H. paus Pius X

Katholieke Klassieken

Het leven van de H. Pius X

René Bazin
1928

Wapen van paus Pius X

HOOFDSTUK I

HET KIND VAN RIESE

God liet hem geboren worden te Riese, een dorp in Opper-Venetië, niet in ellende, maar in grote armoede. Rijkdom is niet Zijn zegen. Hij heeft iets beters te geven: zuiver bloed, een groot hart, een gelovig gezin. Dat was de uitverkoren gave voor hem die eens de Kerk zou besturen. Daarbij kwam nog de genade op het platteland geboren te worden en reeds vroeg overal de gezamenlijke, rustige en dikwijls gezegende arbeid van de jaargetijden en de mensen te aanschouwen. Rondom Riese strekt zich een geheel vlak landschap uit, rijk aan gras en geboomte. Men bevindt zich in de vlakte die, van verre gezien vanaf de hoogten van Asolo, eindeloos schijnt. Maar vanuit Riese ziet men niet altijd Asolo in het noorden, noch de Monte Grappa, noch daarachter de keten van de Trentiner Alpen, waarvan de toppen als een krans de horizon afsluiten. Bijna overal reikt het uitzicht niet ver. De wegen slingeren voort, dikwijls omzoomd door geknotte platanen. De velden, met hun oogsten van tarwe, maïs, gerst en haver, hun bonen en hun wijnranken, die in festoenen aan lage moerbeibomen hangen, worden van elkaar gescheiden door sloten waarin het water stroomt dat afkomstig is van de Avenale en van andere beken en stromen die van de Brenta of de Piave zijn afgeleid. Langs de sloten groeien bomen die veel water drinken: elzen en wilgen. Men kan ternauwernood de lange rechthoek van een naburig veld overzien. Hier en daar liggen in de uitgestrekte vlakte dorpen, alle van enige betekenis, met vele huizen rondom de kerk en haar klokkentoren en met vele kinderen op de drempels en in de kleine boomgaarden, waar naast de appelboom vooral de perzikboom groeit. Een arbeidzaam en gelovig volk, rijkdom van een staat en rijkdom van God. Bij ons Italianen, zou Pius X eens zeggen, is het geloof als een gave die men bij de geboorte ontvangt. Wie door Venetië trekt, ziet daarvan overal de bewijzen. Het bijwonen van de godsdienstoefeningen, het aantal kinderen, de kruisen langs de wegen, de beeldjes van de Heilige Maagd of van de heiligen die de muren van de huizen sieren en ook bepaalde volksuitdrukkingen laten geen twijfel bestaan aan het geloof van deze streek. Vraagt men bijvoorbeeld een oude man of een oude vrouw naar zijn of haar leeftijd, dan krijgt men slechts dit schone antwoord: Poco manca andar casa, het duurt niet lang meer voordat ik naar het Vaderhuis ga. De familie Sarto behoorde tot zulke gezinnen. De vader, Giovanni Battista, was op 13 februari 1833 gehuwd met Margherita Sanson, afkomstig uit het dorp Vedelago en toen twintig jaar oud. Zij schonk hem tien kinderen, van wie er acht in leven bleven. De oudste van dezen, geboren op 2 juni 1835 en de volgende dag gedoopt, kreeg de namen Giuseppe Melchiore. De tweede heette Angelo. De zes anderen waren meisjes: Rosa, Teresa, Maria, Antonia, Lucia en Anna. Giovanni Battista, twintig jaar ouder dan zijn vrouw, bezat een huis in Riese en twee stukken grond op het omliggende platteland. Hij vervulde de functie van cursore, dat wil zeggen dat hij het gemeentehuis op orde hield, het aanveegde en boodschappen voor de burgemeester deed. Daarvoor ontving hij dagelijks vijftig centesimi. Zelfs in die tijd was dat nauwelijks iets. De moeder trachtte daarom eveneens iets te verdienen. Voor haar huwelijk was zij naaister geweest, faceva la sarta di campagna, zij werkte als dorpsnaaister. Wanneer zij nu het huishouden had gedaan, gekookt, de kleine jongens en meisjes had aangekleed, gewassen, geborsteld en versteld en haar nog een uur overbleef voordat zij de groenten moest klaarmaken en de soep bereiden, ging zij weer zitten om het schort of de jurk te naaien waarop een buurvrouw wachtte. Slechts op de dag waarop God het gebood, kende zij enige halve rust. Het is voldoende het portret te bekijken dat van haar bewaard is gebleven, een foto die in heliogravure werd gereproduceerd, om haar ziel te vermoeden en deze Mater admirabilis eerbiedig te begroeten. Op de afbeelding zit zij op een stoel. Zij draagt een hooggesloten japon van stevige stof, een schort dat van zijde moet zijn geweest en een donkere, over de borst gekruiste doek waarop enkele grote bloemen zijn geborduurd. Zij zit zeer rechtop. Men voelt dat zij snel zou kunnen opstaan en dat zij daaraan gewend is. Maar het is het gelaat dat de aandacht vasthoudt. Margherita Sarto glimlacht niet. Toen zij jong was, moet haar gezicht tamelijk vol zijn geweest, maar zoveel arbeid en zorgen hebben haar wangen onder de jukbeenderen en ter hoogte van de fijne lippen doen invallen. Zij heeft een regelmatig gevormde neus, kleine ogen zonder vrees en zonder ijdele trots, een mooi breed voorhoofd en daarboven grijze, door een scheiding verdeelde haren die glanzen. Deze vrouw uit het Italiaanse volk heeft iets waardigs, ernstigs, goeds en van nature voornaams. Waarlijk, zij behoort tot de adel. Zij is een van die vorstinnen van geloof, plichtsaanvaarding, liefde voor het gezin en stilzwijgen, die in ieder christelijk land onbekend voor de wereld leven. Zij is de moeder van de paus en Pius X geleek sterk op haar. Giovanni Battista Sarto had ongetwijfeld een minder groot aandeel dan zij in de opvoeding van de kinderen. Maar hij wist de uitzonderlijke waarde en de deugd van zijn vrouw te erkennen. Zelf was hij zeer godvruchtig. Iedere dag woonde hij de Mis bij en des avonds legde hij in de familie de catechismus uit en ging hij voor in het gebed. Hun huis, dat tegenwoordig door een opschrift aan de voorbijganger wordt aangewezen, is gebleven zoals het was in de tijd dat twee ouders en acht kinderen er woonden. Vrij ver van de kerk, aan de weg naar Asolo, de hoofdweg van het dorp, vlak bij de oude herberg De Twee Zwaarden, een groot gebouw waaraan buiten een lange ijzeren stang uitsteekt met twee ongelijke, neerhangende zwaardklingen, staat dit huis met één verdieping, dat eigendom was van Giovanni Battista. Het begint een museum te worden, in afwachting misschien van de dag waarop het tot kapel zal worden ingericht. Niets is veranderd. De zeer eenvoudige meubels zijn dezelfde die Pius X gekend heeft toen hij nog de kleine Beppi, Beppe of Beppino was, al naargelang men hem noemen wil. Beneden bevinden zich twee vertrekken en een keuken, boven drie kamers. Een daarvan was de kamer die tevens als salon diende, waar Giuseppe Sarto, toen hij hoogwaardigheidsbekleder van de Kerk was geworden, bezoekers ontving wanneer hij voor zeer korte tijd naar Riese kwam. De bestemming die deze kamer toen had, is nog altijd zichtbaar, want men kan er de fauteuil zien en in het bed de dikste strozak van het huis. Dat was alle weelde. Een andere kamer, waarvan de twee vensters op de weg uitzien, is geheel leeg. Toch sliepen daar de echtgenoten. Daar kwam het eerstgeboren kind en na hem ieder van de andere kinderen op zijn beurt ter wereld. Men vraagt of hier een groot bed stond. Ja, een houten bed. Het werd door de moeder verkocht toen zij weduwe was geworden. Na een stilte wordt het antwoord voltooid: op een dag dat zij in nood verkeerde. Vanuit het venster van de salon van de patriarch ziet men achter het huis eerst een kleine binnenplaats en vervolgens een kleine ommuurde tuin, die samen het gehele bezit voltooien. Dat was de omgeving waarin hij opgroeide. Hieraan moet worden toegevoegd dat Venetië in die verre tijd nog tot Oostenrijk behoorde, aangezien het eerst in 1866 bij Italië werd gevoegd, en dat deze Italianen hun vorst dus in Wenen hadden. Met zulke christelijke ouders kon het nauwelijks anders of Beppi Sarto moest de kerk, de godsdienstoefeningen, de priester en de hemel liefhebben, zaken waarvan zoveel kleine kinderen worden afgeleid. Uit zichzelf gaan zij naar God. Wie er slechts enkelen heeft opgevoed, behoeft maar te zien welk een natuurlijke gerichtheid op het goddelijke in hen leeft en welk een wonderbaarlijk en onmiddellijk begrip zij van de bovennatuurlijke wereld bezitten. Goed geboren en goed omringd kreeg Beppi van meet af aan de vrijheid godvruchtig te zijn. Zodra hij groot genoeg was, trok hij de toog van de misdienaars aan. Hij diende de Mis, droeg een kaars of het wierookvat en bewoog zich te midden van de geestelijkheid, die de ingetogenheid van dat jonge gezicht en de zachtheid en fijnheid van zijn bruine ogen bewonderde. Op elfjarige leeftijd werd hij ceremoniarius en leidde hij zijn kameraden, die tegen hem opzagen als tegen een geliefde kleine aanvoerder. Hij had onmiskenbaar liefde voor de heilige dingen en evenzeer voor de studie. Op de school van Riese behaalde hij alle prijzen. Zijn kameraden luisterden graag naar deze innemende en vastberaden jongen, die graag lachte, altijd een plan had, een spel wist voor te stellen of iets te zeggen had en over wie de moeders van Riese, hun eigen moeders, met bewondering spraken. Zij volgden hem. Op enige afstand van het dorp bevindt zich een in de streek beroemd heiligdom, de kerk van de Madonna delle Cendrole, vermoedelijk, zoals de naam aangeeft, gesticht op de plaats van een Romeinse begraafplaats en toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van de Tenhemelopneming. Wit en geel verheft zij zich midden tussen de velden. Rechts staat een klokkentoren met een zinken dak en vóór de kerk ligt een groot grasveld, omgeven door granieten paaltjes die met ijzeren stangen verbonden zijn. Zij is zelfs meer dan een bedevaartsoord waarheen ieder jaar de bewoners van de omliggende plaatsen in processie trekken, die van Godego, Poggiana, Loria, Spinea en San Vito en zelfs die van de steden Asolo en Montebelluna. Iedere week worden in de Cendrole op verzoek van de gelovigen verscheidene Missen opgedragen door de geestelijkheid van Riese en van april tot september wordt daar op zondag de eerste parochiële Mis gevierd. Heel dikwijls kwam in de tijd dat Beppi misdienaar was een groep jongens, zingend en hollend en door hem aangevoerd, voor de kerk delle Cendrole aan. Zij lieten de deur openen door de landbouwer die beneden woonde, baden er een gebed, bevalen zich aan bij de Assunta en keerden spelend naar huis terug. De oudste zoon van de familie Sarto deed op elfjarige leeftijd zijn eerste Heilige Communie, volgens het destijds bestaande gebruik, een gebruik dat reeds door zulke gesteltenissen van hart en verstand voldoende veroordeeld werd. Op die dag wijdde hij zich aan God toe en beloofde Hem kuis te blijven en uitsluitend voor Zijn dienst te leven. Daarmee gaf hij op plechtiger wijze antwoord op een roeping die hij reeds verscheidene jaren had gehoord en verstaan. Zijn moeder wist daar aanvankelijk niets van. Zij vermoedde wel dat met haar Beppi een bijzondere genade haar huis was binnengekomen. Het scheen haar toe dat zij hem ernaar mocht vragen. Zij deed dit schroomvallig en hij bekende dat hij priester wilde worden. Zij gevoelde daarover de gepaste fierheid en deed onmiddellijk afstand van de hulp die zij had kunnen verwachten van deze jongen, die weldra een man zou zijn en had kunnen bijdragen aan het onderhoud van het gezin. Vol dankbaarheid sprak zij haar fiat voluntas tua: Uw wil geschiede. De vader was minder snel bereid dit te aanvaarden. Hij voelde zijn krachten afnemen. Zijn verdiensten bleven gering en de last werd steeds zwaarder. Waarvan zou men morgen leven? Hij kwam in de bekoring neen te zeggen. Maar zijn geloof, zijn herinnering en zijn vrouw overwonnen deze eerste opwelling. Giovanni Battista herinnerde zich dat ook zijn broer Angelo een zoon had die tot de geestelijke stand was toegetreden en dat hetzelfde het geval was bij zijn broer Antonio. Hij dacht dat de familie het blijkbaar zo wilde. In zijn hart wist hij echter dat het God was die het kind vroeg en dat men God niet in edelmoedigheid kan overtreffen. En bovendien had Margherita vertrouwen. Hij deed zoals zij en stemde toe. Misschien was de pastoor van Riese, Don Tito Fusarini, nog het gelukkigst. Hij kende beter dan de ouders de waarde van Beppi en zei over hem dat hij de edelste ziel van de streek was. De kapelaan gaf reeds Latijnse les aan een jongere broer. Men kwam overeen dat hij voortaan twee leerlingen zou hebben en dat de jonge Sarto weldra de lessen aan het middelbare college van Castelfranco zou volgen. Castelfranco is geen groot dorp meer zoals Riese, maar bestaat uit twee kleine steden, de ene oud en dicht opeengebouwd binnen haar rode, gekanteelde muren, de andere nieuwer en zonder vast plan rondom de eerste ontstaan. Beide zijn levendig en aangenaam. De school waar Giuseppe zijn studie zou voortzetten om een goede geestelijke te worden, lag in de nieuwe stad. Wie uit Riese kwam, bereikte juist de wandelweg die de beide stadsdelen van elkaar scheidde, tussen de middeleeuwse ommuring en de talrijke cafés van de nieuwe tijd. Men sloeg linksaf en vond vrijwel onmiddellijk een kerk op de hoek van de strada San Giacomo. Enkele passen verder stonden de lange gebouwen van het ginnasio, waar de jonge Sarto als externe leerling werd opgenomen, aanbevolen door zijn pastoor. De afstand tussen Riese en Castelfranco is niet gering. Van de ene plaats naar de andere is het ruim zeven kilometer. Heen en terug, met de omwegen door de velden meegerekend, moest de scholier bijna vier mijlen afleggen om grammatica, geschiedenis, wiskunde en al het overige te leren, zoveel dingen die ons van nut zijn en zoveel andere waarvan wij maar moeten aannemen dat zij ons van nut zijn geweest. In de winter was die tocht zwaar en ook in de zomer, wanneer de zon het Venetiaanse land fel verwarmt. Giuseppe scheen daar nauwelijks acht op te slaan. Hij was reeds een flinke jongeman, goed gebouwd, gevoed zo goed als men hem kon voeden en, volgens de uitdrukking van een van zijn vrienden, gekleed zoals het God behaagt. Omdat hij had horen zeggen dat schoenmakers leer duur in rekening brachten, trok hij nauwelijks buiten Riese zijn schoenen uit, bond ze met een touwtje aan elkaar en wierp ze als een reiszak over zijn schouder. Zo bracht hij het offer blootsvoets te lopen om de beurs van zijn ouders te sparen. Aan hetzelfde touwtje hing ook het kleine zakje waarin zijn moeder voor zijn middagmaal een stuk brood had gedaan en, wanneer er iets voorhanden was, nog iets erbij. Aan het college van Castelfranco, waar hij vier jaren studeerde, van 1846 tot 1850, stond Giuseppe vanaf het begin bovenaan in zijn klas, zoals hij dat ook in Riese had gedaan. Hij legde zich op alles toe en volgens de getuigen van zijn jeugd toonde hij zowel bij zijn studie als in talloze omstandigheden van het dagelijks leven een gewetensvolle nauwgezetheid die geen natuurlijke gave is. Zij voegen eraan toe dat hij een zeer levendig temperament had, snel geprikkeld en snel verontwaardigd, zodat de zachtmoedigheid waarvan later de gehele wereld getuige zou zijn, voor zover men die reeds in zijn jeugd bij hem waarnam, zonder twijfel een jonge deugd was die hij voortdurend moest bewaken en soms verdedigen. Tussen de lessen van de ochtend en die van de middag verbleef hij bij goede mensen met de naam Finazzi. Om de gastvrijheid die hij daar ontving enigszins te vergelden, hielp Giuseppe de kinderen, die jonger waren dan hij, met hun schoolwerk. Beslissende jaren waren het, die jaren te Castelfranco, waarin de zoon uit het arme gezin van Riese, arbeidend op het gebied van de geest, zich de gewoonte van dagelijkse inspanning verwierf en haar behield, zoals zijn vader en zijn moeder dat op hun eigen wijze deden, maar met het oog op een andere toekomst. Iedere avond ging hij na de lange wandeling en na de lessen in de stad de pastorie van Riese binnen om bij Don Tito Fusarini nog een herhalingsles Latijn te volgen. In het vierde jaar, van de herfst van 1849 tot eind juli 1850, legde hij de weg niet langer alleen af. Zijn broer Angelo wilde met hem meegaan. Hij dacht eraan timmerman te worden. Voortaan gingen zij dus samen over de weg die door platanen werd omzoomd. En tot hun onverwachte vreugde hoefde dat niet langer te voet. Hadden de akkers van de familie soms een dubbele oogst gegeven? Had zich een zeldzame gelegenheid voorgedaan? De vader had een ezel gekocht, geen grote, en een karretje, geen fraai, en hij leende beide aan de kinderen om naar Castelfranco te gaan. Daarbij moet worden gezegd dat Angelo later geen timmerman werd. Toen hij de vereiste leeftijd had bereikt, koos hij een andere loopbaan en trad hij in dienst bij de Oostenrijkse gendarmerie. Wij zullen later gelegenheid hebben te zien hoe gewetensvol ook deze tweede zoon van de familie Sarto was. Voor Giuseppe werden de eindexamens, die volgens de officiële voorschriften aan het diocesane seminarie van Treviso werden afgenomen, een triomf. Voor alle vijf reeksen vragen werd hij als uitmuntend beoordeeld: godsdienst, Latijn, Grieks, geschiedenis en aardrijkskunde en rekenkunde. Met zijn cijfers werd hij eerste van de drieënveertig kandidaten die buiten het seminarie waren voorbereid en voor de examencommissie van Treviso verschenen.

