17 oktober – H. Margaretha Maria Alacoque, maagd † 1690
De H. Margaretha Maria Alacoque werd in 1647 geboren in Bourgondië. In 1671 trad zij in bij de orde der Visitatie te Paray-le-Monial, waar zij op 6 november 1672 haar geloften aflegde. Vanaf 1673 ontving zij de openbaringen van het Allerheiligst Hart van Jezus. Ondanks veel tegenstand ijverde zij voor de verbreiding van deze godsvrucht, in het bijzonder de eerstevrijdagcommunie, het Heilig Uur en het eerherstel aan het Allerheiligste Sacrament. Zij werd hierin gesteund door haar geestelijk leidsman, de H. Claude de la Colombière. Zij overleed op 17 oktober 1690 te Paray-le-Monial en werd in 1920 door paus Benedictus XV heilig verklaard.
Het leven van de H. Margaretha Maria Alacoque
De eerste afbeelding van het Heilig Hart, 1685
De betekenis van de Heilig-Hartdevotie
De grote openbaring van 1675
De eerste vrijdagen en de grote belofte
Het Heilig Uur en het eerherstel
De kerkelijke erkenning en verbreiding
De persoonlijke toewijding aan het Heilig Hart
Het gebed van de H. Margaretha Maria
Haar volledige toewijdingsgebed

Jeugd en roeping
De H. Margaretha Maria Alacoque werd op 22 juli 1647 geboren in L’Hautecour, een dorp in Bourgondië, als dochter van de koninklijke notaris Claude Alacoque en Philiberte Lamyn. Reeds als kind had zij een bijzondere verering voor het Allerheiligste Sacrament en de Heilige Maagd Maria. Haar vader overleed toen zij acht jaar oud was. Kort daarna werd zij voor haar opvoeding toevertrouwd aan de clarissen van Charolles, waar zij op negenjarige leeftijd haar eerste Heilige Communie ontving. Een langdurige ziekte maakte na twee jaar een einde aan haar verblijf in het klooster. Gedurende ongeveer vier jaar kon zij nauwelijks lopen. In haar autobiografie vertelt zij dat zij zich aan de Heilige Maagd toewijdde en beloofde later haar dochter te worden als zij genezing mocht ontvangen. Volgens haar eigen getuigenis genas zij kort daarop. Na haar terugkeer naar huis volgden moeilijke jaren. Haar moeder had het beheer van het huishouden aan familieleden overgelaten, waardoor beiden vrijwel geheel van anderen afhankelijk werden. Soms moest Margaretha toestemming vragen om naar de kerk te gaan. Zij trok zich geregeld terug in de tuin of de stal om te bidden. Toen haar moeder ernstig ziek werd en een ontsteking in haar gezicht een grote wond had veroorzaakt, verzorgde Margaretha haar zelf. Hoewel zij vroeger nauwelijks een wond kon aanzien, overwon zij haar afkeer en bleef zij haar moeder verplegen totdat deze herstelde. Zij bekommerde zich ook om arme kinderen uit de omgeving. Met kleine geschenken wist zij hen bijeen te brengen om hun de catechismus en de gebeden te leren. In de winter waren het er soms zoveel dat zij nauwelijks een geschikte ruimte kon vinden. Haar familie hoopte dat zij zou trouwen. Er kwamen verschillende huwelijksaanzoeken, terwijl vooral haar moeder haar moeilijk kon missen. Margaretha had echter reeds op jonge leeftijd het voornemen gemaakt haar leven aan God toe te wijden. Zij bleef bij haar besluit, hoewel het nog jaren zou duren voordat zij kon intreden.
