H. Eduard, koning van Engeland

13 oktober – H. Eduard de Belijder, koning van Engeland † 1066

De H. Eduard de Belijder, koning van Engeland, was een vorst van grote godsvrucht, zachtmoedigheid en liefde tot de Kerk. Na een langdurige ballingschap in Normandie kwam hij in 1042 op de Engelse troon. Te midden van de zorgen van het koningschap leidde hij een leven van gebed en christelijke deugdzaamheid. Hij onderscheidde zich door zijn rechtvaardigheid, zijn vredelievend bestuur en zijn milddadigheid jegens armen en behoeftigen. Bijzondere zorg besteedde hij aan de goddelijke eredienst en aan de ondersteuning van kerken en kloosters. Hij liet de benedictijnenabdij van Westminster op grootse wijze herbouwen en schonk haar rijke bezittingen. Volgens de oude levensbeschrijvingen werd zijn heiligheid reeds tijdens zijn leven door wonderen en bijzondere genadegaven bevestigd. Hij overleed op 5 januari 1066 en werd begraven in de door hem gestichte abdijkerk. Zijn graf werd spoedig een plaats van verering, waar op zijn voorspraak wonderen werden gemeld. In 1161 werd hij door paus Alexander III heilig verklaard.

Florilegium
H. Eduard de Belijder, koning
Feestdag: 13 oktober
Klasse: III
Liturgische kleur: wit
Geboren: omstreeks 1003
Koning van Engeland: 1042–1066
† 5 januari 1066 te Westminster
De laatste koning uit het oude koningshuis.
Eduard was de laatste regerende koning uit het oude Angelsaksische huis van Wessex, waartoe ook Alfred de Grote had behoord. Na zijn dood besteeg Harold II de Engelse troon. Deze sneuvelde op 14 oktober 1066 bij Hastings, waarna Willem de Veroveraar koning van Engeland werd. Zo eindigde het oude Angelsaksische koningschap.
Een koning die als balling opgroeide.
Eduard bracht ongeveer een kwart eeuw in Normandië door, nadat de Deense veroveringen zijn familie uit Engeland hadden verdreven. Hij groeide op aan het Normandische hof en keerde pas als volwassen man naar zijn vaderland terug. Toen hij in 1042 koning werd, had hij een belangrijk deel van zijn leven buiten Engeland doorgebracht.
Een heilige, maar geen groot staatsman.
Eduard onderscheidde zich door zijn godsvrucht, zachtmoedigheid, vrijgevigheid en zorg voor de Kerk. Als staatsman was hij minder krachtig. Hij moest voortdurend rekening houden met de machtige Engelse adel, in het bijzonder met graaf Godwin van Wessex en diens zonen. Zijn regering bracht betrekkelijke vrede en voorspoed, maar de strijd tussen de invloedrijke geslachten bleef bestaan. Ook slaagde hij er niet in de troonopvolging duurzaam te regelen.
Een koning zonder machtswellust.
Eduard was weinig gehecht aan wereldse macht. Hij wilde het koningschap niet door moord of bloedvergieten verwerven. In zijn levensbeschrijvingen worden vooral zijn zachtmoedigheid, rechtvaardigheid en afkeer van hebzucht geroemd. Hij toonde zich bijzonder vrijgevig tegenover armen en behoeftigen.
Een huwelijk in kuisheid.
In 1045 huwde Eduard met Edith, de dochter van graaf Godwin en de zuster van de latere koning Harold II. Het huwelijk bleef kinderloos. Eduard en Edith leefden in volkomen onthouding en bewaarden hun maagdelijkheid. De koning behandelde zijn echtgenote met grote eerbied en genegenheid.
De duivel op de schatkist.
In de Legenda Aurea wordt verteld hoe Eduards raadslieden een buitengewone belasting lieten heffen. Toen de koning het ingezamelde geld kwam bezichtigen, zag hij de duivel in de gedaante van een aap op de geldhoop zitten. Hij beval daarop al het geld aan de bevolking terug te geven. De koning wilde geen aalmoezen schenken uit goederen die door onrechtvaardige belastingheffing waren verkregen.
Een abdij in plaats van een bedevaart.
Eduard had beloofd een bedevaart naar het graf van de H. Petrus in Rome te ondernemen. Omdat zijn raadslieden vreesden dat zijn langdurige afwezigheid het koninkrijk in gevaar zou brengen, verzocht hij de paus hem van deze gelofte te ontslaan. In plaats daarvan moest hij een kerk ter ere van de H. Petrus bouwen of herstellen. Zo werd de herbouw en rijke begiftiging van de benedictijnenabdij van Westminster een van de voornaamste werken van zijn regering.
Zijn laatste grote bouwwerk.
De nieuwe abdijkerk van Westminster werd op 28 december 1065, het feest van de Onnozele Kinderen, gewijd. Eduard was toen reeds zo ernstig ziek dat hij de plechtigheid niet meer kon bijwonen. Acht dagen later, op 5 januari 1066, overleed hij. Op 6 januari, het feest van Driekoningen, werd hij in zijn eigen abdijkerk begraven.
Drie koningen in één jaar.
Het jaar 1066 begon met Eduard op de Engelse troon. Na zijn overlijden werd Harold II koning. Deze sneuvelde in oktober bij Hastings. Op Kerstmis van datzelfde jaar werd Willem de Veroveraar in Westminster gekroond. Binnen twaalf maanden waren drie achtereenvolgende koningen aan de macht geweest en was Engeland onder Normandische heerschappij gekomen.
Eduard op het Tapijt van Bayeux.
Eduard en zijn laatste levensdagen zijn afgebeeld op het beroemde Tapijt van Bayeux, het elfde-eeuwse borduurwerk dat de gebeurtenissen rond de Normandische verovering van Engeland voorstelt. Zijn sterfbed en zijn begrafenis in Westminster behoren tot de eerste taferelen. Daarmee bezit men een bijzonder vroege voorstelling van de heilige koning.
De koning die zijn ring weggaf.
Een arme pelgrim vroeg Eduard eens om een aalmoes. Omdat hij geen geld bij zich had, schonk de koning hem zijn ring. De pelgrim was de H. Johannes de Evangelist, die later de ring door twee Engelse bedevaartgangers liet terugbrengen. Hij liet de koning tevens weten dat zijn dood naderde en dat hij spoedig in de hemelse vreugde zou worden opgenomen. De ring werd een van de bekendste voorwerpen uit Eduards heiligenleven.
De koning die zieken op zijn schouders droeg.
Eduard ontzag zich niet persoonlijk voor zieken en gebrekkigen te zorgen. In zijn levensbeschrijving wordt verteld hoe hij een kreupele op zijn eigen schouders naar de kerk droeg. Onderweg begonnen diens samengetrokken ledematen zich te herstellen. Toen de koning hem voor het altaar neerzette, kon de man weer lopen.
Een bijzondere gave tot genezing.
Onder de wonderen van Eduard nemen de genezingen van blinden een voorname plaats in. Meermalen ontvingen blinden het gezichtsvermogen nadat hun ogen waren gewassen met water waarmee de koning zijn handen had gereinigd. Ook na zijn dood werden bij zijn graf talrijke genezingen gemeld. De verering van Eduard als wonderdoener verspreidde zich daardoor spoedig.
Waarom zijn feest op 13 oktober valt.
Hoewel Eduard op 5 januari overleed, viert de Kerk zijn feest op 13 oktober. In 1161 werd hij door paus Alexander III heilig verklaard. Op 13 oktober 1163 werden zijn relieken plechtig naar een nieuwe schrijn overgebracht. Deze verheffing van zijn relieken bepaalde de datum van zijn liturgische feest.
Een patroonheilige van Engeland.
Eduard werd gedurende de middeleeuwen als een van de voornaamste beschermheiligen van Engeland vereerd. Zijn graf werd een nationaal heiligdom. Koning Hendrik III koesterde een bijzondere verering voor hem en liet in de dertiende eeuw de abdijkerk van Westminster grotendeels herbouwen. Ook schonk hij de heilige een nieuwe, kostbare schrijn. Later kreeg de H. Georgius als patroon van het Engelse koningschap een steeds voornamere plaats.
Een graf dat de Reformatie overleefde.
De abdijkerk die Eduard zelf had laten bouwen, maakte grotendeels plaats voor de gotische kerk van Hendrik III. Zijn graf bleef echter op dezelfde heilige plaats in Westminster. Zelfs de opheffing van het benedictijnenklooster onder Hendrik VIII en de latere godsdienstige omwentelingen hebben niet tot de definitieve verdwijning van zijn schrijn geleid. Zijn graf bevindt zich nog altijd achter het hoogaltaar van Westminster Abbey.
De kroon van een katholieke heilige.
De Engelse kroningskroon werd in de middeleeuwen met de H. Eduard verbonden. De oorspronkelijke kroon werd in 1649 onder het republikeinse bewind vernietigd. Toen de monarchie in 1660 werd hersteld, liet Karel II in 1661 een nieuwe vervaardigen, opnieuw onder de naam St Edward’s Crown. Deze kroon werd op 6 mei 2023 bij de kroning van Karel III gebruikt. Bijna duizend jaar na Eduards dood draagt de Britse koningskroon nog steeds de naam van deze katholieke heilige.

Terug naar inhoud

Jacobus de Voragine, Legenda Aurea. Nederlandse vertaling naar de oude Engelse uitgave van William Caxton.

De jeugd en ballingschap van de H. Eduard

In vroeger tijden werd het koninkrijk Engeland zwaar geteisterd door de Denen, zodat er tijdens de regering van vele koningen geen vrede kon worden gesloten, maar voortdurend oorlog heerste. De Denen kregen de overhand over Engeland en onderwierpen het land aan hun heerschappij. Hun wreedheid en tirannie waren zo groot dat zij niets ontzagen, maar alles verbrandden en verwoestten. Ten slotte behaagde het de almachtige God aan deze tirannie een einde te maken. Door Zijn genade schonk Hij Engeland een vredelievende koning, Edgar genaamd. Bij diens geboorte zongen engelen dat er tijdens zijn regering vrede zou heersen. En inderdaad was er in zijn dagen geen oorlog in Engeland. Zijn zoon, de H. Eduard, koning en martelaar, regeerde na hem slechts korte tijd, want zijn stiefmoeder liet hem reeds op jonge leeftijd doden, opdat haar eigen zoon Æthelred koning zou worden. De H. Dunstan doopte Æthelred en voorspelde dat hij, omdat hij het doopvont had ontwijd, in grote moeilijkheden zou leven. Zo gebeurde het ook, want gedurende zijn gehele regering voerden de Denen oorlog tegen Engeland. Æthelred huwde een dochter van graaf Godwin en kreeg bij haar een zoon, Edmund Ironside. Na de dood van deze koningin huwde hij Emma, de dochter van Richard, hertog van Normandië. Bij haar kreeg hij twee zonen, Alfred en Eduard, de heilige koning en belijder over wie wij hier zullen spreken. Toen koning Æthelred oud geworden was, liet hij een vergadering houden om te bepalen welke van zijn zonen na hem koning zou worden. Door Gods beschikking werd besloten dat Eduard, die toen nog niet geboren was maar zich in de moederschoot bevond, koning zou worden. Daarmee werden Edmund Ironside en Alfred, de oudere zonen van de koning, uitgesloten. Nadat de koning hiermee had ingestemd, werd een algemene eed afgelegd dat men dit besluit later zou nakomen. Toen het kind geboren werd, verheugde het gehele land zich over zijn geboorte, in de hoop dat het door hem van zijn ellende zou worden verlost. De wreedheid van de Denen bleef echter zo groot en de koning vreesde hen zozeer dat hij de koningin met haar beide zonen Alfred en Eduard naar Normandië zond. Zelf trok hij met zijn oudste zoon Edmund ten strijde tegen de Denen. Groot was toen het verdriet in Engeland, want velen sloten zich tegen hun eigen koning bij de Denen aan. Zonder medelijden verbrandden en doodden zij samen met de Denen hun eigen landgenoten. Onder degenen die werden gedood, bevond zich Ælfheah, de aartsbisschop van Canterbury, die te Greenwich omkwam, evenals vele andere goede mannen. Sommige bisschoppen, priesters en kloosterlingen vluchtten naar afgelegen en verborgen plaatsen, waar zij godvruchtig tot de almachtige God baden om ware vrede voor Engeland. Maar de oorlog duurde voort zolang Æthelred leefde, zoals de H. Dunstan had voorspeld. Na Æthelred regeerde zijn zoon Edmund Ironside, eveneens te midden van grote moeilijkheden. In zijn dagen durfde niemand een ander te vertrouwen of zijn gedachten aan zijn naaste bekend te maken, want men beschuldigde elkaar van verraad om zich meester te maken van andermans goederen. Wie niet sterk genoeg was om zijn buurman te overwinnen, sloot zich tegen hem bij de Denen aan en bracht met hun hulp zijn boze voornemen ten uitvoer. Zo heersten er grote afpersing en onderdrukking. Op allerlei plaatsen, in huizen, op akkers en langs wegen, werden zoveel mensen gedood dat men hen nauwelijks durfde te begraven. Er heersten ook grote tirannie en moord, en vrouwen, zowel gehuwden als weduwen en jonge meisjes, werden tegen hun wil mishandeld. Tijdens deze vervolging werd het Engelse volk bijna vernietigd. Ook de heilige Kerk leed grote verwoestingen, want kloosters, kerken en andere religieuze huizen werden verbrand en vernield. Daardoor vluchtten velen naar afgelegen streken. Onder hen bevond zich de goede bisschop Brightwold van Winchester, die zijn toevlucht zocht in de abdij van Glastonbury. Daar bad hij dagelijks tot de almachtige God om vrede voor Engeland. Onze gezegende Heer zag zijn nederigheid en schonk hem een visioen dat hem zeer vertroostte. Toen hij op een nacht in zijn bidvertrek verbleef, viel hij in een zachte slaap. Hij zag de roemrijke apostel Petrus verschijnen, gekleed in schitterende gewaden en gezeten op een verheven ereplaats. Bij hem stond een schone jongeman, rijkelijk gekleed als een koning. De H. Petrus wijdde en zalfde hem tot koning en prees daarbij bijzonder zijn kuisheid en zijn zuivere levenswandel. Zo werd de bisschop reeds vele jaren tevoren getoond dat Eduard over Engeland zou regeren. Ontsteld door het visioen vroeg hij de H. Petrus wat het betekende. De apostel sprak over de toestand van het koninkrijk en verklaarde dat de woede en razernij van de Denen spoedig zouden ophouden. Al deze straffen waren over het volk gekomen wegens zijn zonden, maar God zou voorzien in een vredelievende koning, die een einde zou maken aan de woede van de Deense vijanden. Tijdens zijn regering zou er grote vrede heersen, zowel voor de Kerk als voor het land, en een overvloed aan koren en vruchten. Het koninkrijk zou in alle opzichten voorspoedig zijn en het volk zou zo leven dat andere landen het zowel zouden liefhebben als vrezen. De naam van deze koning zou Eduard zijn. Hij zou alle dingen besturen tot welbehagen van God en zijn leven in de liefde van Onze Heer zalig beëindigen. Toen de heilige bisschop ontwaakte, knielde hij neer en bad onder tranen. Hoewel de vrede nog niet was hersteld, dankte hij de almachtige God, omdat hij nu zeker wist dat hij die door Gods genade nog tijdens zijn leven zou aanschouwen. Daarom trok hij rond en predikte tot het volk dat het boete moest doen, opdat Onze Heer hun barmhartigheid zou betonen en hun vrede en overvloed zou schenken. Tijdens deze oorlog werd de koning door verraad gedood en te Glastonbury begraven. Daarna werden de beide zonen van de koning bij Knoet, de Deen, gebracht, opdat hij met hen zou doen wat hij wilde. Toen hij hen zag, kon hij het uit medelijden niet over zijn hart verkrijgen hen te doden. Daarom zond hij hen overzee om daar ter dood te worden gebracht, zodat hij, wanneer de rechtmatige koninklijke nakomelingen waren uitgeroeid, ongestoord over Engeland zou kunnen regeren. Niettemin werden zij gespaard en in leven gehouden. Zij werden naar de keizer van Rome gebracht, die hen onder zijn bescherming hield totdat de H. Eduard koning van Engeland was geworden. Daarna gaf de keizer de oudste van hen een verwante ten huwelijk, uit genegenheid voor koning Eduard, die hun oom was. Koning Knoet had inmiddels met geweld de heerschappij over Engeland verkregen en alle wetten en goede bestuursgebruiken terzijde gesteld. Tijdens zijn regering heersten grote onrust, roof, zware onderdrukking en ondraaglijke lasten voor het gewone volk. Hij vreesde niemand behalve de beide koningszonen die bij de keizer verbleven. Daarom raadden zijn raadslieden hem aan hun moeder Emma te huwen, om zo de banden tussen hen te versterken. Niet lang daarna kwam Alfred naar Engeland om zijn moeder te spreken. Nauwelijks was hij aan land gegaan of graaf Godwin kwam hem tegemoet en verwelkomde hem. Kort daarna liet hij hem echter door verraad doden, nog voordat Alfred zijn moeder had kunnen ontmoeten. Over zijn dood bedreef de H. Eduard grote rouw. Toen de H. Eduard nog als jongeman in Normandië verbleef, leidde hij een zeer deugdzaam leven. Hij bezocht dikwijls de kerk en verkeerde graag in het gezelschap van godvruchtige geestelijken, vooral van monniken.

