4 augustus – De heilige Dominicus werd in 1170 in Spanje geboren. Toen hij studeerde, verkocht hij tijdens een hongersnood zijn boeken om de armen te voeden en bood hij zichzelf aan als losprijs voor een slaaf. Op vijfentwintigjarige leeftijd werd hij overste van de reguliere kanunniken van Osma en vergezelde hij zijn bisschop naar Frankrijk. Daar werd zijn hart diep getroffen door de verwoestingen die de Albigenzische ketterij aanrichtte, en voortaan wijdde hij zijn leven aan de bekering van ketters en de verdediging van het geloof. Met dit doel stichtte hij zijn drievoudige religieuze orde. Eerst werd het klooster voor vrouwen gesticht, om jonge meisjes aan ketterij en zonde te onttrekken. Daarna verzamelde zich een groep apostolische mannen om hem heen, die de Orde der Predikheren vormden. Ten slotte kwamen de tertiarissen, mannen en vrouwen die in de wereld leefden. God zegende de nieuwe Orde en Frankrijk, Italië, Spanje en Engeland ontvingen de Predikbroeders. Onze Lieve Vrouw nam hen onder haar bijzondere bescherming. In 1208, toen de heilige Dominicus in de kleine kapel van Notre Dame de la Prouille geknield lag en de grote Moeder Gods smeekte de Kerk te redden, verscheen zij hem, gaf hem de rozenkrans en gebood hem uit te gaan en te prediken. Met de kralen in de hand bezielde hij de katholieke strijders opnieuw met moed, leidde hen tot de overwinning tegen een overweldigende overmacht en hielp ten slotte de ketterij te breken. Zijn nachten bracht hij door in gebed en driemaal vóór het aanbreken van de morgen geselde hij zichzelf tot bloedens toe. Zijn woorden brachten ontelbare zielen tot bekering en driemaal wekte hij doden tot leven. Ten slotte gaf hij op 6 augustus 1221, op eenenvijftigjarige leeftijd, zijn ziel aan God. (Butler)
De heilige Dominicus en de Albigenzen
De negen wijzen van gebed
De heilige Dominicus en de rozenkrans

Deze bijzondere handgekleurde gravure stelt de heilige Dominicus voor als middelpunt van een rijk vertakte boom. Hij draagt het zwart-witte habijt van de Predikheren en houdt het kruisbeeld in de hand, terwijl aan zijn zijde een lang gebedssnoer neerhangt. De takken omgeven hem met druiventrossen, heilige figuren en talrijke banderollen. De voorstelling is daarmee niet slechts een portret, maar een beeldende samenvatting van zijn roeping, prediking en de geestelijke vruchtbaarheid die uit zijn werk voortkwam. Rechtsboven is Christus herkenbaar afgebeeld met nimbus en boek. Bovenaan bevindt zich een heilige bisschop met mijter en boek, mogelijk de heilige Augustinus, wiens Regel door de Orde der Predikheren werd aangenomen. De andere heiligen zijn door de banderollen eveneens met Dominicus en zijn zending verbonden, maar hun afzonderlijke identificatie is niet met zekerheid vastgesteld.
Bijzonder sprekend is het tafereel aan de voet van de boom. Daar staat de hond met de brandende fakkel bij de wereldbol. Volgens de oude overlevering droomde de zalige Johanna van Aza vóór de geboorte van Dominicus dat zij een hond droeg die met een brandende fakkel in de bek de wereld in vuur zou zetten. Dit werd verstaan als voorafbeelding van haar zoon, die door zijn prediking het vuur van het geloof zou verbreiden. De hond werd tevens verbonden met het bekende woordspel Domini canes, honden des Heren, dat later op de Predikheren werd toegepast. De vrouwelijke heilige die rechtsonder bij dit tafereel is geplaatst, zou daarom mogelijk de zalige Johanna van Aza kunnen voorstellen.
Master S, Saint Dominic, handgekleurde gravure, eerste helft van de zestiende eeuw. Rosenwald Collection, National Gallery of Art, Washington.
Het leven van de heilige Dominicus
De heilige Dominicus, de roemrijke patriarch en stichter van de beroemde Orde der Predikheren, werd in Spanje geboren uit aanzienlijke en godvruchtige ouders. Vóór zijn geboorte had zijn moeder in haar slaap een visioen, waarin het haar voorkwam dat zij een hondje droeg dat in zijn bek een brandende fakkel hield, die de gehele wereld verlichtte. Bij zijn doop zag een aanzienlijke vrouw een heldere ster op het voorhoofd van Dominicus. Dit was door God waarschijnlijk bedoeld als een voorafbeelding van de toekomstige arbeid van de heilige Dominicus en van de uitwerking daarvan, namelijk hoe hij door zijn prediking de ketters, die ware wolven in de christelijke kudde, zou verdrijven en hoe hij, terwijl hij door zijn leer en deugden de gehele wereld verlichtte, haar tevens zou ontvlammen in de liefde tot God. Reeds in zijn vroegste jeugd gaf Dominicus blijk van een liefde tot de deugd die voor zijn leeftijd zeer ongewoon was. Midden in de nacht stond hij op om te bidden. Hij was uiterst matig in eten en drinken en ingetogen in heel zijn gedrag. Hij verafschuwde alle wereldse vermaken, vermeed ieder bedenkelijk gezelschap, was medelijdend met de armen en vond al zijn vreugde in het gebed, het bezoeken van kerken en de studie. Hij verwierf de kennis die bij zijn levensstaat paste en werd naar de beroemdste universiteiten gezonden, waar hij nooit ook maar in het geringste van zijn godvruchtige levenswijze afweek. Zijn onschuld en zuiverheid bewaarde hij onbevlekt tot aan zijn dood. De middelen die hij daartoe gebruikte waren het vermijden van ledigheid en van omgang met het andere geslacht, en matigheid in eten en drinken.