Het klooster van Paray-le-Monial
Op 20 juli 1671 trad zij, vierentwintig jaar oud, binnen bij de zusters van de Visitatie van Onze-Lieve-Vrouw te Paray-le-Monial. Deze orde was gesticht door de H. Franciscus van Sales en de H. Johanna Francisca de Chantal. Toen zij het klooster voor het eerst bezocht, was zij onmiddellijk overtuigd dat dit haar plaats was. Na haar intrede ondervond zij echter nieuwe moeilijkheden. Haar sterke neiging tot gebed en versterving ging gepaard met een grote behoefte aan leiding en gehoorzaamheid. Haar oversten beproefden haar daarom herhaaldelijk en droegen haar eenvoudige werkzaamheden op. Een opmerkelijke gebeurtenis uit haar noviciaat beschrijft zij zelf. Tijdens de retraite vóór haar professie moest zij in de kloostertuin op een ezel en zijn jong passen. De dieren mochten niet worden vastgebonden, maar moesten binnen een klein gedeelte van de tuin blijven. Zij bezorgden haar daarmee de hele dag werk. Toch schreef zij later dat zij met deze nederige bezigheid zo tevreden was geweest dat zij haar desnoods haar hele leven had willen verrichten. Op 6 november 1672 legde Margaretha Maria haar eeuwige geloften af.
De openbaringen van het Heilig Hart
Op 27 december 1673, het feest van de H. Johannes de Evangelist, bevond Margaretha Maria zich in gebed voor het Allerheiligste Sacrament. Volgens haar eigen verslag openbaarde Christus haar toen voor het eerst op bijzondere wijze zijn goddelijk Hart. Zij beschrijft hoe de Verlosser haar liet rusten aan zijn borst en haar de rijkdom van zijn liefde voor de mensen bekendmaakte. Daarbij ontving zij, naar haar getuigenis, de opdracht die liefde bekend te maken. In de jaren 1674 en 1675 volgden andere openbaringen. Christus toonde haar zijn Hart, omgeven door vlammen, met de wond, het kruis en de doornenkroon. Daarmee werd de voorstelling van het Heilig Hart verbonden die later over de gehele katholieke wereld bekend zou worden. Bij deze openbaringen ontving zij ook de opdracht tot eerherstel voor de beledigingen die Christus worden aangedaan, bijzonder in het Allerheiligste Sacrament. Zij moest de Heilige Communie ontvangen op de eerste vrijdag van de maand en in de nacht van donderdag op vrijdag een uur bidden ter gedachtenis aan de doodsangst van Christus in de Hof van Olijven. Hieruit ontstond de oefening van het Heilig Uur. De bekendste openbaring vond plaats in juni 1675, gedurende het octaaf van Sacramentsdag. Christus liet haar zijn Hart zien en sprak over de liefde waarmee Hij de mensen had liefgehad, ondanks hun ondankbaarheid, oneerbiedigheid en heiligschennissen. Hij verlangde dat de vrijdag na het octaaf van Sacramentsdag aan een bijzonder feest ter ere van zijn Heilig Hart zou worden gewijd. Op die dag moesten de gelovigen Hem eerherstel brengen, vooral door de Heilige Communie. Margaretha Maria moest deze verlangens aan haar oversten en geestelijke leidsman bekendmaken.
Beproevingen en de H. Claude de la Colombière
Haar mededelingen werden aanvankelijk met grote terughoudendheid ontvangen. Sommige zusters hielden haar voor een dweepster en ook verschillende geestelijken vertrouwden haar buitengewone ervaringen niet. Haar oversten onderzochten haar streng en stonden haar niet toe zonder toestemming nieuwe godsdienstige oefeningen in te voeren. In 1675 kwam de jezuïet Claude de la Colombière als overste van de jezuïetenresidentie naar Paray-le-Monial. Hij werd haar biechtvader en geestelijk leidsman. Na onderzoek van haar mededelingen raakte hij overtuigd van de goddelijke oorsprong van haar opdracht. Op 21 juni 1675 wijdde pater de la Colombière zich persoonlijk toe aan het Heilig Hart van Jezus. Hij zou een belangrijke rol spelen bij de verbreiding van deze devotie. Ook in deze jaren bleef Margaretha Maria onderworpen aan de gewone kloostertucht. Juist de gehoorzaamheid werd een wezenlijk onderdeel van haar geestelijk leven. In haar autobiografie schrijft zij dat Christus haar had geleerd de wil van haar oversten te volgen, zelfs wanneer deze haar de uitvoering van een vermeende goddelijke opdracht verboden. De H. Claude de la Colombière vertrok later naar Engeland, maar keerde wegens zijn slechte gezondheid terug naar Paray-le-Monial. Daar overleed hij op 15 februari 1682.