HOOFDSTUK II

DE VOORBEREIDING OP HET PRIESTERSCHAP

Aan zijn roeping twijfelde niemand. Maar zijn familie bezat geen middelen en de pastoor van Riese evenmin. Hoe moest het kostgeld worden betaald? Don Fusarini dacht erover na en vond één mogelijkheid die men moest proberen. Er bestond een oude stichting, in 1363 opgericht door een priester uit Bologna, die de naam Stichting Campion droeg. Zij was bestemd om de kosten van onderwijs en levensonderhoud te dragen voor jongemannen zonder vermogen. De patriarch van Venetië had het recht de begunstigden van enkele kosteloze studiebeurzen aan te wijzen. En wie was in 1850 patriarch van Venetië? Kardinaal Giacomo Monico, zoon van een ambachtsman uit Riese, een ontwikkeld man, dichter en van een voortreffelijk hart. Zou hij weigeren een landgenoot te helpen, een jongeman die zo aanbevelenswaardig was als Giuseppe Sarto? Daarop was alle hoop gevestigd. Don Fusarini liet, om zijn verzoek zoveel mogelijk kans van slagen te geven, zijn aanvraag ondersteunen door een invloedrijke vriend, een kanunnik die vicaris generaal van Treviso was. De brief werd op 27 juli verzonden en men wachtte ongeduldig op het antwoord, in Riese nog meer dan in Treviso. Een van de biografen van Pius X, die tevens een van zijn dierbaarste vrienden was, Don Angelo Marchesan, onthulde ongetwijfeld iets van hetgeen hem vroeger in vertrouwen was meegedeeld toen hij schreef dat men zelf in dergelijke omstandigheden betreffende leven en roeping moest hebben verkeerd om ten volle de angst te begrijpen die het hart beklemt van een jongeman die tot studie en het heiligdom geroepen is, die volstrekt geen middelen bezit, in de verte kijkt en zoekt vanwaar hem enige hulp zou kunnen komen. In de laatste dagen van augustus kwam het antwoord. Het werd aan Giuseppe meegedeeld door de pastoor van Riese, die hem schreef dat hij moest knielen en God danken, Die ongetwijfeld een plan met hem had. Weldra zou hij naar het seminarie gaan en evenals zijn pastoor priester worden. Zo werd het gehele gezin Sarto met vreugde vervuld en vernam de gehele buurt welke eer het ten deel was gevallen. Minder dan een maand later ontving de oudste zoon in de kerk van Riese uit handen van Don Fusarini de soutane. Hij werd abatino en vanaf die dag gebood Margherita Sarto haar andere kinderen hun broer niet langer met jij aan te spreken, maar met u. Ook daarin openbaarde zich de fijngevoeligheid van deze eerbiedwaardige en beminnelijke ziel, haar gevoel voor hetgeen passend was en voor de nuances van de hoffelijkheid, die zij nooit had geleerd, maar die haar bij iedere gelegenheid werden ingegeven door dit katholicisme dat geheel begrip, geheel eerbied en geheel maat is. Velen hebben zich afgevraagd hoe Giuseppe Sarto, die geleidelijk tot de hoogste waardigheden op aarde werd verheven, altijd wist te zijn wat hij moest zijn en altijd op zijn plaats was. Hij dankte dit aan dezelfde wonderbare bron van inzicht en gepastheid. In november 1850 reisde de abatino, voorzien van een brief van het bisdom waaronder hij viel, dat van Treviso, per rijtuig naar Padua, aangezien de spoorweg toen nog niet was aangelegd, en trad hij het grootseminarie binnen. De gebouwen van dit seminarie in een beroemde Italiaanse stad waren ruim en prachtig. De kerk, waar drie lichte bogen het met schilderingen versierde oksaal dragen, verscheidene zalen die in de zeventiende eeuw waren gebouwd, de refter, het theater en de bibliotheek worden in de boeken tot roem van Padua vermeld. Er waren veel leerlingen. Voordat zij filosofie gingen studeren, moesten zij twee jaren humaniora volgen of opnieuw volgen. De daaropvolgende twee jaren, die meer in het bijzonder aan de filosofie waren gewijd, vervolmaakten de seminaristen verder in hun kennis van het Italiaans, Latijn, Grieks, de geschiedenis en de natuurwetenschappen. Eerst daarna begon men met de theologie. Het was, zoals men ziet, een zeer lange en degelijke voorbereiding op de gewijde wetenschappen. Aan het einde van zijn eerste jaar aan het seminarie van Padua werd Giuseppe Sarto als de eerste van zijn jaar aangewezen. Zijn beoordelingen zijn in de archieven bewaard gebleven. Achter zijn naam staat vermeld: onberispelijke tucht, buitengewone begaafdheid, voortreffelijk geheugen, hij geeft alle hoop. Deze lof, toegekend aan de beste leerling van een jaar dat ongeveer veertig leerlingen telde, zou gedurende al zijn seminariejaren worden herhaald, met variaties die steeds zeer lovend waren. Zo zeiden zijn professoren bijvoorbeeld aan het einde van het eerste jaar filosofie over hun leerling dat hij in godsdienst buitengewoon uitmuntend was en levendige belangstelling toonde voor ieder onderdeel van het onderwijs. In de filosofie was hij uitmuntend, begaafd voor het denken en had hij in een ongewoon hoge mate de vereiste kennis verworven, zowel in omvang als in diepgang. In de Italiaanse taal viel hij op door zijn gemak bij de verklaring van de klassieke schrijvers, de correctheid van zijn stijl en zijn uitgebreide kennis van de literatuur. In het Grieks bezat hij een grondige kennis van de grammatica en grote nauwkeurigheid in de vertaling. In de geschiedenis bezat hij een zeer zeldzaam overzicht van de gebeurtenissen van de moderne tijd en van hun chronologische volgorde. Hetzelfde gold voor de overige onderdelen van het studieprogramma. Men zou het oordeel van de professoren van Padua over Giuseppe Sarto in enkele woorden kunnen samenvatten: een buitengewone geest, die door gestage arbeid in alle richtingen tot ontwikkeling kwam. Maar ook deze lof is onvolledig. Men zou nog moeten tonen hoe zijn ziel was, hoe zijn godsvrucht en zuiverheid van bedoeling waren en welke reeds beproefde kracht deze jongeman bezat. Zijn leven zelf zou daarvan getuigen. Riese was reeds trots op zijn kind en omdat men wist in welke grote benauwdheid de familie Sarto verkeerde, hield men ieder jaar discreet onder vrienden een inzameling, zodat de abatino zijn boeken en noodzakelijke kleding kon kopen en naar huis kon terugkeren. In het tweede jaar van zijn verblijf te Padua verloor Giuseppe zijn vader. Het schijnt dat hij van diens naderende dood op de hoogte was. De zusters van de paus hebben namelijk verteld dat de seminarist in tranen naar de overste ging en hem om verlof vroeg. Op de vraag waarom antwoordde hij dat zijn vader zeer ziek was. Dat was waar en niets had het doen voorzien. De cursore van Riese had eind april 1852 kou gevat, moest het bed houden en stierf na enkele dagen ziekte op 4 mei. Het jongste kind, Pietro Gaetano, dat niet in leven zou blijven, werd geboren op de dag zelf waarop de vader stierf. De moeder, als weduwe achtergebleven met nog zeven kinderen in huis, besloot om de armoede het hoofd te bieden opnieuw naaiwerk te zoeken. Zij verzamelde haar wat oudere dochters om zich heen, voegde er een of twee meer ervaren arbeidsters aan toe en vormde zo een klein atelier waarmee zij voor allen het brood verdiende. Weldra trof de seminarist een ander verdriet, zeker minder wreed, maar waarvoor hij zeer gevoelig was. De pastoor, Don Tito Fusarini, legde wegens ziekte zijn pastoorsambt neer. De kapelaan, van wie Giuseppe Sarto veel hield, werd niet lang daarna op een andere plaats benoemd en verliet het dorp. En toch bleef Riese Riese. De levenden bleven elkaar liefhebben en de vakanties bleven de droom van allen. Zodra zij aanbraken, deed zelfs de moeder alsof zij geheel in het heden of geheel in de toekomst leefde. De leerlingen van het seminarie van Padua brachten de drie maanden augustus, september en oktober bij hun familie door. Giuseppe stond om vijf uur op, begaf zich naar de kerk, hield een lange overweging, woonde de Mis bij, communiceerde bijna iedere dag, bad vervolgens het Officie van de Heilige Maagd en las aan het einde van de dag in zijn kamer geknield een hoofdstuk uit het Nieuwe Testament. Ook des avonds kon men zeggen dat er bij de familie Sarto een gemeenschappelijke godsdienstoefening plaatsvond. Graaf de Colleville, die Pius X goed heeft gekend, vertelt namelijk dat in dit gezegende huis de dag eindigde met het gebed en het gezamenlijk gewetensonderzoek. Ieder bekende zijn fouten en vroeg vergiffenis aan degene die hij had beledigd. Het was een bewonderenswaardig gebruik dat in het gezin Sarto bestond zoals in de gezinnen van de eerste christelijke tijden. Is het verwonderlijk dat uit zulk een huis een heilige ziel voortkwam? En wie zou eraan kunnen twijfelen dat er verscheidene waren? Zulke mensen kunnen zwoegen, lijden en wenen, maar hun hart blijft in vrede. De vreugde is hun natuurlijk, want zij kennen de reden van de beproeving. Op een avond waarop zij vermoeider was dan gewoonlijk kon Margherita Sarto zachtjes tot haar zoon, de priesterstudent, zeggen dat het leven toch moeilijk was. Hij antwoordde dat het daarvoor gemaakt was en dat, indien het leven gemakkelijk was, hun verdienste nergens zou zijn. En die woorden had zij ongetwijfeld vroeger als eerste tot hem gesproken. Maar zij bezaten het geluk samen te zijn. Beppi, die zelfs gedurende de vakanties werkte en meer boeken las dan men ooit in het huis had gezien, bezocht graag zijn jeugdvrienden. Lange wandelingen bevielen deze krachtige jongeman. Hij keerde terug naar Castelfranco, ging naar Montebelluna, naar Asolo, waarboven het kasteel van de koningin van Cyprus oprijst, en vanzelfsprekend werden de Cendrole niet vergeten. Soms kon de abatino zelfs verder gaan wanneer een bekende, die graag een reeds populaire en bekende landgenoot van dienst was, hem een rijtuig leende. Dat was een zeldzame weelde. De bejaarde dames Sarto hebben tijdens het pontificaat hierover een aardig verhaal verteld. Zij herinnerden zich hun jeugd en vertelden dat Margherita Sarto eens, aan het begin van de vakantie, een van de huurrijtuigen die de Italianen carrozzella noemen naar Padua had gestuurd om haar zoon naar Riese terug te brengen. In het rijtuig zat een van haar dochters, Teresa, die kort tevoren was getrouwd en mevrouw Parolin was geworden. De abatino was zeer blij en ontroerd door haar attentie. Maar hij bedacht dat er maar weinig nodig was om kwaad te spreken over een priesterstudent. Zij waren ver van huis. Niemand daar wist dat zij zijn zuster was en dat stond niet op haar gezicht geschreven. Daarom zette hij zijn koffer op de zitplaats en zei tegen Teresa dat hij liever te voet tot het laatste huis van Padua ging. Zo zou hem niets ontgaan van de stad waarin hij woonde. Daarna zou hij naast haar instappen. Zo gebeurde het. Toen hij in Riese was aangekomen, legde de seminarist alles aan zijn moeder uit. Hij dankte haar van harte en verzocht haar ervoor te zorgen dat, indien zij nog eens een rijtuig naar Padua zou sturen om hem af te halen, daarin geen vrouw zou meerijden, vooral geen jonge vrouw. In november 1854 begon hij met zijn studiegenoten aan de studie van de theologie, die hem nog vier jaren aan het grootseminarie zou houden. Hij had met verlangen naar deze periode uitgezien. Wat was immers die lange voorafgaande studie van analyse en vergelijking tussen de literaire meesterwerken van de verschillende eeuwen en tussen de filosofische stelsels van alle tijden anders geweest dan een voorbereiding die hem nu in staat zou stellen de door God geïnspireerde literatuur, de Heilige Schrift, beter te begrijpen, zonder moeite de uiteenzetting van de Openbaring in geschiedenis, dogma en zedenleer te volgen en zo dicht mogelijk bij de hemel te leven om daaruit voor zijn broeders onder de mensen iets mee te brengen van de schatten die zij nauwelijks kennen en die zij zozeer nodig hebben? Deze kleine seminarist kreeg de sleutel van de heilige voorraadschuren. Hij was de uitverkoren zoon tot wie de Heer van de oogst zei dat hij van Zijn zuivere graan moest nemen en zijn last zwaar moest maken, want degenen beneden leden honger. Wanneer hij had uitgedeeld wat hem was toegestaan te nemen, moest hij altijd en ieder ogenblik opnieuw naar Zijn voorraadschuren terugkeren. Het graan zou nooit ontbreken. Het waren uitdelers zoals hij die ontbraken. Hij moest zijn inspanning vermeerderen en God zou zijn moed vermeerderen. Waarom zou men daarna nog herhalen dat Giuseppe Sarto ook in de theologie de eerste van zijn jaar bleef en zelfs de opmerkelijkste leerling was die de oudste leermeesters zich konden herinneren? Beter is het drie zaken op te merken waarvan de toekomst zou tonen dat zij de toekomstige paus met een onuitwisbaar teken hadden gemerkt. De eerste is dat in de tijd van de zalige Gregorio Barbarigo, bisschop van Padua en de werkelijke stichter van het seminarie, tegen het einde van de zeventiende eeuw, de filosofie en de theologie volgens de geest en de methode van de H. Thomas van Aquino werden onderwezen. Door de beroemde drukkerij van het seminarie van Padua werd in 1698 zelfs een uitgave van de werken van deze degelijke en heldere geest gepubliceerd in vijf foliodelen. Zonder twijfel bestudeerde Giuseppe Sarto te Padua de Summa van de H. Thomas. Dezelfde Barbarigo had een school voor gregoriaanse zang opgericht en alle leerlingen verplicht de lessen daarvan te volgen. Sarto hield vanaf zijn vroegste jeugd van muziek en zong aan de lessenaar. In Padua werd hij daarin bekwamer en in zijn laatste jaar werd hij benoemd tot leider van de zang van de clerici. Ten slotte was degene die later in zijn encyclieken en andere handelingen een uitgebreide kennis van de leer van de Kerkvaders zou tonen, reeds op het seminarie bij hen in de leer gegaan. Een brief van 14 januari 1858 levert daarvan een aardige aanwijzing. De abatinoschreef aan de vroegere kapelaan van Riese, Don Jacuzzi, dat men in Padua tegen het einde van de herfst voor weinig geld de uitgelezen werken van de H. Cyprianus en die van de H. Johannes Chrysostomus kon kopen, in een vrij correcte uitgave. Die laatste werken, in vierentwintig delen, had hij door iets anders op te offeren voor twintig Italiaanse lire weten te verwerven. Maar, voegde hij eraan toe, men zei dat er in de winkel nog andere exemplaren van de Kerkvaders aanwezig waren. Hij bood aan ze voor zijn vriend te kopen en vroeg hem slechts een regel te schrijven. Hoe gering de gelegenheid ook was, hij zou zich vereerd voelen hem een genoegen te kunnen doen. Giuseppe Sarto werd op 19 september 1857 te Treviso tot subdiaken gewijd en op 27 februari 1858 in dezelfde stad tot diaken. Op 18 september 1858 werd hij, met pauselijke dispensatie wegens het ontbreken van acht maanden aan de vereiste leeftijd, in de kathedraal van Castelfranco tot priester gewijd. Het is de kerk die binnen de oude stadsmuren ligt, aan het einde van een klein plein waar altijd straatverkopers en groepen kinderen te vinden zijn. Zijn moeder was met al haar dochters uit Riese gekomen. De volgende dag woonde zij in haar parochiekerk te Riese de eerste Mis van haar oudste zoon bij. Zoveel zorgen en gebeden gedurende drieëntwintig jaren hadden deze dag voorbereid en verkregen, die zij nu mocht aanschouwen. Haar huis was het eerste seminarie van haar kind geweest. De handen van Giuseppe waren gewijd. Zijn lippen hadden de macht ontvangen de zelfstandigheid van het brood te doen verdwijnen en Jezus Christus in heerlijkheid tegenwoordig te stellen onder de blijvende gedaante van de Hostie. Die handen zouden de zonden van de mensen vergeven, de moed doen herleven en door de hoop het verdriet verzachten dat hier op aarde geen einde kent. Zijn moeder wist dat maar al te goed. Beiden baden in de eenheid die voortkomt uit hetzelfde geloof, dezelfde vreugde, dezelfde herinneringen en hetzelfde bloed. In hun harten leefde geen enkele aardse eerzucht. Hun vurige verlangen was dat de nieuwe priester een heilige zou worden, onbekend en indien het nodig was miskend, maar tot welzijn van velen, op het platteland van zijn geboorteland Venetië.