Nadat hij zijn studies met grote onderscheiding had voltooid, nam Diego Azebedo, bisschop van Osma, hem op onder de reguliere kanunniken. Toen hij dertig jaar oud was, begon hij te prediken en zette dit gedurende twee jaar met groot succes voort. Daarna vergezelde hij de bisschop naar Frankrijk, dat in die tijd hevig werd beroerd door de ketterij van de Albigenzen. Toen zij op hun bestemming waren aangekomen, namen zij hun intrek in een huis waarvan de bewoners met de ketterij besmet waren. Dominicus overtuigde hen echter spoedig van hun dwaling en zij keerden terug tot het ware geloof. Zij waren de eersten van de ketters die werden bekeerd, en Dominicus wijdde deze eerstelingen van zijn arbeid in diepe dankbaarheid aan de Almachtige. Tegelijk voelde hij in zich een dagelijks toenemend verlangen om zich geheel te wijden aan de uitroeiing van deze nieuwe ketterij. Gehoor gevend aan de vermaning van de goddelijke stem die tot zijn hart sprak, vroeg hij de paus om de noodzakelijke toestemming en bereidde hij zich met enkele andere ijverige priesters door gebed, vasten en andere boetewerken voor op zo groot een werk. Daarna nam hij, in navolging van de heilige Apostelen, een staf in de hand en trok blootsvoets door alle steden en dorpen waar de Albigenzen het zaad van hun ketterij hadden uitgestrooid. Met grote ijver verkondigde hij de waarheden van het katholieke geloof en weerlegde hij de dwalingen van de ketterij, zonder zich ook maar in het minst te laten verontrusten door het razen van de vijanden van de Kerk.
Betrouwbare geschiedschrijvers vermelden dat hij meer dan 100.000 ketters tot het ware geloof bekeerde. De gave van wonderen, die God aan Zijn onvermoeibare apostel schonk om zijn woorden te bevestigen, droeg veel bij tot zijn invloed. De Albigenzen hadden een boek geschreven dat vol stond met ketterse leerstellingen en dat zij de katholieken ter lezing gaven. De heilige Dominicus weerlegde dit in een ander boek en om het volk ervan te overtuigen dat het zijne de waarheid bevatte, wierp hij beide boeken in het vuur, in tegenwoordigheid van een menigte ketters en gelovigen. Het ketterse boek werd onmiddellijk door de vlammen gegrepen en verteerd, terwijl het door de heilige geschreven boek ongedeerd bleef, zich verhief, enige tijd in de lucht bewoog en vervolgens op een balk neerkwam, tot grote verbazing van de aanwezigen. Dit wonder herhaalde zich een tweede en een derde maal en versterkte niet alleen het geloof van de katholieken, maar bracht ook de ketters in verwarring. Een andere keer, toen de beroemde graaf Montfort met een kleine katholieke strijdmacht van 1800 man een groot leger Albigenzen aanviel, verkreeg de heilige Dominicus door een overvloed van tranen van God zulk een buitengewone overwinning voor de katholieken, dat 20.000 vijanden op het slagveld achterbleven, anderen in de rivier werden gedreven en verdronken en de overigen op de vlucht werden geslagen. Ook wordt verhaald dat deze heilige man velen die bezeten waren bevrijdde, vele zieken genas en doden tot het leven terugriep. Deze en dergelijke wonderen konden niet anders dan de heilige de verering van de mensen doen verwerven en zij werden het middel waardoor vele ketters zich bekeerden. Om dezen in het ware geloof te bewaren en anderen tot de kennis van de waarheid te brengen, besloot hij een orde te stichten waarvan het voornaamste doel zou zijn het Evangelie te verkondigen, zondaars tot boetvaardigheid te brengen, katholieken in hun geloof te bevestigen en ketters te bekeren.
Paus Innocentius III weigerde aanvankelijk zijn toestemming voor dit plan te geven. Maar op een nacht droomde hij dat de muren van de Lateraanse kerk op instorten stonden, doch door de heilige Dominicus werden ondersteund en zo voor de dreigende ondergang werden behoed. Hieruit maakte hij op dat de heilige Dominicus door God was uitverkoren om een steunpilaar van Zijn Kerk te zijn en hij onthield daarom niet langer zijn toestemming aan de stichting van de nieuwe orde. Paus Honorius III, die Innocentius opvolgde, bevestigde de orde, tot grote vertroosting van de heilige. Naar waarheid kan worden gezegd dat door middel van deze orde de ondergang werd afgewend waarmee de ketters en dwaalleraars de gehele wereld bedreigden. Toen de heilige Dominicus op een nacht in de Sint Pieterskerk bad, zag hij Christus op een troon in de wolken zitten, omgeven door een onbeschrijfelijke heerlijkheid. Hij hield drie speren in Zijn hand om de wereld wegens de ongerechtigheid van de mensen met drie kastijdingen te treffen, hongersnood, oorlog en pest. Geen van de heiligen waagde het de toorn van God met gebeden tegen te houden. Ten slotte trad de allerheiligste Maagd zelf aan Zijn voeten en smeekte Hem nederig om barmhartigheid voor hen die Hij met Zijn kostbaar Bloed had verlost. Zij verzekerde Hem dat de heilige Dominicus en de heilige Franciscus, die zich toen in Rome bevond om de goedkeuring van zijn orde te verkrijgen, en hun broeders alles zouden doen wat in hun vermogen lag om de zondige wereld tot boetvaardigheid en verbetering te bewegen. De gebeden van Zijn allerheiligste Moeder verzoenden Christus en Hij keurde het voornemen van de beide heilige mannen goed. Dit visioen was voor de heilige Dominicus niet alleen een grote vertroosting, maar ook een aansporing om al zijn krachten in te zetten voor het doel dat hij zich had gesteld.