De eerste verering in het klooster
In 1684 werd Margaretha Maria belast met de leiding van de novicen. Daarmee kreeg zij de gelegenheid jonge zusters vertrouwd te maken met de verering van het Heilig Hart. Op 20 juli 1685, het feest van de H. Margaretha, richtten de novicen een kleine hulde aan het Heilig Hart in. Zij hadden daarvoor een eenvoudige afbeelding versierd en brachten er hun eerbewijzen aan. Enkele oudere zusters wezen deze nieuwe devotie echter af. Zij vonden dat de novicen zich moesten houden aan de bestaande kloosterregel en geen nieuwe oefeningen mochten invoeren. Een jaar later kwam de ommekeer. Juist een van de zusters die zich eerder had verzet, zuster Marie-Madeleine des Escures, stelde voor in het koor een kleine afbeelding van het Heilig Hart ter verering op te stellen. Op vrijdag 21 juni 1686 werd daarvoor een stoel met een kleed tot een eenvoudig altaar ingericht. De afbeelding stond in een vergulde lijst, omgeven door bloemen. De zusters kwamen bijeen om het Heilig Hart hun hulde te brengen. Niet lang daarna besloot de gemeenschap een eigen kapel ter ere van het Heilig Hart te bouwen. Zo begon de openbare verbreiding van de devotie binnen de orde van de Visitatie. Door brieven, afbeeldingen en de geschriften van geestelijken, onder wie de jezuïet Jean Croiset, zou zij zich verder verspreiden. De historische afbeelding uit 1685 is hieronder opgenomen.
Haar laatste jaren en overlijden
In haar laatste levensjaren bleef Margaretha Maria werkzaam binnen de kloostergemeenschap. Zij was dikwijls ziek en onderging haar kwalen zonder veel te klagen. Haar oversten beperkten uiteindelijk haar lichamelijke verstervingen vanwege haar zwakke gezondheid. Op 22 juli 1690, haar drieënveertigste verjaardag, begon zij een bijzondere geestelijke retraite van veertig dagen. In oktober werd zij opnieuw ziek. Hoewel de geneesheer aanvankelijk geen onmiddellijk levensgevaar zag, verklaarde zij zelf dat haar einde nabij was. Op 16 oktober ontving zij voor de laatste maal de Heilige Communie. Tijdens haar laatste ziekte vroeg zij dat haar brieven en het geschrift waarin zij op bevel van haar biechtvader haar leven had beschreven, zouden worden verbrand. Zij wilde dat de buitengewone genaden die zij ontvangen had, verborgen zouden blijven. Haar vroegere novice, zuster Claude-Rosalie de Farges, voerde dit verzoek niet uit, waardoor haar autobiografie bewaard bleef. Op dinsdag 17 oktober 1690 stierf Margaretha Maria Alacoque in het klooster van Paray-le-Monial, terwijl de priester haar het Heilig Oliesel toediende. Volgens de getuigenissen sprak zij bij haar sterven de heilige Naam van Jezus uit. Het bericht van haar overlijden verspreidde zich snel door de stad. Talrijke gelovigen kwamen naar het klooster om haar lichaam te vereren. Op 18 oktober werd zij begraven onder het koor van de kloosterkerk. Paus Pius IX verklaarde haar zalig op 18 september 1864. Haar heiligverklaring volgde op 13 mei 1920 door paus Benedictus XV. De H. Margaretha Maria wordt bijzonder vereerd als apostel van het Heilig Hart van Jezus. Haar leven en geschriften zijn nauw verbonden met de verbreiding van de Heilig-Hartdevotie, de eerstevrijdagcommunie, het Heilig Uur en het eerherstel aan het Allerheiligste Sacrament.