Hij placht op de volgende wijze te bidden: Goede Heer, ik heb niemand die mij helpt dan U alleen. Mijn vrienden hebben mij verlaten en zijn mijn vijanden geworden. Mijn vader is gestorven en mijn broers zijn gedood. Mijn moeder is gehuwd met mijn grootste vijand en ik ben alleen achtergebleven. Dagelijks zoeken zij naar middelen om mij te doden. Maar voor U, Heer, sta ik arm en verlaten. Ik smeek U mij te helpen, want ik ben een vaderloos kind. Eens hebt Gij Edwin en Oswald op wonderbare wijze geholpen, toen zij verbannen waren en ter dood waren veroordeeld. Gij hebt hen niet alleen tegen de dood beschermd, maar hun ook hun koninkrijken teruggegeven. Goede Heer, ik smeek en bid U mij te beschermen en mij terug te brengen naar het koninkrijk van mijn vader. Gij zult mijn God zijn en de H. apostel Petrus mijn patroon. Zijn relieken neem ik mij voor, met Gods genade, te bezoeken en te vereren op de plaats waar zij rusten, indien Gij mij daartoe leven, gezondheid, gelegenheid en tijd schenkt. Nadat koning Knoet twintig jaar over Engeland had geregeerd, stierf hij. Bij Emma had hij twee zonen gekregen, Harold en Hardeknoet. Zijn eerste zoon regeerde vier jaar, verbande zijn eigen moeder en stierf kort daarna. Vervolgens regeerde zijn broer nog korte tijd, waarna ook hij stierf, zoals Onze Heer het had beschikt. Zo werd Engeland bevrijd van de zware schattingen en de slavernij onder de Denen. De edelen en het volk herinnerden zich toen de eed die zij in de vergadering hadden afgelegd, namelijk dat Eduard, die destijds nog in de moederschoot verbleef, hun koning zou worden. Onmiddellijk zonden zij boden naar Normandië om de heilige Eduard te halen. De edelen en het volk ontvingen hem met grote vreugde. Vervolgens werd hij door de aartsbisschoppen van Canterbury en York, samen met andere bisschoppen, gewijd, gezalfd en gekroond tot koning van Engeland. Goede Heer, hoe groot waren toen de vreugde en blijdschap in Engeland! Toen men bijna alle hoop op het vroegere geluk van het land had verloren, werd deze opnieuw gewekt door de komst van de gezegende koning Eduard. Het gewone volk genoot rust en vrede, de edelen en aanzienlijken leefden in vrede en eer, en de heilige Kerk herkreeg al haar vrijheden. De zon verhief zich en de maan nam haar juiste plaats in. Daarmee wordt bedoeld dat de priesters schitterden door wijsheid en heiligheid. De kloosters bloeiden door godsvrucht en een heilig kloosterleven. De geestelijken vervulden hun ambten met ijver en tot welbehagen van God. Het gewone volk was tevreden en verheugde zich in zijn levensstaat. Tijdens de regering van deze koning was er geen verderfelijke ziekte die de aarde met pest besmette, noch waren er op zee buitengewoon hevige stormen. Het land bracht overvloedig allerlei vruchten voort. Onder de geestelijkheid heerste geen wanorde en onder het volk geen gemor.

Zijn koningschap, kuisheid en godsvrucht

De roem van de H. Eduard verspreidde zich zo ver onder andere volken dat alle christelijke koningen vrede met hem wensten. De koning van Frankrijk, die nauw aan hem verwant was, sloot een algemene vrede met hem. Daarom kon men van Eduard zeggen wat van Salomo geschreven staat: Alle koningen der aarde verlangden zijn aangezicht te zien en zijn wijsheid te horen. Alleen Denemarken bleef tegen Engeland samenzweren. Wat daarvan het gevolg was, zal later uitvoeriger worden verteld. De heilige koning Eduard was steeds vol zachtmoedigheid en deugd en liet zich nooit door ijdele roem verheffen. Hij herinnerde zich voortdurend de woorden van Onze Heer: Ik heb u tot vorst over het volk aangesteld, maar verhef u daarom niet in ijdele roem. Wees onder hen als een van hen. Tegenover zijn huisgenoten was hij vertrouwelijk en behandelde hij hen als zijn gelijken. Tegenover priesters was hij nederig en vriendelijk, tegenover zijn volk beminnelijk en opgewekt, en tegenover ongelukkigen en behoeftigen vol medelijden en vrijgevig in het geven van aalmoezen. Hij was zeer godvruchtig in de dienst van God en beijverde zich om de kerken te herstellen en te herbouwen die door de Denen waren verwoest. Bij het rechtspreken handelde hij met grote voorzichtigheid. Hij zag niet naar de persoon, maar uitsluitend naar de rechtvaardigheid van de zaak, zowel bij rijken als bij armen. Hij bezat voldoende rijkdom en zijn schatkist scheen aan alle armen gemeenschappelijk toe te behoren. Zijn woorden waren ernstig en weloverwogen, maar ook met vrolijkheid vermengd. Dikwijls sprak hij over Jezus Christus, de tweede Persoon van de Heilige Drie-eenheid, en over Onze Lieve Vrouw, Zijn Moeder. Soms sprak hij streng wanneer hij dat nodig achtte om overtreders terecht te wijzen, maar tegenover goede mensen was hij zacht en vriendelijk. Nooit verhief hij zich in hoogmoed, nooit gaf hij zich over aan gulzigheid, nooit liet hij zich door toorn beheersen en nooit liet hij zich door geschenken omkopen. Hij verachtte rijkdom en bedroefde zich nooit over het verlies van wereldse goederen. Evenmin verheugde hij zich bijzonder wanneer zijn bezit toenam, zodat iedereen zich verwonderde over zijn standvastigheid. Onder de mensen die de koning omringden, bevonden zich verscheidene hebzuchtige mannen. Zij wezen hem erop dat zijn schatkist snel leeg raakte en dat hij, wanneer de Denen opnieuw zouden komen, geen middelen meer zou hebben om zich te verdedigen. Daarom raadden zij hem aan een buitengewone belasting van zijn onderdanen te heffen, zoals koning Knoet meermalen had gedaan. Deze belasting stond los van de Danegeld, de schatting die aan de Denen werd betaald. De koning weigerde, hoewel zij dagelijks bij hem aandrongen. Toen zij echter bleven aanhouden en hem op de grote gevaren wezen, besloot hij hen op de proef te stellen en zei dat zij maar eens moesten laten zien hoe zij dit zouden aanpakken. Toen zij dit uit zijn eigen mond hoorden, waren zij zeer verheugd. Zij zonden onmiddellijk belastinginners door het gehele land en ontzagen geen enkele streek, maar dwongen de bevolking zo veel mogelijk te betalen. Toen het geld was ingezameld en naar de koninklijke schatkist gebracht, leidden zij de koning erheen om het te bekijken. De koning bleef op enige afstand staan en zag de duivel in de gedaante van een aap boven op de geldhoop zitten. Hij vroeg hun wat zij hadden gedaan en wat voor geld zij hem hadden gebracht. Hij verklaarde dat geen enkele penning daarvan voor zijn gebruik mocht worden uitgegeven en beval dat iedereen zijn geld moest terugkrijgen. Zijn raadslieden waren daar zeer ontevreden over en voerden aan dat hij het geld toch voor werken van barmhartigheid kon gebruiken. Maar de koning antwoordde dat God zou verhoeden dat hij de goederen van anderen zou uitgeven. Wat voor aalmoezen zou hij kunnen geven met het geld van arme burgers en arbeiders? Hij vroeg hun of zij niet zagen hoe de duivel boven op de geldhoop zat en zich verheugde omdat hij hen in zijn strik had gevangen. Vervolgens beval hij hun op straffe des doods iedere penning terug te geven aan degenen van wie zij het geld hadden ontvangen. Zij gehoorzaamden en betaalden alles terug. Daarna durfden zij de koning nooit meer een dergelijke maatregel voor te stellen. Zo werd gedurende de gehele regering van de H. Eduard geen buitengewone belasting of heffing van zijn onderdanen gevorderd, tot grote vreugde van het koninkrijk.

