw, de heilige Monica, leerde hij echter de zachtmoedigheid van de christelijke godsdienst kennen en kort voor zijn dood in 371 ontving hij het doopsel. Augustinus vermeldt zelf zijn broer Navigius en een zuster die later als abdis stierf. Op verlangen van zijn moeder en met toestemming van zijn vader werd Augustinus reeds als kind onder de catechumenen opgenomen. Hij ontving het kruisteken en het gezegende zout. Toen hij als kind ernstig ziek werd, verlangde hij naar het doopsel en Monica liet alles daarvoor gereedmaken, maar nadat hij plotseling herstelde, werd het uitgesteld, overeenkomstig een toen verbreid gebruik. Monica onderwees hem in het christelijk geloof en leerde hem bidden. Augustinus vertelt uitvoerig over zijn jeugd in zijn Belijdenissen. Op school was hij begaafd, maar hij leerde dikwijls slechts onder dwang en hield meer van spelen. Latijn beviel hem goed, maar het Grieks verafschuwde hij als jongen en Homerus kon hem weinig bekoren. De Latijnse dichters daarentegen werden vroeg zijn geliefde lectuur. Eerst ging hij te Tagaste naar school en daarna te Madaura, waar hij grammatica, poëzie en retorica studeerde. Toen hij zestien jaar was, bracht hij een jaar thuis door. In die tijd raakte hij in slecht gezelschap en gaf hij zich over aan genoegens en zonden. Zijn vader bekommerde zich vooral om zijn opleiding en toekomstige loopbaan, maar Monica waarschuwde hem dringend voor een zondig leven. Later erkende Augustinus dat God zelf door haar tot hem had gesproken en dat hij Hem in haar had veracht. Tegen het einde van 370 ging hij naar Carthago. Daar onderscheidde hij zich spoedig in de retorica, maar eerzucht en ijdelheid waren zijn voornaamste drijfveren en zijn levenswandel was ongeregeld. Hij leefde met een vrouw met wie hij jarenlang verbonden bleef en uit deze verhouding werd in 372 zijn zoon Adeodatus geboren. Na de dood van zijn vader bleef Augustinus in Carthago. Het lezen van Cicero’s Hortensius wekte in hem een hartstochtelijk verlangen naar wijsheid. De boeken van de heidense wijsgeren bevredigden hem echter niet, omdat hij daarin de naam van Christus miste, een naam die hij, zoals hij zelf zegt, met de melk van zijn moeder had ingezogen en in zijn hart had bewaard. Daarom begon hij de Heilige Schrift te lezen, maar haar eenvoudige stijl stootte hem af en haar nederigheid kon hij nog niet begrijpen. In deze tijd viel hij in de dwaling van de Manicheeërs. Hun aanspraak dat zij alles door de rede konden bewijzen en zich niet op het gezag van het geloof hoefden te beroepen, vleide zijn verstand en zijn hoogmoed. Bijna negen jaar bleef hij met deze sekte verbonden. Later schreef hij dat hij met trots had gezocht wat alleen door nederigheid gevonden kon worden. Monica hield intussen niet op voor hem te bidden en hem met zachtmoedigheid tot bekering te bewegen. Een heilige bisschop troostte haar met de bekende verzekering dat de zoon van zoveel tranen niet verloren kon gaan. Augustinus gaf gedurende deze jaren onderwijs in grammatica en retorica te Tagaste en Carthago. Zijn ontmoeting met Faustus, een vooraanstaande leraar van de Manicheeërs, bracht de eerste grote teleurstelling.
In 383 vertrok Augustinus heimelijk naar Rome, omdat hij vreesde dat zijn moeder hem anders zou tegenhouden. Daar werd hij ernstig ziek en opende hij vervolgens een school voor retorica. De Romeinse leerlingen hadden echter de gewoonte van leraar te veranderen voordat zij hun lesgeld betaalden. Toen vanuit Milaan om een bekwame leraar in de retorica werd gevraagd, stelde Augustinus zich kandidaat. Symmachus, prefect van Rome, onderzocht zijn bekwaamheid en zond hem naar Milaan. Daar ontmoette hij de heilige Ambrosius. Aanvankelijk ging Augustinus naar diens preken niet om het geloof te leren, maar om de beroemde bisschop als redenaar te horen. Langzamerhand maakten zijn woorden echter indruk op zijn verstand en hart. Tegelijkertijd las Augustinus Plato en Plotinus. Hij begon te begrijpen dat het katholieke geloof niet de onredelijke leer was waarvoor de Manicheeërs het hadden uitgemaakt. Monica was hem inmiddels naar Milaan gevolgd en hoopte dat hij zou trouwen. De moeder van Adeodatus keerde naar Afrika terug en liet haar zoon bij Augustinus achter. Het huwelijk kwam echter niet tot stand. Augustinus begon met grote ijver het Nieuwe Testament te lezen, vooral de brieven van de heilige Paulus. Daar vond hij wat de wijsgeren hem niet hadden kunnen geven. Hij zag nu de waarheid van het katholieke geloof, maar zijn wil bleef gebonden aan zijn oude gewoonten. Een belangrijk keerpunt kwam toen de heilige Simplicianus hem vertelde over de bekering van de beroemde