HOOFDSTUK III

TOMBOLO

In oktober 1858 benoemde de bisschop van Treviso Don Giuseppe Sarto tot kapelaan te Tombolo. Don Giuseppe was op dat ogenblik een jonge priester van flinke gestalte, zeer mager, maar krachtig gebouwd, zoals Noord Italianen dat doorgaans zijn, en met een beminnelijk gelaat. Twee fotos van hem getuigen daarvan. Dat hoge voorhoofd, het overvloedige naar achteren gekamde haar, de fijne lippen, de stevige vorm van wangen en kin die een indruk van kracht geeft, heel dat uiterlijk zou men, als men goed zocht, ook onder levende mensen van onze tijd kunnen terugvinden. Maar de uitdrukking van het gelaat, de ziel die over de trekken lag uitgespreid, dat was het zeldzame en onmededeelbare. Giuseppe Sarto had een blik van zuiverheid, goedheid en zachtheid die men soms in de ogen van jonge mensen ziet, maar die bij hem bleef voortbestaan. Later zou iemand over Pius X zeggen dat ieder rechtschapen hart naar hem toevloog. Het dorp waar hij als drieëntwintigjarige kapelaan aankwam telde toen, het omliggende land inbegrepen, iets minder dan veertienhonderd zielen. Tegenwoordig zijn het er veel meer. Het was zonder twijfel een landbouwstreek, maar Tombolo was in heel Venetië en Lombardije vooral beroemd als het land bij uitstek van de veehandelaren. Mgr. Marchesan beschrijft hen als een volk van sterke lichaamsbouw, onverschillig voor regen, sneeuw, wind of zon. Moest men naar de markt, dan mochten anderen naar het weer kijken. De Tombolano ging op weg en het weer moest zich maar schikken. Een rood gezicht, een brede borst, een stevige stap, een paar goede schoenen en een stok, dat was ongeveer zijn uitrusting. Hij kende de wegen en de herbergen, de markten en de veestallen. Hij kon urenlang lopen en nog langer onderhandelen. Hij sprak luid, was levendig en gemakkelijk tot toorn geneigd, maar ook gemakkelijk weer verzoend. Onder deze mensen moest de jonge priester zijn eerste ervaring met het herderlijk ambt opdoen. De pastoor, Don Antonio Costantini, was toen ongeveer zestig jaar oud. Hij was een geleerd man en een voortreffelijk priester, maar hij had een scherp karakter en was veeleisend. Hij ontving de jonge kapelaan met goedheid, maar liet hem onmiddellijk begrijpen dat het leven van een priester geen rust kende. Giuseppe Sarto had daartegen geen bezwaar. Hij was gekomen om te werken. Weldra ontstond tussen de oude pastoor en de jonge kapelaan een diepe genegenheid. Don Costantini zag al spoedig welk een medewerker hem was gezonden. De jonge priester preekte, onderwees de kinderen, bezocht de zieken, hoorde biecht, hielp de armen en was altijd beschikbaar wanneer men hem riep. Hij werkte bovendien nog voor zichzelf. De studie die hij in Padua had begonnen werd niet beëindigd toen hij het seminarie verliet. Zijn pastoor bezat een goede bibliotheek en stelde die voor hem open. Don Giuseppe las de Kerkvaders, bestudeerde de H. Thomas en werkte aan zijn preken. Dikwijls bleef hij tot diep in de nacht op. De pastoor, die het licht onder de deur van zijn kamer zag, berispte hem en zei dat hij zijn gezondheid zou ruïneren. Don Giuseppe antwoordde dat hij overdag aan de parochianen toebehoorde en dat de nacht hemzelf bleef. Zijn preken werden niet geschreven om bewondering te wekken. Hij wilde onderrichten. Hij wilde dat de mensen de waarheid kenden en haar onthielden. Zijn taal was eenvoudig, levendig en voor iedereen begrijpelijk. Hij kende het volk reeds voldoende om te weten dat een geleerde uiteenzetting die niet tot het verstand van de toehoorder doordringt, weinig vrucht draagt. Hij sprak tot de mensen van Tombolo in hun eigen taal zonder ooit de waardigheid van de kansel te verliezen. Hij gebruikte voorbeelden uit het dagelijks leven en wist een geloofswaarheid zo duidelijk uiteen te zetten dat ook de eenvoudigsten haar konden begrijpen. Zijn pastoor luisterde naar hem en corrigeerde hem. Op zekere dag zei Don Giuseppe na een preek tegen hem dat hij hoopte dat het nogal goed was gegaan. Don Costantini antwoordde dat het niets waard was geweest. De jonge priester vroeg wat eraan ontbrak. Alles, antwoordde de pastoor. Don Giuseppe nam deze harde les aan. Hij begon opnieuw te werken en heeft later erkend hoeveel hij aan deze strenge leermeester te danken had. Ook de catechismus nam een grote plaats in zijn arbeid in. Voor Don Giuseppe was het godsdienstonderricht geen bijkomstige taak van het priesterschap. De kinderen moesten de geloofswaarheden werkelijk kennen. Hij bereidde zijn lessen zorgvuldig voor en verlangde hetzelfde van degenen die hem daarbij hielpen. Later zou men hem de catechist van de catechisten noemen. Reeds in Tombolo was hij dat. Hij onderwees niet alleen de kinderen, maar vormde ook degenen die hen moesten onderrichten. Zijn belangstelling voor de kerkzang openbaarde zich eveneens onmiddellijk. De zang in de parochie beviel hem niet. Hij had in Padua het gregoriaans geleerd en wist welke plaats de heilige muziek in de liturgie behoort in te nemen. Hij begon daarom het koor te onderrichten en verbeterde geleidelijk de uitvoering. Ook hierin trad reeds een van de grote zorgen van zijn latere pontificaat aan het licht. Maar zijn voornaamste arbeid bleef die van de priester onder zijn volk. Hij was overal waar men hem nodig had. Geen afstand scheen hem te groot, geen uur ongelegen. Wanneer een zieke hem liet roepen, ging hij onmiddellijk. Wanneer een arme hulp nodig had, gaf hij wat hij bezat. En omdat hij bijna niets bezat, gaf hij dikwijls ook hetgeen hij zelf nodig had. Zijn moeder en zijn zusters te Riese kenden hem voldoende om daarover niet verbaasd te zijn. Wanneer hij naar huis kwam, zagen zij soms dat een kledingstuk verdwenen was. Hij had het weggegeven. Zijn zuster Rosa, die later zijn huishouding zou voeren, zou nog dikwijls gelegenheid krijgen zich over dezelfde edelmoedigheid te beklagen. Don Giuseppe kon moeilijk iemand met lege handen wegzenden. Zijn traktement was gering en toch wist hij armer te zijn dan andere priesters met hetzelfde inkomen. Het geld bleef niet bij hem. De armen wisten dat. Zij kwamen naar de pastorie en wanneer de kapelaan niets meer had, zocht hij iets dat hij kon weggeven. Deze naastenliefde was niet alleen stoffelijk. Hij had vooral medelijden met degenen die van God verwijderd waren. Hij zocht hen op, sprak met hen zonder hardheid en trachtte hen terug te brengen. Zijn opgewektheid hielp hem daarbij. Hij was niet somber en niet stroef. Hij hield van een grap, kon hartelijk lachen en voelde zich gemakkelijk thuis onder eenvoudige mensen. De veehandelaren van Tombolo, die niet gewoon waren zich door woorden te laten imponeren, begrepen spoedig dat deze jonge priester geen rol speelde. Hij leefde wat hij hun leerde. Daarom luisterden zij naar hem. Ook met de jeugd wist hij om te gaan. Hij verzamelde de jongens, organiseerde spelen en wandelingen en gebruikte iedere gelegenheid om hen te onderrichten. Dezelfde jongeman die enkele jaren tevoren de kinderen van Riese naar de Cendrole had geleid, liep nu met de jongens van Tombolo over de wegen van zijn nieuwe parochie. Zijn gezag leed daar niet onder. Integendeel, zij gehoorzaamden hem omdat zij van hem hielden. Wanneer hij ernstig werd, wisten zij dat er reden toe was. De jaren gingen voorbij en de naam van de kapelaan van Tombolo werd ook buiten de parochie bekend. Men nodigde hem uit om bij bijzondere gelegenheden te preken. Hij bezat een natuurlijke welsprekendheid die door studie en voortdurende oefening steeds sterker werd. Hij had een welluidende stem, sprak zonder gekunsteldheid en wist zijn toehoorders te bewegen omdat hij zelf overtuigd was van hetgeen hij zei. Hij behoorde niet tot degenen die de kansel gebruiken om hun geleerdheid te tonen. De waarheid moest spreken en de redenaar moest haar dienen. Zo groeide zijn reputatie zonder dat hij haar zocht. Op zekere dag kwam een kanunnik uit Treviso naar Tombolo. In gesprek met Don Costantini kwam men op de jonge kapelaan. Zou hij in staat zijn in de kathedraal de lofrede op de H. Antonius te houden? Zeer zeker, antwoordde de pastoor. De kanunnik zei dat hij daarvan nota zou nemen. En Don Giuseppe werd uitgenodigd in de grote stad te spreken. De pastoor van Tombolo kon zijn kapelaan niet begeleiden, maar wilde hem ten minste toehoorders bezorgen. Daarom schreef hij een brief die verschillende getuigen zich later met verbazing herinnerden en waarvan zij de bewoordingen nadien met verwondering opnieuw aanhaalden. Hij vroeg zijn vrienden naar de preek te gaan luisteren, anderen mee te nemen en hem daarna te berichten over het succes, de oordelen en de indrukken. Zij moesten goed op zijn woorden letten, schreef hij, want weldra zouden zij Don Giuseppe als pastoor van een van de belangrijkste parochies van het bisdom zien, daarna zou hij de rode kousen dragen en daarna nog verder stijgen. Op woensdag 13 juni 1866 hield de jonge kapelaan na de Hoogmis voor een zeer talrijk gehoor de lofrede op de H. Antonius van Padua. De mensen van Treviso hadden tevoren gezegd dat men dat jaar toch een merkwaardige keuze had gemaakt. Zijn preek duurde een uur en een kwartier, maar zij verlieten de kerk met een geheel andere mening over de kapelaan van Tombolo. De keuze was goed geweest, zeiden zij nu, en deze jongeman zou het ver brengen. Tien maanden later opende het kerkelijk bestuur een vergelijkend examen voor vijf parochies van het bisdom. Op uitnodiging van de bisschop van Treviso liet Don Giuseppe zich als kandidaat inschrijven, legde de schriftelijke en mondelinge proeven af en verkreeg de belangrijkste van de vijf pastoorsplaatsen, die van Salzano in het district Mestre. In de tijd waarover zojuist gesproken is, had zich een gebeurtenis van groot gewicht voorgedaan. Na een oorlog waarin Oostenrijk tegenover Pruisen en Italië had gestaan, had de keizer van Oostenrijk Venetië afgestaan aan Napoleon III, die het vervolgens overdroeg aan zijn bondgenoot Victor Emanuel. Daarmee veranderde veel. Riese zowel als Venetië, Castelfranco zowel als Tombolo en Treviso, alle dorpen en steden gingen van het oude keizerrijk over naar het nieuwe koninkrijk. De bewoners, Italianen van bloed, werden onderdanen van een Italiaanse vorst. De dierbare Margherita Sarto, haar zonen en dochters en allen in de wijde omgeving ademden, oogstten en plukten voortaan onder de zon van Italië. Giuseppe, nu burger van Italië geworden, nam van harte deel aan de volksfeesten waarmee men in Tombolo, zoals overal elders, de bevrijding van de provincie vierde.

HOOFDSTUK IV

SALZANO

Don Giuseppe Sarto verliet Tombolo in juli 1867. Hij had er negen jaren doorgebracht. Hij was tweeëndertig jaar oud. Zijn nieuwe parochie, Salzano, was belangrijker dan de eerste waarin hij zijn priesterlijk ambt had uitgeoefend. Zij telde ongeveer drieduizend inwoners en lag in een vruchtbare streek, op korte afstand van Mestre en Venetië. De parochianen waren landbouwers, ambachtslieden en kleine handelaars. De pastoor van Salzano genoot bovendien een zeker aanzien in het bisdom. Don Giuseppe kwam er niet als een onbekende. Zijn naam was hem reeds vooruitgegaan. Men kende zijn ijver, zijn welsprekendheid en zijn naastenliefde. Hijzelf dacht slechts aan de taak die hem werd opgedragen. Bij zijn intrede in de parochie verklaarde hij dat hij voor allen de pastoor wilde zijn, voor de armen zowel als voor de rijken, voor degenen die naar de kerk kwamen en voor degenen die er niet kwamen. Hij zou dit programma niet met woorden maar met zijn gehele leven uitvoeren. Zijn moeder en enkele van zijn zusters kwamen bij hem wonen. Margherita Sarto was toen reeds ouder dan vijftig jaar. Zij had veel gewerkt en geleden, maar bezat nog voldoende kracht om haar zoon in zijn nieuwe pastorie terzijde te staan. Het huis van de pastoor werd een eenvoudig familiehuis waarin de deur voor iedereen openstond. De armen kwamen er zonder schroom. Zij wisten dat Don Giuseppe moeilijk nee kon zeggen. Zijn inkomsten waren nu groter dan te Tombolo, maar zijn persoonlijke armoede bleef dezelfde. Hoe meer hij ontving, des te meer kon hij geven. Hij hield nauwelijks iets voor zichzelf. Wanneer zijn zusters hem verweten dat hij te ver ging, antwoordde hij dat de Voorzienigheid wel zou zorgen. Dikwijls deed zij dat door de zusters zelf, die moesten zien hoe zij het huishouden met de overgebleven middelen gaande hielden. Salzano bezat een oude kerk die herstelling nodig had. Don Giuseppe begon vrijwel onmiddellijk aan het werk. Hij liet herstellen, verbeteren en verfraaien, niet uit liefde voor uiterlijk vertoon, maar omdat hij verlangde dat het huis van God waardig zou zijn. Hij besteedde bijzondere zorg aan de liturgie en de kerkzang. De ervaring van Tombolo werd voortgezet. Hij vormde zangers, verbeterde het koor en trachtte de heilige muziek terug te brengen tot de ernst en zuiverheid die haar eigen zijn. Hijzelf kende muziek voldoende om fouten te horen en aanwijzingen te geven. Wat hij later als patriarch en paus voor de kerkelijke muziek zou doen, had dus reeds zijn voorbereiding in deze kleine parochies van Venetië. Maar boven alles bleef hij catechist. De kinderen van Salzano moesten de christelijke leer kennen. Hij ondervroeg hen, legde uit, herhaalde en liet herhalen. Hij wilde niet dat zij woorden uit het hoofd leerden zonder de betekenis ervan te begrijpen. Evenmin liet hij toe dat de volwassenen zich van het godsdienstonderricht ontslagen achtten. Hij preekte dikwijls en eenvoudig. Zijn kansel was geen plaats voor literaire oefeningen. Hij sprak over God, de geboden, de Sacramenten, de plichten van de staat waarin ieder leefde en de eeuwige bestemming van de mens. Hij wist dat een priester niet alleen degenen moet onderrichten die reeds overtuigd zijn. De onverschilligen, de afwezigen en degenen die vijandig tegenover de Kerk stonden, behoorden eveneens tot zijn parochie. Hij zocht gelegenheid hen te ontmoeten en kende weldra bijna iedereen. Hij bezat een uitstekend geheugen voor gezichten en namen. De pastoor die zijn mensen bij naam kent heeft reeds een weg tot hun hart gevonden. In 1873 werd de streek door cholera getroffen. De ziekte verspreidde zich snel en veroorzaakte grote angst. Velen durfden de zieken nauwelijks te naderen. Don Giuseppe Sarto ging overal heen. Hij bezocht de huizen waar de besmetting heerste, hielp de zieken, troostte de stervenden en begroef de doden. Wanneer iemand hem waarschuwde voor het gevaar, schonk hij daar weinig aandacht aan. De priester moest daar zijn waar zijn parochianen hem het meest nodig hadden. Hij werkte dag en nacht en spaarde zichzelf niet. De epidemie liet diepe herinneringen na in Salzano. Jaren later sprak men nog over de pastoor die in die dagen geen vrees had gekend. Toch was dit niet de enige beproeving die hem tijdens zijn verblijf in Salzano trof. Op 6 februari 1873 stierf zijn moeder. Margherita Sarto was zestig jaar oud. Zij had de vreugde gekend haar oudste zoon priester en vervolgens pastoor te zien worden. Zij had hem gevolgd naar Salzano en daar nog enkele jaren met hem geleefd. Haar graf bevindt zich op het kerkhof van Salzano. Later, toen haar zoon bisschop, patriarch, kardinaal en uiteindelijk paus was geworden, bleef zij daar rusten onder een eenvoudig gedenkteken. Giuseppe Sarto vergat nooit wat hij aan haar verschuldigd was. De herinnering aan zijn moeder bleef een van de diepste en teerste herinneringen van zijn leven. Haar dood veranderde zijn wijze van leven nauwelijks. Zijn zusters bleven bij hem en de pastorie bleef een huis van arbeid en gastvrijheid. Zijn persoonlijke behoeften waren gering. Hij stond vroeg op, bad, droeg de Mis op en begon vervolgens aan de arbeid van de dag. De administratie van een grote parochie vergde tijd. Hij behandelde haar zorgvuldig. De registers werden nauwkeurig bijgehouden en de rekeningen moesten in orde zijn. De man die later een omvangrijk bestuur zou hervormen, leerde hier reeds dat geestelijke ijver slordigheid in tijdelijke zaken niet rechtvaardigt. Ook de stoffelijke belangen van de bevolking trokken zijn aandacht wanneer zij met zijn priesterlijke taak samenhingen. Salzano was arm. Er waren gezinnen die in moeilijke omstandigheden verkeerden en arbeiders die weinig verdienden. Don Giuseppe hielp waar hij kon en moedigde goede werken aan. Hij was geen theoreticus die van verre over het volk sprak. Hij kende de prijs van brood, wist wat ziekte voor een arm gezin betekende en herinnerde zich uit zijn eigen jeugd hoe nauw een huishouden kan worden wanneer iedere munt moet worden omgekeerd. Zijn vader had voor een uiterst gering loon gewerkt en zijn moeder had genaaid om haar kinderen te onderhouden. De armen van Salzano spraken dus met een priester die hun omstandigheden niet uit boeken kende. Ook zijn verhouding tot de burgerlijke overheid was eenvoudig en vast. Hij eerbiedigde het wettige gezag, maar liet geen twijfel bestaan over de rechten van de Kerk en de plichten van een priester. Italië maakte in deze jaren grote politieke veranderingen door. Rome was in 1870 door de troepen van Victor Emanuel ingenomen en de tijdelijke macht van de paus was ten einde gekomen. De verhouding tussen de nieuwe Italiaanse staat en de Heilige Stoel was gespannen. Deze gebeurtenissen werden ook in de dorpen besproken. Don Giuseppe bezat uitgesproken overtuigingen, maar hij maakte van de kansel geen politieke tribune. Hij onderwees de beginselen waaraan een katholiek zich moest houden en verdedigde de vrijheid van de Kerk. Zijn mensen wisten wat hij dacht. Zij wisten eveneens dat hij niet door partijhartstocht werd geleid. Zijn gezag groeide. Men begon hem ook buiten Salzano steeds vaker te raadplegen en uit te nodigen om te preken. Priesters kenden zijn geleerdheid en bisschoppelijke oversten zijn nauwgezetheid. Hij had intussen de gewoonte behouden voortdurend te studeren. De boeken vergezelden hem zoals vroeger in Tombolo. De H. Schrift, de Kerkvaders, de theologie en het kerkelijk recht namen een belangrijke plaats in. Hij las niet om geleerd te schijnen, maar om beter te kunnen onderrichten en besturen. Zijn geheugen was uitzonderlijk. Wat hij eenmaal goed had bestudeerd, bleef hem ter beschikking. Daarbij bezat hij een helder oordeel en een praktisch verstand. Een ingewikkelde zaak wist hij dikwijls tot haar wezenlijke punten terug te brengen. Deze eigenschappen bleven niet onopgemerkt. De bisschop van Treviso, Mgr. Federico Maria Zinelli, had een hoge dunk van de pastoor van Salzano. Toen in het bisdom belangrijke werkzaamheden moesten worden verricht, werd Don Giuseppe daarbij betrokken. Hij werd examinator van de geestelijkheid en kreeg andere vertrouwensopdrachten. Zijn leven bleef ondertussen uiterlijk dat van een dorpspastoor. Hij preekte, catechiseerde, bezocht zieken, hoorde biecht, bestuurde zijn parochie en hielp armen. Hij hield van deze arbeid. Wanneer men hem later naar hogere ambten riep, zou hij nooit ophouden met heimwee aan het parochieleven te denken. Het directe contact met de zielen was voor hem geen eerste trap die men achter zich laat wanneer men stijgt. Het bleef de maatstaf waaraan hij ook later het kerkelijk bestuur toetste. Een wet, een hervorming of een voorschrift moest uiteindelijk de priester en de gelovige helpen God beter te dienen. In Salzano werd ook zijn gave als prediker verder ontwikkeld. Men vroeg hem voor feestdagen en bijzondere plechtigheden in andere kerken. Hij bereidde zijn preken zorgvuldig voor. Zijn stijl was helder, krachtig en dikwijls beeldend, maar nooit gezocht. De herinnering aan de eenvoudige mensen voor wie hij gewoonlijk sprak beschermde hem tegen ingewikkeldheid. Hij wist dat een waarheid die niet wordt begrepen nauwelijks vrucht kan dragen. Zijn stem was aangenaam en droeg ver. Zijn uiterlijk, dat steeds ernstiger werd zonder zijn zachtheid te verliezen, versterkte de indruk van zijn woorden. Toch lag zijn grootste overtuigingskracht niet in stem of gebaar. De toehoorders voelden dat de priester zelf geloofde en leefde wat hij verkondigde. Tegen het einde van zijn verblijf in Salzano was Don Giuseppe Sarto een van de bekendste priesters van het bisdom Treviso. Hij had er geen enkele poging voor gedaan. Zijn werk had hem bekendgemaakt. De pastoor van Tombolo had jaren tevoren voorspeld dat zijn vroegere kapelaan niet lang een eenvoudige pastoor zou blijven. De voorspelling begon werkelijkheid te worden. In 1875 werd Don Giuseppe benoemd tot kanunnik van de kathedraal van Treviso, bisschoppelijk kanselier en geestelijk leidsman van het seminarie. Hij moest Salzano verlaten. De parochianen waren diep bedroefd. Zij hadden hem acht jaren als pastoor gehad en wisten wat zij verloren. Voor hemzelf betekende het vertrek eveneens een offer. Hij verliet opnieuw een volk dat hij kende en liefhad om een ambt te aanvaarden dat hem verder van het gewone parochieleven zou brengen. Hij gehoorzaamde. Dezelfde regel die zijn leven vanaf het seminarie had geleid, bleef gelden. Hij ging waar de Kerk hem riep.