Eens lag de koning ziek te bed. In zijn kamer stond een open kist vol goud en zilver. Een geestelijke kwam binnen en dacht dat de koning sliep. Hij nam een hoeveelheid geld uit de kist en vertrok. Kort daarna kwam hij terug om nog meer te nemen. Toen sprak de koning hem aan en zei dat hij onverstandig handelde door terug te komen, want hij had de eerste keer al genoeg meegenomen. Hij waarschuwde hem dat hij ter dood gebracht zou kunnen worden wanneer de schatmeester hem ontdekte. Daarom moest hij, als zijn leven hem lief was, snel vluchten met hetgeen hij reeds had meegenomen. Niet lang daarna kwam de schatmeester binnen en ontdekte dat een groot deel van de schat was verdwenen. Hij begon overal naar de dief te zoeken en stelde een nauwkeurig onderzoek in. Toen de koning zag hoe bedroefd en verontrust zijn schatmeester was, vroeg hij naar de oorzaak. Nadat deze hem had verteld wat er gebeurd was, zei de koning dat hij zich niet langer moest bedroeven, want misschien had degene die het geld had meegenomen er meer behoefte aan dan zijzelf. Zo ontkwam de dief en werd hij niet vervolgd. Toen alles in het koninkrijk tot rust was gekomen, kwamen de raadslieden van het land bijeen om over een huwelijk voor de koning te beraadslagen. Toen dit onderwerp ter sprake werd gebracht, schrok hij hevig, omdat hij vreesde de kostbare schat van zijn maagdelijkheid te verliezen, die in een broos en breekbaar vat werd bewaard. Hij wist niet wat hij moest doen of zeggen. Als hij het huwelijk beslist zou weigeren, vreesde hij dat zijn gelofte van kuisheid bekend zou worden. Maar als hij toestemde, vreesde hij zijn kuisheid te verliezen. Daarom vertrouwde hij zich geheel aan God toe en bad: Goede Heer, eens hebt Gij de drie jongelingen uit de vlammen van de Chaldeeuwse oven bevrijd. Door Uw hulp ontsnapte Jozef met behoud van zijn kuisheid aan de vrouw van Potifar, hoewel zij zijn mantel vasthield. Door Uw barmhartigheid werd Susanna gered van de dood waartoe de twee ontuchtige oudsten haar hadden veroordeeld. Door Uw macht ontkwam Judith, nadat zij Holofernes had gedood, zonder haar kuisheid te verliezen en zonder dat haar enig kwaad werd aangedaan. Bovenal hebt Gij Uw gezegende Moeder, de allerbeste en allerliefste Vrouwe, bewaard, zodat zij zowel echtgenote als maagd was. Zie dan neer op mij, Uw dienaar en de zoon van Uw dienstmaagd, want ik verkeer in grote angst. Ik hef mijn hart tot U op en smeek U, mijn Heer, en Uw Moeder, mijn allerliefste Vrouwe, mij nu in deze grote nood bij te staan, opdat ik het sacrament van het huwelijk mag ontvangen zonder mijn kuisheid in gevaar te brengen. Met dit voornemen in zijn hart stemde hij in met het huwelijk. De gehele raad verheugde zich daarover en zocht naar een jonkvrouw die bij zijn koninklijke waardigheid paste. Onder alle jonkvrouwen van het land werd Edith, de dochter van graaf Godwin, vanwege haar deugden het meest geschikt bevonden. Haar vader deed bij de raadslieden van de koning al het mogelijke om dit huwelijk tot stand te brengen, opdat hij daardoor in de gunst van de koning zou komen. Door zijn beleid en zijn grote macht en invloed bereikte hij zijn doel. Toen het huwelijk plechtig door het heilig sacrament was voltrokken, beloofden de koning en de koningin elkaar in het geheim in kuisheid samen te leven, zodat niemand behalve God daarvan wist. Tussen hen bestond een liefdevolle echtelijke verbondenheid zonder lichamelijke gemeenschap, een kuise omhelzing zonder verlies van de maagdelijkheid. Zij beminden elkaar werkelijk in zuiverheid, zonder vleselijke aanraking of gemeenschap. Later begonnen sommigen in het koninkrijk te morren. Zij zeiden dat de koning tegen zijn wil gedwongen was een vrouw uit een onwaardige familie te huwen en dat hij geen gemeenschap met haar wilde hebben omdat hij geen nieuwe tirannen wilde voortbrengen. Zo kende tijdens zijn leven niemand de waarheid over zijn kuise levenswijze. Maar de zuiverheid van zijn geest was op zichzelf een voldoende getuigenis van zijn kuisheid. Eens gebeurde het op Pinksterzondag dat de koning in koninklijk gewaad en met zijn kroon op het hoofd in Westminster neerknielde voor het altaar van de Allerheiligste Drie-eenheid. Hij bad daar vurig voor de rust en vrede van zijn koninkrijk. Tijdens de opheffing van het Allerheiligste Sacrament begon hij zacht en ingetogen te lachen. De edelen die hem omringden, verwonderden zich daar zeer over, maar niemand durfde hem iets te vragen voordat de goddelijke dienst was afgelopen. Daarna vroeg een van hen, die moediger was dan de anderen, waarom hij had gelachen. De koning vertelde hem dat de Denen met een grote krijgsmacht waren samengekomen om Engeland aan te vallen en op het punt stonden aan boord van hun schepen te gaan. Maar toen de koning van Denemarken zijn schip wilde betreden, verloor hij plotseling zijn kracht, viel tussen twee schepen in zee en verdronk. Door zijn dood waren zowel de Denen als de Engelsen van zonde en gevaar bevrijd. Toen de edelen dit hoorden, waren zij zeer verwonderd. Zij zonden boden naar Denemarken om na te gaan of het werkelijk zo was gebeurd. Toen de gezanten terugkeerden, berichtten zij dat alles precies was gebeurd zoals de koning had verteld en dat de koning van Denemarken op hetzelfde ogenblik was verdronken waarop de H. Eduard had gelachen. Daarna herinnerde de edele H. Eduard zich zijn gelofte en belofte om de H. Petrus in Rome te bezoeken, die hij tijdens zijn verblijf in Normandië had afgelegd. Daarom liet hij zijn onderdanen en de edelen bijeenroepen om met hen te overleggen hoe en op welke wijze hij zou kunnen vertrekken. Hij besprak hoe het koninkrijk tijdens zijn afwezigheid bestuurd moest worden, welke personen geschikt waren om hem te vergezellen en hoeveel geld hij voor zichzelf en zijn gevolg nodig zou hebben. Toen de edelen en het volk dit hoorden, werden zij zeer bedroefd omdat hij hen zou verlaten. De koning zag hun droefheid en troostte hen met de verzekering dat Onze Heer hun vrede had geschonken en deze door Zijn genade ook tijdens zijn afwezigheid zou bewaren. Niettemin verzochten zij hem de paus te vragen hem van zijn gelofte te ontslaan of de bedevaart tot een andere tijd uit te stellen. Toen de koning de droefheid en het geweeklaag van zijn volk zag, dat weende en de handen wrong alsof het zonder beschermer en behoeder zou achterblijven, troostte hij hen en stemde ermee in bij hen te blijven. Hij wees enige bisschoppen aan om naar Rome te reizen en de Heilige Vader te vragen hoe hij van zijn gelofte om de H. Petrus te bezoeken ontslagen kon worden. De aartsbisschop van York, de bisschop van Winchester en twee abten vertrokken met verschillende geestelijken en leken naar Rome. Toen zij daar aankwamen, hield de paus juist een grote vergadering van geestelijken om verschillende gewichtige aangelegenheden van de heilige Kerk te behandelen. Zodra hij van hun komst hoorde, verheugde hij zich zeer en liet hij hen bij zich komen. Hij verzocht hun de reden van hun komst uiteen te zetten. Daarop werd het stil en legden zij hun zaak voor. Zij vertelden over de gelofte en het verlangen van koning Eduard, over de gevaren voor het koninkrijk, de onrust en de angst van het volk, de mogelijke verstoring van de vrede, het geweeklaag van de arme onderdanen, de gevaren die de koning tijdens zijn afwezigheid zouden bedreigen en de jammerlijke verwoestingen die de Denen kort tevoren door hun wreedheid hadden aangericht. Ook spraken zij over zijn grote godsvrucht en zijn verlangen de heilige apostelen Petrus en Paulus te bezoeken. De paus en de geestelijken verwonderden zich zeer en loofden de almachtige God, die in deze uithoek van de wereld een zo godvruchtige en deugdzame vorst had geschonken om door zijn wijsheid het christelijk geloof te handhaven. Ook bewonderden zij zijn grote vrees om tegen de heilige Kerk te zondigen. Toen de paus vernam hoezeer het volk de koning liefhad en hoe bedroefd het zou zijn wanneer hij vertrok, verwonderde hij zich nog meer. Hij hield het ervoor dat Eduard bijzonder door God werd bemind en dat God hem in al zijn werken bijstond. Want hij zag in hem de zachtmoedigheid van David, de kuisheid van Jozef en de rijkdom van Salomo, terwijl Eduard aan deze gaven zelf geen waarde hechtte. Daarom overwoog de paus de grote gevaren die uit zijn vertrek konden voortkomen en ontsloeg hem van zijn gelofte. Hij zond hem daarvan een bul met loden zegel en legde hem als boetedoening op het geld dat hij voor zijn bedevaart had willen besteden, aan werken van barmhartigheid te geven, een kerk van de H. Petrus te herbouwen en haar voldoende inkomsten te schenken. De gezanten ontvingen daarop de pauselijke zegen, keerden naar Engeland terug en begaven zich in Westminster naar de koning. Toen Eduard vernam dat hij van zijn gelofte was ontslagen en hoorde hoe hun reis was verlopen, verheugde hij zich en dankte hij de almachtige God en de Heilige Vader. Er leefde een heilige man, een kluizenaar in het bisdom Worcester, die niets wist van de vergadering waarin over het bestuur van het koninkrijk was beraadslaagd, noch van de gelofte van de koning of van de gezanten die naar Rome waren gezonden. Aan hem verscheen op een nacht de H. Petrus, die hem zei dat koning Eduard gezanten naar Rome had gezonden om ontslagen te worden van de gelofte die hij tijdens zijn verblijf overzee had afgelegd. De koning was zeer bezwaard in zijn geweten, omdat zijn raadslieden hem niet toestonden zijn gelofte persoonlijk te vervullen door naar Rome te reizen. Daarom moest de kluizenaar hem namens de apostel schrijven en laten weten dat hij op diens gezag van zijn gelofte was ontslagen. Ook moest hij hem berichten dat de paus hem als boetedoening zou opdragen het geld dat hij voor zijn reis had bestemd aan de armen te geven, een nieuwe abdij ter ere van de H. Petrus te bouwen of een bestaande abdij te herstellen en deze van voldoende inkomsten te voorzien. Verder moest hij schrijven dat de koning, als teken van de bijzondere bescherming van de apostel die hij destijds in Normandië tot zijn patroon had gekozen, de abdij Thorney ten westen van Londen moest herstellen. Deze abdij was eens door de H. Petrus zelf gewijd. Daar moest hij monniken van een goede en godvruchtige levenswandel vestigen, want vanuit die plaats zou een ladder tot in de hemel reiken, waarlangs engelen zouden opstijgen en neerdalen om de gebeden van nederige en godvruchtige mensen tot Onze Heer in de hemel te brengen. Voor wie langs die ladder opsteeg, zou de H. Petrus de hemelpoorten openen, overeenkomstig het ambt dat Onze Heer hem had toevertrouwd. Hij zou degenen die gebonden waren ontbinden en degenen die vrij waren ontvangen. Alles wat de kluizenaar van hem had gehoord, moest hij opschrijven en aan koning Eduard zenden, die zich vele mijlen verderop bevond. De bode van deze kluizenaar kwam op hetzelfde ogenblik bij de koning aan als de bisschoppen die uit Rome terugkeerden. Toen de koning de brieven uit Rome met grote eerbied had ontvangen en gelezen, dankte hij God dat hij geheel van zijn gelofte was ontslagen. Vervolgens beval hij de brief van de kluizenaar voor te lezen. Toen hij hoorde dat de inhoud overeenstemde met de brieven uit Rome, dankte hij nederig God en de H. Petrus, zijn patroon. Onmiddellijk maakte hij zich gereed om zijn boetedoening te vervullen. Hij begon de abdij te herstellen die hem door de roemrijke apostel Petrus was aangewezen, schonk overvloedig aalmoezen aan de armen en bevrijdde geheel Engeland voorgoed van de schatting die jaarlijks aan de Denen moest worden betaald.