Romeinse geleerde Victorinus. Kort daarna bezocht Ponticianus Augustinus en zijn vriend Alipius. Toen Ponticianus op tafel een boek met de brieven van de heilige Paulus zag liggen, begon hij te vertellen over het leven van de heilige Antonius. Tot hun verbazing hoorden Augustinus en Alipius dat er zelfs buiten de muren van Milaan een klooster vol vurige dienaren van God bestond. Ponticianus vertelde vervolgens hoe twee hovelingen door het lezen van het leven van Antonius plotseling besloten hadden de wereld te verlaten en God te dienen. Zijn woorden troffen Augustinus diep. Zodra Ponticianus vertrokken was, wendde hij zich tot Alipius en vroeg wat zij toch aan het doen waren, nu ongeletterde mensen opstonden en het Koninkrijk der hemelen veroverden terwijl zij met al hun geleerdheid achterbleven. In hevige innerlijke strijd ging hij de tuin in. Hij wierp zich onder een vijgenboom op de grond en bad onder tranen dat God zijn vroegere ongerechtigheden niet meer zou gedenken. Waarom nog langer uitstellen? Waarom morgen en niet nu? Terwijl hij zo weende, hoorde hij uit een naburig huis de stem van een kind telkens dezelfde woorden zingen: Tolle lege, tolle lege, neem en lees, neem en lees. Hij kon zich niet herinneren dat deze woorden bij enig kinderspel werden gezongen en vatte ze op als een goddelijke aansporing. Hij stond op, keerde terug naar Alipius, nam het boek met de brieven van de heilige Paulus en las de eerste woorden waarop zijn oog viel: Niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in ontucht en onkuisheden, niet in twist en nijd, maar bekleedt u met de Heer Jezus Christus en verzorgt het vlees niet in zijn begeerlijkheden. Op dat ogenblik verdween de duisternis van zijn twijfel. Alipius las de volgende woorden en sloot zich bij zijn besluit aan. Zij gingen onmiddellijk naar Monica. Zij verheugde zich en prees God. Het was september 386 en Augustinus was tweeëndertig jaar oud.

Augustinus gaf zijn school op en trok zich terug op het landgoed Cassiciacum bij Milaan, dat zijn vriend Verecundus hem ter beschikking stelde. Monica, zijn broer Navigius, zijn zoon Adeodatus, Alipius, twee neven en enkele vrienden vergezelden hem. Zij leefden daar gemeenschappelijk onder leiding van Monica. Augustinus wijdde zich aan gebed en studie en zijn studie werd door de godsvrucht waarmee hij haar verrichtte zelf een vorm van gebed. Door boete, waakzaamheid over hart en zinnen en nederig gebed bereidde hij zich voor op een nieuw leven in Christus. In de paasnacht van 387 werd Augustinus door de heilige Ambrosius gedoopt, samen met Alipius en zijn geliefde zoon Adeodatus, die ongeveer vijftien jaar oud was en niet lang daarna zou sterven.

Augustinus was nog in Milaan toen de relieken van de heilige martelaren Gervasius en Protasius werden gevonden en hij was getuige van wonderen die bij deze relieken geschiedden. In de herfst besloot hij naar Afrika terug te keren. Met Monica en enkele vrienden reisde hij naar Ostia. Daar stierf zijn moeder in november 387. Augustinus heeft haar laatste dagen en haar dood uitvoerig beschreven in zijn Belijdenissen. Na nog enige tijd te Rome te hebben doorgebracht, keerde hij in september 388 naar Afrika terug. Met zijn vrienden vestigde hij zich in zijn huis te Tagaste, waar hij bijna drie jaar leefde in vasten, gebed, goede werken, studie van de goddelijke wet en onderricht van anderen. Alles was gemeenschappelijk en werd naar ieders behoefte verdeeld. Augustinus behield niets dat hij het zijne kon noemen en deed zelfs afstand van het huis waarin zij woonden.
Augustinus wilde geen priester worden en vreesde zelfs dat men hem ergens tot bisschop zou kiezen. Daarom vermeed hij steden waarvan de bisschopszetel vacant was. In 391 moest hij echter naar Hippo, waar op dat ogenblik wel degelijk een bisschop was en hij zich dus veilig waande. Bisschop Valerius had kort tevoren zijn volk gezegd dat zijn kerk dringend een priester nodig had. Toen Augustinus in de kerk verscheen, grepen de gelovigen hem aan, brachten hem voor Valerius en verlangden met grote aandrang dat hij tot priester zou worden gewijd. Augustinus barstte in tranen uit bij de gedachte aan de gevaren en verantwoordelijkheid van het ambt, maar moest uiteindelijk toestemmen. Te Hippo vestigde hij bij de kerk een gemeenschap naar het voorbeeld van zijn huis te Tagaste. Alipius, Evodius, Possidius en anderen leefden daar met hem volgens het voorbeeld van de eerste christengemeente. Valerius gaf hem de opdracht tot het volk te prediken. Vanaf die tijd tot aan zijn dood hield Augustinus daar niet meer mee op. Bijna vierhonderd van zijn preken zijn bewaard gebleven.

