18 juni – H. Efrem de Syriër, diaken, belijder en kerkleraar † 373
De heilige Efrem, diaken en kerkleraar, werd geboren te Nisibis in Mesopotamië. De monnik Efrem is vooral bekend als de grote dichter van de Syrische liturgie, die nog immer zijn hymnen zingt en hem begroet als de lier van de Heilige Geest (Romeins brevier).

Als jongeman kwam hij onder de leiding van de heilige Jacobus, bisschop van Nisibis, die hem liet dopen en hem vormde aan de beroemde school van Nisibis. Door zijn heiligheid en geleerdheid werd hij weldra aangesteld als leraar. Hij wijdde zich aan de verklaring van de Heilige Schrift en aan de verdediging van het katholieke geloof.
Na de val van Nisibis trok hij naar Edessa, waar hij als diaken leefde. Uit nederigheid weigerde hij het priesterschap. Zijn leven werd gekenmerkt door gebed, boete, studie en liefde voor de armen. Tijdens een zware hongersnood verzorgde hij zieken en noodlijdenden en zette hij de rijken ertoe aan hun overvloed met de behoeftigen te delen.
Zijn schitterende geschriften bezorgden hem reeds tijdens zijn leven grote faam. Vooral zijn hymnen ter ere van Onze Heer en de Heilige Maagd Maria behoren tot de kostbaarste schatten van de christenheid.
De heilige Efrem stierf te Edessa, rijk aan verdiensten. Paus Benedictus XV verhief hem in 1920 tot kerkleraar van de gehele Kerk.
De luister van zijn leer en van zijn leven heeft de gehele aarde verlicht, want hij is bekend op bijna iedere plaats waar de zon schijnt.
H. Gregorius van Nyssa
In 1920 verhief paus Benedictus XV de heilige Efrem de Syriër tot kerkleraar van de gehele Kerk. In zijn encycliek Principi Apostolorum Petro schetste hij het leven en de betekenis van deze grote diaken van Edessa, die door de christelijke oudheid werd vereerd als schriftverklaarder, dichter en leraar van het geloof.
De heilige Efrem de Syriër behoort tot de grote leraren van de christelijke oudheid. Paus Benedictus XV stelde hem voor als een schitterend voorbeeld van heiligheid, geleerdheid en vaderlijke liefde. Gregorius van Nyssa vergeleek hem met de rivier de Eufraat, omdat hij de christelijke gemeenschap door zijn wateren bevloeide en haar honderdvoudige vruchten van geloof deed voortbrengen. Ook Basilius, Chrysostomus, Hiëronymus, Franciscus van Sales en Alphonsus de Liguori hebben zijn lof verkondigd.
Efrem wordt door Benedictus XV naast de heilige Hiëronymus geplaatst. Beiden leefden bijna in dezelfde tijd, beiden waren monniken, beiden leefden in Syrië en beiden blonken uit door hun studie en kennis van de Heilige Schrift. Men mag hen vergelijken met twee schitterende lichten, waarvan het ene het Westen en het andere het Oosten verlichtte.
De geboorteplaats van Efrem wordt door sommigen gezocht in Nisibis en door anderen in Edessa. Zeker is dat hij verbonden was met de martelaren van de laatste vervolging. Zijn ouders voedden hem op in het christelijk geloof. Zij bezaten niet de rijkdommen van deze wereld, maar wel de grotere eer dat zij Christus voor de rechterstoel hadden beleden.
Efrem spreekt zelf met nederigheid over zijn jeugd. Hij bekent dat hij traag was in het weerstaan van de bekoringen die eigen zijn aan die leeftijd, opvliegend, lichtgeraakt, twistziek en ongebonden in woord en gedachte. Toen hij echter op valse beschuldiging in de gevangenis werd geworpen, begon hij de vergankelijke dingen en ijdele vreugden van deze wereld te verachten. Na zijn vrijspraak nam hij het monnikskleed aan en wijdde zich voortaan geheel aan de oefeningen van de godsvrucht en aan de studie van de Heilige Schrift.
Zijn beschermheer werd de heilige Jacobus, bisschop van Nisibis, een van de driehonderdachttien Vaders van het Concilie van Nicea. Jacobus had in zijn bisschopsstad een beroemde school voor de verklaring van de Heilige Schrift gesticht. Efrem beantwoordde aan de verwachtingen van zijn leermeester en overtrof deze door de vlijt en scherpzinnigheid van zijn Bijbelverklaringen. Zo werd hij de grootste uitlegger van die school en verwierf hij de titel Leraar der Syriërs.