HOOFDSTUK V

DE JAREN TE TREVISO

Op zondag 28 november 1875, op een ochtend van windvlagen en regen, nam Mgr. Giuseppe Sarto voor het eerst plaats in zijn kanunnikenbank in het koor van de oude, aan de H. Petrus toegewijde kathedraal. Treviso aan de Sile, Treviso aan de weg van Venetië naar Triëst, een stad van kunst en hoffelijkheid, zacht van licht, waarvan de dichter Fazio degli Uberti schreef dat zij onderweg Treviso vonden, geheel glimlachend door haar heldere fonteinen. Treviso ten slotte, waar hij de lagere wijdingen had ontvangen, was voor deze Venetiaan een reeds bekende en dierbare plaats. De kanunniken van Treviso hadden krachtens oude decreten van de Senaat van de Doorluchtige Republiek Venetië het recht een gewaad van violet laken te dragen, bestaande uit een mantel met sleep, soutane, kraag en ceintuur. Zelfs de hoed was violet. Men sprak hen aan als monseigneur. Om hun hals hing een borstkruis aan een koord waarin gouddraad was verwerkt. In de loop van de tijd was het wollen weefsel vervangen door zijde. Ook in het verfbad was het aandeel blauw verminderd en dat van rood toegenomen. Mgr. Sarto maakte er vanaf het begin, zonder iets te zeggen, een gewoonte van in de stad in het zwart uit te gaan, zonder enig sieraad dat eraan herinnerde dat hij kanunnik van de vermaarde kathedraal was, behalve de violette kraag. Men vond hem streng. Enkelen lieten hem dat weten. Hij antwoordde niet. Ten slotte volgden bijna al zijn oudere confraters het voorbeeld van de nieuwe kanunnik. Het ambt van kanselier was nieuw voor hem, maar de omstandigheden en de buitengewone helderheid van zijn geest maakten hem er in korte tijd meester van. Dat was ook nodig. De vicaris generaal, die ouder werd, liet geleidelijk vele zaken aan de kanselier over. De bisschop werd door een beroerte getroffen en herstelde wel zijn gezondheid, maar niet de werkzaamheid die Mgr. Zinelli tot een van de voortreffelijkste bisschoppen van Noord Italië had gemaakt. Zo was het Mgr. Sarto die gedurende verscheidene jaren bij duizend zeer uiteenlopende gelegenheden in hun naam het bestuur voerde. Hij slaagde daarin. Zodra wij de veertig voorbij zijn en ambten beginnen te bekleden waarin vele mensen een beroep op ons doen, weten wij allen hoe vermoeiend het is achtereenvolgens vele mensen te ontvangen, of zij nu om dezelfde dienst vragen of in enkele minuten ingewikkelde zaken trachten uit te leggen die hen reeds dagen en nachten bezighouden. Vooral weten wij hoe moeilijk het is tegenover de vierde, de vijfde en helaas de achtste dezelfde gelijkmoedigheid te bewaren waarvan de eerste heeft geprofiteerd. Mgr. Sarto ontving iedereen met dezelfde innemende vriendelijkheid en hetzelfde geduld. De scherpte van zijn oordeel bij het oplossen van de voorgelegde gevallen bleef tot de laatste bezoeker onverzwakt. Men bewonderde hem. Aangezien hij, zoals wij reeds hebben gezegd, van nature buitengewoon levendig en gevoelig was, heeft hij misschien juist daar, in het verborgen kantoorwerk, een van de krachtigste bewijzen van zijn deugd gegeven. Toen hij tot het hoogste pontificaat was verheven, werden de professoren van het grootseminarie door een redacteur van de Parijse La Croix ondervraagd. Zij spraken hun verwondering uit over zulk een zelfbeheersing. Men kon er volgens hen zeker van zijn dat hij altijd het werk van vier mensen had gedaan. Hij was de eerste die opstond en de laatste bij wie de lamp werd gedoofd. Om vier uur was hij op en om half twaalf des avonds werkte hij nog. Zodra een van hen in de kapel kwam om zijn Mis op te dragen, ontmoette hij Mgr. Sarto, die de zijne juist beëindigde of reeds met zijn dankzegging was begonnen. Iedere morgen hield hij hardop de meditatie voor de seminaristen. Als kanunnik zong hij het Officie in de kathedraal en vervolgens begaf hij zich naar zijn bureau in het bisschoppelijk paleis. Wanneer hij daar de gehele ochtend had doorgebracht, een ochtend die tot twee uur duurde, want gedurende het studiejaar vond op dat uur de gemeenschappelijke maaltijd van het seminarie plaats, kwam hij naar het grootseminarie en bracht de dossiers mee die hij nog moest doornemen en de aantekeningen die moesten worden afgehandeld. Dan ging hij aan tafel zitten, glimlachend, want te midden van al deze werkzaamheden zag men hem nooit bezorgd, bekommerd of gejaagd. Geestige invallen en vriendelijke plagerijen lagen hem voortdurend op de lippen. Hij bezat een opgewekte moed en verspreidde rondom zich die krachtige goedgehumeurdheid. Dat was zijn enige ontspanning. Daarna ging hij weer naar zijn kamer om te werken. Slechts één zaak wekte bij Mgr. Sarto ongeduld en bijna afkeer, namelijk weekheid of een klagende houding bij een seminarist. Aan de geestelijk leidsman was op de tweede verdieping een woning toegewezen, bestaande uit een vertrek van vijf bij vijf meter en een nog kleinere slaapkamer. De vensters zagen echter naar het zuiden uit over de tuinen, de rustig stromende Sile en het tot in de verte uitgespreide landschap, waar alleen de kruinen van de platanen en de toppen van de populieren eraan herinneren dat er ergens ter wereld heuvels bestaan. Giuseppe Sarto heeft ongetwijfeld van de rust van dit landschap genoten, zoals hij later de verre uitzichten van Rome en de Romeinse Campagna zou liefhebben. Maar lang heeft hij niet voor zijn venster gedroomd. Hij had er geen tijd voor. Wanneer hij uit het bisschoppelijk paleis naar het seminarie terugkeerde met de bundel dossiers die hij bij het eerste vrije ogenblik zou onderzoeken, wachtten hem zijn vele werkzaamheden als geestelijk leidsman. Het was een zware taak. Voor de seminaristen bereidde hij godsdienstige onderrichtingen en meditaties voor. Hij was biechtvader en geestelijk leidsman van de meeste van deze jongemannen. Hoeveel bezoeken, hoeveel naastenliefde, hoeveel briefwisseling en hoeveel stappen veronderstelde dat niet. Bovendien bereidde hij de kinderen van een aan het grootseminarie verbonden middelbare school voor op hun eerste Heilige Communie. In 1883 en 1884 gaf hij zelfs godsdienstonderricht aan de leerlingen van de hogere klassen. De studenten hoorden hem graag en dat is geen geringe lof. Niet alleen volgden de seminaristen met genoegen en met een gevoel van zekerheid het onderricht van Mgr. Sarto, ook de jongeren verheugden zich op de catechismusles. Men voelde de geleerdheid in zijn helderheid. Men las zijn ziel in zijn blik. Hij sprak een fraai Italiaans en veel van zijn woorden bleven lang naklinken in deze jonge, ontvankelijke geesten. Maar de bekoring was hier vermengd met de genade van God en daarom was zij zo machtig. De buitengewone nederigheid van deze man ontroerde de jeugd. Zij verhinderde haar geenszins te zien dat daar in het grootseminarie van Treviso een man stond die zijn eigen voorstelling van zichzelf verre overtrof. Vanaf de eerste maal dat hij de leerstoel van de geestelijk leidsman besteeg, vergisten de seminaristen zich daarin niet. Toch zullen maar weinig professoren zich ooit op deze wijze aan hun leerlingen hebben voorgesteld. Mgr. Marchesan, die onder zijn toehoorders was, herinnerde zich zelfs de woorden. Mgr. Sarto zei tot de jonge clerici dat zij misschien meenden dat hij een van die geestelijke vaders was die door een lange ervaring met studenten, een uitgebreide en diepgaande ascetische en theologische kennis en een geleerde wijze van uiteenzetten in staat waren hen te leiden, raad te geven en veilig te doen voortgaan op de weg die zij met Gods hulp bewandelden. Maar hij moest hun ronduit zeggen dat hij niets of bijna niets daarvan bezat. Hij was slechts een arme dorpspastoor die door Gods wil daarheen was gekomen. En aangezien de Heer het zo had gewild, moesten zij van hun kant bereid zijn naar het woord van een arme dorpspastoor te luisteren en hem vergeven wanneer dit niet, zoals het behoorde, op de hoogte was van het ambt waarmee zijn oversten hem, onbekwaam en onwaardig als hij was, hadden willen belasten. Vervolgens hield hij een voortreffelijke toespraak en toen de theologiestudenten de kerk verlieten, zeiden zij tot elkaar dat dit dan wel een bijzondere dorpspastoor was en vroegen zij elkaar of zij hem gehoord hadden en wat een rede hij had gehouden. Zij die geboren zijn om te dienen kunnen, wanneer zij een zeer grote ziel bezitten, verbaasd zijn dat zij hoger worden geplaatst. De getuigen zijn niet verbaasd. Mgr. Sarto herhaalde tegenover deze toekomstige priesters dikwijls de woorden van de Apostel dat zij zich niet moesten laten meeslepen door vreemde en zonderlinge leringen. Over de katholieke godsdienst zei hij dat zij het primaat van zekerheid bezat boven alle heterodoxe godsdienstige stelsels en eveneens boven alle menselijke wetenschappen. De absolute waarheid, zo leerde hij, is onveranderlijk. Wat de eerste mens en allen van het Oude Testament in kiem hadden geloofd, wordt ook thans nog door de katholieken geloofd. Het oude geloof en het onze ontmoeten elkaar en zijn verbonden in het ene en onverbrekelijke middelpunt van de waarheid, Jezus Christus. Bestudeert men daarentegen de geschiedenis van alle wetenschappen, dan vindt men in de opeenvolgende veranderingen van hun theorieën het teken van hun feilbaarheid. Gelukkige formuleringen, die de man van de leer openbaren. Wanneer zijn kamergenoot hem des avonds vermoeid zag en toch nog altijd schrijvend aantrof en hem smeekte te gaan rusten omdat wie te veel werkte minder goed werkte, antwoordde hij geestig dat Don Francesco gelijk had en daarom maar naar bed moest gaan en goed moest slapen. Soms merkte men vóór het aanbreken van de dag dat hij nog altijd werkte en dat zijn bed niet was opengeslagen. Onder de studies waaraan deze buitengewone werker zich gedurende zijn jaren te Treviso wijdde, moet die van de werken van kardinaal Pie, bisschop van Poitiers, worden vermeld. Vele jaren later vertelde hij dit zelf aan een bezoeker die hij in Rome ontving. Deze bezoeker, Mgr. de Teil, vicepostulator voor Frankrijk in de zaak van de zaligverklaring van Pius IX, vertelde hem dat hij leerling van kardinaal Pie was geweest. De paus reageerde met verbazing en vreugde en vertelde dat hij in de tijd dat hij vicaris generaal was zich had willen oefenen in het lezen van het Frans. Zijn bisschop kwam dat te weten. Deze had grote bewondering gehad voor de rol van kardinaal Pie op het Vaticaans Concilie en had hem daarom aangeraden diens werken te lezen. Sarto had dit onmiddellijk gedaan. Hij had alles gelezen wat kardinaal Pie geschreven had en noemde hem zijn leermeester. Zo gingen de dagen voorbij, alle goed besteed. De waardigheden zouden komen tot hem die ervoor bevreesd was. Op 12 juni 1879 bekleedde Mgr. Zinelli hem met een van de drie ambten van het kapittel van Treviso waaraan een bescheiden aanvullende bezoldiging verbonden was en benoemde hem tot primicerius. In november stierf deze zeer waardige bisschop en het kapittel koos Mgr. Giuseppe Sarto tot kapittelvicaris. Hij vervulde dit moeilijke ambt gedurende zeven maanden. In die hoedanigheid kreeg hij onmiddellijk te maken met vertegenwoordigers van de regering en in het bijzonder met het Koninklijk Economaat van Venetië, dat gedurende de vacature van de bisschopszetel met de uitgaven belast was. Mgr. Sarto zorgde ervoor de administratie schriftelijk mee te delen dat de curie van Treviso er financieel zeer slecht voorstond en dat zij bij de dood van de bisschop zware uitgaven had moeten doen waarvan men niet wist hoe zij betaald moesten worden. Hij sprak zijn vertrouwen uit in de maatregelen die de Koninklijke Econoom, die de inkomsten van de bisschoppelijke mensa ontving, zou nemen. Deze gaf een antwoord waarvoor reeds voorbeelden bestonden en dat later nog zou worden nagevolgd. Hij verzekerde dat hij, alles in aanmerking genomen, honderd lire per maand voor de uitgaven van de curie toestond. De weigering recht te doen was overduidelijk. Pius X zou er nog andere meemaken. Maar hij leeft reeds geheel in de kapittelvicaris die de pen opneemt en antwoordt dat honderd lire per maand ontoereikend zijn wanneer alleen al voor de post meer dan veertig lire nodig zijn. De armen moeten zich tevredenstellen met de kruimels die van de tafel der rijken vallen, maar aangezien hij zowel het canonieke recht als het burgerlijke recht aan zijn zijde had en de wet op dit punt voldoende duidelijk was, wilde hij niet dat men hem ooit zou kunnen verwijten dat hij niet voor zijn rechtvaardige zaak was opgekomen. Een kandidaat voor het episcopaat had misschien niet geprotesteerd. Giuseppe Sarto was slechts kandidaat voor het paradijs. Welk een schone kracht. Welk een vrijheid. Men kijkt niet om zich heen wanneer men het goede moet doen. Wanneer de gerechtigheid spreekt, antwoordt men haar dat men gereedstaat. De kansen op succes leggen geen gewicht meer in de schaal. De raadgevingen van de vrees vallen terug in de afgrond. De zekerheid Gods wil te doen voedt de moed en de wereld schijnt dan klein. Deze priester was dus gewapend met kracht en zachtmoedigheid. De lange voorbereiding was voltooid. Mgr. Sarto had tweemaal de reis naar Rome gemaakt. De eerste maal was onder het pontificaat van Pius IX, toen de katholieke wereld in juni 1877 diens bisschopsjubileum vierde. Onopgemerkt tussen de Italiaanse pelgrims ging hij voorbij, ontving de zegen en trok zich onbekend terug. De tweede maal was in oktober 1881, tijdens de bedevaart van de katholieken tot eerherstel voor de beledigingen die de stoffelijke resten van Pius IX waren aangedaan. Toen kon hij zelfs de nieuwe paus, Leo XIII, niet zien. Hij was slechts een voorbijganger in de Stad geweest. Hij deed geen moeite zich onder de prelaten van het pauselijke hof een beschermer te verschaffen. Toch had hij er een. Het was de paus zelf, een groot leraar van het Geloof, maar ook een kenner van mensen, die zich over hen liet inlichten.