De stichting van Westminster en de wonderen

Eens kwam er, toen koning Eduard in Westminster verbleef, een kreupele man bij hem, afkomstig uit Ierland en Giles Michell genaamd. Deze man had geen voeten en bewoog zich voort op handen en knieën, waarbij hij in iedere hand een klein houten bankje hield om zich te ondersteunen. Zijn beide benen waren achterwaarts gebogen en tegen zijn dijen aangedrukt, terwijl zijn tenen aan zijn zitvlak vastzaten. De kreupele ging vrijmoedig het koninklijk paleis binnen en begaf zich naar de deur van de koninklijke vertrekken. Daar vroeg Hulin, de kamerheer van de koning, hem op strenge toon wat hij daar kwam doen. De kreupele antwoordde dat hij hem niet moest tegenhouden, omdat hij noodzakelijk met de koning moest spreken. Hij was al zesmaal naar het buitenland gereisd om de heilige relieken van de apostel Petrus te bezoeken, in de hoop genezen te worden. De H. Petrus had zijn gebed niet afgewezen, maar hem opgedragen naar Engeland te gaan en zich door de koning op diens rug naar de kerk van de H. Petrus te laten dragen. Dan zou hij volkomen genezen worden. Hulin bracht dit aan de koning over. Deze kreeg onmiddellijk medelijden met de arme man en achtte het niet beneden zijn waardigheid hem op zijn schouders te nemen en te dragen. De kreupele sloeg zijn vuile, met korsten bedekte handen en armen om de koning heen. Terwijl hij gedragen werd, kwamen zijn samengetrokken pezen los en strekten zijn benen zich uit. Uit de gezwellen en zweren in zijn gezicht en uit de korsten op zijn huid vloeiden grote hoeveelheden bloed en etter, die op de kleren van de koning terechtkwamen. Men vertelde de koning wat er gebeurde en dat de man reeds genezen was, maar hij schonk daaraan geen aandacht en droeg hem verder tot aan het hoogaltaar. Daar zette hij hem op zijn voeten neer en de man bleek volkomen genezen. Hij kon voortaan gaan en reizen waarheen hij wilde. De koning wilde echter onder geen beding dat dit wonder aan hem werd toegeschreven. Hij gaf de man een beloning en droeg hem op naar Rome te gaan om God en Zijn heilige apostel Petrus te danken. In de tijd dat koning Æthelbert over Kent regeerde en Sigbert over Middlesex, werden zij door de H. Augustinus tot het geloof in Christus bekeerd. Æthelbert liet binnen de stad Londen een grote koninklijke kerk bouwen ter ere van de H. Paulus. Daar stelde de H. Augustinus de H. Mellitus aan als bisschop van die stad. Maar de koning was met dit goede werk niet tevreden en besloot nog een kerk te bouwen ten westen van de stad, op een plaats die destijds Thorney heette en tegenwoordig Westminster wordt genoemd. Hij verzocht Mellitus deze kerk ter ere van de H. Petrus te wijden. In de nacht vóór de voorgenomen kerkwijding verscheen de H. Petrus aan een visser op de Theems en vroeg hem hem van Stangate naar Westminster over te zetten. Hij verzocht de visser daar op zijn terugkeer te wachten en beloofde hem een goede beloning voor zijn moeite. Kort daarna zag de visser de H. Petrus de kerk binnengaan, omgeven door een schitterend licht dat bleef schijnen zolang hij zich in de kerk bevond. Enige tijd later kwam de apostel terug en vroeg de visser of hij iets te eten had. De visser was zozeer ontsteld door het licht dat met de apostel uit de kerk naar buiten kwam, dat hij niet durfde te antwoorden. Daarop zei de H. Petrus dat hij niet bang moest zijn, want hij was een mens zoals hijzelf. Vervolgens vroeg hij of hij vis had. De visser antwoordde dat hij niets had gevangen, omdat hij de gehele nacht op hem had gewacht terwijl hij in de kerk verbleef. Zij gingen daarop samen in de boot en de H. Petrus beval hem zijn net uit te werpen. Toen hij dit deed, kwamen er zoveel grote vissen in het net dat zij het nauwelijks konden binnenhalen zonder dat het scheurde. Nadat zij aan land waren gekomen, verdeelde de H. Petrus de vissen. Hij droeg de visser op de grootste vis naar Mellitus, de bisschop van Londen, te brengen en hem te zeggen dat hijzelf die nacht de kerk van Westminster had gewijd. De bisschop moest de volgende dag in die kerk de Mis opdragen. Mocht hij het niet geloven, dan zou hij bij zijn komst voldoende tekenen aantreffen. De apostel verklaarde bovendien dat hij de patroon van die kerk zou zijn, haar dikwijls zou bezoeken en de gebeden en godvruchtige verlangens van de ware christengelovigen die daar baden, voor het aanschijn van de almachtige God zou brengen. De overige vissen mocht de visser als beloning voor zijn moeite behouden. Nadat de H. Petrus dit had gezegd, verdween hij plotseling. De visser verwonderde zich zeer over hetgeen hij had gezien en ging de volgende morgen vroeg naar Mellitus, de bisschop van Londen. Hij overhandigde hem de vis die de H. Petrus hem had gezonden en vertelde nauwkeurig alles wat de apostel hem had opgedragen. De bisschop wilde hem echter niet geloven voordat hij zelf naar Westminster was gegaan en daar de tekenen had gezien die zijn twijfel konden wegnemen. Toen hij de kerkdeur opende, vond hij op de grond een kruis van zand dat zich van de ene zijde van de kerk tot de andere uitstrekte, met letters van het Griekse alfabet. Ook vond hij twaalf kruisen op verschillende plaatsen op de kerkmuren, de bijna opgebrande resten van twaalf kaarsen en de plaatsen die met heilige olie waren gezalfd. Deze waren nog vochtig en zagen eruit alsof zij pas waren gezalfd. Toen geloofde de bisschop dat het werkelijk zo was gebeurd. Hij droeg diezelfde dag de Mis op in de kerk en hield een plechtige preek voor het volk, waarin hij het grote wonder openlijk bekendmaakte. Daarop loofde en prees het volk God en Zijn roemrijke apostel Petrus. Toen de H. Eduard vernam dat deze kerk in vroeger tijden door de H. Petrus was gewijd en dat de apostel hem had opgedragen haar te herstellen, zoals in de brief van de kluizenaar stond vermeld, kreeg hij een bijzonder grote godsvrucht voor die plaats. Hij liet het oude bouwwerk afbreken en geheel opnieuw opbouwen en begiftigde het klooster rijkelijk met inkomsten en kostbaarheden. Inmiddels was paus Leo overleden en door paus Nicolaas opgevolgd. Omdat de koning verslag wilde uitbrengen over de vervulling van de boetedoening die zijn voorganger Leo hem had opgelegd, zond hij Alfred, de aartsbisschop van York, met andere geestelijken naar Rome. Zij moesten de paus berichten dat hij zijn boetedoening had volbracht door zijn goederen onder de armen te verdelen en een klooster ter ere van de H. Petrus te herstellen. Ook moesten zij uitleggen hoe hem door een openbaring was aangewezen welke plaats hij moest herstellen. De koning verzocht de paus de stichting te bekrachtigen en te bevestigen wat zijn voorganger Leo reeds had goedgekeurd. Paus Nicolaas overwoog de grote godsvrucht en oprechte bedoelingen van deze christelijke koning en bevestigde de bul waarmee hij van zijn gelofte was ontslagen. Tevens bekrachtigde hij de stichting en de bepalingen van het klooster en verleende daaraan omvangrijke voorrechten. Wie het zou wagen roerende of onroerende goederen van het klooster weg te nemen, of iemand met geweld uit de kerk of haar omheining te halen, zou krachtens het gezag van de apostelen Petrus en Paulus vervloekt zijn en met Judas veroordeeld worden tot de eeuwige straffen van de hel. Daarna keerden de gezanten met de bevestigingsbrieven uit Rome terug. Toen de koning zag hoe welwillend de Heilige Vader hem had behandeld en dat hij hem schriftelijk zelfs meer voorrechten en vrijheden had verleend dan hij had gevraagd, was hij vervuld van vreugde en dankte hij de almachtige God voor al Zijn gaven. Eens bevond de koning zich in de kerk van de H. Petrus te Westminster, waar hij volgens zijn gewoonte met grote godsvrucht de H. Mis bijwoonde. Graaf Leofric knielde achter de koning en zag met zijn lichamelijke ogen Onze Heer Jezus Christus tussen de handen van de priester verschijnen, in de gedaante van een verheerlijkt Kind of een schone gestalte, die de koning met Zijn rechterhand zegende. De koning werd door dit gezicht zeer vertroost, boog het hoofd en ontving met grote godsvrucht en nederigheid de zegen van Onze Heer. De graaf stond op om de koning te vertellen wat hij had gezien, omdat hij meende dat deze het niet had waargenomen. Maar de koning begreep zijn bedoeling en gebood hem te blijven staan, want wat de graaf zag, zag ook hij en hij vereerde Degene die verschenen was. Toen de Mis was geëindigd, spraken zij samen over hun visioen. Zij werden wonderbaarlijk verkwikt door de gaven van de Heilige Geest en konden van vreugde en tranen nauwelijks spreken. Daarop gebood de koning Leofric dat dit visioen niet bekendgemaakt mocht worden zolang zij beiden leefden. Toen Leofric op sterven lag, vertelde hij het in de biecht aan zijn geestelijke vader en liet hij het opschrijven. Het geschrift werd in een kist tussen andere relieken gelegd. Vele jaren later, toen beiden gestorven waren, werd het gevonden en gelezen. Zo werd de heiligheid van de koning bekend en bleek zijn nederigheid, omdat hij tijdens zijn leven niet had gewild dat het visioen openbaar werd gemaakt en hem ijdele roem zou brengen. Er was een jonge vrouw die met een edelman was gehuwd en niet lang daarna door twee ongelukken werd getroffen. Zij bleef kinderloos en onder haar wang ontstonden talrijke afschuwelijke gezwellen en zweren, vol bedorven vocht, waarin zich wormen vormden. Haar vlees verspreidde zo’n stank dat haar man en al haar vrienden een afkeer van haar kregen. Omdat geen enkel geneesmiddel haar kon genezen, stelde zij al haar hoop en vertrouwen op de almachtige God. Dag en nacht smeekte zij Hem onder bittere tranen haar van deze schande en ziekte te verlossen of haar anders uit deze wereld weg te nemen. Nadat zij lange tijd zo had gebeden, hoorde zij in haar slaap een stem die haar opdroeg naar de heilige koning Eduard te gaan. Als hij haar gezicht met zijn handen zou wassen, zou zij geheel genezen worden. Toen zij ontwaakte, nam zij zich voor de koning in zijn paleis op te zoeken. Zij ging erheen en zorgde ervoor dat de koning van haar droom op de hoogte werd gebracht. Toen hij ervan hoorde, liet hij haar bij zich komen en zei dat hij niet zou weigeren haar gezicht te wassen als God dat wilde. Hij liet water brengen, waste haar gezicht met zijn eigen handen en drukte de wormen en al het bedorven bloed uit haar wonden. Daarna droeg hij haar op nog drie of vier dagen te blijven, totdat haar gezicht weer met huid bedekt zou zijn, en God voor haar genezing te danken. Toen zij geheel genezen was en haar gezicht weer schoon en mooi was geworden, viel zij aan de voeten van de koning neer en dankte hem nederig voor haar genezing. Maar hij verbood haar hem daarvoor te prijzen en gebood haar God te loven en te danken, want Hij was het die haar had genezen en niet de koning. Daarop vroeg zij hem tot God te bidden dat zij van haar echtgenoot een kind zou mogen ontvangen, want zij was al lange tijd onvruchtbaar. De koning beloofde dit te doen. Vervolgens keerde zij verheugd naar haar man terug. Kort daarna werd zij zwanger en baarde een kind. Zij dankte God dat zij van beide kwalen was genezen. De H. Paulus schrijft dat de Heilige Geest verschillende genadegaven schenkt. Aan sommigen geeft Hij wijsheid, aan anderen kennis en aan weer anderen de genade zieken te genezen. Maar de zalige koning Eduard had boven anderen een bijzondere genade ontvangen om blinden het gezichtsvermogen terug te geven. Er was een bekende blinde man die in zijn slaap een stem hoorde zeggen dat hij zijn gezichtsvermogen zou terugkrijgen wanneer hij water kon verkrijgen waarmee de koning zijn handen had gewassen en daarmee zijn ogen zou wassen. De volgende dag ging de blinde naar het koninklijk paleis en vertelde zijn visioen aan de kamerheer, die het aan de koning overbracht. De koning zei dat het misschien een begoocheling of een droom was, want dromen zijn niet altijd waar. Bovendien had men nog nooit gezien dat het vuile water waarmee een zondaar zijn handen had gewassen, blinden het gezichtsvermogen kon teruggeven. De kamerheer