Zijn studie werd onderbroken toen Perzische legers Nisibis bedreigden. Efrem spoorde de burgers aan tot standvastige weerstand. Door de gebeden van bisschop Jacobus werden de Perzen teruggeslagen. Na de dood van Jacobus werd de stad opnieuw belegerd. In het jaar 363 viel Nisibis in Perzische handen. Efrem verkoos de ballingschap boven het dienen van ongelovigen en trok naar Edessa. Daar oefende hij met grote ijver het ambt van kerkelijk leraar uit.
Het huis waarin hij op een heuvel buiten Edessa woonde, kreeg spoedig het aanzien van een beroemde school. Vele mannen kwamen er samen om de goddelijke boeken te bestuderen. Onder hen bevonden zich Zenobius, Maraba en de heilige Isaak van Amid, die vanwege de rijkdom en het gewicht van zijn geschriften de naam de Grote ontving. Vanuit deze eenzame verblijfplaats verspreidde zich de roem van Efrems geleerdheid en heiligheid.
Volgens de overlevering reisde Efrem naar Caesarea om Basilius de Grote te zien. Basilius vernam door goddelijke openbaring dat Efrem naderde, ontving hem met eerbied en sprak met hem over de goddelijke zaken. Volgens oude berichten was het bij deze gelegenheid dat Basilius Efrem tot diaken wijdde.
Efrem verliet zijn afzondering te Edessa slechts op vaste dagen om te prediken. In zijn prediking verdedigde hij de geloofsleer tegen de opkomende ketterijen. Omdat hij zich bewust was van zijn geringheid, durfde hij niet tot het priesterschap op te klimmen. In de lagere rang van het diaconaat toonde hij zich echter een volmaakte navolger van de heilige Stefanus. Hij wijdde zijn tijd aan de verklaring van de Heilige Schrift, aan de prediking en aan het onderricht van de maagden in de gewijde zang.
Dagelijks schreef hij verklaringen van de Bijbel om het katholieke geloof te verhelderen. Hij hielp zijn medeburgers, vooral de armen en de bedroefden. Wat hij anderen wilde leren, volbracht hij eerst zelf geheel en volmaakt. Zo werd hij een voorbeeld van wat de heilige Ignatius van Antiochië van de diakens zegt, wanneer hij hen noemt: dienaars van Christus, en wanneer hij van hen verlangt dat zij het geheim van het geloof bewaren in een zuiver geweten.
Bijzonder groot was zijn liefde tot de naaste tijdens een zware hongersnood. Hoewel hij reeds verzwakt was door ouderdom en arbeid, verliet hij het huis waarin hij zoveel jaren meer een hemels dan een menselijk leven had geleid, en haastte zich naar Edessa. Gregorius van Nyssa noemde zijn welsprekendheid een sleutel, door God gevormd om de harten en de schatkamers van de rijken te openen. Efrem berispte hen die graan achterhielden en eiste met kracht dat zij uit hun overvloed de armen zouden voeden.
De rijken werden bewogen door de oprechtheid van Efrem. Met het geld dat hij ontving, liet hij bedden plaatsen voor hen die door honger waren uitgeput. Hij bracht deze onder in de zuilengangen van Edessa. Daar verzorgde hij de zieken en ontving hij de pelgrims die van alle kanten naar de stad kwamen om brood te zoeken. Benedictus XV zegt dat deze man waarlijk door de goddelijke Voorzienigheid was gesteld tot hulp van zijn vaderland. Efrem keerde pas terug naar zijn afzondering toen de nieuwe oogst weer overvloed bracht.
Zijn testament noemt Benedictus XV gedenkwaardig om geloof, nederigheid en liefde voor zijn vaderstad. Efrem schreef daarin:
Ik, Efrem, sterf. Met vreze en eerbied smeek ik u, burgers van Edessa, mij niet onder het altaar of elders in het huis Gods te begraven. Het past niet dat een worm, vol bederf, wordt begraven in de tempel en het heiligdom van God. Leg mij neer in de tunica en mantel die ik dagelijks gebruikte en droeg. Begeleid mij met psalmen en gebeden.