In 395 werd Augustinus tot bisschop gewijd als helper van Valerius en kort daarna volgde hij hem op als bisschop van Hippo. Ook in zijn bisschoppelijke woning voerde hij het gemeenschappelijke leven in. De priesters, diakens en subdiakens die bij hem woonden, moesten afstand doen van persoonlijk bezit. Possidius vertelt dat zijn kleding en huisraad eenvoudig maar behoorlijk waren. Zilver gebruikte men in zijn huis niet, behalve voor lepels. De schalen waren van aardewerk, hout of steen. Hij ontving gasten, maar zijn tafel was sober en de hoeveelheid wijn was vastgesteld. Tijdens de maaltijd hoorde hij liever een lezing of een geleerd gesprek dan wereldse praat. Zijn geestelijken aten met hem aan dezelfde tafel en werden uit dezelfde gemeenschappelijke middelen gekleed. Augustinus stichtte ook een gemeenschap van religieuze vrouwen, waarvan zijn eigen zuster de eerste abdis was. Uit zijn voorschriften voor het religieuze leven ontstond de regel die zijn naam draagt. De inkomsten van zijn kerk gebruikte hij voor de armen, zoals hij vroeger zijn eigen vermogen had weggegeven. Possidius vertelt dat hij soms zelfs heilige vaten liet omsmelten om gevangenen vrij te kopen. In zijn bisdom werd de gewoonte ingevoerd eenmaal per jaar de armen van iedere parochie van kleding te voorzien en soms maakte hij aanzienlijke schulden om mensen in nood te helpen.
Gedurende zijn vijfendertig jaren als bisschop moest Augustinus voortdurend het katholieke geloof tegen dwalingen verdedigen. Hij bestreed eerst de Manicheeërs, onder wie hij zelf zo lang had verkeerd, daarna de Donatisten en vervolgens vooral Pelagius en zijn volgelingen. Door zijn geleerdheid, onvermoeibare ijver en heilige levenswandel won het katholieke geloof in Afrika opnieuw terrein. Tegenover Pelagius verdedigde Augustinus in het bijzonder de erfzonde en de noodzakelijkheid van de goddelijke genade. Hierdoor verwierf hij in de Kerk de eretitel Doctor Gratiae, Leraar van de Genade. Toen Rome in 410 door Alarik werd geplunderd en de heidenen de christelijke godsdienst verantwoordelijk stelden voor de rampen van het rijk, begon Augustinus in 413 aan zijn grote werk De Stad Gods, dat hij in 426 voltooide. Op tweeënzeventigjarige leeftijd begon hij ook zijn Retractationes, waarin hij zijn talrijke vroegere geschriften opnieuw onderzocht en zonder zichzelf te sparen aanwees wat daarin verbetering of correctie behoefde.
Zijn laatste jaren werden overschaduwd door de inval van de Vandalen. Onder koning Genserik trokken zij verwoestend door Afrika. Possidius zag steden in puin liggen, huizen verwoest, inwoners gedood, gevlucht of tot slavernij gebracht en kerken verbrand. Augustinus leed vooral onder de geestelijke ellende die deze verwoesting veroorzaakte, temeer omdat de Vandalen Arianen waren. Toen hem gevraagd werd of bisschoppen en priesters voor de naderende barbaren mochten vluchten, antwoordde hij dat de herders hun kudde niet mochten verlaten zolang deze hun bediening nodig had. Uiteindelijk zocht graaf Bonifatius zijn toevlucht in Hippo. Ook Possidius en verschillende naburige bisschoppen kwamen daarheen. Omstreeks het einde van mei 430 verschenen de Vandalen voor de stad en begonnen het beleg. In de derde maand kreeg Augustinus koorts. Vanaf het begin begreep hij dat God hem riep. Tijdens zijn laatste ziekte sprak hij rustig over de dood en zei: Wij hebben een barmhartige God. Hij liet de boetepsalmen van David uitschrijven en op bladen aan de wand naast zijn bed bevestigen. Terwijl hij daar lag, las hij ze en weende. Zijn lichamelijke krachten namen van dag tot dag en van uur tot uur af, maar zijn verstand en zinnen bleven tot het einde helder. Op 28 augustus 430 gaf hij kalm zijn geest in de handen van God. Possidius, die erbij aanwezig was, vertelt dat het heilig Misoffer voor hem werd opgedragen en dat hij vervolgens werd begraven, zoals Augustinus zelf had beschreven dat men voor zijn moeder Monica had gedaan. Possidius getuigt bovendien dat Augustinus tijdens zijn laatste ziekte door handoplegging een zieke genas en dat hij zowel als priester als bisschop op verzoek voor bezetenen bad, waarna de boze geesten hen verlieten. De grote heiligheid van deze roemrijke kerkleraar rustte op de diepe grondslag van zijn nederigheid. Wanneer Augustinus gevraagd werd wat in de christelijke godsdienst op de eerste, tweede en derde plaats kwam, gaf hij telkens hetzelfde antwoord: nederigheid.

Naar Alban Butler