Vele jaren arbeidde hij met onvergelijkelijke ijver aan de verwezenlijking van dit voornemen, totdat het de Almachtige behaagde hem tot Zich te roepen om de beloning voor zijn onvermoeibare arbeid te ontvangen. De aankondiging van zijn dood ontving hij van onze Heer zelf, die hem tijdens zijn gebed verscheen en zei: Kom, kom om het ware geluk te genieten. Hierna werd hij ziek en nadat hij zijn biecht had gesproken, ontving hij het Allerheiligste Sacrament met zoveel vurigheid en godsvrucht dat hij allen die bij hem waren tot tranen bewoog. Vóór zijn einde spoorde hij zijn leerlingen aan tot gehoorzaamheid, armoede, kuisheid en broederlijke liefde. Verder beval hij hun ijverig te arbeiden voor het heil van de zielen, onwankelbaar op God te vertrouwen, hun hemelse Vader boven alles lief te hebben, nutteloze gesprekken te vermijden en alleen met God of over God te spreken. Ten slotte verzocht hij hun de gebruikelijke gebeden voor de stervenden hardop voor hem te bidden. Toen zij kwamen bij de woorden: Komt hem te hulp, heiligen Gods, komt hem tegemoet, engelen des Heren, neemt zijn ziel op en draagt haar voor het aanschijn van de Allerhoogste, sloot hij rustig zijn ogen en gaf zijn ziel, rijk aan zoveel verdiensten, in de handen van God. Dit geschiedde in het jaar 1221, in het vijftigste jaar van zijn leven.

Hij liet het nageslacht niet alleen de heilige Orde na die hij had gesticht, maar ook een hoogstaand voorbeeld van deugd. Zijn hart was vervuld van liefde tot God. Daarom beijverde hij zich onvermoeibaar om te verhinderen dat anderen de goddelijke Majesteit beledigden en om zondaars tot boetvaardigheid te bewegen. Dikwijls bracht hij de gehele nacht door in gebed en in kastijding van zijn lichaam, die hij God aanbood voor de bekering van de zondaars. Hij zei dat hij gaarne iedere druppel van zijn bloed zou geven, indien hij daardoor één enkele zonde kon verhinderen of één zondaar kon bekeren. Het was zijn verlangen om uit liefde tot Christus te lijden en zijn leven te geven. Uit nederigheid weigerde hij driemaal een bisschopszetel. Hij verlangde niets anders dan voor het heil van de zielen te arbeiden, te lijden en veracht te worden. Voor zichzelf was hij buitengewoon streng. Voortdurend droeg hij een ruw boetekleed, dat om zijn lendenen met een ijzeren ketting was vastgemaakt en zo strak werd aangetrokken dat deze in het vlees sneed. De treden van het altaar of de kale planken dienden hem tot bed. Iedere nacht geselde hij zich driemaal, eerst voor zijn eigen zonden, vervolgens voor de zonden van andere mensen en ten derde voor de zielen in het vagevuur. Bovendien was zijn leven een voortdurend vasten. Hij at nooit vlees. Van aalmoezen leven en de armen bijstaan was alles wat hij verlangde.
Toen hij nog student was, verkocht hij zijn boeken en kleding meer dan eens en gaf het geld aan de armen. Aan een weduwe die hem om een aalmoes vroeg om haar zoon uit gevangenschap vrij te kopen, bood hij zichzelf als losprijs aan, opdat haar zoon tot haar zou kunnen terugkeren. Vele andere schitterende voorbeelden van bewonderenswaardige deugden moeten hier wegens gebrek aan ruimte onvermeld blijven. Zijn grote godsvrucht tot de Koningin des Hemels, die hij steeds heeft gekoesterd, moet echter worden vermeld. Deze godsvrucht kwam voort uit zijn grote liefde tot haar. Hij begon niets zonder met kinderlijk vertrouwen haar hulp in te roepen en verbreidde de verering van Maria door het gebruik van de rozenkrans, die de Almachtige door vele wonderen heeft willen bevestigen. Hij raadde Blanca, de godvruchtige koningin van Frankrijk, die geen kinderen had, aan haar toevlucht te nemen tot de Moeder Gods en ter ere van haar godvruchtig de rozenkrans te bidden. Blanca volgde zijn raad en schonk na verloop van tijd het leven aan Lodewijk, de heilige en beroemde katholieke koning. Ook de hierboven vermelde overwinning van Montfort op de Albigenzen wordt toegeschreven aan het godvruchtig gebruik van de rozenkrans. De katholieke soldaten droegen namelijk op aansporing van de heilige Dominicus de rozenkrans om hun hals en vielen aldus, onder de bescherming van de allerheiligste Maagd, de vijand aan en versloegen hem. Hoeveel wonderen de Almachtige na de dood van de heilige Dominicus op zijn voorspraak heeft verricht, kan men vinden in de werken van hen die zijn leven uitvoeriger hebben beschreven. (Weninger, Lives of the Saints).
Het wonder van het boek. Volgens de overlevering werden tijdens een dispuut tussen de heilige Dominicus en de Albigenzen de geschriften waarin beide partijen hun leer hadden uiteengezet in het vuur geworpen, opdat God door een teken de waarheid zou bevestigen. Het geschrift van de Albigenzen werd door het vuur verteerd, terwijl het boek van de heilige Dominicus ongedeerd uit de vlammen werd geworpen. Op het schilderij is het boek boven het vuur te zien, terwijl Dominicus links en de Albigenzen rechts getuige zijn van het wonder. Pedro Berruguete, ca. 1491–1499. (Museo del Prado, Madrid.)
De heilige Dominicus en de Albigenzen
De Albigenzen behoorden tot de Katharen en hingen een dualistische leer aan. Zij leerden dat de zichtbare stoffelijke wereld niet door de goede God, maar door Satan was geschapen. Christus zou niet werkelijk een menselijk lichaam hebben aangenomen en slechts schijnbaar hebben geleden. Zij verwierpen de Heilige Eucharistie en de overige sacramenten, de verrijzenis van het lichaam en de werkzaamheid van de kinderdoop. Het huwelijk werd door de strengere aanhangers verworpen en de menselijke zielen werden beschouwd als gevallen geesten die in stoffelijke lichamen waren opgesloten. Hun eigen reinigingsritus was het consolamentum, dat door handoplegging werd toegediend.