Ook schreef hij:
Ik had geen beurs en geen staf, geen reiszak, geen zilver en geen goud. Ik heb niets aards verworven of bezeten.
Aan zijn leerlingen liet hij deze vermaning na:
Houdt u ijverig aan mijn voorschriften en leer. Wijkt als mijn leerlingen niet af van het katholieke geloof. Weest vooral standvastig in het geloof. Hoedt u voor tegenstanders, voor boosdoeners, grootsprekers en verleiders tot zonde. Moge uw stad gezegend zijn, want Edessa is de stad en moeder der wijzen.
Zo stierf Efrem, en zijn gedachtenis bleef leven tot zegen van de gehele Kerk. Toen zijn naam in de heilige liturgie werd opgenomen, kon Gregorius van Nyssa zeggen:
De luister van zijn leer en van zijn leven heeft de gehele aarde verlicht, want hij is bekend op bijna iedere plaats waar de zon schijnt.
Het is nauwelijks mogelijk zijn vele geschriften op te sommen. Men zegt dat hij, alles bijeen genomen, duizenden gedichten heeft geschreven. Zijn werken omvatten bijna de gehele kerkelijke leer. Er zijn verklaringen van de Heilige Schrift en van de geloofsmysteries, preken over de plichten van de christen en over het innerlijk leven, verhandelingen over de heilige liturgie, hymnen voor de feesten van Onze Heer, van de Heilige Maagd en van de heiligen, gezangen voor processies, boetedagen en uitvaarten.
In al deze werken straalt de zuiverheid van zijn ziel als een brandende en lichtende evangelische lamp. Door de waarheid te verklaren, maakt hij haar beminnelijk en trekt hij de harten tot haar aan. De heilige Hiëronymus getuigt dat de geschriften van Efrem in zijn tijd in de kerkelijke bijeenkomsten werden voorgelezen naast de werken van de orthodoxe Vaders en Kerkleraren. Hij zegt zelfs dat hij in de Griekse vertalingen van het Syrisch nog de verhevenheid van Efrems geest herkende.
Met recht wordt de zalige diaken van Edessa geëerd om zijn verlangen dat de verkondiging van het goddelijk woord en de vorming van zijn leerlingen zouden rusten op de zuiverheid van de Heilige Schrift. Hij verwierf eveneens roem als christelijk dichter en kerkmusicus. In beide kunsten was hij zo bedreven dat hij genoemd werd: de Lier van de Heilige Geest.
Benedictus XV wijst erop welke kunst de kennis van de heilige dingen bevordert. Efrem leefde onder een volk dat bijzonder gevoelig was voor de zoetheid van poëzie en muziek. De ketters van de tweede eeuw hadden deze aantrekkingskracht reeds gebruikt om hun dwalingen te verspreiden. Efrem deed wat de jonge David deed, toen hij Goliath versloeg met diens eigen zwaard. Hij stelde kunst tegenover kunst en bekleedde de katholieke leer met melodie en ritme. Deze gezangen leerde hij zorgvuldig aan jongens en meisjes, zodat uiteindelijk het gehele volk ze kende. Zo vernieuwde hij het onderricht van de gelovigen in de christelijke leer, ondersteunde hij hun godsvrucht met de geest van de heilige liturgie en hield hij de voortsluipende ketterij op afstand.
De kunst die Efrem in dienst van de Kerk stelde, verleende aan de heilige dingen bijzondere waardigheid. Het metrische ritme dat door hem werd verbreid, vond ingang bij Grieken en Latijnen. De traditie van antifonen, beurtzangen en processiegezangen, later bekend door Chrysostomus te Constantinopel en Ambrosius te Milaan, werd door kenners teruggevoerd op het Syrische antifonarium van Efrem. De oosterse zangwijze ontroerde de catechumeen Augustinus in Noord-Italië. Gregorius de Grote heeft haar vervolmaakt en de Kerk gebruikt haar nog steeds in rijkere vorm.
Vele Kerkvaders spreken met groot gezag over Efrem. Gregorius van Nyssa zegt van zijn geschriften:
Hij onderzocht de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament met de grootste nauwkeurigheid en verklaarde ze woord voor woord. Wat verborgen en duister was, vanaf de schepping der wereld tot het laatste boek van de genade, verlichtte hij door zijn verklaringen met het licht van de Geest.