HOOFDSTUK VI

DE BISSCHOP VAN MANTUA

Op 10 november 1884 werd in het consistorie te Rome bekendgemaakt dat Mgr. Giuseppe Sarto, kanunnik van Treviso, benoemd was tot bisschop van Mantua. Hij was negenenveertig jaar oud. Het nieuws veroorzaakte in Treviso grote vreugde en bij hemzelf diepe ontroering. Hij had deze verheffing niet gezocht. Zij verwijderde hem van het seminarie, van zijn priesters, van zijn geboortestreek en van dat verborgen leven van arbeid dat hem dierbaar was. Maar de wil van de paus was voor hem de wil van God. Hij gehoorzaamde. Op 16 november werd hij te Rome in de kerk van Sant Apollinare tot bisschop gewijd door kardinaal Parocchi, vicaris van Zijne Heiligheid. De beide medeconsecratoren waren Mgr. Mocenni en Mgr. Di Canossa, bisschop van Verona. Na de plechtigheid bleef de nieuwe bisschop slechts korte tijd in Rome. Hij verlangde naar zijn bisdom te vertrekken en zijn volk te leren kennen. Voordat hij echter bezit nam van zijn zetel keerde hij naar Riese terug. Daar wilde hij nog eenmaal bidden in de kerk waarin hij gedoopt was, zijn eerste Communie had ontvangen en zijn eerste Mis had opgedragen. Zijn landgenoten ontvingen hem met buitengewone vreugde. Het gehele dorp was versierd. De mensen stonden langs de weg. De klokken luidden. Voor hen was de zoon van de arme gemeentebode, de jongen die blootsvoets naar Castelfranco was gelopen om zijn schoenen te sparen, bisschop geworden. Maar voor Giuseppe Sarto was er geen reden zich boven hen verheven te gevoelen. Hij kende hen allen. Hij sprak met de ouden, begroette zijn jeugdvrienden en bezocht de plaatsen die hem dierbaar waren. Zijn moeder leefde niet meer. Bij haar graf bad hij lang. Daarna vertrok hij naar Mantua. Het bisdom dat hem was toevertrouwd verkeerde in moeilijke omstandigheden. De stad bezat een groot verleden en talrijke kerken en kloosters herinnerden aan eeuwen van christelijk leven. Maar de godsdienstige toestand was ernstig. De geest van opstand tegen de Kerk had zich verspreid. De vrijmetselarij was invloedrijk. Antiklerikale bladen oefenden hun werking uit en onder een deel van de bevolking heerste godsdienstige onverschilligheid. Ook onder de geestelijkheid was niet alles zoals een bisschop het mocht verlangen. De priesterlijke tucht was verzwakt. Het seminarie had hervorming nodig. De nieuwe bisschop wist dat zijn eerste zorg zijn priesters moest gelden. Wanneer de geestelijkheid heilig, geleerd en ijverig was, kon het volk worden teruggewonnen. Wanneer zij tekort schoot, zouden andere maatregelen weinig baten. Hij begon daarom met het seminarie. Hij bezocht de lessen, ondervroeg de leerlingen, sprak met de professoren en onderzocht de geest van het huis. Hij wilde een degelijke vorming volgens de leer van de Kerk en in het bijzonder volgens de H. Thomas van Aquino. De seminaristen moesten niet alleen examens kunnen afleggen. Zij moesten priesters worden. Hun vroomheid, tucht en karaktervorming waren daarom even belangrijk als hun studie. Hij hield zelf onderrichtingen, hoorde biecht en volgde de ontwikkeling van de jonge clerici met grote aandacht. De bisschop die vroeger geestelijk leidsman te Treviso was geweest, vond hier een arbeid die hij kende en liefhad. Ook de priesters van het bisdom ondervonden spoedig dat hun bisschop hen persoonlijk wilde kennen. Hij riep hen bij zich, bezocht hun parochies en sprak met hen over hun moeilijkheden. Hij verlangde veel. Slordigheid in de liturgie, nalatigheid in de catechismus en een wereldse levenswijze van de priester konden bij hem geen goedkeuring vinden. Maar zijn strengheid was die van een vader die eerst van zichzelf eiste wat hij van anderen verlangde. Niemand kon hem verwijten dat hij een last oplegde die hijzelf niet droeg. Hij werkte meer dan allen. Zijn dagen begonnen vroeg en eindigden laat. De administratie van het bisdom, de correspondentie, de audiënties, de bezoeken aan parochies, de voorbereiding van preken en herderlijke brieven en zijn persoonlijke gebed vulden zijn tijd. Toch bleef zijn deur open voor de armen. Het bisschoppelijk paleis werd geen plaats waar een eenvoudige gelovige vreesde binnen te gaan. De mensen van Mantua ontdekten dezelfde Giuseppe Sarto die de parochianen van Tombolo en Salzano hadden gekend. Alleen de verantwoordelijkheid was groter geworden. Zijn inkomsten waren eveneens groter geworden, maar ook nu bleven zij niet lang in zijn handen. Hij gaf. Wanneer er niets meer was, leende hij. Zijn omgeving maakte zich daarover zorgen. Hijzelf vertrouwde op de Voorzienigheid. Een bisschop, zo meende hij, mocht niet rijk leven terwijl zijn armen gebrek leden. Bij zijn bezoeken aan de parochies wilde hij geen kostbare ontvangsten. Hij hield niet van uitgaven die uitsluitend werden gedaan om hem eer te bewijzen. De middelen konden beter aan de kerk, de school of de armen worden besteed. Dezelfde eenvoud kenmerkte zijn persoonlijke leven. Hij was bisschop geworden zonder op te houden de dorpspriester te zijn die hij zichzelf te Treviso had genoemd. Deze eenvoud betekende geenszins dat hij zijn bisschoppelijk gezag gering achtte. Integendeel. Juist omdat het ambt niet van hemzelf maar van God kwam, oefende hij het met vastheid uit. Wanneer geloof, zeden of kerkelijke tucht in het geding waren, week hij niet. Zijn goedheid was geen zwakheid. Degenen die meenden dat zijn vriendelijke omgang betekende dat men hem gemakkelijk tot een ongeoorloofde toegeving kon bewegen, ontdekten hun vergissing. Hij luisterde geduldig, onderzocht de feiten en nam vervolgens een beslissing. Wanneer zij genomen was, bleef zij gelden. De catechismus was opnieuw een van zijn voornaamste zorgen. Hij wilde dat in iedere parochie het godsdienstonderricht regelmatig en zorgvuldig werd gegeven. De volwassenen mochten evenmin worden vergeten. De onwetendheid op godsdienstig gebied beschouwde hij als een van de grote oorzaken van de verzwakking van het christelijk leven. Men kon niet verwachten dat mensen een geloof zouden verdedigen dat zij nauwelijks kenden. Daarom moesten de priesters onderrichten, helder en eenvoudig, zonder de leer te verminken. Ook de prediking moest worden verbeterd. De kansel was geen plaats voor ijdele welsprekendheid. De priester moest het Evangelie verkondigen en de mensen leren wat zij moesten geloven en doen om zalig te worden. Hijzelf gaf daarvan het voorbeeld. Wanneer hij preekte, was zijn taal eenvoudig en krachtig. De bisschoppelijke waardigheid had zijn wijze van spreken niet veranderd. Hij sprak nog altijd zo dat het volk hem kon verstaan. Hij bezocht zijn bisdom nauwgezet. Geen verre of kleine parochie werd vergeten. Hij wilde de kerken zien, de priesters spreken, de kinderen ondervragen en de toestand van de gelovigen kennen. Deze bezoeken waren vermoeiend, maar hij spaarde zichzelf niet. Hij kende het landleven en voelde zich onder de eenvoudige bevolking onmiddellijk thuis. De mensen merkten dat. De afstand die de bisschoppelijke waardigheid vanzelf schept, verdween zodra hij met hen sprak. Toch bleef de eerbied bestaan. Men voelde in hem zowel de vader als de bisschop. In Mantua moest hij ook optreden tegenover de vijanden van de Kerk. De politieke toestand van Italië bleef gespannen. Antiklerikale kringen beschouwden iedere krachtige katholieke werkzaamheid met wantrouwen. De bisschop liet zich daardoor niet afschrikken. Hij zocht geen strijd, maar ontweek hem evenmin wanneer de rechten van de Kerk moesten worden verdedigd. Hij moedigde katholieke verenigingen aan en steunde de werken die het geloof onder het volk konden versterken. Daarbij waakte hij ervoor dat politieke hartstocht niet in de plaats van de godsdienst trad. Katholieke werkzaamheid moest katholiek blijven. Zij moest uitgaan van de leer en onder het gezag van de Kerk staan. Zijn belangstelling voor de heilige muziek bleef eveneens bestaan. Hij verlangde waardige zang in de kerken en bestreed de wereldse en theatrale muziek die in Italië in de liturgie was binnengedrongen. De kerk was geen schouwburg. Muziek die bij de goddelijke eredienst hoorde, moest zelf heilig zijn. Wat hij later voor de gehele Kerk zou voorschrijven, trachtte hij reeds in zijn bisdom te verwezenlijken. De jaren te Mantua waren jaren van strijd en vruchtbare arbeid. Langzaam veranderde de toestand. Het seminarie verbeterde. De geestelijkheid werd hechter rondom haar bisschop verenigd. Het katholieke leven herstelde zich. Zelfs tegenstanders konden moeilijk ontkennen dat deze bisschop een uitzonderlijke werkkracht bezat en geheel voor zijn ambt leefde. Zijn naam werd buiten het bisdom steeds bekender. Leo XIII ontving berichten over hem. De paus wist wie de bisschop van Mantua was en hoe hij zijn bisdom bestuurde. Giuseppe Sarto zelf dacht niet aan een volgende waardigheid. Hij was gehecht geraakt aan Mantua en meende daar zijn leven te zullen beëindigen. Maar opnieuw zou de gehoorzaamheid hem wegvoeren. In 1893 stierf kardinaal Domenico Agostini, patriarch van Venetië. De zetel van de oude republiek werd vacant. Leo XIII moest een opvolger kiezen. Zijn keuze viel op de bisschop van Mantua. Op 12 juni 1893 werd Giuseppe Sarto in het consistorie tot kardinaal gecreëerd met de titelkerk San Bernardo alle Terme. Drie dagen later benoemde de paus hem tot patriarch van Venetië. De zoon van Riese keerde terug naar zijn geboortestreek, maar nu als kardinaal en patriarch.