De bestrijding van deze ketterij begon met prediking en onderrichting. In 1206 kwamen bisschop Diego van Osma en de heilige Dominicus in Zuid Frankrijk. Zij legden uiterlijk vertoon af en trokken in apostolische armoede rond om de Albigenzen door prediking en godsdienstgesprekken tot het katholieke geloof terug te brengen. Hierin lag het eigenlijke werk van de heilige Dominicus onder de Albigenzen. De gewapende strijd volgde later, na de moord op de pauselijke legaat Petrus van Castelnau. Een uitvoeriger behandeling van de leer en geschiedenis van de Katharen is te vinden bij Hilaire Belloc in De Katharen en de Albigenzische ketterij.
De negen wijzen van gebed van de heilige Dominicus
Inleiding
De negen wijzen van gebed van de heilige Dominicus werden geschreven door een anonieme auteur, waarschijnlijk te Bologna, ergens tussen 1260 en 1288. De bron van zijn gegevens was zuster Cecilia van het klooster van Sint Agnes te Bologna, die uit handen van de heilige Dominicus het habijt had ontvangen, en anderen die met de heilige stichter in aanraking waren geweest. Dit eerbiedwaardige geschrift getuigt van de buitengewone heiligheid van de heilige en toont iets van zijn innerlijk leven en zijn vurige liefde tot God.
De oudste handschriften van het werk gingen vergezeld van miniaturen die de verschillende houdingen afbeeldden die de heilige Dominicus tijdens zijn gebed aannam. De afbeeldingen in een Spaans handschrift van de Vaticaanse Bibliotheek, Codex Rossianus 3, zijn vervaardigd door een bekwaam miniaturist en uitgevoerd in schitterende kleuren die nog altijd levendig zijn. De tekeningen bij deze vertaling zijn bewerkingen door broeder Jerome Newell O.P. van de oude afbeeldingen.

(Biblioteca Apostolica Vaticana, Ross. 3, fol. 11r.)
De negen wijzen van gebed zijn soms afgedrukt als aanvulling op het Leven van de heilige Dominicus van Theodoricus van Apoldia, hoewel zij geen deel van dat werk uitmaken. De reden hiervoor is terug te voeren op het bezoek van Conrad van Trebensee, provinciaal van Duitsland, aan Bologna in 1288, toen hij in Italië was om het generaal kapittel bij te wonen. Daar vond hij De negen wijzen van gebed en andere geschriften over de heilige Dominicus en nam deze mee terug naar Duitsland ten behoeve van Theodoricus, die in die tijd aan zijn levensbeschrijving van de heilige begon te werken.
De negen wijzen van gebed van de heilige Dominicus
Heilige leraren als Augustinus, Ambrosius, Gregorius, Hilarius, Isidorus, Johannes Chrysostomus, Johannes Damascenus, Bernardus en andere heilige Griekse en Latijnse kerkleraren hebben uitvoerig over het gebed gesproken. Zij hebben het aanbevolen en beschreven, op de noodzakelijkheid en de waarde ervan gewezen en uiteengezet welke wijze van bidden en welke gesteltenissen vereist zijn en welke belemmeringen daarbij in de weg staan. In hun geleerde werken hebben ook de roemrijke en eerbiedwaardige leraar broeder Thomas van Aquino en Albertus, beiden van de Orde der Predikheren, evenals Willem in zijn verhandeling over de deugden, op bewonderenswaardige, heilige, godvruchtige en schone wijze die vorm van gebed behandeld waarbij de ziel zich van de bewegingen en houdingen van het lichaam bedient om zich met grotere godsvrucht tot God te verheffen. Terwijl de ziel het lichaam tot bepaalde houdingen en bewegingen brengt, wordt zij daardoor zelf tot grotere godsvrucht bewogen. Soms wordt zij in verrukking opgenomen, zoals de heilige Paulus, of wordt zij door een vervoering van de geest meegevoerd, zoals de profeet David. De heilige Dominicus bad dikwijls op deze wijze en het is passend iets over zijn wijze van bidden te zeggen.
Zeker is bekend dat vele heiligen van zowel het Oude als het Nieuwe Testament soms op deze wijze hebben gebeden. Een dergelijke wijze van bidden moet worden verklaard uit de wederzijdse werking van ziel en lichaam. Een dergelijk gebed bracht de heilige Dominicus tot tranen en wekte de vurigheid van zijn heilige wil tot zulk een innigheid op, dat zijn lichamelijke ledematen niet konden nalaten zijn godsvrucht door bepaalde tekenen naar buiten te openbaren. Daardoor werd de geest van de biddende soms opgeheven tijdens kniebuigingen, smekingen en dankzeggingen.
Hier volgen dan de bijzondere wijzen van gebed, naast de zeer godvruchtige en gebruikelijke vormen die de heilige Dominicus gebruikte tijdens de viering van de Mis en het zingen van de psalmen. In het koor of onderweg zag men hem dikwijls plotseling buiten zichzelf raken en verheven worden tot God en de engelen.
De eerste wijze van gebed
De eerste wijze van gebed van de heilige Dominicus bestond hierin dat hij zich voor het altaar vernederde, alsof Christus, Die door het altaar werd aangeduid, daar waarlijk en persoonlijk tegenwoordig was en niet slechts in een zinnebeeld. Hij sprak met Judith: O Heer God, het gebed van de nederige en zachtmoedige heeft U altijd behaagd. (Judith 9,16)
Door nederigheid verkregen de Kanaänitische vrouw en de verloren zoon hetgeen zij verlangden. Wat mij betreft: Heer, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt. (Matth. 8,8) Want ik ben bovenmate vernederd, o Heer. (Ps. 118,107)
Op deze wijze stond onze heilige vader rechtop, boog zijn hoofd en beschouwde nederig Christus, zijn Hoofd, waarbij hij zijn eigen geringheid vergeleek met de verhevenheid van Christus. Vervolgens gaf hij zich geheel over aan het betonen van zijn eerbied.