Johannes Chrysostomus noemt hem:
De grote Efrem, gesel der tragen, trooster der bedroefden, opvoeder, leermeester en vermaner der jeugd, spiegel der monniken, leidsman der boetelingen, prikkel en angel der ketters, schatkamer der deugden, huis en verblijfplaats van de Heilige Geest.
Benedictus XV merkt op dat men nauwelijks iets groters kan zeggen tot lof van een mens. Toch was Efrem in eigen ogen klein. Hij noemde zich de geringste van allen en een zeer ellendige zondaar. God, die de nederigen verheft, schonk grote glorie aan zijn dienaar en stelde hem aan de Kerk voor als leraar van hemelse wijsheid en voorbeeld van uitgelezen deugden.
Benedictus XV wil dat allen die de leer van Christus verkondigen, van Efrem leren met hoeveel bekwaamheid en ijver zij hun taak moeten verrichten. De godsvrucht van de gelovigen bezit slechts dan vastheid en vrucht wanneer zij geheel steunt op de mysteries en voorschriften van het geloof. Wie de Heilige Schrift uitleggen, worden door het voorbeeld van de diaken van Edessa gewaarschuwd de Schrift niet naar eigen smaak te verdraaien en bij haar verklaring niet af te wijken van de vaste uitleg van de Kerk.
Daarom haalt de paus het woord van de apostel aan:
Geen profetie der Schrift komt voort uit eigen uitlegging. Want nooit werd een profetie voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest.
Dezelfde Geest die door de profeten tot de mensen heeft gesproken, opende voor de Apostelen het verstand om de Schriften te begrijpen. Diezelfde Geest heeft de Kerk gesteld om de openbaring te verkondigen, uit te leggen en te bewaren, opdat zij zou zijn de pijler en grondslag van de waarheid.
Ook de monniken wijst Benedictus XV op Efrem. De kinderen van de kloosterorden moeten de waardigheid bewaren die in het Oosten met Antonius en Basilius is opgekomen en later in het Westen vrucht heeft gedragen. Zij moeten blijven opzien naar de kluizenaar van Edessa. De monnik dient de Kerk het meest wanneer hij toont wat zijn kleed betekent voor God en mensen. Volgens een oud woord van de oosterse Vaders moet hij zijn: een zoon van het verbond. De zalige Nilus de Jongere noemt hem: een engel wiens zending barmhartigheid, vrede en het offer van lofprijzing is.
Van Efrem leert men ook dat de liefde voor het vaderland niet gescheiden mag worden van de liefde voor het hemels vaderland, en daaraan niet boven gesteld mag worden. Dat hemels vaderland is de innerlijke heerschappij van God in de zielen der rechtvaardigen, hier begonnen en in de hemel voltooid. De katholieke Kerk toont daarvan een mystiek beeld, omdat zij alle verschillen van volk en taal overstijgt en alle kinderen van de Heer omvat als één gezin onder één gemeenschappelijke vader en herder.
Efrem leert verder dat de bronnen van het geestelijk leven liggen in de sacramenten, in de onderhouding van de evangelische geboden en in de vele oefeningen van godsvrucht die de liturgie schenkt en het gezag van de Kerk voorhoudt. Over het heilig Misoffer schrijft hij:
Met zijn handen plaatst de priester Christus op het altaar om tot voedsel te worden. Hij spreekt tot de Vader als een huisgenoot en zegt: Geef mij uw Geest, opdat Hij bij zijn komst nederdale op het altaar en het brood dat daarop is neergelegd heilige, zodat het het Lichaam worde van uw eniggeboren Zoon.
En verder:
Hij spreekt tot Hem over het lijden en de dood van Christus en toont Hem zijn wonden. De godheid schaamt zich niet voor die wonden. Hij zegt tot de onzichtbare Vader: Zie, uw Zoon is aan het kruis genageld, zijn klederen zijn met bloed besprenkeld, zijn zijde is doorboord met een lans. Hij herinnert Hem aan het lijden en de dood van zijn Beminde, alsof Hij die vergeten was, en de Vader hoort en verhoort zijn gebed.
Ook over de toestand van de rechtvaardigen na de dood spreekt Efrem in woorden die de vaste leer van de Kerk ondersteunen:
De overledene is door de Heer weggenomen en reeds binnengeleid in het hemels koninkrijk. De ziel van de overledene wordt in de hemel ontvangen en als een parel ingevoegd in de kroon van Christus. De overledene woont reeds nu bij God en zijn heiligen.
