H. Bonifatius – Geloofsverkondiger in de Nederlanden

5 juni – Sint Bonifatius, bisschop en martelaar † 754

Sint Bonifatius werd omstreeks 675 geboren in Wessex, in Engeland. Als monnik onderscheidde hij zich door geleerdheid en heiligheid van leven. Door paus Gregorius II werd hij uitgezonden om het Evangelie te verkondigen onder de Germaanse volkeren. Jarenlang arbeidde hij in Friesland, Hessen, Thüringen en Beieren, hervormde de Kerk, stichtte bisdommen en abdijen, en bevestigde talloze gelovigen in het katholieke geloof.

Zijn naam blijft verbonden met de evangelisatie van de Nederlanden. Op hoge leeftijd keerde hij nog eenmaal terug naar Friesland om het werk van de heilige Willibrord voort te zetten. Op 5 juni 754 werd hij nabij Dokkum, samen met zijn gezellen, door heidense Friezen overvallen en gedood, terwijl hij zich voorbereidde op de toediening van het Vormsel. Volgens de overlevering hield hij het Evangelieboek boven zijn hoofd om de slagen af te weren.

Sint Bonifatius is een van de grote geloofsverkondigers van het Westen: volkomen gehoorzaam aan de Apostolische Stoel en onverzettelijk moedig in het brengen van de volkeren tot Christus. Zijn bloed werd het zaad van een rijke christelijke oogst. Daarom wordt hij vereerd als Apostel der Germanen en als een van de voornaamste geloofsverkondigers van onze streken.

De heilige Bonifatius doopt en sterft als martelaar
Boven: Bonifatius doopt. Onder: zijn marteldood. Miniatuur uit het Sacramentarium van Fulda, 11e eeuw.

Korte vita van de heilige Bonifatius

Winfried, later Bonifatius genoemd, was een Engelse benedictijn die aanvankelijk een stil en toegewijd kloosterleven leidde. Toch bleef zijn roeping niet beperkt tot het kloosterleven. De Heer riep hem om het Evangelie te brengen aan volkeren die Christus nog niet kenden. In dat verlangen vond hij in de heilige Willibrord een geestelijk voorbeeld. Willibrord was reeds vóór hem naar de Lage Landen gekomen en gold daar als de grote geloofsverkondiger, de apostel van de Friezen en een van de eerste brengers van het christelijk geloof in onze streken. Hij had met grote volharding gewerkt onder moeilijke omstandigheden, vaak in een land dat nog sterk door het heidendom werd beheerst.

Winfried sloot zich bij dit heilige werk aan en kwam in maart 716 naar het missiegebied van Willibrord, om samen met hem en diens gezellen het Evangelie te verkondigen onder de Friezen.

Daar verbonden de missionarissen hun kloosterlijk gebed met de arbeid van de missionering. Zij onderrichtten het volk, predikten Christus en bereidden de bekeerlingen voor op het doopsel. In Utrecht maakten zij kennis met koning Radboud, die opnieuw de macht had herwonnen. De Franken hadden de stad eerder aan Willibrord, aartsbisschop van Utrecht, geschonken, maar Radboud begreep dat de nieuw aangekomen monniken geen band met de Franken waren. Daarom stond hij hun toe het volk te onderrichten en te dopen. Winfried merkte echter spoedig dat de omstandigheden zwaar waren. Onder de Friezen leefde het heidendom nog sterk voort, en slechts weinigen stonden open voor bekering. Daarom trok hij door het land om de taal, de gewoonten en de gebruiken van Friezen en Saksen te leren kennen. Die kennis zou hem later goed van pas komen, toen hij opnieuw onder dezelfde volken zou arbeiden.

Toen hij naar Engeland terugkeerde, beschreef hij de heidense gebruiken die hij had aangetroffen en probeerde hij zijn landgenoten voor de zending te winnen. Dat had weinig succes. Hij had ook naar het zuiden kunnen uitwijken, waar de politieke omstandigheden gunstiger waren, maar hij wilde zich in het bijzonder toeleggen op de Friezen. Toen dat werk voorlopig onmogelijk bleek, keerde hij nog in hetzelfde jaar naar Engeland terug. Met grote vreugde werd hij ontvangen in het klooster van Nursling, waar hij van zijn zesde levensjaar af was opgegroeid. Daar had hij Latijn geleerd, geschiedenis bestudeerd en zich verdiept in de Schrift en de welsprekendheid. Na de dood van abt Winbert werd Winfried in 717 tot diens opvolger gekozen. Maar ook al aanvaardde hij het ambt wellicht aanvankelijk, toch bleef zijn ware roeping de zending. Toen een geschikte opvolger gevonden was, legde hij het abbatiaat neer.