Hij leerde de broeders hetzelfde te doen wanneer zij voorbij een kruisbeeld kwamen, opdat Christus, Die Zich zo diep voor ons vernederd heeft, ons vernederd voor Zijn majesteit zou zien. Ook beval hij de broeders zich op deze wijze voor de gehele Drie-eenheid te vernederen wanneer zij plechtig zongen: Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest.
Op deze wijze, met diep gebogen hoofd, zoals op de afbeelding te zien is, begon de heilige Dominicus zijn gebed.
De tweede wijze van gebed
De heilige Dominicus placht te bidden door zich geheel uitgestrekt op de grond neer te werpen, liggend op zijn aangezicht. Hij voelde dan een groot berouw in zijn hart en herinnerde zich de woorden van het Evangelie, die hij soms luid genoeg uitsprak om gehoord te worden: O God, wees mij, zondaar, genadig. (Luc. 18,13)
Met godsvrucht en eerbied herhaalde hij de woorden van David: Ik ben het die gezondigd heb, ik heb goddeloos gehandeld. (II Kon. 24,17)
Dan weende en zuchtte hij hevig en sprak: Ik ben niet waardig de hoogte des hemels te aanschouwen vanwege de grootheid van mijn ongerechtigheid, want ik heb Uw toorn opgewekt en kwaad gedaan voor Uw ogen.
Uit de psalm Deus auribus nostris audivimus sprak hij vurig en godvruchtig: Want onze ziel is neergebogen tot het stof, onze buik kleeft aan de aarde. (Ps. 43,25) Daaraan voegde hij toe: Mijn ziel ligt neer in het stof, maak mij levend naar Uw woord. (Ps. 118,25)
Wanneer hij de broeders wilde leren met eerbied te bidden, zei hij soms tot hen: Toen de vrome Wijzen het huis binnengingen, vonden zij het Kind met Maria, Zijn Moeder, en neervallend aanbaden zij Hem. Er bestaat geen twijfel dat ook wij de Godmens met Maria, Zijn dienstmaagd, hebben gevonden.
Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor God, en laat ons wenen voor God, laat ons wenen voor de Heer Die ons gemaakt heeft. (Ps. 94,6)
Ook vermaande hij de jonge broeders met deze woorden: Als gij niet kunt wenen over uw eigen zonden, omdat gij er geen hebt, bedenkt dan hoeveel zondaars er zijn, over wie gij tot medelijden en liefde bewogen kunt worden. Om hen hebben de profeten en apostelen geklaagd en toen Jezus hen zag, weende Hij bitter over hen. Ook de heilige David weende toen hij sprak: Ik zag de overtreders en werd bedroefd. (Ps. 118,158)
De derde wijze van gebed
Na het gebed dat zojuist beschreven is, stond de heilige Dominicus van de grond op en geselde zich met een ijzeren ketting, terwijl hij sprak: Uw tuchtiging heeft mij tot het einde toe terechtgewezen. (Ps. 17,36)
Daarom bepaalde de Orde, ter gedachtenis aan zijn voorbeeld, dat alle broeders op gewone dagen na de Completen de discipline zouden nemen met houten roeden op de ontblote schouders, terwijl zij zich neerbogen en het Miserere of De profundis baden. Dit deden zij voor hun eigen zonden of voor die van anderen van wier aalmoezen zij leefden.
Hoe onschuldig iemand ook moge zijn, niemand behoort zich aan dit heilige voorbeeld te onttrekken, zoals op de afbeelding wordt getoond.
De vierde wijze van gebed
Daarna bleef de heilige Dominicus voor het altaar of in de kapittelzaal staan, met zijn blik gevestigd op de Gekruisigde, Die hij met volkomen aandacht aanschouwde. Hij knielde herhaaldelijk, telkens opnieuw. Soms ging hij hiermee door vanaf na de Completen tot middernacht, nu eens opstaand en dan weer knielend, zoals de apostel Jakobus of de melaatse uit het Evangelie, die op zijn knieën sprak: Heer, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. (Matth. 8,2)
Hij was als de heilige Stefanus, die neerknielde en met luide stem riep: Heer, reken hun deze zonde niet toe. (Hand. 7,60)
Zo ontstond in onze heilige vader Dominicus een groot vertrouwen op Gods barmhartigheid voor zichzelf, voor alle zondaars en voor de volharding van de jonge broeders die hij had uitgezonden om tot de zielen te prediken.
Soms kon hij zijn stem zelfs niet bedwingen en hoorden de broeders hem mompelen: Tot U zal ik roepen, o Heer. Mijn God, zwijg niet voor mij, opdat ik, indien Gij voor mij zwijgt, niet gelijk worde aan hen die in de kuil nederdalen. (Ps. 27,1) En soortgelijke woorden uit de Heilige Schrift.
Op andere ogenblikken sprak hij echter in zichzelf en was zijn stem niet te horen. Hij bleef dan lange tijd geknield, in de geest opgenomen. Soms scheen uit zijn gelaat, terwijl hij zo geknield was, dat zijn geest de hemel was binnengedrongen. Spoedig daarop straalde hij een grote vreugde uit, terwijl hij zijn stromende tranen afwiste.
Hij verkeerde dan in een toestand van verlangen en verwachting, als een dorstige die een bron heeft bereikt en als een reiziger die eindelijk zijn vaderland nadert. Dan werd hij steeds meer in beslag genomen en vuriger, terwijl hij zich met grote gemakkelijkheid en eerbied nu eens oprichtte en dan weer neerknielde.
Hij was zo gewoon voor God de knieën te buigen dat hij, wanneer hij op reis was, in een herberg na een vermoeiende tocht of langs de weg terwijl zijn gezellen rustten of sliepen, tot deze kniebuigingen terugkeerde als tot een hem geheel eigen en vertrouwde wijze van gebed.
Door deze wijze van gebed onderwees hij zijn broeders meer door zijn voorbeeld dan door zijn woorden.