Over zijn godsvrucht tot de Maagd en Moeder Gods zegt Benedictus XV dat men daarover nauwelijks genoeg kan spreken. Efrem zingt in een Nisibeense hymne:
Gij, Heer, en uw Moeder zijt de enigen die in alle opzichten volmaakt schoon zijt. In U, mijn Heer, is geen smet, en in uw Moeder geen enkele vlek.
Daarom schrijft Benedictus XV:
De Lier van de Heilige Geest heeft nooit zo zoet geklonken als wanneer zij de lof van Maria bezong, haar volmaakte maagdelijkheid vierde, haar goddelijk moederschap verkondigde en haar volle barmhartige bescherming over de mensen bezong.
Efrem verheerlijkt eveneens het primaatschap van de heilige Petrus. Vanuit Edessa richt hij zich tot de Vorst der Apostelen met de woorden:
Wees gegroet, o Petrus, poort der zondaars, tong der leerlingen, stem der predikers, oog der apostelen, bewaker van de hemel, eerstgeborene onder de dragers der sleutels.
Elders zegt hij:
Zalig zijt gij, o Petrus, hoofd en tong van het lichaam uwer broeders. De ware openbaring van de Vader wijst Petrus aan, die de vaste steenrots wordt.
In een andere hymne laat hij de Heer Jezus tot zijn eerste plaatsbekleder op aarde spreken:
Simon, mijn leerling, Ik heb u gemaakt tot fundament van de heilige Kerk. Ik heb u steenrots genoemd, omdat gij heel mijn gebouw zult dragen. Gij zijt de opzichter over hen die voor Mij een kerk bouwen op aarde. Indien zij iets willen bouwen dat verboden is, weerhoud hen, want gij zijt het fundament. Gij zijt het hoofd van de bron waaruit mijn leer wordt geput. Gij zijt het hoofd van mijn leerlingen. Door u zullen alle volkeren drinken. U behoren de levendmakende zoetheden die Ik schenk. Ik heb u gekozen als eerstgeborene in mijn instelling en als erfgenaam van al mijn schatten. De sleutels van het Koninkrijk heb Ik u gegeven, en zie, Ik stel u aan als vorst over al mijn schatten.
Benedictus XV besluit dat de Oosterse Vaders de heilige Efrem steeds hebben beschouwd als leraar van de waarheid en geïnspireerde leraar van de katholieke Kerk. Zijn gezag had van het begin af groot gewicht, niet alleen bij de Syriërs, maar ook bij Chaldeeën, Armeniërs, Maronieten en Grieken. Zij vertaalden zijn geschriften in hun eigen talen en lazen ze ijverig, zowel in de liturgie als in de huizen. Zijn gezangen waren ook bekend bij Slaven, Kopten, Ethiopiërs en zelfs bij Jakobieten en Nestorianen.
Ook de Kerk van Rome had hem reeds lang geëerd. Sinds oude tijden werd Efrem in het Romeins Martyrologium herdacht, met bijzondere lof voor zijn heiligheid en geleerdheid. In de zestiende eeuw werd op de Viminaal te Rome een kerk gebouwd ter ere van de Heilige Maagd en de heilige Efrem. Pausen Gregorius XIII en Benedictus XIV lieten zijn werken verzamelen, uitgeven en publiceren om het katholieke geloof te verduidelijken en de godsvrucht van de gelovigen te voeden. In 1909 keurde de heilige Pius X voor de benedictijnen van de priorij van Sint-Benedictus en Sint-Efrem te Jeruzalem een eigen Mis en Officie goed ter ere van deze heilige diaken van Edessa.
Daarom verleende Benedictus XV, na de Heilige Geest te hebben aangeroepen, krachtens zijn hoogste gezag aan de heilige Efrem de Syriër, diaken van Edessa, de titel en waardigheid van Kerkleraar van de gehele Kerk. Hij bepaalde dat zijn feestdag, 18 juni, overal gevierd zou worden waar ook de feestdagen van de andere Kerkleraren van de gehele Kerk worden gevierd.