De eerste afbeelding van het Heilig Hart, 1685
Deze pentekening is verbonden met de eerste gemeenschappelijke verering van het Heilig Hart door de novicen van Margaretha Maria op 20 juli 1685. Het Hart is omgeven door een doornenkroon. Het woord Charitas duidt de liefde van Christus aan. Het oorspronkelijke blad wordt bewaard bij de Visitatiezusters te Turijn. De toeschrijving aan Margaretha Maria zelf is niet met zekerheid vastgesteld.

Het voorwerp van de Heilig-Hartverering
De verering van het Allerheiligste Hart van Jezus richt zich op het werkelijke menselijke Hart van de Verlosser, dat onafscheidelijk verenigd is met de goddelijke Persoon van het mensgeworden Woord. Dit Hart wordt vereerd als het bijzondere teken van zijn oneindige liefde voor de hemelse Vader en voor de mensen. Die liefde openbaarde zich gedurende zijn aardse leven, bovenal in zijn lijden en kruisdood en in de instelling van het Allerheiligste Sacrament. De Heilig-Hartdevotie heeft daarom twee wezenlijke kenmerken: de liefde van Christus beantwoorden en Hem eerherstel brengen voor de beledigingen die Hij ontvangt. De verering van het Hart van Jezus bestond reeds lang vóór Margaretha Maria. Onder anderen de H. Gertrudis en de H. Mechtildis hadden deze godsvrucht beoefend, terwijl de H. Johannes Eudes haar in de zeventiende eeuw ook liturgisch bevorderde. Door de openbaringen aan Margaretha Maria kreeg zij echter een nieuwe verbreiding en een meer bepaalde vorm.
De grote openbaring van 1675
In juni 1675, gedurende het octaaf van Sacramentsdag, bevond Margaretha Maria zich in aanbidding voor het Allerheiligste Sacrament. Zij verlangde Christus te danken voor zijn liefde en Hem liefde voor liefde terug te geven. Volgens haar eigen getuigenis liet Hij haar daarop zijn goddelijk Hart zien en sprak: Ziehier het Hart, dat de mensen zozeer heeft liefgehad, dat niets heeft gespaard om zijn liefde te betuigen. Christus verklaarde vervolgens dat Hij zichzelf geheel had gegeven om zijn liefde te bewijzen, maar van de meeste mensen slechts ondankbaarheid ontving. Hij noemde de oneerbiedigheid en heiligschennissen, de koudheid en minachting tegenover Hem in het Allerheiligste Sacrament. Vooral bedroefde Hem dat ook zielen die Hem bijzonder waren toegewijd, Hem zo behandelden. Daarom verlangde Hij dat de eerste vrijdag na het octaaf van Sacramentsdag aan een bijzonder feest ter ere van zijn Heilig Hart zou worden gewijd. De gelovigen moesten op die dag de Heilige Communie ontvangen en eerherstel brengen voor de beledigingen die Hem werden aangedaan, in het bijzonder gedurende de uitstelling van het Allerheiligste Sacrament. Christus beloofde overvloedige genaden van zijn goddelijke liefde aan degenen die zijn Hart zouden vereren en deze verering zouden bevorderen. Margaretha Maria antwoordde dat zij zich te gering en onwaardig achtte voor een dergelijke opdracht. Christus verwees haar daarop naar de geestelijke leidsman die Hij haar had gezonden, pater Claude de la Colombière. Deze onderzocht haar mededelingen en liet haar opschrijven wat zij tijdens de openbaring had vernomen. De afzonderlijke grote belofte betreffende de negen opeenvolgende eerste vrijdagen werd pas later, in een brief uit mei 1688, door Margaretha Maria opgetekend. Haar gebed tot het Heilig Hart is verderop opgenomen.