De vijfde wijze van gebed
Wanneer hij in het klooster was, bleef onze heilige vader Dominicus soms voor het altaar staan, rechtop, zonder ergens op te steunen of ergens tegenaan te leunen. Dikwijls hield hij zijn handen voor zijn borst uitgestrekt, als een geopend boek. Zo stond hij met grote eerbied en godsvrucht, alsof hij las in de tegenwoordigheid van God. Diep in gebed scheen hij de woorden Gods te overwegen en ze zacht voor zichzelf te herhalen.
Hij bad regelmatig op deze wijze, want het was de gewoonte van onze Heer, zoals de heilige Lucas ons verhaalt: Hij ging volgens Zijn gewoonte de synagoge binnen op de sabbat en stond op om voor te lezen. (Luc. 4,16) Ook zegt de psalmist ons: Phinees stond op en bad, en de plaag hield op. (Ps. 105,30)
Soms vouwde hij zijn handen en hield ze gesloten voor zijn met tranen gevulde ogen. Op andere ogenblikken hief hij zijn handen tot zijn schouders, zoals de priester tijdens de Mis doet. Dan scheen hij aandachtig te luisteren, alsof hij iets hoorde dat vanaf het altaar tot hem gesproken werd.
Wie zijn grote godsvrucht had gezien terwijl hij rechtop stond te bidden, zou zeker gedacht hebben dat hij een profeet aanschouwde die nu eens met een engel of met God Zelf sprak, dan weer luisterde en vervolgens in stilte nadacht over hetgeen hem geopenbaard was.
Wanneer hij op reis was, trok hij zich op het uur van het gebed heimelijk terug en verhief, staande, onmiddellijk zijn geest ten hemel. Dan zou men hem met zachte stem en met de grootste vreugde enige liefdevolle woorden uit de grond van zijn hart hebben horen spreken, ontleend aan de rijkdommen van de Heilige Schrift, die hij uit de bronnen van de Verlosser scheen te putten.
De broeders werden diep bewogen wanneer zij hun vader en meester op deze wijze zagen bidden. Daardoor werden zij des te vuriger onderricht in de eerbiedige en volhardende wijze van bidden: Zie, gelijk de ogen der dienaren op de handen hunner meesters, gelijk de ogen der dienstmaagd op de handen harer meesteres… (Ps. 122,2)
De zesde wijze van gebed
Onze heilige vader Dominicus werd ook gezien terwijl hij rechtop stond te bidden, met zijn handen en armen krachtig uitgestrekt in de vorm van een kruis.
Hij bad op deze wijze toen God door zijn smekingen de jonge Napoleon tot het leven terugbracht in de sacristie van de kerk van Sint Sixtus te Rome. Hij bad eveneens zo toen hij tijdens de viering van de Mis van de grond werd opgeheven, zoals de goede en heilige zuster Cecilia, die daarbij met vele anderen aanwezig was en hem zag, verhaalt.
Hij was als Elias, die zich over de zoon van de weduwe uitstrekte toen hij hem tot het leven terugbracht.
Op dezelfde wijze bad hij nabij Toulouse toen hij een groep Engelse pelgrims uit het gevaar van verdrinking in de rivier redde. Onze Heer bad aldus toen Hij aan het kruis hing, namelijk met handen en armen uitgestrekt en met luid geroep en tranen… en Hij werd verhoord om Zijn eerbiedige onderwerping. (Hebr. 5,7)
De heilige Dominicus nam deze wijze van bidden echter slechts aan wanneer hij door God werd ingegeven te weten dat door de kracht van zijn gebed iets groots en wonderbaarlijks zou geschieden. Hoewel hij de broeders niet verbood op deze wijze te bidden, moedigde hij hen er evenmin toe aan.
Wij weten niet wat hij sprak toen hij met zijn handen en armen in kruisvorm uitgestrekt stond en de jongen tot het leven terugbracht. Misschien waren het de woorden van Elias: O Heer, mijn God, laat de ziel van dit kind, bid ik U, in hem terugkeren. (III Kon. 17,21)
Zeker volgde hij bij die gelegenheid de uiterlijke houding van de profeet na. De broeders en zusters echter, evenals de edelen, kardinalen en alle anderen die aanwezig waren, waren zo getroffen door deze zeer ongewone en verbazingwekkende wijze van bidden, dat zij zich de woorden die hij sprak niet konden herinneren.
Later voelden zij zich niet vrij Dominicus hierover te ondervragen, omdat deze heilige en merkwaardige man hun door het wonder met grote eerbied en ontzag vervulde.
Op ernstige en bezonnen wijze sprak hij langzaam de woorden uit het psalter die deze wijze van gebed vermelden. Aandachtig placht hij te zeggen: O Heer, God van mijn heil, overdag roep ik en des nachts voor Uw aanschijn, evenals het vers: De gehele dag roep ik tot U, o Heer, ik strek mijn handen naar U uit. (Ps. 87,2 en 10)
Daarna voegde hij toe: Hoor, o Heer, mijn gebed, neig Uw oor tot mijn smeking in Uw trouw…
Hij vervolgde zijn gebed met deze woorden: Ik strek mijn handen naar U uit… Verhoor mij spoedig, o Heer. (Ps. 142,1 en 7)
Dit voorbeeld van het gebed van onze vader kan godvruchtige zielen helpen zijn grote ijver en wijsheid in het gebed beter te begrijpen. Soms trachtte hij aldus door zijn gebed een bijzondere genade van God te verkrijgen. Op andere ogenblikken werd hij door een innerlijke ingeving tot deze wijze van bidden bewogen, wanneer hij voor zichzelf of voor zijn naaste een bijzondere genade wilde afsmeken. Dan straalde in hem het geestelijk inzicht van David, de vurigheid van Elias, de liefde van Christus en een diepe godsvrucht, zoals de afbeelding laat zien.