antwoordde dat dromen dikwijls waar waren gebleken, zoals die van Jozef, Farao, Daniël en vele anderen. Daarop ging de koning op een plechtige feestdag met grote nederigheid de kerk binnen, met een bekken water, en beval de blinde bij zich te brengen. Toen de koning het gezicht van de blinde waste, werden diens ogen geopend en kreeg hij zijn gezichtsvermogen terug. Verbaasd bleef hij naar de mensen kijken, alsof hij pas in de wereld was gekomen. Het volk weende van vreugde bij het zien van de heiligheid van de koning. Toen men de genezen man vroeg of hij duidelijk kon zien, antwoordde hij bevestigend. De koning knielde voor het altaar neer en sprak met grote eerbied en nederigheid de woorden: Non nobis, Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam. Niet aan ons, Heer, niet aan ons, maar aan Uw naam zij de eer. Daarna verspreidde de roem van de heiligheid van Eduard zich zozeer dat een burger uit Lincoln, die drie jaar blind was geweest, naar het koninklijk paleis kwam om water te verkrijgen waarmee de koning zijn handen had gewassen. Hij geloofde dat hij daardoor genezen zou worden. Een van de dienaren van de koning gaf hem van dat water. Toen hij er zijn gezicht en ogen mee waste, kreeg hij onmiddellijk zijn gezichtsvermogen terug en was hij volkomen genezen. Verheugd keerde hij naar huis terug, terwijl hij God en de H. Eduard prees omdat hij weer kon zien. Eens was een groep arbeiders bijeengekomen om bomen te vellen voor het koninklijk paleis te Bruham. Na hun arbeid gingen zij in de schaduw liggen slapen. Toen een jongeman uit hun gezelschap, Wilwin genaamd, opstond, opende hij zijn ogen, maar kon niets meer zien. Hij waste zijn gezicht en wreef in zijn ogen, maar bleef blind, wat hem zeer bedroefde. Een van zijn metgezellen bracht hem naar huis, waar hij achttien jaar blind bleef. Uiteindelijk kwam een aanzienlijke vrouw hem bezoeken en troosten. Toen zij hoorde hoe hij blind was geworden, zei zij dat hij goede moed moest houden. Als hij met grote godsvrucht zestig kerken zou bezoeken en daarna zijn ogen zou wassen met water waarmee de koning zijn handen had gewassen, zou hij zijn gezichtsvermogen terugkrijgen. Dit gaf hem grote troost. Hij zocht een begeleider, bezocht met grote godsvrucht zestig kerken en begaf zich daarna naar het koninklijk paleis, waar hij om hulp riep. Degenen die hem hoorden, geboden hem op te houden met roepen, maar hij riep des te harder. Toen de koning ervan hoorde, liet hij hem bij zich komen en zei dat hij zijn handen toch niet mocht terughouden van het helpen van deze arme man, hoe onwaardig hijzelf ook was, als het God behaagde hem verlichting te schenken en zijn gezichtsvermogen terug te geven. Omdat hij niet ongehoorzaam aan God wilde zijn, maar zich evenmin iets wilde aanmatigen, nam hij water en waste daarmee in alle nederigheid de ogen van de man. Onmiddellijk kreeg deze zijn gezichtsvermogen terug en zag hij weer even duidelijk als vroeger. Er vond ook een wonder plaats met drie blinde mannen en een vierde die slechts één oog had. Zij kwamen naar het koninklijk paleis, waar een van de dienaren van de koning medelijden met hen kreeg. Hij haalde water waarmee de koning zijn handen had gewassen toen hij de andere blinde had genezen, bracht het naar de poort en vertelde de vier mannen hoe de koning kort tevoren met hetzelfde water een blinde had genezen. Hij zei dat zij, wanneer zij met grote godsvrucht hun ogen ermee zouden wassen, door Gods genade eveneens genezen konden worden. Daarop knielden zij met grote godsvrucht neer en verzochten de dienaar hun ogen te wassen. Hij maakte met het water een kruisteken op de ogen van ieder van hen en smeekte de almachtige God hun ogen te openen. Allen kregen terstond hun volledige gezichtsvermogen terug en keerden huiswaarts, terwijl zij God loofden en dankten omdat zij door de verdiensten van de H. Eduard weer konden zien. Eens zat de koning met de koningin en haar vader, graaf Godwin, aan tafel. Hij zag hoe Harold en Tosti, de beide zonen van Godwin, voor hem speelden. Maar ten slotte werd hun spel ernst en begonnen zij te vechten. Harold greep zijn broer bij het haar, wierp hem op de grond en viel in grote woede op hem aan. Hij zou hem hebben gewurgd als men hem niet had tegengehouden. Toen vroeg de koning aan Godwin of hij begreep wat dit betekende. Godwin antwoordde dat hij het niet wist. Daarop zei de koning: Wanneer zij volwassen zijn, zult u zien dat de een de ander zal doden als hij daartoe de gelegenheid krijgt. Harold, die de sterkste is, zal zijn broer uit het land verdrijven. Daarna zal Tosti met de koning van Noorwegen terugkeren en in Engeland tegen zijn broer Harold strijden. In die veldslag zullen zowel de koning van Noorwegen als Tosti sneuvelen, evenals hun gehele leger, op enkelen na die zullen ontkomen. Harold zal boete moeten doen voor de dood van zijn broer en daardoor gered worden, of anders zal hij zijn koninkrijk verliezen en ellendig sterven. De koning was dikwijls ontstemd over Godwin, omdat deze misbruik maakte van de koninklijke macht en de koning tot vele ongeoorloofde zaken trachtte te bewegen. Bovendien deed Godwin alles wat hij kon om de verwanten en vrienden die uit Normandië naar de koning waren gekomen, uit diens gunst te verdringen. Hij wilde immers zelf alle macht rondom de koning bezitten, zowel in het openbaar als in het geheim. De koning kende zijn ontrouw, maar sprak er weinig over. Eens zat de koning met verschillende edelen en aanzienlijke mannen aan tafel. Een van zijn dienaren struikelde bijna toen hij met de ene voet tegen de andere stootte, maar de voet die stevig stond, hield hem overeind. Dit gaf de koning aanleiding om met zijn edelen te spreken over twee broers, die elkaar zouden moeten helpen wanneer een van hen in moeilijkheden verkeerde. Daarop zei de koning: Zo had mijn broer mij tot hulp en steun kunnen zijn in tijden van nood, als hij niet door Godwin was verraden. Toen Godwin deze woorden hoorde, werd hij zeer bevreesd en zei: Heer, denkt u dat ik uw broer zou hebben verraden? Moge God geven dat dit stuk brood mij verstikt als ik met zijn dood heb ingestemd. Daarop zegende de koning het brood en beval hem het te eten. Het stuk bleef in zijn keel steken en verstikte hem, zodat hij geen adem meer kon halen en ellendig stierf. Toen zei de koning: Draag deze verrader uit mijn tegenwoordigheid, want nu zijn zijn verraad en ontrouw openbaar geworden. Op Paasdag, nadat de koning Onze Heer had ontvangen, zat hij aan tafel. Midden tijdens de maaltijd, toen iedereen zweeg, begon hij te glimlachen, maar kort daarna werd hij bedroefd. Allen die aanwezig waren, verwonderden zich daarover, maar niemand durfde hem naar de reden te vragen. Na de maaltijd volgde hertog Harold hem echter naar zijn kamer, samen met een bisschop en een abt die tot zijn vertrouwelijke raadslieden behoorden. Zij vroegen hem waarom hij eerst had geglimlacht en daarna bedroefd was geworden. De koning antwoordde: Toen ik tijdens de maaltijd dacht aan de grote weldaden die ik genoot, aan de eer en waardigheid, de spijzen en dranken, de dienaren, de kostbare kleding en alle rijkdom en koninklijke pracht waarin ik mij bevond, schreef ik dit alles, zoals ik gewoon ben, toe aan de almachtige God. Toen opende Onze Heer mijn ogen en zag ik de zeven slapers in een grot op de berg Celion bij de stad Efeze liggen, zo duidelijk alsof ik zelf bij hen stond. Ik glimlachte toen ik zag dat zij zich van hun rechterzijde naar hun linkerzijde keerden. Maar toen ik begreep wat deze omkering betekende, had ik geen reden meer om te lachen, maar veeleer om te treuren. Want zij betekent dat de profetie vervuld zal worden: Surget gens contra gentem, het ene volk zal opstaan tegen het andere en het ene koninkrijk tegen het andere. Vele jaren hebben zij op hun rechterzijde gelegen, maar nu zullen zij zeventig jaar op hun linkerzijde liggen. Gedurende die tijd zullen er overal ter wereld grote oorlogen, pestziekten, veesterfte, aardbevingen, hongersnood en grote schaarste zijn. De aanwezigen verwonderden zich zeer over deze woorden en zonden onmiddellijk een boodschap naar de keizer om te vernemen of er in zijn gebied werkelijk een dergelijke stad en berg bestonden waar zeven mannen sliepen. Ook de keizer was verbaasd. Hij zond mensen naar de berg en daar vonden zij de grot met de zeven martelaren. Zij lagen alsof zij dood waren, allen op hun linkerzijde. De keizer was zeer ontzet door hetgeen hij zag en prees de heiligheid van de H. Eduard, koning van Engeland, die de gave van de profetie bezat. Want na zijn dood begonnen overal ter wereld grote opstanden. De heidenen verwoestten een groot deel van Syrië en haalden kloosters en kerken neer. Door pestziekten en het zwaard lagen straten, velden en steden vol doden. De vorst van Griekenland werd gedood, evenals de keizer van Rome, de koning van Engeland en de koning van Frankrijk. Ook alle andere koninkrijken van de wereld werden door allerlei rampen getroffen. Toen de zalige koning Eduard vele jaren had geleefd en op hoge leeftijd was gekomen, reed hij eens langs een kerk in Essex, Havering genaamd. Deze kerk zou juist worden gewijd ter ere van Onze Heer en de H. Johannes de Evangelist. Uit godsvrucht steeg de koning van zijn paard en bleef hij tijdens de kerkwijding aanwezig. Gedurende de processie kwam een eerbiedwaardige oude man naar hem toe, die hem om een aalmoes vroeg ter ere van God en de H. Johannes de Evangelist. De koning had niets bij zich om te geven en zijn aalmoezenier was niet aanwezig. Daarom nam hij de ring van zijn vinger en schonk die aan de arme man, die hem bedankte en vertrok. Enkele jaren later reisden twee Engelse pelgrims naar het Heilige Land om de heilige plaatsen te bezoeken. Zij raakten van hun reisgezelschap gescheiden en verdwaalden. Toen de avond naderde, werden zij zeer bedroefd, omdat zij niet wisten waarheen zij moesten gaan en vreesden door wilde dieren te worden verscheurd. Eindelijk zagen zij een prachtig gezelschap van mannen in witte gewaden. Twee van hen droegen lichten en achter hen liep een eerbiedwaardige oude man met wit haar. De pelgrims besloten het licht te volgen en naderden het gezelschap. De oude man vroeg wie zij waren en uit welk land zij kwamen. Zij antwoordden dat zij pelgrims uit Engeland waren, die hun reisgenoten waren kwijtgeraakt en de weg niet meer konden vinden. De oude man sprak hen vriendelijk toe en bracht hen naar een mooie stad, waar zich een fraai ingerichte zaal bevond met allerlei heerlijke spijzen. Nadat zij zich daar hadden verkwikt en de nacht hadden doorgebracht, vergezelde hij hen de volgende morgen en bracht hen weer op de juiste weg. Hij hoorde met vreugde hoe zij spraken over het welzijn en de heiligheid van hun koning Eduard. Toen hij afscheid van hen zou nemen, maakte hij bekend wie hij was en zei: Ik ben Johannes de Evangelist. Zeg tegen uw koning Eduard dat ik hem hartelijk groet. Als bewijs daarvan geef ik u deze ring, die hij mij eigenhandig schonk bij de wijding van mijn kerk. Breng hem deze ring terug en zeg hem dat hij zijn zaken moet regelen, want binnen zes maanden zal hij bij mij zijn in de vreugde van de hemel, waar hij de beloning zal ontvangen voor zijn kuisheid en zijn goede levenswandel. Wees niet bevreesd, want uw reis zal voorspoedig verlopen en u zult spoedig behouden thuiskomen. Nadat hij hun de ring had gegeven, verdween hij plotseling. Niet lang daarna bereikten de pelgrims hun vaderland. Zij brachten de koning de boodschap over, overhandigden hem de ring en vertelden dat de H. Johannes de Evangelist hem die had gezonden. Zodra Eduard de naam van de apostel hoorde, werd hij vervuld van vreugde. Tranen van blijdschap vloeiden uit zijn ogen en hij loofde en dankte de almachtige God en de H. Johannes, zijn beschermer, omdat deze hem had willen laten weten dat zijn heengaan uit deze wereld nabij was. Hij ontving nog een ander teken van de H. Johannes: de beide pelgrims zouden vóór hem sterven. Ook dit bleek waar te zijn, want zij leefden niet lang meer.