De eerste vrijdagen en de grote belofte
Een belangrijke oefening van deze devotie is de Heilige Communie op de eerste vrijdag van iedere maand. De vrijdag herinnert aan de dag waarop Christus aan het Kruis stierf en zijn zijde door de lans werd geopend. De Communie wordt ontvangen ter ere van zijn Heilig Hart en als eerherstel voor de beledigingen die Hem worden aangedaan, in het bijzonder tegenover het Allerheiligste Sacrament. Bijzonder bekend werd de oefening van de negen achtereenvolgende eerste vrijdagen. De afzonderlijke grote belofte behoort niet tot de openbaring van 1675. In een brief aan moeder de Saumaise uit mei 1688 vermeldde Margaretha Maria de belofte die Christus volgens haar getuigenis aan deze oefening had verbonden. Aan degenen die op negen opeenvolgende eerste vrijdagen de Heilige Communie ontvangen, zou Hij de genade van het laatste berouw schenken en zijn Hart een veilige toevlucht zijn in het stervensuur. Deze belofte wordt gewoonlijk de grote belofte genoemd. Zij mag niet worden opgevat als een automatische verzekering van het eeuwige heil. De Communie moet waardig worden ontvangen, in staat van genade en met de bedoeling Christus’ Hart te vereren. De oefening dient juist om de gelovige te brengen tot een trouw sacramenteel leven, oprechte bekering en volharding in het goede.
Het Heilig Uur en het eerherstel
Naast de eerstevrijdagcommunie ontving Margaretha Maria de opdracht om in de nacht van donderdag op vrijdag, tussen elf uur en middernacht, een uur met Christus te waken. Dit gebed moest worden opgedragen ter gedachtenis aan zijn doodsangst in de Hof van Olijven, toen Hij door zijn leerlingen verlaten werd en zich geheel onderwierp aan de wil van zijn hemelse Vader. Daaruit ontstond de oefening van het Heilig Uur, die later ook in kerken en kloosters werd gehouden, dikwijls voor het uitgestelde Allerheiligste Sacrament. Het eerherstel dat hiermee verbonden is, betekent dat de gelovige door gebed, boete, aanbidding en vrijwillig gebrachte offers de ondankbaarheid tegenover Christus tracht goed te maken. Het gaat daarbij niet om een aanvulling op het volmaakte verlossingsoffer van Christus, maar om een liefdevolle vereniging met zijn offer. In het bijzonder wordt eerherstel gebracht voor de oneerbiedigheid tegenover de Eucharistie en voor de zonden waardoor de goddelijke liefde wordt miskend. Ook haar gebed tot het Heilig Hart getuigt van deze godsvrucht.
De erkenning en verbreiding door de Kerk
De verbreiding van de Heilig-Hartdevotie ondervond aanvankelijk aanzienlijke tegenstand. Dankzij de H. Claude de la Colombière en andere jezuïeten, onder wie pater Jean Croiset, kreeg zij echter steeds meer bekendheid. Croiset publiceerde in 1691, kort na de dood van Margaretha Maria, een uitvoerige uiteenzetting over de betekenis en beoefening van deze godsvrucht. De Visitatiekloosters speelden eveneens een belangrijke rol bij haar verspreiding. In 1765 stond paus Clemens XIII de liturgische viering van het Heilig Hart toe aan de bisschoppen van Polen en de Romeinse aartsbroederschap van het Heilig Hart. In de daaropvolgende jaren werd het feest ook op andere plaatsen toegestaan. Paus Pius IX breidde het op 23 augustus 1856 uit tot de gehele Kerk. Daarmee kreeg de Heilig-Hartdevotie een vaste plaats in de Romeinse liturgie. De Kerk erkende hierin geen nieuwe geloofsleer, maar een bijzondere aansporing om de reeds geopenbaarde liefde van Christus inniger te overwegen, te vereren en te beantwoorden.