De Kerk vereert de heilige Efrem daarom als diaken van Edessa, Leraar der Syriërs, dichter van de goddelijke mysteries, verdediger van de katholieke leer, zanger van Maria, getuige van Petrus en Lier van de Heilige Geest.
De eerste hymne over de parel
Op een zekere dag nam ik, mijn broeders, een parel ter hand. Ik aanschouwde daarin de verborgenheden van het Koninkrijk, de beelden en voorafbeeldingen van de goddelijke Majesteit. Zij werd voor mij een bron, en ik dronk daaruit de geheimen van de Zoon.
Ik legde haar in de palm van mijn hand om haar te onderzoeken. Ik beschouwde haar van één zijde, maar zij vertoonde zich van alle zijden. Toen begreep ik dat de Zoon ondoorgrondelijk is, omdat Hij geheel en al Licht is.
In haar glans aanschouwde ik de Stralende, die door geen duisternis kan worden verduisterd. In haar zuiverheid zag ik een groot mysterie, namelijk het allerzuiverste Lichaam van onze Heer. In haar onverdeeldheid aanschouwde ik de Waarheid, die onverdeeld is.
Zo zag ik daarin de Kerk en de Zoon in haar. De wolk was het beeld van haar die Hem heeft gedragen, en de hemel haar voorafbeelding, want uit haar straalde zijn genadig Licht.
Ik zag daarin zijn triomfen, zijn overwinningen en zijn kronen. Ik zag zijn overvloedige weldaden, zijn verborgen geheimen en zijn geopenbaarde gaven.
Zij was voor mij groter dan de ark, en ik stond verbaasd. Ik zag daarin vormen zonder schaduw, omdat zij een dochter van het licht was, sprekende beelden zonder tong, verkondigingen van mysteries zonder lippen, een zwijgende harp die zonder stem haar melodieën liet horen.
De bazuin faalt en de donder mompelt. Wees daarom niet vermetel. Laat rusten wat verborgen is en neem aan wat geopenbaard is.
Zoals het manna alleen het volk verzadigde en het in plaats van allerlei spijzen vervulde met zijn zoetheid, zo vervult deze parel mij in plaats van boeken, hun lezing en hun uitleg.
Toen ik vroeg of er nog andere mysteries waren, had zij geen mond waaruit ik kon horen, noch oren waarmee zij mij kon verstaan. O gij wezen zonder zintuigen, van wie ik nieuwe zintuigen heb ontvangen!
Zij antwoordde mij en sprak: Ik ben een dochter van de zee, van de onmetelijke zee. Uit die zee ben ik opgekomen, en uit haar draag ik in mijn schoot een machtige schat van mysteries. Doorgrond de zee, maar doorgrond niet de Heer van de zee.
Ik heb velen gezien die na mij afdaalden, verbijsterd door wat zij aanschouwden. Vanuit het midden van de zee keerden zij terug naar het droge land, want zij konden haar diepten niet lang verdragen. Wie zou blijven voortzoeken in de afgronden van de Godheid?
De golven van de Zoon zijn vol zegeningen, maar ook ontzagwekkend. Wanneer een schip tegen de golven strijdt, wordt het verbrijzeld. Wanneer het zich echter aan hen overgeeft en zich niet tegen hen verzet, wordt het behouden.
In de zee kwamen alle Egyptenaren om, hoewel zij haar niet onderzochten. Ook de Hebreeën werden op het droge beproefd. Hoe zult gij dan behouden blijven? De mannen van Sodom werden door het vuur verteerd. Hoe zult gij standhouden?
Bij deze beroeringen werden de vissen van de zee verschrikt, ja zelfs Leviathan. Hebt gij dan een hart van steen, dat gij deze dingen leest en toch in dezelfde dwalingen vervalt?
Grote vrees moet ons vervullen, dat het oordeel zo lang heeft gezwegen.
Onderzoekzucht vermengt zich met dankzegging. Welke van beide zal de overhand hebben?
De wierook van lofprijzing stijgt op samen met de rook van twistgesprekken uit dezelfde tong. Naar welke van beide zullen wij luisteren?
Gebed en nieuwsgierig speuren komen voort uit dezelfde mond. Welke stem zullen wij volgen?
Drie dagen lang was Jona een gast van de zee. De levende schepselen van de zee werden bevreesd en zeiden: Wie kan voor God vluchten?
Jona vluchtte, en gij volhardt nog steeds in het doorvorsen van Hem.