De voorspellingen en zijn laatste levensdagen

Met Kerstmis werd de koning ziek. Op het feest van de Onnozele Kinderen woonde hij de H. Mis bij in de nieuwe kerk van Westminster, die hij had laten herbouwen. Daarna dankte hij de almachtige God en keerde ernstig ziek naar zijn vertrekken terug, waar hij zich aan de barmhartigheid van Onze Heer overgaf. Toen de edelen en het volk begrepen dat de koning niet lang meer zou leven, werden zij diep bedroefd. Zij herinnerden zich de vrede en voorspoed die het land tijdens zijn regering had genoten en vreesden de gevaren die na zijn dood zouden ontstaan. De zorg voor de koning werd geheel aan de koningin toevertrouwd, die hij bijzonder liefhad. Zij verzorgde hem met grote toewijding en voorzag hem van alles wat hij nodig had. Toen zijn krachten bijna geheel waren uitgeput, lag hij ongeveer twee dagen buiten bewustzijn, alsof hij in geestvervoering was geraakt. Toen hij weer bijkwam, verwonderden de omstanders zich zeer, want zij hadden niet verwacht dat hij nog zou spreken. Niettemin begon hij met grote geestkracht te bidden tot de almachtige God, die over alle koninkrijken en rijken beschikt, en smeekte Hem om voldoende tijd en kracht om aan zijn volk bekend te maken wat hem was geopenbaard, opdat het door boetvaardigheid vergeving zou kunnen verkrijgen. Toen gaf de almachtige God hem nieuwe kracht, die alle menselijk begrip te boven ging en niet zonder een wonder kon zijn. Want tevoren had hij door zijn zwakte zo zacht gesproken dat men hem nauwelijks kon verstaan, maar nu sprak hij met volle stem de volgende woorden: Toen ik jong was en in Normandië verbleef, hield ik van het gezelschap van goede mannen. Met degenen die het godvruchtigst en het deugdzaamst spraken, ging ik het meest om. Onder hen waren er twee tot wie ik mij bijzonder aangetrokken voelde vanwege hun eerbiedwaardige levenswandel, de heiligheid van hun leven, hun vriendelijke omgang en hun vertroostende woorden. Ik heb hen ten hemel zien worden opgenomen. Zij zijn vele jaren geleden gestorven, maar nu zijn zij mij met Gods toelating verschenen. Zij hebben mij de toestand van mijn volk geopenbaard, welke zonden onder het volk heersen en welke straffen het om zijn zonden zullen treffen. De priesters hebben gezondigd, want zij bedienen de heilige sacramenten met onreine gedachten en bezoedelde handen. Als huurlingen en niet als ware herders beschermen en voeden zij hun schapen niet. De vorsten en edelen zijn vals en ontrouw bevonden. Zij zijn metgezellen van de duivelen, dieven en rovers van het land, die God niet vrezen noch Hem eer bewijzen. De ware wet is hun tot last en wordt door hen veracht, terwijl zij grote wreedheid bedrijven. Ook de kerkelijke oversten onderhouden de gerechtigheid niet. Zij verbeteren hun ondergeschikten niet en onderrichten en onderwijzen hen niet zoals zij behoren te doen. Daarom heeft Onze Heer nu Zijn zwaard van wraak getrokken om Zijn volk te treffen. Deze straf zal nog binnen dit jaar beginnen, met het zwaard en met een jammerlijke verwoesting van dit koninkrijk. Toen begon ik te zuchten en te treuren over de rampspoeden die mijn volk zouden treffen en vroeg: Als zij zich bekeren en boete doen, zullen zij dan geen vergeving ontvangen en zal God hen niet opnieuw zegenen? Mij werd geantwoord: De harten van het volk zijn zo verhard en verblind en hun oren zo gesloten, dat zij naar geen enkele terechtwijzing willen luisteren. Ook worden zij niet bewogen of aangespoord door de weldaden die Onze Heer hun schenkt. Daarop vroeg ik of er enig middel was om de toorn van Onze Heer te verzachten. Mij werd met deze woorden geantwoord: Een groene boom, van zijn stam afgehouwen, zal over een afstand van drie furlongs van zijn eigen wortel gescheiden worden. Zonder hulp van mensen zal hij naar zijn oude wortel terugkeren, opnieuw zijn levenssap ontvangen, bloeien en vruchten voortbrengen. Wanneer dit geschied is, kan er uitkomst komen. Nadat zij dit hadden gezegd, verdwenen zij plotseling uit mijn gezicht. Op dat ogenblik bevonden zich bij de koning de koningin, haar broer hertog Harold, Robert, de beheerder van het paleis, en Stigand, die het bed van zijn vader had bezoedeld. Want terwijl Robert, de aartsbisschop van Canterbury, nog leefde, had Stigand hem afgezet en zich door simonie van zijn ambt meester gemaakt. Daarom was hij door de paus geschorst. Later voltrok God Zijn straf aan hem: zijn buik barstte open, zijn ingewanden vielen eruit en zo stierf hij een ellendige dood. Deze Stigand hechtte geen geloof aan de woorden van de koning, maar schreef ze toe aan diens ouderdom en zwakte en hield ze slechts voor een inbeelding. Anderen, die een beter oordeel hadden, weenden en treurden en wrongen hun handen. Zij zonden bericht aan de Heilige Vader, de paus, en stelden hem van dit visioen op de hoogte. Daarop schreef de Heilige Vader brieven aan Engeland, waarin hij het volk tot boetvaardigheid aanspoorde. Maar zijn brieven hadden geen uitwerking. Toen koning Harold de eed had gebroken die hij aan hertog Willem had gezworen en daarom in de strijd werd gedood, begreep men dat de profetie van de H. Eduard in vervulling was gegaan. Want toen kwam er een einde aan de vrijheid van Engeland en begonnen onderworpenheid en slavernij. In die tijd veranderde alles in Engeland. Ik meen dat ook de H. Dunstan deze naderende rampspoeden heeft voorzegd en na een bepaalde tijd eveneens vertroosting heeft beloofd. Daarom kan het genoemde visioen als volgt worden uitgelegd. De boom betekent het koninkrijk Engeland. Zijn grootte en schoonheid duiden op de overvloed aan rijkdommen en de eer van Engeland, waaruit alle aanzien voortkomt. Dit aanzien is voortgekomen uit het ware koninklijke bloed van het land en uit het wettige geslacht dat afstamde van Alfred, die door de Heilige Vader, de paus, werd gekroond en gezalfd als de eerste koning van de ware koninklijke lijn van Engeland, welke lijn door erfopvolging tot deze heilige koning Eduard voortduurde. De boom wordt van zijn stam afgehouwen wanneer het koninkrijk verdeeld wordt en van het ene geslacht op het andere overgaat. De afstand van drie furlongs betekent de tijd van drie koningen, namelijk Harold, Willem de Veroveraar en diens zoon Willem. De terugkeer van de boom naar zijn stam, zonder hulp van mensen, geschiedde toen koning Hendrik I het koninkrijk verkreeg, niet door menselijke kracht, maar door de oprechte liefde van zijn onderdanen. De boom ontving zijn levenssap en zijn ware kracht terug toen Hendrik huwde met Mathilde, de dochter van een nicht van de H. Eduard, waardoor het geslacht van Engeland met dat van Normandië werd verenigd. De boom bloeide toen uit hun geslacht Mathilde, de keizerin, voortkwam, en bracht vruchten voort toen uit haar Hendrik II werd geboren. Zo werden deze twee volken verenigd. Als iemand deze verklaring niet aanvaardbaar vindt, laat hij dan een betere geven, of anders wachten totdat de profetie vervuld wordt, opdat de profetie van koning Eduard overeenstemt met die van de H. Dunstan. Toen de heilige koning Eduard wist dat zijn uur naderde, sprak hij tot degenen die wenend om hem heen stonden. Om hen te troosten zei hij: Indien gij mij werkelijk liefhebt, bidt dan dat ik uit deze wereld mag overgaan naar de hemelse Vader, om daar de vreugde te ontvangen die aan alle ware christenen is beloofd. Houdt op met wenen en begeleidt mijn heengaan met gebeden, heilige psalmen en aalmoezen. Want hoewel mijn vijand, de duivel, mij niet in mijn geloof kan overwinnen, is niemand zo volmaakt dat hij hem niet zal trachten te beproeven, te hinderen of vrees aan te jagen. Daarna vertrouwde hij de koningin toe aan haar broer en prees haar deugden tegenover zijn edelen. Hij maakte hun ook bekend dat zij beiden in volkomen kuisheid hadden geleefd. Want in het openbaar was zij zijn echtgenote geweest, maar in het verborgen zijn zuster. Hij beval dat haar bruidsschat voor haar verzekerd zou blijven. Ook bepaalde hij dat degenen die met hem uit Normandië waren gekomen, zelf mochten kiezen of zij in Engeland wilden blijven en overeenkomstig hun stand van inkomsten voorzien worden, of naar Normandië wilden terugkeren met een passende beloning. Als plaats voor zijn begrafenis koos hij de kerk van de H. Petrus, die hij opnieuw had laten bouwen. Hij zei dat hij niet lang meer in deze wereld zou blijven. Toen hij de koningin aanzag en bemerkte hoe zij weende en zuchtte, zei hij herhaaldelijk tot haar: Mijn dochter, ween niet, want ik zal niet sterven, maar leven. Ik zal het land van de dood verlaten en vertrouw erop de goedheid van God te aanschouwen in het land van de levenden. Vervolgens richtte hij zijn gedachten geheel op God en vertrouwde zich volkomen toe aan het geloof van de Kerk, in de hoop op de beloften van Christus, onder de sacramenten van de Kerk. Onder deze woorden van lofprijzing gaf hij zijn geest aan God terug, in het jaar Onzes Heren 1066, nadat hij drieëntwintig jaar, zes maanden en zevenentwintig dagen over Engeland had geregeerd, op de vierde dag van januari. Toen zijn verwanten en degenen die hem liefhadden rondom zijn heilig lichaam stonden, nadat zijn ziel was heengegaan, zagen zij een wonderbaarlijke schoonheid en een hemelse glans op zijn gelaat. Toen zij zijn ontklede lichaam aanschouwden, zagen zij dat het met een wonderbaarlijke helderheid straalde, vanwege de zuiverheid van zijn maagdelijkheid. Daarop wikkelden zij het heilige lichaam in kostbare doeken en begroeven het met grote eerbied en plechtigheid. Ook werden overvloedige aalmoezen voor hem uitgedeeld. Alle geestelijke en wereldlijke edelen waren bij zijn begrafenis aanwezig en dankten God voor de grote weldaden die Hij gedurende het leven van de heilige koning Eduard aan Engeland had geschonken. Daarom zij aan de almachtige God lof, heerlijkheid en eer in alle eeuwigheid. Amen.

Zijn zalig overlijden en de wonderen na zijn dood

Op de achtste dag na zijn begrafenis kwam een kreupele naar zijn graf om genezing te verkrijgen van zijn ernstige kwaal. Deze man had tijdens het leven van de koning dikwijls aalmoezen uit diens hand ontvangen. Ook had de koning hem op Witte Donderdag gewassen. Niettemin was zijn genezing door Gods beschikking uitgesteld en niet tijdens het leven van de koning geschied. Want zoals God door hem tijdens zijn leven vele wonderen had verricht, zo wilde Hij ook na zijn dood wonderen door hem laten geschieden. Deze kreupele heette Ralph en was van geboorte een Normandiër. De pezen van zijn armen waren samengetrokken en zijn voeten waren naar zijn zitvlak opgetrokken, zodat hij noch op zijn voeten, noch op zijn knieën kon lopen. Hij zat daarom in een hol vat, als een bekken, en trok zijn lichaam met zijn handen voort. Toen hij bij het graf kwam, smeekte hij de almachtige God en de H. Eduard met grote godsvrucht hem van zijn kwaal te genezen. Tijdens het leven van de koning had hij immers voornamelijk van diens aalmoezen geleefd. Nadat hij enige tijd in gebed had doorgebracht, begonnen ook andere mensen, die medelijden met hem hadden, voor hem te bidden. Ten slotte richtte hij zich op en voelde hoe zijn pezen loskwamen. Hij stond op zijn voeten en bemerkte dat hij volkomen genezen was en alles kon doen wat hij wilde. Wij hebben gelezen welke wonderbare kracht de H. Eduard tijdens zijn leven bezat om blinden te genezen. Onze Heer heeft hem deze gave ook na zijn dood niet ontnomen. Dertig dagen na zijn begrafenis kwam er bij zijn graf een man die slechts één oog had. Hij leidde zes blinden met zich mee, die elkaar bij de kleding vasthielden. Allen baden met grote godsvrucht tot God en de H. Eduard om hun gezichtsvermogen te verkrijgen en van hun grote ellende verlost te worden. Veel mensen kwamen bijeen om te zien wat er zou gebeuren. Toen zij bemerkten hoe vurig de blinden baden, werden zij door medelijden bewogen, knielden eveneens neer en baden tot God en deze heilige. Nauwelijks hadden zij hun gebeden beëindigd, of alle blinden ontvingen het volledige gezichtsvermogen. Zij keken elkaar aandachtig aan, alsof zij zich in een nieuwe wereld bevonden. Ieder vroeg aan de anderen of zij konden zien, en allen antwoordden bevestigend. Daarop knielden zij neer en dankten God uit de grond van hun hart dat Hij hun door de verdiensten van de H. Eduard het gezichtsvermogen volkomen had teruggegeven. Ook hun begeleider, die bij zijn komst slechts één oog had gehad, kon nu met zijn andere oog zien. Zo hadden allen hun volledige gezichtsvermogen ontvangen. Vervolgens keerden zij ieder naar hun eigen land terug, terwijl zij God en de heilige koning loofden en dankten. Daarna kwamen Harald Hardråde, koning van Noorwegen, en Tosti, de broer van koning Harold van Engeland, met een grote vloot en een talrijk leger naar de monding van de Humber. Zij begonnen oorlog te voeren met het voornemen Engeland te veroveren. Het volk bood weerstand, maar was niet sterk genoeg om hen te overwinnen. Toen Harold hiervan hoorde, bracht hij een groot leger bijeen om hen tegemoet te trekken. In die tijd verscheen de H. Eduard op een nacht aan een heilige monnik, de abt van Rumsey, en droeg hem op naar Harold te gaan. Hij moest de koning zeggen dat hij zijn vijanden, die Engeland wilden vernietigen en verwoesten, zou overwinnen. Hij moest hem ook zeggen dat hij niet bevreesd hoefde te zijn, want Eduard zou hem en zijn leger zo leiden dat zij de overwinning zouden behalen. Hij kon immers niet aanzien of toelaten dat het koninkrijk Engeland werd vernietigd. De H. Eduard voegde eraan toe dat Harold de boodschap aanvankelijk niet zou geloven. Daarom moest de abt zijn visioen op de volgende wijze bewijzen: Harold moest in gedachten nemen wat hij maar wilde, waarna de abt hem zou vertellen waaraan hij dacht, want God zou hem dit openbaren. Dan zou Harold zijn woorden geloven. De volgende morgen begaf de abt van Rumsey, Alexis genaamd, zich naar koning Harold en vertelde hem zijn visioen en hoe hij door de hulp van de H. Eduard zijn vijanden zou overwinnen. Toen Harold dit voor het eerst hoorde, hield hij het voor een inbeelding. Maar toen de abt hem zijn verborgen gedachten bekendmaakte, geloofde hij zijn woorden en trok hij ten strijde, hoewel hij op dat ogenblik ziek was door een pestgezwel in zijn lies. Hij doodde zijn broer Tosti en Harald Hardråde, terwijl slechts zeer weinigen, of misschien niemand, levend aan de veldslag ontkwamen. Daarom dankten de Engelsen God en de H. Eduard voor hun overwinning. In het klooster van Westminster leefde een knappe jongeman die blind was. De monniken hadden hem aangesteld om de klokken te luiden. Hij had de gewoonte dagelijks het graf van de H. Eduard te bezoeken en daar bepaalde gebeden te verrichten. Eens viel hij tijdens het bidden bij het graf in slaap. Hij hoorde een stem die hem opdroeg de klok voor het laatste uur te gaan luiden. Toen hij ontwaakte, zag hij de H. Eduard vóór zich uitgaan als een koning, met een kroon op het hoofd en omgeven door een wonderbaarlijk licht. Hij bleef hem aanzien totdat deze het hoogaltaar bereikte. Daarna zag hij noch de heilige, noch het licht meer. Maar hij behield zijn gezichtsvermogen tot het einde van zijn leven. Vervolgens vertelde hij de monniken hoe hij door dit wonder was genezen en weer kon zien. Toen Willem de Veroveraar geheel Engeland had veroverd en onder zijn macht had gebracht, begon hij zich ook met de aangelegenheden van de Kerk te bemoeien. Op advies van Lanfranc werd de heilige bisschop Wulstan ervan beschuldigd dat hij niet voldoende geleerdheid en kennis bezat om de waardigheid en het ambt van bisschop te bekleden. Hij werd voor Lanfranc geroepen en kreeg op bevel van de koning de opdracht zijn ambt in handen van deze aartsbisschop neer te leggen, opdat een geleerder man die waardigheid zou kunnen bekleden. Wulstan antwoordde hem: Vader, ik weet zeer goed dat ik niet waardig ben deze waardigheid te bezitten en dat ik niet bekwaam genoeg ben om zo’n zware verantwoordelijkheid te dragen. Want ik kende mijn gebrek aan geleerdheid reeds toen ik tot dit ambt werd gekozen. Maar ik werd door onze Heilige Vader, de paus, en door de goede koning Eduard gedwongen het te aanvaarden. En aangezien het de raad behaagt dat ik mijn ambt neerleg, zal ik dat gaarne doen, maar niet in uw handen. Ik zal het teruggeven aan degene die mij gedwongen heeft het te aanvaarden. Daarop verliet hij onmiddellijk aartsbisschop Lanfranc en begaf zich rechtstreeks naar het graf van de H. Eduard, met zijn bisschopsstaf in de hand. Hij sprak tot de H. Eduard alsof deze nog in leven was: O heilige en gezegende koning, gij weet zeer goed dat ik dit ambt tegen mijn wil op mij heb genomen, maar dat ik gehoorzaamde omdat de paus en gij mij daartoe dwongen. Nu hebben wij een nieuwe koning, nieuwe wetten en nieuwe vonnissen, waardoor gij van een vergissing wordt beschuldigd omdat gij dit ambt aan mij, een eenvoudig en ongeleerd man, hebt gegeven, en ik van aanmatiging omdat ik erin heb toegestemd het te aanvaarden. Destijds kon men u nog misleiden, want gij waart een zwak mens. Maar nu zijt gij met God verenigd, waar gij niet bedrogen kunt worden. Gij hebt mij dit ambt gegeven en aan u geef ik het hier terug. Met deze woorden stak hij zijn staf in de harde steen van het graf en zei: Neem deze staf aan en geef hem aan wie het u behaagt. Op wonderbaarlijke wijze werd de harde steen van het graf week en nam de bisschopsstaf op. Vervolgens hield de steen hem zo stevig vast dat geen mensenhand hem eruit kon trekken. Onmiddellijk legde Wulstan zijn bisschoppelijk gewaad af, trok een monnikspij aan en nam onder de monniken dezelfde plaats in die hij had ingenomen voordat hij bisschop werd. Toen degenen die met zijn aftreden hadden ingestemd hiervan hoorden, waren zij zeer verwonderd en ontsteld. Enkelen begaven zich naar het graf en probeerden de staf eruit te trekken, maar zij konden hem niet bewegen. Toen aartsbisschop Lanfranc dit vernam, beval hij Gundulf, de bisschop van Rochester, de bisschopsstaf voor hem te gaan halen. Gundulf begaf zich naar het graf, legde zijn hand op de staf en trok eraan, maar de steen hield hem zo stevig vast dat hij hem niet kon bewegen. Zeer ontsteld keerde hij naar Lanfranc terug en vertelde hem over het wonder. Daarop werden de koning en Lanfranc bevreesd. Zij kwamen beiden persoonlijk om het wonder te aanschouwen en verrichtten daar hun gebeden. Vervolgens trachtte Lanfranc met grote eerbied de staf uit de steen te trekken, maar deze bewoog niet. Toen werden de koning en de aartsbisschop zeer bevreesd en kregen zij berouw. Zij lieten Wulstan zoeken, die men onder de monniken aantrof, en brachten hem voor de koning en de aartsbisschop. Beiden knielden onmiddellijk neer en vroegen hem om vergiffenis. Maar Wulstan knielde zelf nederig neer en smeekte hun dit niet voor hem te doen. Hij schonk hun in alle nederigheid vergiffenis en verzocht de aartsbisschop hem zijn zegen te geven. Daarop sprak Lanfranc tot de heilige Wulstan: Broeder, aan uw oprechte eenvoud hebben wij te weinig waarde gehecht, maar Onze Heer heeft uw gerechtigheid doen schitteren als de morgenster. Broeder, wij hebben gezondigd en verkeerd gehandeld door het goede kwaad en het kwade goed te noemen. Maar Onze Heer God heeft de geest van de H. Eduard opgewekt, die al onze vonnissen teniet heeft gedaan. Uw eenvoud is voor God aanvaardbaar. Kom daarom tot uw koning en de onze, de H. Eduard, en ontvang uw staf terug, die hij ons heeft geweigerd. Want wij vertrouwen erop dat hij hem aan u zal teruggeven. Toen gehoorzaamde Wulstan, de dienaar Gods, de aartsbisschop nederig en met grote eerbied. Hij begaf zich naar het graf, waar de staf nog altijd stevig in de steen vastzat. Daar knielde hij neer en sprak: O gezegende heilige Gods, ik onderwerp mij hier nederig aan uw oordeel. Gij hebt mij destijds, hoewel ik onwaardig was, deze staf gegeven en mij daarmee het ambt opgedragen. Indien het u behaagt dat uw vroegere beslissing van kracht blijft, geef mij dan deze bisschopsstaf terug. Maar indien het u behaagt die beslissing te veranderen, toon ons dan aan wie gij hem wilt geven. Daarop legde hij nederig en met grote eerbied zijn hand op de staf. Onmiddellijk werd de harde steen week en liet de staf los, alsof hij uit zachte aarde of klei werd getrokken. Toen de omstanders dit grote wonder zagen, weenden zij van vreugde en vergoten overvloedig tranen. Zij vroegen Wulstan om vergiffenis en loofden en prezen de almachtige God en Zijn heilige koning Eduard. Sindsdien bezocht koning Willem met grote godsvrucht het graf van zijn verwant, de H. Eduard, en droeg hij aanzienlijke bedragen bij aan de vervaardiging van diens schrijn. Nadat dit wonder was geschied, werd er veel over de heiligheid van de H. Eduard gesproken en nam de godsvrucht van het volk dagelijks toe. Vele aanzienlijke personen verlangden daarom zijn heilig lichaam te aanschouwen. Sommigen zeiden dat het ongeschonden was gebleven, anderen betwijfelden dit. In dit verschil van mening, dat zonder vijandschap werd gevoerd, verkregen zij van abt Gilbert toestemming om het lichaam te bezichtigen. Toen de dag was vastgesteld waarop het heilige lichaam getoond zou worden, kwamen vele aanzienlijke mannen en vrouwen uit de kloosterstand bijeen. Onder hen bevond zich Gundulf, de bisschop van Rochester. Zesendertig jaar na zijn begrafenis werd het graf geopend. Toen de grafsteen was weggenomen, verspreidde zich een wonderbaarlijk zoete geur, die de gehele kerk vervulde, alsof een welriekende balsem uit het graf stroomde. Zij ontdekten dat het kleed dat onmiddellijk om zijn lichaam lag, nog even gaaf en mooi was als op de dag van zijn begrafenis. Toen zij het kleed hadden verwijderd, haalden zij zijn armen tevoorschijn en bewogen zijn vingers en tenen. Deze waren buigzaam en ongeschonden, alsof hij pas begraven was. Aan zijn vlees was geen enkel teken van ontbinding te vinden. Het was schoon en fris van kleur, zuiver en helderder dan glas, witter dan sneeuw, zodat het een verheerlijkt lichaam scheen te zijn. Zij durfden zijn gelaat niet bloot te leggen, maar Gundulf, die moediger was dan de anderen, maakte met grote godsvrucht de omhulling van zijn hoofd los. Het eerste wat zichtbaar werd, was het mooie, witte haar op zijn hoofd. Gundulf wilde daarvan iets als relikwie nemen en trok er met eerbied en ontzag aan. Maar hij kon geen enkele haar loskrijgen, want zij zaten even stevig vast als tijdens zijn leven. Daarop sprak de abt: Vader, laat hem in vrede rusten en tracht niets weg te nemen van hetgeen Onze Heer zo lange tijd heeft bewaard en ongeschonden heeft gehouden. Vervolgens werd het kleed waarin het heilige lichaam gewikkeld was, weggenomen en werd een ander kleed van dezelfde waarde gehaald. Daarin legden zij het heilige lichaam opnieuw neer en sloten het graf met grote eerbied, in afwachting van de grote verrijzenis.