De persoonlijke toewijding aan het Heilig Hart
Een andere belangrijke oefening is de persoonlijke toewijding aan het Heilig Hart. Daarmee stelt de gelovige zijn gehele leven onder de heerschappij van Christus en draagt hij Hem zijn gedachten, woorden, werken, vreugden en lijden op. De toewijding is dus niet slechts een gebed voor een bijzondere gelegenheid, maar een belofte om voortaan geheel voor Christus te leven. Margaretha Maria heeft zelf een dergelijke toewijding opgesteld. Zij verklaart daarin dat zij geheel aan het Heilig Hart wil toebehoren, zich van alles wil afkeren wat Hem mishaagt en al haar vertrouwen stelt op zijn barmhartigheid. De toewijding werd later ook toegepast op huisgezinnen en godsdienstige gemeenschappen. Zij behoort met de eerstevrijdagcommunie en het Heilig Uur tot de meest kenmerkende oefeningen van de Heilig-Hartdevotie. Haar volledige oefening van toewijding aan het Heilig Hart is hieronder opgenomen.
Gebed van de H. Margaretha Maria Alacoque
O liefdevol Hart van onze Heer Jezus Christus, U verwondt harten die harder zijn dan steen, U verwarmt geesten die kouder zijn dan ijs en U bent in staat een gemoed te vertederen dat harder is dan diamant. Verwond daarom, mijn beminnenswaardige Verlosser, mijn hart door uw heilige wonden, maak mijn ziel dronken met uw bloed, zodat ik, waarheen ik mij ook wend, niets anders kan zien dan mijn goddelijke Gekruisigde, en alles wat ik zie mij door uw bloed gekleurd zal toeschijnen. Goede Jezus, maak dat mijn hart geen rust vindt voordat het U heeft gevonden, U, die zijn middelpunt bent, zijn liefde en zijn geluk. Beminnenswaardige Jezus, vergeef mij door de wond van uw Hart de zonden die ik uit boosheid of met slechte bedoelingen heb begaan. Plaats mijn slechte hart in het uwe, dat geheel goddelijk is, opdat ik altijd door U word beschermd en geleid, volhard in het goede en het kwaad ontvlucht tot de laatste adem van mijn leven.
Oefening van toewijding aan Jezus’ Heilig Hart door de H. Margaretha Maria
Ik, N.N., geef mijzelf aan het Heilig Hart van onze Heer Jezus Christus en wijd daaraan mijn persoon en mijn leven, mijn handelingen, mijn moeilijkheden en mijn lijden, om geen enkel deel van mijn wezen anders te gebruiken dan om Hem te eren, te beminnen en te verheerlijken. Dit is mijn onherroepelijke wil: geheel aan Hem toe te behoren en alles uit liefde tot Hem te doen, door met heel mijn hart afstand te doen van alles wat Hem zou kunnen mishagen. Ik neem U dus, Heilig Hart, tot enig voorwerp van mijn liefde, tot beschermer van mijn leven, tot zekerheid van mijn zaligheid, tot geneesmiddel voor mijn zwakheid en onstandvastigheid, tot hersteller van alle misstappen van mijn leven en tot mijn veilige toevlucht in het uur van mijn dood. Wees daarom, o Hart van goedheid, mijn rechtvaardiging tegenover God, uw Vader, en wend de slagen van zijn rechtvaardige toorn van mij af. O Hart van liefde, ik stel al mijn vertrouwen op U, want ik vrees alles van mijn boosheid en mijn zwakheid, maar verwacht alles van uw goedheid. Verteer daarom alles wat U kan mishagen of weerstaan. Moge uw zuivere liefde U zo diep in mijn hart prenten, dat ik U nooit vergeet en nooit van U gescheiden word. Ik bezweer U, bij al uw goedheid, dat mijn naam in U wordt geschreven, daar ik al mijn geluk en al mijn roem wil laten bestaan in het leven en sterven als uw slaaf. Amen.
Bron: C.A. Bouman, Groot gebedenboek (1951).