In de herfst van 718 verliet hij daarom opnieuw Engeland, ditmaal om met de paus zelf over zijn plannen te spreken. In Rome ontving paus Gregorius II hem met grote belangstelling. Tijdens hun onderhoud kreeg Winfried een nieuwe naam: Bonifatius. Zo werd hij, evenals Willibrord eerder Clemens was genoemd, door de Kerk zelf voor zijn zending aangewezen en gezegend. Met een pauselijke zendingsbrief werd Bonifatius uitgezonden naar de Germaanse volken op de rechteroever van de Rijn. De paus prees zijn kennis van de Heilige Schrift en zijn trouw aan de Apostolische Stoel, en gaf hem volmacht om onder de heidenen het Evangelie te verkondigen. Onderweg bezocht Bonifatius in Pavia de Longobardische koning Liutprand. Daarna trok hij verder naar Beieren en vervolgens naar Thüringen, waar hij zag hoe het christendom daar in verval was geraakt. Ook daar arbeidde hij met moed, al waren de politieke omstandigheden weinig gunstig.

Toen bereikte hem het bericht dat koning Radboud gestorven was. Dat opende nieuwe mogelijkheden voor de missie in Friesland. Bonifatius zag hierin een teken van Gods voorzienigheid en keerde opnieuw naar de Nederlanden terug. Zo bleef het werk waaraan Willibrord was begonnen, door Bonifatius voortgezet en verdiept. In de jaren daarna bleef Bonifatius voortdurend in verbinding met Rome. Zijn brieven tonen niet alleen zijn eigen karakter, maar ook de vele moeilijkheden waarmee hij te maken had. Tegelijk laten de antwoorden uit Rome zien hoeveel vertrouwen men in hem stelde. Als pauselijk legaat droeg hij zorg voor de Kerk in de Germaanse gebieden en zette hij zich in voor hervorming, orde en tucht.

Ook onder de Friezen bleef hij werkzaam. Volgens de levensbeschrijvers stond een grote menigte heidenen rond de heilige eik toen hij de eerste slag met zijn bijl toebracht. Een hevige storm deed de boom splijten en in vier stukken ter aarde werpen. Voor velen was dit een teken dat de afgodendienst niets vermochte. Zo werd de weg geopend voor verdere bekeringen. Deze daad moet men verstaan tegen de achtergrond van de tijd: niet als lichtvaardige vernieling, maar als een krachtig getuigenis tegen een hardnekkig heidendom.

De heilige Bonifatius velt de Donareik
De heilige Bonifatius velt de heilige eik van Donar bij Geismar. Volgens de overlevering verzamelde zich een grote menigte heidenen toen de missionaris de eerste slag met zijn bijl toebracht. Toen de boom viel, werd dit voor velen een teken van de machteloosheid van de afgoden en een bevestiging van de waarheid van het christelijk geloof. Schilderij van Johann Michael Wittmer (1802–1880).

Bonifatius werkte intussen ook aan de hervorming van de Frankische Kerk. Samen met Karloman en Pippijn, de zonen van Karel Martel, organiseerde hij synoden en werkte hij aan een betere kerkelijke orde. Onder zijn leiding werd het eerste Germaanse concilie gehouden, waarna andere synoden het hervormingswerk voortzetten. Toen Karloman zich uit het openbare leven terugtrok, bleef Pippijn als hofmeier de werkelijke machthebber. Op verzoek van Pippijn verklaarde paus Zacharias dat degene die werkelijk regeert ook koning behoort te zijn. Vervolgens werd Pippijn tot koning uitgeroepen, en Bonifatius zalfde hem in 752 te Soissons.

Na een verblijf in Keulen koos Bonifatius Mainz als bisschopszetel. Maar ook daar beperkte hij zich niet tot zijn eigen bisdom. Hij bleef kloosters en bisdommen ondersteunen en zette zich in voor de opbouw van de Kerk in heel Germanië. Onder al zijn stichtingen nam het klooster van Fulda een bijzondere plaats in. Zoals Echternach voor Willibrord een geestelijk centrum was in de Nederlanden, zo werd Fulda een middelpunt van gebed, geleerdheid en christelijke beschaving in Duitsland. Bonifatius trok zich er graag terug en wenste er ook begraven te worden. Maar zijn hart bleef ook uitgaan naar de Friese landen, waar Willibrord het eerste zaad van het geloof had gezaaid en waar hijzelf had voortgebouwd. Na de dood van Willibrord ontstonden in Utrecht moeilijkheden, en Pippijn wilde het bisdom aan Keulen verbinden. Bonifatius wist dit te verhinderen, maar een nieuwe bisschop werd niet benoemd. Daarom keerde hij nog eenmaal naar Friesland terug.