HOOFDSTUK VII

PATRIARCH VAN VENETIË

Toen de patriarch van Venetië, kardinaal Agostini, op 31 december 1891 was gestorven, dacht Leo XIII er aanvankelijk aan de oude bisschop van Treviso, Mgr. Apollonio, tot zijn opvolger te benoemen. Deze voerde echter ernstige gezondheidsredenen aan. Hij schreef aan de paus en verkreeg ten slotte dat het plan werd opgegeven. Er gingen maanden voorbij. Op 23 mei 1893 kondigde de Voce della Verità aan dat Mgr. Sarto in het eerstvolgende consistorie tot patriarch van Venetië zou worden verheven. Enkele dagen later voegden de kranten eraan toe dat de patriarch in dit consistorie, dat op 12 juni zou plaatsvinden, tot kardinaal zou worden gecreëerd. Nadat Mgr. Sarto had getracht zich aan deze eerbewijzen en lasten te onttrekken, had hij erin toegestemd patriarch en kardinaal te worden, toen de staatssecretaris hem had gezegd dat een verdere weigering de paus groot verdriet zou doen. Op 7 juni was hij te Rome. Leo XIII ontving hem met levendige blijken van genegenheid, waarmee hij niet kwistig was, en liet hem een gedachte horen die voor Sarto bijzonder eervol was. De precieze bewoordingen zijn niet bewaard gebleven, maar de inhoud van de uitspraak behoort tot de geschiedenis van deze twee grote mannen. Leo XIII wilde de bisschop van Mantua tot kardinaal verheffen en verlangde, indien zijn canonisten daartegen geen bezwaar hadden, dat Sarto tot aan zijn bezitneming van de zetel van Venetië de titel van bisschop van Mantua zou behouden. Zo moest duidelijk blijken dat het kardinalaat niet zozeer de gebruikelijke begeleiding van zijn nieuwe ambt was als wel een beloning die de paus persoonlijk voor hem had bestemd. Mgr. Sarto, bisschop van Mantua, werd inderdaad in het consistorie tot kardinaal priester verheven en eerst drie dagen later tot patriarch van Venetië gepreconiseerd. Zijn kardinaalstitel was die van de H. Bernardus bij de Thermen. Tegelijk met Mgr. Sarto ontvingen ook andere bisschoppen het kardinaalspurper, onder wie twee Fransen, Mgr. Lécot, aartsbisschop van Bordeaux, en Mgr. Bourret, bisschop van Rodez. Onmiddellijk ontstond een conflict met het ministerie Crispi. De minister weigerde het exequatur voor de benoeming van de patriarch. Hij eiste voor de Italiaanse Staat het recht van aanwijzing op krachtens het voorrecht dat de pausen vroeger aan de Doorluchtige Republiek van de H. Marcus hadden verleend. Het Vaticaan antwoordde door aan te tonen dat deze oude voorrechten vervallen waren. Zij hadden bovendien geen reden van bestaan meer. Het gemeentebestuur van Venetië, dat in meerderheid bestond uit mannen die de Kerk vijandig gezind waren, schijnt de oplossing van deze ernstige zaak, waardoor het bisdom zonder bisschop bleef, niet te hebben bespoedigd. Nog zestien maanden lang zou de patriarch verhinderd worden zijn ambt in bezit te nemen en gedurende diezelfde tijd zou de Italiaanse regering zich de inkomsten van de mensa toe eigenen. Nadat de kardinaal zijn bezoeken had afgelegd, die bij de Romeinen een zeer levendige indruk hadden achtergelaten, haastte hij zich naar Mantua terug te keren. Op de drieëntwintigste werd hij daar plechtig ontvangen. In de loop van de zomer waren er nog vele andere feesten in Venetië en Lombardije, in steden en grote dorpen, waaraan hij zich moest onderwerpen. De nieuwbenoemde werd voortdurend verzocht godsdienstige plechtigheden voor te zitten. Hij ging op weg en het klokgelui vergezelde hem. Eindelijk kon hij op 14 oktober de goede Margherita Sarto gaan begroeten, zijn moeder, die inmiddels zeer oud en gebrekkig was geworden en haar roemrijke zoon niet tegemoet had kunnen komen. Hij verliet Mantua met een trein die hem vóór de avond naar Castelfranco zou brengen. Men was gewaarschuwd. De mensen uit de streek waren naar de nabijgelegen stations getrokken. Te Cittadella hield de trein stil en de inwoners van Tombolo, mannen, vrouwen en kinderen, stonden op het perron bijeen en hielden niet op hun vroegere kapelaan toe te juichen, die zij nog altijd Don Giuseppe noemden. Te Castelfranco waren het de vertegenwoordigers van de bisschop van Treviso en een ontelbare menigte die de prelaat omringden. Hij herinnerde zich de tijd waarin hij te voet, met zijn schoenen over de schouder, naar Castelfranco kwam om de lessen aan het gymnasium te volgen. Nu stapte hij in een rijtuig en onder de takken van de platanen, die inmiddels veel dichter waren geworden, legde hij opnieuw de weg van vroeger af. Op de erven van de boerderijen en bij de kruispunten herkende hij zoveel gezichten. Hij zag ook zoveel jonge mensen die hij niet kende en die hem toeriepen dat zij de dochter waren van Bartolomeo, die zijn vriend was geweest, en hem om zijn zegen vroegen, of dat zij de zoon waren van Andrea, zijn vroegere kameraad, en hem eer toewensten. Hoe Giuseppe Sarto te Riese werd ontvangen toen hij voor de deur van de kerk uitstapte, kan men zich voorstellen. Na de zegen met het Allerheiligste Sacrament moest hij opnieuw in zijn rijtuig plaatsnemen. Onder onafgebroken toejuichingen werd hij van de kerk van Riese naar het kleine huis gebracht waar Margherita, nu tachtig jaar oud, op haar eerstgeboren zoon wachtte. Zij herkende zijn voetstap op de treden van de trap, hoorde zijn stem en zag hem. Hij boog zich over het bed van de zieke en omhelsde zijn moeder. Zij moeten lang met elkaar hebben gesproken in die nog altijd arme kamer waarin zij jong was geweest en waarin hij als kind had geleefd. De volgende dag, een zondag, behoorde bijna geheel aan de plechtigheden. De patriarch droeg de Mis op, sprak na het Evangelie en deed velen van zijn toehoorders wenen, want terwijl hij het verleden in herinnering bracht, sprak hij over hen allen. De gehele dag hield hij niet op omringd te zijn, bezoekers te ontvangen, te zegenen en te danken. Uit alle omliggende plaatsen was de menigte toegestroomd. Riese was met triomfbogen versierd. Des avonds waren alle muren en vensters voorzien van Venetiaanse lantaarns. Het luide feestgedruis van het volk verstomde eerst laat in de nacht. Maar op de derde dag trok Giuseppe vroeg in de ochtend, op verzoek van zijn moeder, de scharlaken cappa magna aan. Hij hing de keten en het gouden kruis om zijn hals en naderde Margherita Sanson, die zo verbaasd en ontroerd was dat men nauwelijks weet of men moet zeggen van vreugde of van verlegenheid. Het was in ieder geval geen hoogmoedige vreugde die deze christelijke moeder ondervond. Evenals haar zoon hield zij haar ziel boven de wereld verheven. Dat was het voorbeeld en het onderricht geweest dat zij haar gehele leven had gegeven aan deze Giuseppe, die nu zo hoog in de hiërarchie van de geliefde Kerk was opgeklommen. Zij dankte God. In haar door het Evangelie gevormde hart wist zij dat haar nog maar weinig tijd restte voordat zij naar het hemelse Vaderhuis zou gaan en dat zij deze zoon van zoveel zegeningen waarschijnlijk hier op aarde niet meer zou terugzien. Dit ogenblik was voor beiden, zoals zoveel andere ogenblikken, zoet en met smart vermengd. Daarna vertrok de kardinaal om de Mis op te dragen in het heiligdom delle Cendrole, op het geliefde platteland, waar een gehele menigte pelgrims hem wachtte. De voorgevoelens die zij tegenover elkaar niet hadden uitgesproken, hadden hen niet bedrogen. De moeder van Giuseppe overleefde deze ontmoeting slechts enkele maanden. Zij stierf snel en zacht op Maria Lichtmis van het jaar 1894. Wie het kerkhof van Riese bezoekt, kan binnen een kapel van witte steen en baksteen het opschrift lezen waarin staat dat Margherita Sanson, voorbeeldige vrouw, trouwe echtgenote en onvergelijkelijke moeder, na op 4 mei 1852 haar echtgenoot Giovanni Battista Sarto te hebben verloren, gedurende droevige en vertroostende dagen berustend en vol kalmte was gebleven, negen kinderen kloekmoedig in het christelijk geloof had opgevoed en op 2 februari 1894, in haar eenentachtigste levensjaar, door de dood der rechtvaardigen een leven van arbeid en offers had voltooid. Daaronder staan nog de woorden dat kardinaal Giuseppe Sarto, samen met zijn broer en zijn zusters, voor hun dierbare ouders de eeuwige rust afsmeekt. De tijd verstreek. De patriarch van Venetië bleef in Mantua wonen. Het exequatur van de regering bleef ongetekend op het ministerie liggen. Herhaalde klachten, raadpleging van de beroemdste rechtsgeleerden, die bevestigden dat het patronaatsrecht van de Staat voor de zetel van de H. Marcus niet bestond, brieven van vooraanstaande personen aan politici en een grote volksbijeenkomst in het Palazzo dei Mercanti te Venetië, niets scheen Francesco Crispi te bewegen. Toen de voorzitter van de ministerraad hierover in het parlement werd geïnterpelleerd, had hij durven zeggen dat hij geen strijd zocht en de katholieke Kerk eerbiedigde, de Kerk van de grote meerderheid der Italianen. Het bisdom Venetië was reeds bijna drie jaren zonder bisschop toen plotseling, op 5 september 1894, het exequatur werd verleend aan de reeds zo lang bestaande pauselijke bul waarbij de patriarch was benoemd. Voor gebruik door de kranten werd als voorwendsel aangevoerd dat Leo XIII Eritrea, een Italiaanse kolonie, tot apostolische prefectuur had verheven en Italiaanse franciscanen had toegestaan zich daar te vestigen in plaats van Franse franciscanen. Als antwoord op deze welwillende daad van de Heilige Stoel en zonder daarmee iets voor de toekomst vast te leggen, stemde het ministerie daarom in met de benoeming van Mgr. Sarto. Men fluisterde echter ook andere dingen, onder meer dat de nieuwe patriarch een geest bezat die zeer tot verzoening geneigd was. Wat in dergelijke omstandigheden verzoening wordt genoemd, verdient dikwijls een andere naam en geeft reden tot verontwaardiging. De kardinaal voelde de belediging. Deze zoon van het volk was fier, fier op de Kerk. Hij liet geen twijfel ontstaan en schreef in zijn eerste herderlijke brief, gedateerd op het feest van de H. Laurentius Justinianus, bisschop van Venetië, 5 september, aan de gelovigen van zijn nieuwe bisdom dat God uit de politiek werd verdreven door de theorie van de scheiding van Kerk en Staat, uit de wetenschap door de tot stelsel verheven twijfel, uit de kunst die door het realisme was verlaagd, uit de wetten die naar de zedenleer van vlees en bloed werden gevormd, uit de scholen door de afschaffing van de catechismus en ten slotte uit het gezin, dat men in zijn oorsprong wilde verwereldlijken en van de genade van het Sacrament beroven. Hoe moest men zich tegen zoveel kwaad verzetten? De brief antwoordde dat men de hoofdzonde van de moderne tijd moest bestrijden, die op heiligschennende wijze de mens in de plaats van God wilde stellen. Men moest het licht van de evangelische voorschriften en raadgevingen en dat van de werken der Kerk brengen in al die vraagstukken die het Evangelie en de Kerk zo helder en zegevierend hadden opgelost, namelijk opvoeding, gezin, eigendom, rechten en plichten. Men moest de christelijke eendracht tussen de verschillende maatschappelijke standen herstellen, de aarde tot vrede brengen en de hemel bevolken. Dat was de zending die hij onder hen moest vervullen, terwijl hij alles onderwierp aan het gezag van God, van Jezus Christus en van Zijn Plaatsbekleder op aarde, de paus. Wanneer de patriarch van Venetië in zijn schrijven de naam van de paus ontmoette, begroette en verheerlijkte hij hem, wellicht bedenkend dat juist op dat ogenblik Leo XIII, het tijdelijke hoofd in een eeuwigdurende strijd, van binnen en van buiten werd aangevallen. Wanneer het over de Plaatsbekleder van Jezus Christus ging, zo schreef hij, was het niet de tijd om te onderzoeken, maar om te gehoorzamen. Men moest niet de omvang van een gegeven bevel afmeten om de gehoorzaamheid eraan te beperken. Men moest niet redetwisten over het duidelijkste woord van de paus om de betekenis ervan te verdraaien. Men moest de wil van de paus niet naar vooroordelen uitleggen en daardoor de klaarblijkelijke inhoud ervan vernietigen. Men moest geen rechten stellen tegenover het recht van de paus om te onderrichten en te bevelen. Men moest zijn oordelen niet wegen en zijn bevelen niet bespreken indien men Jezus Christus Zelf niet rechtstreeks wilde beledigen. De samenleving was ziek. Alle edele delen van haar lichaam waren aangetast en de bronnen van het leven zelf waren getroffen. De enige toevlucht en het enige geneesmiddel was de paus. In deze opmerkelijke brief waarmee hij zijn ambt aanvaardde, richtte hij zich ook tot de geestelijkheid van het patriarchaat. De priesters moesten ervoor waken geen enkele gedachte over te nemen van dat liberalisme dat onder de schijn van het goede gerechtigheid en ongerechtigheid met elkaar wilde verzoenen. De liberale katholieken waren wolven onder de vacht van lammeren. Daarom moest de priester die werkelijk priester was aan het hem toevertrouwde volk hun gevaarlijke strikken en slechte bedoelingen onthullen. Men zou hen papisten, clericalen, reactionairen en onverzoenlijken noemen. Daarop moesten zij trots zijn. Zij moesten sterk zijn en gehoorzamen aan het gebod dat Isaias in herinnering brengt, luid te roepen en niet op te houden, de stem als een bazuin te verheffen en aan het volk zijn boosheden en aan het huis van Jacob zijn zonden bekend te maken. Reeds voordat hij zijn ambt in bezit nam, kon er dus geen twijfel bestaan over de beginselen die de kardinaal bij de geestelijke leiding van zijn volk zouden leiden. Tegelijk wilde hij de burgerlijke overheden verzekeren van de geest van eendracht die zij bij hem zouden aantreffen. Op 14 november schreef hij aan de burgemeester van Venetië dat de dag naderde waarop hij het bestuur van het aartsbisdom op zich moest nemen en dat hij het als zijn plicht beschouwde zijn eerbied te betuigen aan de burgemeester en diens geachte ambtgenoten in het gemeentebestuur. Hij sprak de hoop uit bij de vertegenwoordigers van de stad de hulp te vinden die de herderlijke last minder zwaar zou maken. Daarvan was hij zelfs overtuigd, want hoe verschillend hun werkterreinen ook waren, beiden moesten hetzelfde doel nastreven, namelijk het welzijn van de burgers. Tussen de beide machten kon geen botsing bestaan, aangezien godsdienst en samenleving dezelfde Schepper hadden. Het hoofd van het radicale gemeentebestuur antwoordde met een zeer hoffelijke brief. Tien dagen later hield de patriarch zijn plechtige intocht in Venetië. Op de kaden rond het station, in de naburige stegen en aan de overzijde stond zo een geweldige menigte dat iedereen voor de geringste beweging vreesde, waardoor hele groepen nieuwsgierigen in het Canal Grande zouden kunnen vallen. Op het Canal Grande wachtten honderden gondels en kleine stoomboten. De trein floot. Toen begonnen alle klokken van Venetië te luiden, en God weet hoeveel het er zijn. De hemel, de huizen en de zee zongen. De mensen zwegen nog. Zij zagen een vaartuig van de Koninklijke Marine naar de stenen treden varen, met aan boord verscheidene officieren in groot tenue. Het was de eerste begroeting van de regering. Daarna ging de deur van het station open en kwam de kardinaal door de menigte naar beneden. Een geweldige toejuiching steeg op. Zij herhaalde zich van plaats tot plaats naarmate het eerste vaartuig van de stoet een nieuwe wijk binnenvoer en bleef de patriarch begeleiden tot aan de Piazzetta. Hij stond aan de voorzijde van het vaartuig, gekleed in purper, glimlachend en zegenend. Rechts van hem stond het kruis, gedragen door een priester, links zijn vicaris generaal en dicht bij hem de officieren van de Koninklijke Marine. Alle paleizen waren versierd, behalve dat van het gemeentebestuur. Alle vensters, de borstweringen van de bruggen en de terrassen van de huizen, met hun kostbare tapijten, banieren en vlaggen en met het volk dat de armen omhooghief, namen deel aan het zo lang verwachte feest. Het kostte veel tijd de Piazzetta, waar men aan land ging, en vervolgens het grote San Marcoplein over te steken. De stoet trok langs het Dogenpaleis, ging voorbij de beroemde basiliek en hield aan de andere zijde stil toen de kardinaal het patriarchale paleis was binnengegaan. Er volgden enkele officiële ontvangsten. De patriarch ontving admiraal Canevaro, de president van het Hof van Beroep, de procureur des Konings, de militaire autoriteiten en ten slotte de burgemeester van Venetië. Daarna viel de nacht. De volgende dag brak aan. De duiven vonden tot hun genoegen weer enkele vrije stenen waarop zij konden neerstrijken en voor de patriarch begon het Venetiaanse leven, hoewel het gedurende nog een week met officiële verplichtingen was gevuld. Hij bracht tegenbezoeken aan degenen die hem hadden bezocht en ontving anderen, onder wie de twintig buitenlandse consuls die te Venetië verbleven. Met hen sprak hij over een vraagstuk dat hen allen aanging, de Italiaanse emigratie. Men merkte bij deze altijd moeilijke gelegenheid van zijn ambtsaanvaarding de tegenwoordigheid van geest van kardinaal Sarto op, de snelheid van zijn antwoorden, zijn kunst een gesprek te leiden, het gemak van zijn omgangsvormen, zijn kennis van talloze zaken uit de wereld en het evenwicht tussen zoveel eigenschappen die zijn deugd nog meer luister verleenden. Het paleis van de patriarch van Venetië staat links van de gouden basiliek, iets naar achteren. Het is een groot kubusvormig gebouw, bekleed met wit marmer en omstreeks 1850 gebouwd. Het heeft te fraaie buren om zelf sterk op te vallen. Ervoor ligt een klein plein, een voortzetting van het San Marcoplein, dat naar de deur leidt, die drie treden hoger ligt. Binnen was geen weelde van wandbekleding, schilderijen of meubels. Er waren grote ontvangstzalen en voor de bewoning talrijke eenvoudige vertrekken. Kardinaal Sarto had niet zoveel nodig. Zijn zusters waren hem gevolgd. Zij kookten, nog altijd op dezelfde wijze als sinds Riese. Zij droegen geen hoed en onderscheidden zich, met het hoofd bedekt door een mantille of een donkere stof, in niets van de Venetiaanse vrouwen die men op de pleinen, in de kerken en langs de kaden ontmoette, vrouwen van vissers of handelaars. Men kan zeggen dat ook de patriarch uit eigen beweging niets veranderde aan de leefregel die hij zich reeds aan het begin van zijn priesterleven had gesteld. Hij stond nog altijd om vijf uur op en ging om middernacht naar bed. Alleen de werkzaamheden waren talrijker geworden, evenals de contacten en de verplichtingen bij godsdienstige plechtigheden te verschijnen. Iedere dag ontving de kardinaal van tien uur tot half één. Ook te Venetië gebeurde het dat de kardinaal zelf naar beneden kwam om zijn deur te openen. Wanneer hij had opengedaan, vroeg hij de bezoeker of deze misschien voor de patriarch kwam en voegde er, met alle eerbied, aan toe dat hijzelf de patriarch was. Soms zei hij zelfs dat hij maar een arme kardinaal van het platteland was. Maar al deze Venetianen, met hun levendige geest, glimlachten wanneer zij hem zo hoorden spreken. Men wachtte in de grote zaal op de eerste verdieping, vanwaar men de Piazzetta dei Leoncini en een gehele zijde van het grote witte San Marcoplein zag. Vandaar ging men naar de grote salon waar de kardinaal zich bevond. Zodra er geen bezoekers meer waren, trok hij zich terug in een aangrenzend klein vertrek en begon te schrijven. Hij had namelijk een ontzaglijke hoeveelheid correspondentie en schreef zelf zoveel mogelijk brieven, hoewel hij werd geholpen door zijn secretaris Mgr. Bressan en door abbé Pescini. Ook in Venetië liep men samen om hem te horen, misschien nog meer dan elders, want hij sprak in het Venetiaanse dialect en met zoveel hart en geest. Weldra kende, begroette en beminde men hem overal. Wanneer hij een ziekenhuis, een gesticht of een klooster moest bezoeken, ging hij er meestal te voet heen en sprak onderweg gaarne met het volk van de zee, dat hem als de zijne had aangenomen. De inkomsten van het patriarchaat bedroegen slechts ongeveer twaalfduizend frank en zouden niet eens voldoende zijn geweest voor de aalmoezen alleen van een patriarch bij wie voortdurend werd aangeklopt en die altijd gereed was te geven. Hij beklaagde zich daarover dikwijls bij Mgr. Bressan, die hem aan het begin van iedere maand het bedrag ter hand stelde dat passend werd geacht. Op de eerste, de tweede en de derde van de maand ging alles goed. Maar binnen een week was de beurs voor de armen leeg. Wat moest hij doen? Zo weinig mogelijk voor zichzelf uitgeven. De Venetianen meenden meer dan eens te hebben opgemerkt dat de cappa magna van kardinaal Sarto niet overal dezelfde glans had. Geen wonder. Zij wisten niet dat zij van zijn voorganger was geweest. Men had haar zo goed mogelijk aangepast en opgeknapt, maar herstelwerk geeft niet de frisheid van het nieuwe. Als scholier, seminarist, kapelaan, pastoor en bisschop was Giuseppe Sarto altijd arm geweest. Op de zetel van de H. Marcus bleef hij dat. Wanneer een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder door Venetië reisde en ontvangen moest worden, eiste de gastvrijheid dat de tafel beter werd voorzien. De gast, getroffen door het voorname dat altijd in de ontvangst door Mgr. Sarto lag, bemerkte niet hoe eenvoudig het dagelijkse leven daar was. Ook priesters van het bisdom die onderweg werden uitgenodigd, konden dezelfde indruk behouden, want de vindingrijke zusters hadden altijd enige voorraad achter de hand. Maar deze officiële woning aan de Piazzetta dei Leoncini had waarschijnlijk nooit minder rijkdom gekend. Behalve zijn bisschopsring, zijn borstkruis en zijn gouden horloge, waarvan men verzekert dat hij het soms naar de Bank van Lening bracht, bezat de kardinaal slechts één kostbaar voorwerp. Dat was een gondel die de katholieken van Venetië hem hadden geschonken. Zij was volgens de traditie zwart, maar fijn gebouwd, sierlijk afgewerkt en aan de voorsteven voorzien van een ijzeren blad. Zij was gebouwd door Casal, door de beeldhouwer Besarel versierd en werd bestuurd door een gondelier wiens naam herinnerde aan de oude vergulde paarden van de gevel van de San Marco, Cavaldoro. Zelfs deze gondel gebruikte hij tamelijk weinig, behalve om naar verder afgelegen wijken te gaan of op zomerochtenden naar het strand van het Lido, waar hij met Mgr. Bressan een wandeling maakte. Gedurende de negen jaren waarin hij patriarch van Venetië was, bleef kardinaal Sarto trouw aan de regels van vaderlijk en vastberaden bestuur die hij reeds als bisschop van Mantua had gevolgd. De dag nadat hij zijn nieuwe ambt in bezit had genomen, was hij in het Latijn toegesproken door een van zijn vroegere professoren van het seminarie van Padua, voor een ontzaglijke menigte die in de basiliek van San Marco bijeen was. Hij begon zijn antwoord in sierlijk en gemakkelijk Latijn en ging daarna in het Italiaans verder. Hij zei dat hij zich beschaamd zou moeten voelen over zoveel blijken van vreugde en eerbied en over zoveel eerbewijzen die hem ten deel waren gevallen. Maar hij wist dat deze eerbied en deze eerbewijzen niet zijn arme persoon golden, maar Christus, de grote Wetgever en Koning, in Wiens naam hij onder hen was gekomen. God, wat zou er van hem worden indien hij hen niet liefhad. Zelfs degenen die hij nooit had gezien droeg hij allen in zijn hart, de pastoors der parochies, de geestelijkheid, de overheidspersonen, de edelen, de rijken, de kinderen van het volk en de armen. Hij had hen allen lief, maar hij verlangde ook dat allen hun plicht deden. In Venetië bestuurde hij zoals hij in Mantua had bestuurd. Hij bezocht de parochies, hield toezicht op het godsdienstonderricht, onderzocht de toestand van de kerken en volgde met bijzondere aandacht de vorming van de geestelijkheid. Het seminarie was een van zijn eerste zorgen. Hij wilde dat de jonge clerici degelijk werden gevormd in de kerkelijke wetenschappen en in de geest van hun roeping. De studie mocht niet worden verwaarloosd, maar evenmin de vroomheid, de tucht en de gehoorzaamheid. De patriarch kende de gevaren van een geleerdheid die niet door een geestelijk leven werd gedragen. Hij kende ook het tegenovergestelde gevaar, een vroomheid zonder voldoende leer. De priester moest beide bezitten. De H. Thomas bleef de meester naar wie hij verwees en de gregoriaanse zang behield de voorname plaats die hij haar reeds elders had willen teruggeven. De patriarch kwam dikwijls in het seminarie. Hij sprak met de leerlingen en professoren, ondervroeg, luisterde en gaf raad. De seminaristen bemerkten spoedig dat zij tegenover een man stonden die hun studies kende en die niet tevreden was met algemene antwoorden. Hij kon op ieder ogenblik een vraag stellen over theologie, liturgie of kerkgeschiedenis en verwachtte een nauwkeurig antwoord. Toch voelden zij vooral de vaderlijke belangstelling waarmee hij hun roeping volgde. Hij wilde priesters vormen die in staat waren de zielen te leiden. Ook het catechismusonderricht bleef een van zijn voornaamste zorgen. Wat hij als kapelaan, pastoor en bisschop had gedaan, zette hij als patriarch voort. De kinderen moesten de christelijke leer kennen. Het was niet voldoende dat zij enkele gebeden uit het hoofd kenden. De geloofswaarheden moesten hun helder worden uitgelegd en zo diep mogelijk in hun geheugen worden geprent. De patriarch ondervroeg zelf kinderen wanneer hij parochies bezocht. Hij kon lang bij hen blijven en genoot zichtbaar van hun antwoorden. Wanneer een kind aarzelde, hielp hij het. Wanneer het goed antwoordde, prees hij het. Hij bezat de zeldzame gave de eenvoudigste dingen uit te leggen zonder ze te verkleinen. Voor hem was de catechismus geen gering onderdeel van het kerkelijk leven. Hij zag daarin een van de grondslagen van het geloof van het volk. De heilige muziek hield hem eveneens bezig. Venetië, de stad van grote muzikale tradities, kende ook de misbruiken die elders in Italië waren binnengedrongen. Muziek van theatrale aard had een plaats gekregen in de kerken. De patriarch verzette zich daartegen. Hij verlangde dat de muziek werkelijk deel uitmaakte van de goddelijke eredienst en daarom zelf heilig was. De gregoriaanse zang moest worden hersteld en de polyfone muziek moest overeenstemmen met de waardigheid van de liturgie. Hij sprak daarover met musici en geestelijken en trachtte door onderricht en voorschriften de smaak te zuiveren. Ook hier bereidde de patriarch van Venetië het werk van de toekomstige paus voor. Zijn werkzaamheid beperkte zich niet tot de kerkgebouwen en de seminaries. Hij volgde de katholieke werken die zich in deze jaren ontwikkelden en moedigde hen aan wanneer zij werkelijk katholiek waren. Hij wist hoe groot de maatschappelijke vraagstukken waren geworden. De arbeiderswereld veranderde. Nieuwe politieke leerstellingen werden verspreid. Socialisten beloofden de arbeiders een rechtvaardigheid zonder God. Liberalen wilden de samenleving inrichten alsof de Kerk slechts een particuliere aangelegenheid was. Kardinaal Sarto verwierp beide dwalingen. Hij kende de encyclieken van Leo XIII en vooral de beginselen die de paus in Rerum novarum had uiteengezet. Hij verlangde dat de katholieken niet werkeloos bleven. Zij moesten zich verenigen, de armen helpen, de arbeiders verdedigen waar hun recht werd geschonden en de christelijke beginselen in het maatschappelijke leven toepassen. Maar deze werkzaamheid moest onder het gezag van de Kerk blijven. De leek had zijn taak en zijn vrijheid, maar een katholieke beweging die zich aan het kerkelijk gezag onttrok, hield voor hem op werkelijk katholiek te zijn. Zijn verhouding tot de burgerlijke overheid bleef hoffelijk, maar onafhankelijk. Hij zocht geen botsingen. Wanneer samenwerking mogelijk was ten bate van de bevolking, werkte hij mee. Maar wanneer de rechten van de Kerk werden aangetast, sprak hij duidelijk. De regering en het gemeentebestuur wisten spoedig dat zij tegenover een man stonden die vriendelijk kon zijn zonder iets van zijn beginselen prijs te geven. Juist deze combinatie van zachtheid en vastheid maakte indruk. Hij kende geen menselijke vrees wanneer hij overtuigd was van zijn plicht. De patriarch bezocht niet alleen kerken en instellingen. Hij ging naar de armen, de zieken en de ongelukkigen. Zijn aalmoezen waren zo talrijk dat zijn omgeving voortdurend moeite had de huishouding sluitend te houden. Wanneer men hem waarschuwde dat er niets meer was, werd hij daar niet altijd door tegengehouden. Hij vond wel iets. Soms leende hij. Soms gaf hij een voorwerp weg. Het was dezelfde Giuseppe Sarto die te Tombolo en Salzano zijn kleding had weggegeven. Alleen waren nu de aantallen groter. De stad kende zijn goedheid en de armen vonden de weg naar het patriarchale paleis. Hij kende ook de vissers en gondeliers. Wanneer hij door de wijken liep, werd hij overal aangesproken. Hij hield stil, luisterde en antwoordde in het Venetiaanse dialect. De afstand tussen kardinaal en volk scheen dan te verdwijnen. Toch verloor hij niets van zijn waardigheid. De Venetianen, die gevoel hadden voor houding en stijl, merkten dat zeer goed. Zij hielden van hem omdat hij een van hen scheen en eerbiedigden hem omdat hij nooit vergat wat hij vertegenwoordigde. Wanneer een ramp de bevolking trof, was hij onmiddellijk aanwezig. Bij branden, overstromingen of andere ongelukken zocht hij de slachtoffers op en hielp hij. Zijn naastenliefde was praktisch. Hij wilde weten wat nodig was en zorgde ervoor dat hulp werd gegeven. De mensen zagen hem niet alleen bij plechtigheden, maar juist waar leed was. Daardoor werd de band tussen de patriarch en zijn stad steeds hechter. Zijn reizen naar Rome brachten hem geregeld in aanraking met Leo XIII. De paus kende zijn werk en waardeerde hem. Kardinaal Sarto bleef tegenover hem de gehoorzame zoon. Hij bezat geen partijgeest en zocht geen positie in de Romeinse Curie. Wanneer hij Rome bezocht, keerde hij zo spoedig mogelijk naar Venetië terug. Daar lag zijn taak. De gedachte dat hij ooit zelf naar de hoogste plaats in de Kerk zou worden geroepen, zou hem met schrik hebben vervuld. De talrijker geworden geestelijkheid volgde haar herder met bewondering. Venetië had opnieuw een doge gevonden, zonder leger en zonder hof, met geen ander vaartuig dan een gondel, en zij had hem lief. Deze man behoorde tot de rijkst begaafden van zijn tijd. Men kan niet zeggen dat hij uitmuntte in de leer zonder tevens te moeten erkennen dat hij uitmuntte in naastenliefde. Evenmin kan men zeggen dat hij uitmuntte in naastenliefde zonder daarbij het bewijs te vinden dat hij een verbazingwekkend vermogen tot verwerking bezat, een zeer uitgebreide kennis van zowel de kerkelijke als de wereldlijke geschiedenis, een zeer zeker kunstzinnig oordeel en een aangeboren gevoel voor gezag, waarvan hij bovendien reeds lange ervaring had. De buitengewone ontwikkeling van één van deze eigenschappen wordt gewoonlijk genie genoemd. Is dan niet eveneens een man van genie degene die al deze eigenschappen in de zeldzaamste mate bezit? En mag men niet stellen dat zulk een geheel van natuurlijke gaven en verworven rijkdommen het genie van volmaaktheid of bestuur vormt en dat dit het deel, het kenmerk en de roem van Giuseppe Sarto was? Toch lag daarin niet zijn gehele roem en evenmin de volledige verklaring van deze grote man. Vóór alles was hij een vriend van God, een ziel zonder enige hoogmoed en daardoor geheel volgzaam in de handen van de goddelijke genade. En de wakende genade, die hem van verre had voorbereid en zag dat hij haar nooit weerspannig was geweest, zou hem daarom weldra het bestuur toevertrouwen over de driehonderd miljoen katholieken die de wereld bevolkten, en over hoeveel zielen daarbuiten? Men vertelt dat de ouder wordende Leo XIII de kardinaal van Venetië in zijn vertrouwde kring il candidato della Serenissima noemde. De laatste maal dat hij de patriarch ontving, zei hij hem dat een voorgevoel hem waarschuwde dat hij weldra aan de roepstem des Heren gehoor zou moeten geven en dat het mogelijk was dat Sarto hem zou opvolgen. Toen de kardinaal zich door deze woorden diep verbaasd en ongelukkig toonde, voegde Leo XIII eraan toe dat hij wist dat Sarto de Kerk de grootste diensten zou kunnen bewijzen. De gebeurtenissen zouden deze dubbele verwachting spoedig rechtvaardigen. Na enkele dagen ziekte ontving Leo XIII op 8 juli het Heilig Oliesel, antwoordde op de gebeden en zei vervolgens dat hij naar de eeuwigheid ging. Op de negentiende, terwijl bij zijn bed de kardinalen Oreglia, camerlengo van de Heilige Kerk, en Rampolla, staatssecretaris, aanwezig waren, sprak de stervende paus nog deze woorden. Zij hadden vijfentwintig jaar samengewerkt in het belang van de Kerk. Indien hij hun gedurende die tijd enig onrecht had aangedaan, vroeg hij hun daarvoor vergiffenis. Diezelfde avond stierf hij. De kardinalen uit de gehele wereld werden onmiddellijk naar Rome geroepen. Kardinaal Sarto, die nog enkele dagen door de plichten van zijn ambt werd opgehouden, verliet op de zesentwintigste het patriarchale paleis. Op het laatste ogenblik voegde Don Giovanni Bressan nog enkele voorwerpen toe aan hetgeen reeds in de koffers zat. De kardinaal vroeg zijn nicht Amalia wat Don Giovanni aan het doen was en waar hij zich bevond. Zij moest hem zeggen dat een reis naar Rome geen reis naar Amerika was. Amalia antwoordde dat hij het conclaaf moest bijwonen en daarna onmiddellijk moest terugkomen. De door Besarel gebeeldhouwde gondel, bestuurd door Cavaldoro, bracht de kardinaal van het paleis naar het station. Heel Venetië groette langs het Canal Grande zijn patriarch en een deel van de bevolking vergezelde hem tot aan het station. Het volk van de zee riep hem toe hen nog eenmaal te zegenen. Toen hij vóór het station op de marmeren treden aan land was gegaan, werd de patriarch geheel omringd en samengedrongen door een menigte die hem niet meer liet voortgaan en hem toeriep dat hij moest terugkomen. Hij strekte zijn armen uit en riep dat hij levend of dood zou terugkeren. Toen kon hij verdergaan, het station doorkruisen en in de trein plaatsnemen. Hij liet het raam zakken en bleef bij het venster staan zolang Venetië nog zichtbaar was. Arm zoals hij altijd was geweest, had hij enkele honderden lire moeten lenen om de reis te kunnen maken.