De verering van de H. Eduard

In de stad Londen woonde een aanzienlijke vrouw die zeer bedreven was in het borduren met zijde. Men had haar gevraagd enige kledingstukken te borduren voor de gravin van Gloucester, die nog jong, levenslustig en pas gehuwd was en verlangde dat de kledingstukken binnen korte tijd gereed zouden zijn. Toen de feestdag van de H. Eduard naderde, raakte de vrouw zeer verontrust. Zij vreesde de ontevredenheid van de gravin als de kleding niet op de afgesproken tijd gereed zou zijn, maar zij vreesde ook op de feestdag van de H. Eduard te werken, omdat dit zondig en gevaarlijk was. Daarom vroeg zij aan een jonge vrouw die met haar samenwerkte wat zij het beste konden doen: de gravin ontevreden stellen of de H. Eduard mishagen. De jonge vrouw antwoordde: Is dat niet die Eduard die door de boeren van het land vereerd wordt alsof hij een god was? Zij voegde eraan toe: Wat heb ik met hem te maken? Ik zal hem evenmin vereren als een gewone boer. De aanzienlijke vrouw schrok hevig van deze godslasterlijke woorden tegen de heilige. Zij sloeg de jonge vrouw om haar tot zwijgen te brengen, maar deze bleef uit weerspannigheid de heilige steeds erger lasteren. Plotseling werd zij door een verlamming getroffen, zodat haar mond naar haar oor werd getrokken. Zij verloor ook haar spraak, schuimde uit de mond als een wild zwijn, knarste hevig met haar tanden en werd in al haar ledematen zwaar gekweld. Toen de aanzienlijke vrouw dit zag, werd zij zeer bedroefd omdat zij de jonge vrouw had geslagen en omdat de almachtige God haar zo had gestraft. Zij weende bitter. Toen het voorval in de stad bekend werd, kwamen de buren bijeen, sommigen om haar te troosten en anderen om zich te verwonderen over de toestand waarin zij verkeerde. Daarop kwam een aanzienlijk man haar bezoeken. Hij raadde aan haar over het water naar het schrijn van de H. Eduard te brengen en daar tot God te bidden, opdat Hij door de verdiensten van de heilige een wonder aan haar zou verrichten. Toen zij daarheen was gebracht, baden vele mensen voor haar. Zij verkregen echter niet onmiddellijk wat zij verlangden, maar bleven bidden tot middernacht, toen de metten begonnen. Vervolgens vroegen zij de monniken eveneens voor haar te bidden. Nadat de monniken de metten hadden gezongen, kwamen ook zij naar het schrijn en baden voor de jonge vrouw, die daar onder hevige pijn en kwelling lag. Nadat de heilige monniken geruime tijd voor haar hadden gebeden, stond de jonge vrouw geheel genezen op en vroeg waarom zij weenden en zoveel verdriet hadden. Toen zij zagen dat haar mond weer op de juiste plaats stond en al haar ledematen waren hersteld, verheugden zij zich zeer en loofden en dankten zij de almachtige God en Zijn heilige koning en belijder Eduard. In de abdij van Westminster leefde een deugdzame en geleerde monnik, Gilbert genaamd, die van juli tot Kerstmis zwaar werd gekweld door een vierdedaagse koorts. Hij was zo uitgeteerd dat hij op een verdroogd beeld geleek. Daarom bad hij tot God hem van zijn lijden te verlossen of hem uit deze wereld weg te nemen. In de kerstnacht vatte hij moed en ging met zijn medebroeders naar de metten. Toen hij in het Evangelie hoorde hoe ons een Kind was geboren en door de hemelse Vader geschonken, uit een Moeder die een zuivere Maagd was, werd hij door zo’n grote godsvrucht en vreugde aangegrepen dat hij gedurende de twee daaropvolgende dagen geen ziekte meer voelde. Na die twee dagen keerde de koorts echter terug en bleef hem voortdurend kwellen tot het feest van de H. Eduard, dat steeds op de vooravond van Driekoningen valt. Op die dag begaf hij zich tijdens de Hoogmis naar het graf van de H. Eduard. Hij wierp zich met grote godsvrucht ter aarde en sprak onder tranen: O mijn heer en koning, hoelang zult gij mij vergeten? Hoelang moet ik deze pijn verdragen? Hoelang zult gij uw aangezicht van mij afwenden? Waar zijn al die grote wonderen waarvan onze vaderen ons hebben verteld en die in hun dagen zijn geschied? Gij hebt vele vreemdelingen geholpen, maar mij, die in uw eigen kerk verblijf, vergeet gij en voor mij sluit gij de deur van uw barmhartigheid. Och, mocht ik toch sterven! Ik leef voortdurend in pijn en kan niet sterven. Mijn leven is mij tot verdriet geworden, maar er komt geen einde aan. Ik verlang naar de dood en durf hem toch niet te zoeken. Waarom zou ik met u twisten? Maar ik smeek u, goede koning, lofwaardige vorst en dierbare patroon, ontferm u over mij. Schenk mij, als het u behaagt, gezondheid of laat mij anders spoedig sterven. Terwijl hij dit sprak, stroomden de tranen uit zijn ogen en stegen zulke snikken uit zijn hart op dat hij niet langer met zijn mond kon spreken, maar alleen nog door de gevoelens van zijn hart. Toen de Mis geëindigd was, stond hij volkomen genezen van zijn gebed op. Hij voelde hoe al zijn ledematen op wonderbare wijze nieuwe kracht hadden ontvangen. Hij ging naar binnen en vroeg om eten en drinken. Spoedig bemerkte hij dat zijn krachten geheel waren teruggekeerd. Sindsdien was hij vervuld van grote godsvrucht jegens de roemrijke H. Eduard, door wiens verdiensten hij van zijn ziekte en lijden was verlost. Op dezelfde wijze werd een ridder, Gerin genaamd, precies een jaar later op dezelfde dag van een vierdedaagse koorts genezen. Hij kwam die dag naar het schrijn en hoorde de genoemde monnik, die inmiddels prior was geworden, een preek houden waarin deze vertelde hoe hij genezen was. Na de preek besloot de ridder niet op te houden met bidden totdat hij eveneens genezen zou zijn. Hij bleef de gehele dag en de daaropvolgende nacht bij het schrijn in gebed, totdat de monniken naar de metten kwamen. Hij verzocht hun voor hem te bidden. Nadat zij geruime tijd hadden gebeden, voelde hij zich volkomen genezen. Daarop dankte hij samen met het gehele volk Onze Heer, de almachtige God, en de H. Eduard voor zijn verlossing. Ook een kloosterzuster uit Barking, die twaalf maanden ziek was geweest en bijna geheel was uitgeteerd, kreeg op een nacht een visioen waaruit zij begreep dat zij zich tot de H. Eduard moest wenden om genezen te worden. Zij begon tot de heilige te bidden. Wanneer haar ziekte zich deed gevoelen, ging zij haar bidvertrek binnen en bad de zeven boetpsalmen en de litanie. Toen zij dit tweemaal had gedaan, verdween al haar pijn en werd zij volkomen genezen. Zij dankte de almachtige God, die haar door de verdiensten van de H. Eduard had genezen. Kort daarna ging zij op bedevaart naar Westminster, waar zij dit wonder bekendmaakte en vertelde hoe zij genezen was. Er was ook een monnik van Westminster die gewoon was dagelijks vijf psalmen te bidden ter ere van God en de H. Eduard. Deze monnik leed aan drie verschillende ziekten. Aan zijn arm had hij een ophoping van gestold bloed, die zich als een ettergezwel voordeed. Bovendien leed hij aan een benauwdheid op de borst, waardoor hij nauwelijks adem kon halen. Zijn voet was zo ernstig gezwollen dat hij slechts met grote pijn kon lopen. Toen het jaarlijkse feest van de H. Eduard werd gevierd, zag hij hoe zijn medebroeders om middernacht naar de kerk gingen om de klokken te luiden. Hij was zeer bedroefd dat hij niet hetzelfde kon doen. Niettemin dwong hij zichzelf op te staan en naar de kerk te gaan, waar hij de zeven psalmen bad. Toen hij daarmee klaar was en zijn medebroeders opgewekt de klokken hoorde luiden, sprak hij in zijn gebed tot de H. Eduard: O mijn goede koning, ik smeek u voor mij te bidden, opdat ik de kracht mag ontvangen om te doen wat ik mijn medebroeders zie doen. Ik vertrouw mij geheel aan uw macht toe en geloof vast dat gij niet zult toelaten dat ik nog langer door deze ernstige ziekte word gekweld. Toen hij zijn gebed had beëindigd, stond hij op en ging naar de klokken om ze te luiden. Onmiddellijk barstte het gezwel aan zijn arm open. Nadat het bedorven vocht eruit was gevloeid, voelde hij dat hij van deze kwaal was genezen. Zijn hevigste pijn bevond zich nu in zijn borst. Daarom ging hij opnieuw bidden en dankte God en de H. Eduard voor zijn verlossing van het gezwel. Vervolgens bad hij zeer vurig dat hij ook van de ziekte aan zijn borst bevrijd mocht worden. Toen hij van zijn gebed opstond, bemerkte hij dat ook deze kwaal geheel verdwenen was. Nu bleef alleen de ziekte aan zijn voet over. Toen hij zich in de refter bij zijn medebroeders voegde, vertelde hij hun hoe hij van twee van zijn ziekten was verlost. Zij verwonderden zich zeer en smeekten de almachtige God en de H. Eduard dat hij ook van de kwaal aan zijn voet genezen mocht worden. Toen hij die avond naar bed ging, vertrouwde hij zich geheel toe aan de verdiensten van de H. Eduard. De volgende morgen voelde hij geen pijn meer. Hij bracht zijn hand naar zijn voet om te onderzoeken hoe het ermee gesteld was en bemerkte dat de zwelling verdwenen was. Vol vreugde sprong hij uit zijn bed en vertelde zijn medebroeders dat hij weer even gezond was als vroeger. Allen verheugden zich zeer en gingen met hem naar de kerk om de almachtige God en Zijn heilige belijder Eduard te loven en te danken voor deze wonderen en voor zijn verlossing van de drie ziekten. Daarom zij God in Zijn dienaar geprezen in alle eeuwigheid. Amen.