In de zomer van 753 trok hij predikend en vormend door Sudergo en Westergo. De winter bracht hij in Utrecht door. In het voorjaar van 754 vertrok hij opnieuw naar het noorden. Tijdens de Pinksterdagen wilde hij in het noordoosten van Friesland het vormsel toedienen. Maar op de morgen van 5 juni werd het kamp van de missionarissen overvallen door een groep heidenen. Bonifatius verbood zijn gezellen zich te verdedigen. Zij mochten het kwaad niet met geweld beantwoorden. Eén voor één werden zij gedood, en ook de hoogbejaarde bisschop vond de marteldood. Volgens de overlevering hield hij nog een boek boven zijn hoofd om de slagen af te weren. Zo stierf hij als martelaar, als getuige van Christus tot het einde toe.

Marteldood van de heilige Bonifatius
De marteldood van de heilige Bonifatius bij Dokkum op 5 juni 754. Nadat hij jarenlang het Evangelie had verkondigd onder Friezen en andere Germaanse volken, werd de hoogbejaarde bisschop samen met zijn gezellen overvallen door heidenen. Volgens de overlevering verbood hij zijn metgezellen zich te verdedigen en hield hij een boek boven zijn hoofd om de slagen af te weren. Zo stierf hij als martelaar van Christus. De gebeurtenis behoort tot de belangrijkste momenten uit de geschiedenis van de Kerk in de Nederlanden en wordt sinds eeuwen herdacht als het voltooiingspunt van zijn missionaire arbeid.

De aanvallers doorzochten het kamp op zoek naar goud en zilver, maar vonden vooral boeken en handschriften. Wat voor de wereld onbelangrijk leek, was voor de Kerk de ware schat. Het lichaam van Bonifatius werd later naar Fulda overgebracht, waar het nog altijd rust. Toch bleef Dokkum in het christelijk geheugen een plaats van heilige betekenis, want daar werd het bloed vergoten van de man die samen met Willibrord het Evangelie in de Nederlanden had gebracht en er de wortels van het geloof had verdiept. Zo staat Bonifatius in onze geschiedenis niet alleen bekend als martelaar, maar ook als grote geloofsverkondiger in de Nederlanden, in de lijn van Willibrord. Willibrord begon het werk, Bonifatius zette het voort. Beiden hebben met hun leven en hun bloed getuigd van Christus. Hun arbeid heeft blijvende vruchten gedragen, en juist daarin ligt de diepste betekenis van hun zending. (Ildefonso Schuster)

Historisch kader

Bonifatius leefde in de 8e eeuw, een tijd waarin de kaart van de christenheid sterk veranderde. In de Lage Landen en in de Saksische gebieden stond de Kerk nog in de kinderschoenen. Oude heidense gebruiken leefden voort, heilige bomen werden vereerd en de missionarissen moesten het geloof verkondigen waar nog nauwelijks christelijk leven bestond.

Tegelijk waren in het Oosten en in Noord-Afrika oude christelijke landen reeds door islamitische legers veroverd. Syrië, Palestina, Egypte en Carthago waren geen randgebieden, maar landen waar de Kerk eeuwenlang had gebloeid en waar grote kerkvaders hadden geleefd.

Zo ontstond een opvallend historisch contrast. In het zuiden en oosten verloor de oude christelijke wereld haar vrijheid en publieke kracht, terwijl in het noorden van Europa het geloof nog werd geplant. De arbeid van Willibrord en Bonifatius behoort daarom tot de geboorte van het christelijke Westen.

Sint Bonifatius

Iconografie

In de kunst wordt Sint Bonifatius voorgesteld als bisschop, met mijter, staf en pallium. Als attributen draagt hij een kruis, een roede, of een Evangelieboek dat met een zwaard is doorstoken; soms ligt het zwaard op een geopend boek. Ook wordt hij afgebeeld terwijl hij met zijn bisschopsstaf een bron doet ontspringen, het Evangelie verkondigt aan de Friezen, hen doopt, een afgodische boom omhakt, of met een lans wordt doorstoken.