De zevende wijze van gebed
Tijdens het gebed zag men hem dikwijls naar de hemel reiken als een pijl die uit een gespannen boog recht omhoog naar de hemel is geschoten. Hij stond dan met zijn handen boven zijn hoofd uitgestrekt en samengevoegd, of soms enigszins van elkaar gescheiden, alsof hij iets uit de hemel wilde ontvangen.
Men zou kunnen geloven dat hij een vermeerdering van genade ontving en in deze vervoering van geest God smeekte om de gaven van de Heilige Geest voor de Orde die hij had gesticht.
Hij scheen voor zichzelf en zijn broeders iets te verlangen van die verheven vreugde die gevonden wordt in het leven volgens de zaligsprekingen. Hij bad dat ieder zichzelf waarlijk zalig zou achten in uiterste armoede, in bittere rouw, in wrede vervolgingen, in grote honger en dorst naar gerechtigheid en in barmhartige bezorgdheid voor allen. Zijn bede was dat zijn kinderen hun vreugde zouden vinden in het onderhouden van de geboden en in de volmaakte beoefening van de evangelische raden.
In vervoering scheen de heilige vader dan het Heilige der Heiligen en de derde hemel te zijn binnengegaan. Na een dergelijk gebed scheen hij werkelijk een profeet te zijn, hetzij wanneer hij fouten berispte, anderen leiding gaf of predikte.
Onze heilige vader bleef niet zeer lang in een gebed van deze aard, maar keerde geleidelijk tot zijn gewone toestand terug. Gedurende die tijd zag hij eruit als iemand die van zeer ver kwam of als een vreemdeling in deze wereld, hetgeen gemakkelijk aan zijn houding en gedrag te zien was.
De broeders hoorden hem dan luid bidden en met de profeet zeggen: Hoor, o Heer, de stem van mijn smeking wanneer ik tot U bid, wanneer ik mijn handen ophef naar Uw heilige tempel. (Ps. 27,2)
Door zijn woorden en zijn heilig voorbeeld leerde hij de broeders voortdurend op deze wijze te bidden. Dikwijls herhaalde hij deze woorden uit de psalmen: Ziet, zegent nu de Heer, gij allen, dienaren des Heren, die des nachts staat in het huis des Heren. Heft uw handen op naar het heiligdom en zegent de Heer. (Ps. 133,1 tot 3)
En ook: Tot U roep ik, o Heer, verhoor mij. Luister naar mijn stem wanneer ik tot U roep. Laat mijn gebed als wierook voor Uw aanschijn opstijgen, het opheffen van mijn handen als het avondoffer. (Ps. 140,1 tot 2)
De afbeelding toont ons deze wijze van gebed, opdat wij haar beter zouden begrijpen.
De achtste wijze van gebed
Onze vader, de heilige Dominicus, had nog een andere wijze van bidden, tegelijk schoon, godvruchtig en aangenaam. Hij beoefende deze na de canonieke uren en de dankzegging na de maaltijden.
Dan was hij vol ijver en vervuld van de geest van godsvrucht, die hij putte uit de goddelijke woorden die in het koor of in de refter waren gezongen. Onze vader trok zich spoedig terug naar een eenzame plaats, naar zijn cel of elders, en verzamelde zich in Gods tegenwoordigheid.
Hij zat rustig neer en begon, na het kruisteken gemaakt te hebben, te lezen uit een boek dat voor hem geopend lag. Zijn geest werd dan lieflijk bewogen, alsof hij onze Heer hoorde spreken, zoals ons in de psalmen wordt gezegd: Ik zal horen wat de Heer God in mij zal spreken. (Ps. 84,9)
Het was alsof hij met iemand in gesprek was. Eerst scheen hij levendig te spreken, daarna luisterde hij stil, om vervolgens opnieuw te antwoorden. Soms scheen hij tegelijk te glimlachen en te wenen. Daarna sprak hij zacht bij zichzelf, aandachtig en nederig, en sloeg zich op de borst.
Indien een nieuwsgierig persoon onze heilige vader Dominicus had willen gadeslaan, zou hij hem hebben aangezien voor Mozes, die de woestijn inging naar Horeb, de heilige berg Gods, daar de brandende braamstruik aanschouwde en de Heer tot zich hoorde spreken, terwijl hij zich neerboog voor Gods tegenwoordigheid.
Deze heilige oefening van onze vader geleek als het ware op de opgang naar de berg van de profeet, want hij ging snel over van lezing tot gebed, van gebed tot overweging en van overweging tot beschouwing.
Wanneer Dominicus op deze eenzame wijze las, placht hij het boek te vereren, zich ervoor te buigen en het te kussen. Dit deed hij vooral wanneer hij de Evangeliën las en de woorden gelezen had die uit de mond van Christus Zelf waren voortgekomen.
Op andere ogenblikken verborg hij zijn gelaat en bedekte het met zijn kap, of begroef zijn gezicht in zijn handen en trok zijn kap enigszins over zijn gelaat. Dan weende hij vurig en vervuld van heilige verlangens. Daarna stond hij eerbiedig op, als om een persoon van grote waardigheid dank te betuigen voor ontvangen weldaden, en boog korte tijd zijn hoofd. Geheel verkwikt en in grote innerlijke vrede keerde hij vervolgens naar zijn boek terug.
De negende wijze van gebed
Onze vader, de heilige Dominicus, beoefende deze wijze van gebed wanneer hij van het ene land naar het andere reisde, vooral wanneer hij door een verlaten streek trok. Dan verheugde hij zich erin zich geheel aan overweging te wijden en zich tot beschouwing te bereiden.
Onderweg zei hij dan tot zijn reisgezel: Er staat geschreven bij Osee: Ik zal haar, mijn bruid, naar de woestijn leiden en tot haar hart spreken. (Osee 2,14)
Hij nam dan afscheid van zijn metgezel en liep vooruit of volgde hem, vaker op enige afstand. Zo afgezonderd wandelde en bad hij. Tijdens zijn overweging werd het vuur van de goddelijke liefde in hem ontstoken.