Terug naar inhoud

De kroon van de H. Eduard en de vervolging van de katholieke Kerk in Engeland

De H. Eduard de Belijder († 1066) behoorde tot de voornaamste patroonheiligen van het middeleeuwse Engelse koningschap. Zijn graf in Westminster Abbey werd een nationaal heiligdom. Engelse koningen vereerden hem als hun hemelse beschermer en de kroningsinsigniën werden vanouds met hem verbonden. De koninklijke kroning was diep geworteld in de katholieke liturgie, met de zalving van de vorst, de zegeningen en de H. Mis.

Westminster Abbey was oorspronkelijk de kerk van een benedictijnenabdij. De H. Eduard liet de abdijkerk in de elfde eeuw herbouwen en begiftigde het klooster rijkelijk. Eeuwenlang leefden en baden hier benedictijnen, die de dagelijkse eredienst verzorgden en zijn graf behoedden. De huidige abdijkerk werd grotendeels in de dertiende eeuw onder Hendrik III gebouwd, eveneens ter ere van de H. Eduard.

Ook Hendrik VIII was aanvankelijk een verdediger van het katholieke geloof. In 1521 schreef hij tegen Luther ter verdediging van de zeven sacramenten, waarvoor paus Leo X hem de titel Fidei Defensor, Verdediger van het Geloof, verleende. Maar na zijn breuk met Rome liet hij zich erkennen als het hoogste aardse hoofd van de Kerk in Engeland. Wie aan het pauselijk gezag trouw bleef, kon als verrader worden veroordeeld. Onder zijn slachtoffers bevonden zich de H. Thomas More en de H. John Fisher, die in 1535 ter dood werden gebracht.

Tussen 1536 en 1540 liet Hendrik VIII de kloosters van Engeland en Wales opheffen. Hun landerijen, hoeven, bossen, gebouwen, pachtinkomsten en kostbaarheden werden door de Kroon geconfisqueerd. De kloosterlingen verloren hun gemeenschappen. Sommigen ontvingen een pensioen, anderen moesten elders een bestaan zoeken. Talrijke kloostergebouwen werden geplunderd, afgebroken of voor wereldlijke doeleinden gebruikt. Ook altaren, relieken en heiligdommen werden geschonden. Het eeuwenoude kloosterleven, dat zo’n belangrijke plaats in het godsdienstige en maatschappelijke leven van Engeland had ingenomen, werd vrijwel geheel vernietigd.

Een groot deel van het geconfisqueerde kerkelijke bezit werd vervolgens verkocht of geschonken aan hovelingen, edelen, landheren en vermogende particulieren. Daarmee vond een van de grootste overdrachten van grondbezit uit de Engelse geschiedenis plaats. Talrijke families verwierven landgoederen en inkomsten die tevoren aan kloosters hadden toebehoord. Deze onteigening droeg wezenlijk bij aan de vermogensvorming van de Engelse landadel. Achter een deel van de latere rijkdom en aanzienlijke landgoederen van de Engelse bovenlaag lag aldus bezit dat aan de katholieke Kerk was ontnomen.

Ook Westminster Abbey werd getroffen. Op 16 januari 1540 werd de benedictijnenabdij opgeheven, haar bezit aan de Kroon overgedragen en de gemeenschap van 24 monniken ontbonden. De monniken werden niet als groep ter dood gebracht. Sommigen kregen een plaats in de nieuwe kerkelijke instelling, anderen ontvingen een pensioen. De schrijn van de H. Eduard werd van zijn kostbaarheden beroofd.

Onder de katholieke koningin Maria Tudor werd de benedictijnenabdij in 1556 hersteld en kreeg de H. Eduard zijn schrijn terug. Maar dit herstel duurde slechts enkele jaren. Elizabeth I maakte in 1559 opnieuw een einde aan het kloosterleven in Westminster. De monniken moesten vertrekken en sommigen weken uit naar het buitenland. Hun laatste abt, John Feckenham, weigerde zich aan de nieuwe kerkelijke regeling te onderwerpen. Hij werd herhaaldelijk gevangengezet en stierf in 1584 in gevangenschap.

Onder Elizabeth I werd de katholieke eredienst verboden en werden priesters die trouw bleven aan Rome vervolgd. Velen stierven de marteldood. Katholieken die weigerden de anglicaanse eredienst bij te wonen, werden met zware geldboeten en andere straffen getroffen. Ook onder latere protestantse vorsten werden katholieken door strafwetten, uitsluiting en vervolging getroffen. De volledige burgerlijke gelijkstelling zou nog eeuwen op zich laten wachten.

En toch bleef juist in Westminster het graf van de H. Eduard behouden. Meer nog, de protestantse monarchie bleef vasthouden aan zijn naam en aan de kroningstraditie die in de katholieke middeleeuwen was ontstaan. De oorspronkelijke kroningskroon werd in 1649 onder het republikeinse bewind vernietigd. Bij het herstel van de monarchie liet Karel II in 1661 een nieuwe vervaardigen, die opnieuw St Edward’s Crown werd genoemd. Deze kroon wordt nog altijd bij de kroning van de Britse vorsten gebruikt. Op 6 mei 2023 werd zij op het hoofd van Karel III geplaatst.

De tegenstrijdigheid is opmerkelijk. Hendrik VIII, eens verdediger van het katholieke geloof, verbrak de gemeenschap met Rome, onteigende de kloosters en vervolgde degenen die aan de Kerk trouw bleven. Zijn protestantse opvolgers zetten de onderdrukking van de katholieken voort. De benedictijnen die eeuwenlang het graf van de H. Eduard hadden behoed, werden uit Westminster verdreven en hun laatste abt stierf in gevangenschap. Maar aan de naam van de heilige koning, zijn kroon en de plechtigheid die uit diezelfde katholieke traditie was voortgekomen, bleef de monarchie grote waarde hechten.

De Engelse monarchie verwierp de katholieke heiligenverering, maar behield de naam van een katholieke heilige op de kroon waarmee zij haar vorsten laat kronen. Zelfs de titel Fidei Defensor, die paus Leo X aan Hendrik VIII had verleend wegens zijn verdediging van de katholieke sacramenten, wordt nog altijd door de Britse monarch gevoerd.

Zo blijft bij de kroning in Westminster Abbey, vlak bij het graf van de H. Eduard, de katholieke oorsprong van het Engelse koningschap zichtbaar, terwijl de abdij die zijn verering eeuwenlang had onderhouden, door de Engelse Reformatie ten onder ging.

Terug naar inhoud

De schrijn van de H. Eduard de Belijder en de kapel van Hendrik V in Westminster Abbey
De schrijn van de H. Eduard de Belijder en de kapel van Hendrik V in Westminster Abbey. Illustratie uit 1904, uitgegeven door Adam & Charles Black.

De H. Eduard en Westminster Abbey

Volgens de oude levensbeschrijvingen had Eduard tijdens zijn ballingschap beloofd naar Rome te pelgrimeren indien hij de Engelse troon zou verkrijgen. Toen hij koning was geworden, wilden zijn raadgevers hem echter niet laten vertrekken. Zij vreesden dat zijn afwezigheid het koninkrijk in gevaar zou brengen. De kwestie werd aan paus Leo IX voorgelegd, die volgens de overlevering bepaalde dat Eduard in plaats van de bedevaart een klooster ter ere van de H. apostel Petrus moest herstellen en begiftigen. Eduard koos de bestaande benedictijnenabdij van Westminster, aan de Theems, ten westen van Londen. Omstreeks 1045 begon hij daar aan de bouw van een grote nieuwe abdijkerk in de Normandische romaanse stijl. Hij schonk het klooster bovendien landerijen en inkomsten, zodat de monniken de eredienst konden onderhouden. Op 28 december 1065 werd de kerk plechtig gewijd. Eduard was toen reeds ernstig ziek en kon de plechtigheid niet bijwonen. Op 5 januari 1066 stierf hij. De volgende dag werd hij begraven in de kerk die hij zelf had laten bouwen. Na zijn dood groeide zijn graf uit tot een plaats van verering. Aan zijn voorspraak werden wonderen toegeschreven en in 1161 werd hij door paus Alexander III heilig verklaard. In 1163 werden zijn relieken plechtig verheven. De benedictijnen van Westminster onderhielden zijn verering en bewaakten zijn graf. Koning Hendrik III, die een bijzondere verering voor de H. Eduard koesterde, besloot vervolgens de oude romaanse abdijkerk te vervangen door een grootse gotische kerk. In 1245 begonnen de werkzaamheden. De nieuwe kerk moest niet alleen een waardige plaats voor de koninklijke plechtigheden zijn, maar bovenal een luisterrijk heiligdom voor de relieken van de H. Eduard. In 1269 werden deze naar een nieuwe, rijkversierde schrijn achter het hoogaltaar overgebracht. Bij de opheffing van de benedictijnenabdij onder Hendrik VIII in 1540 werd ook de schrijn van zijn kostbaarheden beroofd. Onder de katholieke koningin Maria Tudor werd het heiligdom hersteld en keerden de benedictijnen terug. Elizabeth I maakte in 1559 opnieuw een einde aan hun kloosterleven. De katholieke verering zoals de monniken die eeuwenlang hadden onderhouden, verdween uit de officiële eredienst van Westminster. Toch bleef het graf van de H. Eduard bewaard. Zijn schrijn bevindt zich nog altijd achter het hoogaltaar, omgeven door de graven van Engelse koningen en koninginnen. Westminster Abbey behoort tegenwoordig tot de Kerk van Engeland en is geen benedictijnenabdij meer, hoewel zij haar oude naam heeft behouden. Zij is een zogenoemde Royal Peculiar, een kerk die rechtstreeks onder de Britse monarch valt en niet onder een diocesane bisschop. Ook nu nog worden de Britse vorsten in Westminster Abbey gekroond. De huidige gotische kerk is dus niet het gebouw dat Eduard zelf liet oprichten, maar zij staat op de plaats van zijn abdij en bewaart zijn graf. De katholieke koning die hier in 1066 werd begraven, wordt er nog altijd als stichter herdacht, terwijl de kroon die bij de Britse kroning wordt gebruikt zijn naam draagt.

Terug naar inhoud