HOOFDSTUK VIII

PAUS GIUSEPPE SARTO

Het conclaaf werd op de avond van 31 juli geopend. Tweeënzestig kardinalen waren aanwezig. De afwezigen waren slechts vier in getal. Onder de aanwezigen bevonden zich vertegenwoordigers van bijna alle katholieke landen en van zeer verschillende richtingen. De verkiezing van de opvolger van Leo XIII werd met buitengewone belangstelling gevolgd, niet alleen door de katholieke wereld, maar ook door de regeringen. Men verwachtte dat kardinaal Rampolla, de staatssecretaris van de overleden paus, een groot aantal stemmen zou verkrijgen. Hij was een man van grote bekwaamheid, lange ervaring en aanzienlijk gezag. Kardinaal Sarto daarentegen was buiten Italië nauwelijks bekend. Hij was naar Rome gekomen zonder enig plan, zonder partij en zonder de geringste gedachte dat de keuze op hem zou kunnen vallen. De eerste stemming vond plaats op de ochtend van 1 augustus. Kardinaal Rampolla verkreeg vierentwintig stemmen, kardinaal Gotti zeventien en kardinaal Sarto vijf. Bij de volgende stemming steeg het aantal stemmen van Sarto. De aandacht begon zich op hem te richten. Hijzelf werd ongerust. Toen enkele kardinalen hem over zijn mogelijke verkiezing spraken, smeekte hij hen niet aan hem te denken. Hij verklaarde dat hij niet geschikt was voor zulk een last en dat men iemand anders moest kiezen. De stemmen bleven echter toenemen. Op 2 augustus, vóór een van de stemmingen, stond kardinaal Puzyna, prins bisschop van Krakau, op en verklaarde namens keizer Frans Jozef van Oostenrijk dat deze zich tegen de verkiezing van kardinaal Rampolla verzette. Het was het oude recht van uitsluiting waarop enkele katholieke mogendheden aanspraak maakten. De verklaring veroorzaakte een diepe indruk. Kardinaal Rampolla stond onmiddellijk op en protesteerde waardig tegen de inmenging van een wereldlijke macht in de verkiezing van de Opperherder. Hij verklaarde dat hij deze daad betreurde als een ernstige aantasting van de vrijheid van de Kerk. De kardinalen deelden dit gevoel. Maar de verkiezing ging verder en de stemmen van kardinaal Sarto namen opnieuw toe. Hij zag met schrik hoe de mogelijkheid werkelijkheid naderde. Zijn verzet werd heviger. Hij smeekte, weende en beriep zich op zijn onbekwaamheid. Enkele kardinalen trachtten hem te overtuigen dat hij niet langer aan zichzelf mocht denken. Wanneer de Kerk hem riep, mocht hij niet weigeren. Kardinaal Satolli sprak hem ernstig toe. Kardinaal Ferrari van Milaan, die hem goed kende, verzekerde de anderen dat zij in hem de man zouden vinden die de Kerk nodig had. Kardinaal Sarto bleef echter diep bewogen. De nacht van 3 op 4 augustus bracht hij bijna geheel in gebed door. Op de ochtend van 4 augustus vond de beslissende stemming plaats. Kardinaal Sarto verkreeg vijftig stemmen. Hij was gekozen. De deken van het Heilig College naderde hem en vroeg of hij de canoniek tot paus gekozen verkiezing aannam. Sarto zweeg een ogenblik. Zijn gelaat was door tranen bewogen. Vervolgens antwoordde hij dat, aangezien deze kelk niet aan hem kon voorbijgaan, hij hem aannam als een kruis. Daarna vroeg men welke naam hij wilde dragen. Hij antwoordde Pius X. Hij had deze naam gekozen ter herinnering aan de pausen die in de vorige eeuw moedig hadden geleden voor de Kerk. De kardinalen naderden om hem hun eerste hulde te brengen. De nieuwe paus, die enkele ogenblikken tevoren nog kardinaal Sarto was geweest, droeg nu de witte soutane. De kleren die voor de nieuwgekozen paus in verschillende maten gereedlagen, pasten hem slechts onvolkomen. Maar niemand dacht aan zulke bijzonderheden. De eenvoudige patriarch van Venetië was de opvolger van de H. Petrus geworden. Na zijn terugkeer in de kapel ontving hij de hulde van alle kardinalen. De camerlengo schoof hem de Vissersring aan de vinger, die Leo XIII met het oog op zijn opvolger aan de prefect van de ceremoniën had toevertrouwd. Het was kwart voor twaalf. Op het Sint Pietersplein wachtte een ontzaglijke menigte. De menigte wachtte zwijgend en keek naar de buitenloggia van de basiliek, vanwaar aan de Stad en de wereld de verkiezing van een nieuwe paus wordt bekendgemaakt. Plotseling ging er een gemompel op. Vier medewerkers van het Vaticaan openden de vensters, legden een wit, met purper omzoomd kleed over het balkon en lieten het naar buiten afhangen. Kardinaal Macchi trad naar voren tot aan het balkon. Vijfduizend militairen, door de Italiaanse regering gezonden en op het plein opgesteld, presenteerden het geweer. Met heldere stem verkondigde de kardinaal een grote vreugde. Zij hadden een paus, de zeer verheven en eerbiedwaardige heer Giuseppe Sarto, die de naam Pius X had aangenomen. Gejuich steeg op. De grote klokken van de Sint Pieter begonnen te luiden en, daardoor gewaarschuwd, kwamen vervolgens alle klokken van Rome in beweging en begroetten de nieuwe paus. Waar zou hij in het Vaticaan wonen? De stoffeerders haastten zich Pius X om zijn bevelen te vragen. Nadat hij enkele prelaten had geraadpleegd, antwoordde hij dat hij voorlopig de vroegere vertrekken van kardinaal Rampolla op de derde verdieping zou bewonen. Toen hij hen wegzond, zei hij hun vooral dat zij het niet te mooi moesten maken en dat hij geen spiegels wilde. Na deze uitputtende dag had de paus zich in zijn vertrekken teruggetrokken. Zittend aan een tafel voltooide hij het lezen van zijn brevier. Men kondigde de secretaris van het conclaaf aan. Mgr. Merry del Val zei dat, ondanks de grote vermoeidheid van Zijne Heiligheid, hij meende dat de paus nog diezelfde dag de brieven moest ondertekenen waarmee hij zijn verkiezing aan de staatshoofden bekendmaakte. De paus vroeg of Merry del Val zelf dan niet vermoeid was en hoe hij eigenlijk moest ondertekenen. Hij nam een pen en een stuk papier, probeerde een handtekening en vroeg vervolgens met zijn gewone eenvoud of het zo goed was. Toen alles gereed was, nam de secretaris van het conclaaf afscheid en voegde eraan toe dat daarmee ook zijn ambt eindigde. De paus vroeg verbaasd of ook hij hem nu verliet en of hij dan helemaal alleen was. Nee, hij moest voorlopig blijven. De kroning van de paus vond op de ochtend van 9 augustus in de Sint Pieter plaats. Pius X werd op de sedia gestatoria de basiliek binnengedragen, terwijl vanaf de loggia de zilveren trompetten van de Edele Garde de triomfmars bliezen. Meer dan vijftigduizend mensen stonden in de kerk opeengepakt. De paus zegende de menigte en toen van alle kanten toejuichingen naar hem opstegen, legde hij een vinger op zijn lippen. Onmiddellijk werd het overal stil. Pius X hield stil in de kapel van het Allerheiligste Sacrament en bad daar, omringd door de kardinalen, lange tijd geknield. Vervolgens werd hij naar de witte troon gedragen die in de Gregoriaanse Kapel was opgesteld. Daar ontving hij de gehoorzaamheid van de kardinalen, patriarchen, bisschoppen en prelaten. Daarna zette hij, nog altijd aan het hoofd van deze plechtige processie, zijn weg voort naar het altaar van de Confessie, waar de Mis zou worden opgedragen. Terwijl hij daarheen ging, stak een van de prelaten volgens het ceremonieel een weinig vlas in brand, dat in een ogenblik verteerde, en zong driemaal in het Latijn dat aldus de heerlijkheid van de wereld voorbijgaat. Voordat Pius X het altaar van de Confessie bereikte, hield hij opnieuw stil en boog voor het beeld van de H. Petrus, de paus van twintig eeuwen geleden. Na de Mis begaf de stoet zich naar de Confessie van de H. Petrus. Daar zette kardinaal Macchi de tiara op het hoofd van de paus en sprak de woorden dat hij de tiara met de drie kronen moest ontvangen en weten dat hij de vader van vorsten en koningen, de scheidsrechter van de wereld en de Plaatsbekleder van Onze Heer Jezus Christus was, aan Wie alle eer toekomt in alle eeuwen der eeuwen. Toen zong Pius X voor het eerst de formule van absolutie en apostolische zegen. Op dat ogenblik weerklonken onder de gewelven van de Sint Pieter de kreten Leve Pius X en zelfs, door Venetianen geroepen, Leve onze patriarch. Noch de vinger op de lippen noch zijn smekende gebaren konden de stilte nog herstellen. Toen glimlachte Pius X, zeer bleek en ontroerd, om de vreugde van zijn volk. Ondanks de hitte waren er in deze laatste maanden van de zomer van 1903 en aan het begin van de herfst talrijke audiënties. Een daarvan, omstreeks het midden van augustus, werd verleend aan de ambassadeurs en gezanten die bij de Heilige Stoel geaccrediteerd waren. Zij wilden de nieuwe paus zien, hem horen en zich een oordeel over hem vormen. Uit alle gezantschappen die wegens de gebeurtenissen hun vakantie niet hadden opgenomen, kwamen zij in groten getale naar de Troonzaal. Sommigen zeiden ongetwijfeld bij zichzelf dat deze paus geen diplomaat was en vroegen zich af welke houding hij tegenover hen, mannen van het vak, zou aannemen en hoe hij met hen zou spreken. Vreemde vragen. Hij was eenvoudig zichzelf. In werkelijkheid had hij te veel soorten mensen gezien om erg verbaasd te zijn nog een nieuwe soort te ontmoeten. Dat deze bijzonder verfijnd was, kon een Venetiaan niet mishagen. Bovendien verkeerde hij in zeer hoge kringen waarmee niet alle diplomaten omgang hebben. Zestig jaren lang mediteren en gewoonlijk verkeren met Christus, met de engelen en met de heiligen vermindert de hoffelijkheid geenszins, maar wel de schroom tegenover de groten der wereld. Pius X toonde zich geestig, tactvol, waardig en vervuld van een goedheid die niet alleen in zijn woorden lag. De diplomaten waren verbaasd en bewonderden de volmaaktheid die het hart aan de hoffelijkheid toevoegt. Onmiddellijk daarna begaven zij zich naar Mgr. Merry del Val om ook hem hun officiële bezoek te brengen. Deze woonde in de Borgia appartementen. Hij had stoelen laten plaatsen in de lange en fraaie Zaal der Pausen, die door Pinturicchio voor Alexander VI was versierd. Weldra kwamen de diplomaten binnen om de pro staatssecretaris te begroeten. Een van de vragen die vanzelf bij hen opkwamen was welke indruk zij van de audiëntie bij Zijne Heiligheid hadden behouden. Nadat Mgr. Merry del Val deze vraag een of tweemaal had gesteld, verbaasde hij zich over de antwoorden die hij kreeg. Hij zag uitsluitend mensen die duidelijk tevreden waren, maar die niet alles wat zij dachten durfden uit te spreken. De indruk was nog te nieuw en had nog niet de formulering gevonden die men later in het dagelijks gesprek gebruikt. Zij aarzelden. Toen het gezelschap tegenover de prelaat had plaatsgenomen, begon deze behendig te zinspelen op de herinnering die ieder van de aanwezigen aan zijn eerste bezoek aan Pius X had meegenomen. Daarop stond een van de Duitse diplomaten, de Pruisische gezant, op en vroeg wat deze man toch bezat dat zoveel aantrekkingskracht uitoefende. Mgr. Merry del Val moest het hun zeggen. Wat bezat hij? De geschiedenis van de Kerk zou ons andere voorbeelden kunnen bieden van deze aantrekkingskracht, vermengd met verwondering en schroom, die mensen ondervinden in de tegenwoordigheid van bepaalde zielen die als het ware door hun persoon heen zichtbaar worden. Pius X wilde ook het volk van Rome ontvangen en door het volk gekend worden. Deze eerste maanden van zijn pontificaat, het hete jaargetijde waarin Rome bijna niet meer door pelgrims van verre werd bezocht, maakten het mogelijk de Romeinse parochies bijeen te roepen. Zij kwamen op zondag, de ene na de andere. De pelgrims vulden de uitgestrekte Sint Damasushof. De trompetten van de pauselijke gendarmes, die rechts op de hoek van de binnenplaats klonken, begroetten de komst van de Opperherder. Hij droeg de scharlaken mantel over de witte soutane en verscheen op het balkon van de eerste verdieping, waar zich de Loggia’s van Rafaël bevinden. Langdurige toejuichingen begroetten hem. Hij hief zijn mooie zegenende hand op en onmiddellijk werd het stil. De Romeinen luisterden terwijl de paus het Evangelie van de dag uitlegde. Deze grote pastoor van Rome en van de wereld sprak zoals de H. Petrus, met zekerheid en liefde, over dezelfde Heer Jezus Christus. De mannen die hem hoorden, de armen en de minder armen, werden ontroerd omdat zij begrepen dat hij ook hen liefhad, werkelijk liefhad en omwille van de Heer. Wanneer hij uitgesproken was en zijn zegen had gegeven, hieven zij het Franse gezang aan dat in alle talen is vertaald, Nous voulons Dieu, Wij willen God. De paus bleef hen nog een ogenblik aanzien met zijn glimlach vol gedachten. Daarna hief hij zijn blik iets hoger. Over de zuilengang heen die tegenover hem de Sint Damasushof afsluit, aanschouwde hij de Albaanse heuvels, enkele villa’s op het platteland en rijen hoge, statige pijnbomen die onbeweeglijk stonden. Dat was de verte waarheen hij nooit meer zou gaan.