Terwijl hij bad, scheen het alsof hij stof of hinderlijke vliegen van zijn gezicht wegveegde, wanneer hij zichzelf telkens opnieuw met het kruisteken versterkte.
De broeders meenden dat de heilige tijdens het bidden op deze wijze zijn uitgebreide kennis van de Heilige Schrift en zijn diepe begrip van de goddelijke woorden verkreeg, evenals de kracht om zo vurig en moedig te prediken en die innige vertrouwdheid met de Heilige Geest waardoor hij de verborgen dingen Gods leerde kennen.
De heilige Dominicus en de rozenkrans
Paus Leo XIII spreekt in zijn encycliek Magnae Dei Matris van 8 september 1892 uitdrukkelijk over de oorsprong van de rozenkrans en over de heilige Dominicus. Om de macht van de vertoornde God te verzoenen en aan hen die zwaar worden getroffen de zo noodzakelijke genezing van de ziel te verkrijgen, is niets heilzamer dan een godvruchtig en volhardend gebed, mits dit verbonden is met de liefde tot en de beoefening van het christelijk leven. Beide, zowel de geest van gebed als de beoefening van het christelijk leven, worden bij uitstek verkregen door de godsvrucht van de Rozenkrans van Maria. De welbekende oorsprong van de Rozenkrans, waarvan beroemde gedenktekenen getuigen en waarvan Wij dikwijls melding hebben gemaakt, toont zijn buitengewone kracht. Want toen de sekte der Albigenzen, die zich voordeed als voorstandster van een zuiver geloof en reine zeden, maar in werkelijkheid de verderfelijkste verwarring en verdorvenheid verspreidde, vele volkeren ten ondergang bracht, streed de Kerk tegen haar en tegen de andere verderfelijke sekten die met haar verbonden waren, niet met krijgslieden en wapenen, maar voornamelijk door de kracht van de allerheiligste Rozenkrans. Dit is de godsvrucht die de Moeder Gods aan onze vader Dominicus leerde, opdat hij haar zou verbreiden.

Door dit middel heeft de Kerk op schitterende wijze over alle hinderpalen gezegevierd en voor het heil van haar kinderen zorg gedragen, niet alleen in die beproeving, maar ook later in andere dergelijke gevaren, steeds met dezelfde roemrijke uitkomst. Daarom is het ook thans, nu de menselijke samenleving een weg is opgegaan die Wij betreuren en die de Kerk leed en de staat verderf brengt, de plicht van ons allen onze stemmen in hetzelfde gebed te verenigen en met dezelfde godsvrucht de heilige Moeder Gods te smeken, opdat ook wij ons mogen verheugen over de macht van haar Rozenkrans. Wanneer wij in het gebed onze toevlucht nemen tot Maria, nemen wij onze toevlucht tot de Moeder van barmhartigheid. Zij is ons zo genegen dat zij ons in iedere nood die ons bedreigt, en bovenal waar het de verkrijging van het eeuwige leven betreft, terzijde staat. Met milde hand deelt zij genaden uit de schat waarvan zij van den beginne door God in de rijkste overvloed werd voorzien, opdat zij waardig zou zijn de Moeder Gods te worden. Het is onmogelijk te zeggen hoe welgevallig het haar is wanneer wij haar begroeten met de woorden van de Engelgroet, Wees gegroet, vol van genade, en door de herhaling daarvan als het ware kransen van lof voor haar vlechten. Telkens wanneer wij deze woorden uitspreken, roepen wij de gedachtenis op aan haar verheven waardigheid en aan de verlossing van het menselijk geslacht, die God door haar een aanvang deed nemen.
Laten wij daarom met vertrouwen tot Maria naderen en haar met geheel ons hart smeken omwille van de banden van haar moederschap, waardoor zij zo innig met Jezus en tegelijk met ons verbonden is. Laten wij haar voortdurende hulp afsmeken door het gebed dat zij zelf heeft aangewezen en dat haar het meest welgevallig is. Bij deze aanbeveling van de Rozenkrans komt nog dat hij een gemakkelijke wijze biedt om de voornaamste geheimen van het christelijk geloof voor de geest te stellen en diep in het gemoed te prenten. Om haar kinderen te beschermen tegen het grote gevaar van onwetendheid in het geloof, heeft de Kerk in de Rozenkrans van Maria steeds een van de krachtigste steunmiddelen voor het geloof gevonden. In de Rozenkrans volgen de voornaamste geheimen van onze godsdienst elkaar op en worden zij ter overweging aan onze geest voorgesteld. Eerst de geheimen waarin het Woord is vlees geworden en Maria, de onbevlekte Maagd en Moeder, haar moederlijke plichten jegens Hem vervulde. Daarna volgen de smarten, het lijden en de dood van Christus, de prijs waarmee het heil van het menselijk geslacht werd verworven. Ten slotte komen de geheimen vol heerlijkheid, Zijn overwinning op de dood, Zijn hemelvaart, de nederdaling van de Heilige Geest, Maria opgenomen in de hemelse heerlijkheid en uiteindelijk de eeuwige heerlijkheid van alle heiligen, verenigd met die van de Moeder en haar Zoon.
Deze onafgebroken reeks van wonderbare gebeurtenissen brengt de Rozenkrans telkens opnieuw in de herinnering van de gelovigen en stelt ze hun bijna voor ogen alsof zij zich opnieuw voltrokken. De zielen van hen die hem godvruchtig bidden worden daardoor vervuld van een steeds nieuwe godsvrucht en worden bewogen alsof zij de stem van de allerheiligste Moeder zelf hoorden, die hun deze geheimen verklaart en met hen spreekt over hun heil. Daarom is het niet te veel gezegd dat daar waar de Rozenkrans van Maria zijn oude ereplaats behoudt, in plaatsen, gezinnen en volkeren, niet behoeft te worden gevreesd dat het geloof door onwetendheid en verderfelijke dwaling verloren zal gaan.
Paus Leo XIII, Magnae Dei Matris, 8 september 1892.