HOOFDSTUK IX

PAUSELIJKE HANDELINGEN

Gedurende de eerste maanden van zijn pontificaat moest Pius X zich vertrouwd maken met het bestuur van de Kerk vanuit dit middelpunt waar alle zaken samenkomen. Hij kende de parochie, het bisdom en het patriarchaat. Hij had priesters, seminaries, religieuze werken en grote bevolkingen bestuurd. Maar de Romeinse Congregaties, de diplomatie van de Heilige Stoel en de talloze vraagstukken die uit alle delen van de katholieke wereld naar Rome werden gezonden, vormden voor hem een nieuw terrein. Hij leerde snel. Hij luisterde, ondervroeg en las de dossiers. Zijn heldere verstand onderscheidde spoedig het wezenlijke van het bijkomstige. Hij bezat bovendien die eigenschap die voor het bestuur van groot belang is, namelijk dat hij na voldoende onderzoek wist te beslissen. Reeds op 4 oktober 1903 verscheen zijn eerste encycliek, E supremi apostolatus. Zij bevatte het programma van zijn pontificaat. Pius X verklaarde daarin dat hij bij de aanvaarding van het pauselijk ambt door grote vrees was bevangen. Wie zou niet ontsteld zijn wanneer hij zich geroepen zag de opvolger te worden van hem die gedurende bijna zesentwintig jaren de Kerk met zoveel wijsheid had bestuurd? Maar bovenal schrikte hij terug voor de toestand waarin de menselijke samenleving verkeerde. Men kon niet ontkennen dat de volkeren door een ernstige ziekte waren aangetast. De voornaamste oorzaak daarvan was de afval van God. Vandaar de ontwrichting van het openbare en particuliere leven, de verachting van het goddelijk gezag en de opstand van de mens tegen zijn Schepper. De taak van het pontificaat kon daarom in één gedachte worden samengevat, alles in Christus herstellen. Instaurare omnia in Christo. Christus moest opnieuw heersen over de verstandelijke vermogens door de waarheid, over de wil door de wet en over het hart door de liefde. Het ging niet om menselijke belangen, maar om de belangen van God. Pius X verklaarde dat hij geen ander programma had en geen andere partij wilde dienen. Hij wilde slechts Gods zaak behartigen. Om deze grote taak te vervullen moesten de priesters in de eerste plaats zelf Christus bezitten. Alleen dan konden zij Hem aan anderen geven. Daarom zouden de vorming en de heiliging van de geestelijkheid een van de voornaamste zorgen van het nieuwe pontificaat zijn. Maar ook de gelovigen moesten worden onderricht en gevormd. De christelijke leer moest overal worden verspreid. De katholieke werkzaamheid moest de maatschappelijke orde doordringen. Alles moest terugkeren tot Christus. Kort daarna werd een beslissing genomen die voor het gehele pontificaat van groot belang zou zijn. Mgr. Rafael Merry del Val, die tijdens het conclaaf secretaris was geweest en door Pius X voorlopig in zijn nabijheid was gehouden, werd tot staatssecretaris benoemd. Hij was toen achtendertig jaar oud. Zijn jeugd verraste velen. Maar de paus had hem in enkele weken leren kennen. Hij had zijn scherp verstand, zijn volkomen toewijding, zijn talenkennis, zijn diplomatieke ervaring en vooral zijn geloof en priesterlijke geest opgemerkt. Op 9 november 1903 werd Merry del Val tot kardinaal gecreëerd. Pius X zou hem tot aan zijn dood als staatssecretaris behouden. Tussen deze twee mannen, zo verschillend van afkomst en vorming, ontstond een volkomen vertrouwen. De zoon van Riese en de uit een oud Spaans geslacht afkomstige prelaat begrepen elkaar in het wezenlijke. Beiden stelden de belangen van de Kerk boven ieder persoonlijk belang en beiden waren bereid de gevolgen te dragen van beslissingen die zij noodzakelijk achtten. Een van de eerste grote hervormingen van Pius X betrof de heilige muziek. Het was geen bijkomstige aangelegenheid. Sinds zijn jeugd had hij de kerkzang liefgehad en overal waar hij verantwoordelijkheid droeg had hij getracht de liturgische muziek van wereldse invloeden te zuiveren. Als paus kon hij nu voor de gehele Kerk handelen. Camille Bellaigue heeft verteld hoe hij in audiëntie bij Pius X over muziek sprak. De paus kende het onderwerp. Hij luisterde niet als iemand die slechts algemene beginselen had gehoord, maar als iemand die jarenlang zelf gezongen, onderwezen en hervormd had. Hij wist wat de gregoriaanse zang was en welke plaats de polyfonie van Palestrina in de Kerk innam. Hij kende ook de misbruiken die de kerkmuziek in verschillende landen hadden aangetast. Pius X sprak over de schoonheid die tot God verheft. Wanneer de kunst waarlijk schoon is en overeenkomstig haar heilige bestemming, brengt zij de ziel tot gebed. De mensen bidden wanneer zij de schoonheid aanschouwen. Op 22 november 1903, het feest van de H. Cecilia, verscheen het motu proprio over de heilige muziek. De paus stelde daarin eerst het beginsel vast. De gewijde muziek is een wezenlijk onderdeel van de plechtige liturgie en deelt daarom in haar algemene doel, namelijk de eer van God en de heiliging en stichting van de gelovigen. Zij moet de luister van de kerkelijke plechtigheden vergroten, maar mag de aandacht niet van de heilige handeling afleiden. Zij moet daarom drie eigenschappen bezitten. Zij moet heilig zijn, ware kunst zijn en algemeen van karakter zijn. Het gregoriaans bezit deze eigenschappen in de hoogste mate. Het is de eigen zang van de Romeinse Kerk, door haar van de oude vaderen ontvangen en gedurende eeuwen in haar liturgische boeken bewaard. Daarom moest het in ruime mate worden hersteld in de goddelijke eredienst. Een kerkelijke compositie was des te heiliger en liturgischer naarmate zij in geest, inspiratie en smaak dichter bij het gregoriaans stond. Na het gregoriaans noemde Pius X de klassieke polyfonie en in het bijzonder de Romeinse school, die in de zestiende eeuw haar hoogste volmaaktheid had bereikt in Giovanni Pierluigi da Palestrina. Ook moderne muziek kon in de kerk worden toegelaten wanneer zij werkelijk waardig was en niets bevatte dat aan het theater herinnerde. Juist daartegen richtte zich een belangrijk deel van de hervorming. In Italië was de invloed van de opera diep in de kerken doorgedrongen. Men hoorde er melodieën, manieren van zingen en orkestrale effecten die eerder bij het toneel dan bij het altaar pasten. Pius X verbood deze stijl. De liturgische tekst moest worden gezongen zoals de Kerk hem had vastgesteld. Men mocht woorden niet veranderen, herhalen zonder noodzaak of door de muziek onverstaanbaar maken. De traditionele vorm van de hymnen moest worden geëerbiedigd. De zang behoorde tot het liturgische ambt en daarom mochten vrouwen geen deel uitmaken van het eigenlijke koor of de schola. Waar hoge stemmen nodig waren, moesten jongens worden gebruikt. Muziekinstrumenten waren slechts toegestaan voor zover zij de zang ondersteunden en nooit overheersten. Het orgel was het eigen instrument van de kerk. Piano, trommels en andere luidruchtige of wereldse instrumenten werden uitgesloten. Eveneens verboden waren fanfares en muziek die het karakter van een wereldlijke optocht droeg. In ieder bisdom moesten commissies worden ingesteld om over de uitvoering van deze voorschriften te waken. In de seminaries moest het gregoriaans zorgvuldig worden onderwezen en waar mogelijk moesten scholae cantorum worden opgericht. Pius X beperkte zich niet tot algemene voorschriften. Op 8 december 1903 schreef hij aan kardinaal Respighi, zijn vicaris voor Rome, dat de hervorming in de Eeuwige Stad zelf moest beginnen. Het zou nutteloos zijn voorschriften aan de gehele wereld te geven indien zij rondom de paus niet werden nageleefd. Rome moest het voorbeeld geven. Hij herinnerde aan de woorden van Benedictus XIV, die reeds had geklaagd over de misbruiken van de kerkelijke muziek. Pius X verlangde dat in de basilieken, kerken, seminaries en religieuze huizen van Rome alles geleidelijk overeenkomstig de nieuwe voorschriften zou worden ingericht. Kardinaal Respighi moest erop toezien dat alle kerkmuziek zich daarnaar voegde. De paus hield zich eveneens bezig met de psalmodie en de uitgaven van de gregoriaanse melodieën. Er bestonden verschillen en onzekerheden die eenheid in de uitvoering bemoeilijkten. Daarom werd gewerkt aan officiële uitgaven. Op 25 april 1904 verscheen een tweede motu proprio, waarbij de paus de oude gregoriaanse melodieën opnieuw als de eigen zang van de Romeinse Kerk bevestigde en de voorbereiding van een authentieke Vaticaanse uitgave bevorderde. Daarmee werd een werk begonnen waarvan de gevolgen zich over de gehele katholieke wereld zouden uitstrekken. Dit decreet bracht de Congregatie van het Concilie zeer spoedig tot een tweede beslissing. Artikel 7 van het decreet bepaalde dat de veelvuldige en dagelijkse Communie vooral moest worden bevorderd in religieuze instituten van iedere aard, in seminaries voor geestelijken en eveneens in andere huizen van christelijke opvoeding. Meteen werd, vanuit verschillende bedoelingen, de vraag gesteld of de veelvuldige Communie dan ook moest worden aanbevolen aan kinderen die hun eerste Communie hadden gedaan. De Congregatie van het Concilie antwoordde op 14 februari 1906 bevestigend. Deze praktijk had volgens haar de oude tucht van een groot aantal kerken vóór zich, krachtens welke het Sacrament van de Eucharistie zelfs aan kleine kinderen werd toegediend, een praktijk die, hoewel zij buiten gebruik was geraakt, nooit door de Kerk was veroordeeld. Het was immers noodzakelijk dat kinderen door Christus werden gevoed voordat zij door de hartstochten werden overheerst, opdat zij met meer moed de aanvallen van de duivel, het vlees en de andere vijanden van buiten en van binnen zouden kunnen afweren. Deze ruime regeling botste met vele gevestigde gewoonten. Men kwam opnieuw met bezwaren. Geestelijken en leken schreven naar Rome. Moest men dan de gewoonte betreuren om een geheel jaar te laten verlopen tussen de eerste en de tweede Communie? Kon een jonge scholier, een kind op die leeftijd van lichtzinnigheid, reeds vanaf zijn eerste Communie worden toegelaten om zo dikwijls een daad van zulk gewicht te herhalen? Was dit werkelijk de gedachte van de Opperherder? De beslissing liet niet lang op zich wachten. Op 15 september 1906 zette de Congregatie van het Concilie in beschouwingen van ontroerende tederheid de redenen voor het bevestigende antwoord uiteen, weerlegde de bezwaren, formuleerde haar beslissing en verklaarde dat deze door de paus was goedgekeurd. De veelvuldige Communie moest overeenkomstig het eerste artikel van het decreet ook aan kinderen worden aanbevolen zodra zij volgens de regels van de Romeinse Catechismus tot de Heilige Tafel waren toegelaten. Zij mochten niet van de veelvuldige ontvangst van de Heilige Communie worden uitgesloten, maar moesten er veeleer toe worden uitgenodigd, terwijl iedere elders bestaande gewoonte van het tegendeel moest worden afgekeurd. Er bleef nog te bepalen op welke leeftijd kinderen de Communie konden en moesten ontvangen. Reeds lang stonden plaatselijke voorschriften Christus in de weg en kon Hij niet in de ziel van kleine kinderen komen. De onschuldigsten werden beroofd van het Sacrament dat hen moest beschermen. Moest men dan eerst gezondigd hebben om zijn God te ontvangen? Vóór het tiende of twaalfde jaar en soms nog later werden kleine zielen van de Communie verwijderd. Een betreurenswaardige schroom stelde het gebrek aan volwassenheid van het kind tegenover de genade die op hem wachtte. Pius X wilde het ontluikende verstand te hulp komen, dat reeds tegen de natuurlijke neigingen strijdt. De oplossing die men van hem vroeg lag in de oude gebruiken en was reeds besloten in de recente decreten. Hij beval dat zij uitdrukkelijk zou worden bekendgemaakt en uitgelegd. De H. Congregatie van de Sacramenten zette de leer uiteen, weerlegde de voorwendsels en maakte door het decreet van 8 augustus 1910 de wil bekend van de Kerk, die de schatbewaarster van de Eucharistie is. Het zijn bladzijden waarvan men een afschrift zou moeten geven aan jonge mensen die gaan trouwen, opdat zij een van hun naaste plichten kennen en het recht van de kinderen die geboren zullen worden. Wij zullen enkele gedeelten van deze fraaie tekst weergeven. De Congregatie van de Sacramenten herinnerde eraan dat de Kerk vanaf haar begin ernaar had gestreefd kinderen door de eucharistische Communie dichter tot Jezus Christus te brengen en dat het tot in de derde eeuw gebruikelijk was aan gedoopte kinderen de Eucharistie toe te dienen in de vorm van enkele druppels geconsacreerde wijn. Na het Doopsel naderden de kinderen dikwijls tot het goddelijke gastmaal. In sommige kerken was het gebruikelijk zeer kleine kinderen onmiddellijk na de geestelijkheid te laten communiceren en elders hun na de Communie van de volwassenen de overgebleven deeltjes uit te reiken. Vervolgens verdween dit gebruik in de Latijnse Kerk. Men liet kinderen eerst tot de Heilige Tafel toe wanneer de eerste stralen van het verstand hun enige kennis van het verheven Sacrament hadden gegeven. Deze nieuwe tucht, die reeds door enkele particuliere synoden was aangenomen, werd in 1215 plechtig bevestigd en bekrachtigd door het Vierde Oecumenische Concilie van Lateranen. Het Concilie van Trente bevestigde het decreet van Lateranen en verklaarde dat wie ontkent dat alle christenen van beide geslachten afzonderlijk, wanneer zij de jaren des onderscheids hebben bereikt, gehouden zijn ieder jaar te communiceren, in de ban is. Maar bij het bepalen van deze leeftijd van verstand of onderscheid waren in de loop der eeuwen vele fouten en betreurenswaardige misbruiken binnengedrongen. Naar gelang van plaatselijke gebruiken en opvattingen werd de leeftijd van de eerste Communie hier op tien of twaalf jaar vastgesteld, elders op veertien jaar en zelfs nog later, terwijl kinderen en jongeren vóór die leeftijd van de Communie werden uitgesloten. Deze gewoonte, die onder het voorwendsel de eerbied voor het verheven Sacrament te bewaren de gelovigen ervan verwijderd hield, was oorzaak van vele kwaden. Het gebeurde immers dat de onschuld van het kind, onttrokken aan de liefkozingen van Jezus Christus, geen innerlijke levenskracht ontving en dat daardoor de jeugd, beroofd van een krachtige hulp en omgeven door zoveel strikken, haar reinheid verloor en in ondeugd verviel voordat zij van de Heilige Geheimen had geproefd. Zelfs wanneer de eerste Communie werd voorbereid door een ernstiger vorming en een zorgvuldige Biecht, wat lang niet overal gebeurde, bleef het verlies van de eerste onschuld te betreuren, dat misschien voorkomen had kunnen worden indien de Eucharistie eerder was ontvangen. Maar het allerernstigste was dat in sommige landen kinderen die hun eerste Communie nog niet hadden gedaan, zelfs in stervensgevaar niet tot de Communie als Viaticum werden toegelaten en na hun dood werden begraven volgens de riten die voor zeer kleine kinderen waren voorgeschreven, zodat zij tevens beroofd bleven van de hulp van de suffragia der Kerk. Een uitnemend getuigenis was dat van de H. Thomas van Aquino, die had geschreven dat wanneer kinderen enig gebruik van hun verstand begonnen te hebben, zodat zij enige godsvrucht tot dit Sacrament konden opvatten, men het hun mocht toedienen. Ledesma verklaarde daarbij dat naar zijn oordeel, dat algemeen werd gedeeld, de Eucharistie moest worden gegeven aan allen die het gebruik van hun verstand bezaten, hoe vroeg dit ook mocht zijn, zelfs wanneer het kind nog slechts vaag begreep wat het deed. De Romeinse Catechismus leerde dat niemand beter de leeftijd kon bepalen waarop men kinderen de Heilige Geheimen moest geven dan de vader en de priester aan wie zij hun zonden beleden. Aan hen kwam het toe de kinderen te ondervragen en na te gaan of zij enige kennis van dit wonderbare Sacrament en verlangen ernaar bezaten. Uit al deze documenten volgde dat de leeftijd des onderscheids voor de Communie die leeftijd is waarop het kind het eucharistische Brood van gewoon lichamelijk brood weet te onderscheiden en daardoor met godsvrucht tot het altaar kan naderen. Er wordt dus geen volmaakte kennis van de geloofswaarheden vereist, omdat een elementaire kennis, dat wil zeggen enige kennis, voldoende is. Evenmin wordt het volledige gebruik van het verstand vereist, omdat een begin van verstandelijk gebruik, dus enig gebruik van het verstand, voldoende is. Bijgevolg is het een zeer afkeurenswaardige gewoonte, die herhaaldelijk door de Heilige Stoel is veroordeeld, om de Communie uit te stellen en voor de ontvangst ervan een rijpere leeftijd vast te stellen. De wet van zachtmoedigheid die Pius X aldus afkondigde, had Mgr. Sarto zelf reeds toegepast, waarschijnlijk in Mantua en zeker in Venetië. Mgr. Bressan, die reeds uit die verre tijd zijn vriend was, vertelde ons dat de patriarch van Venetië op zekere dag een moeder en een heel klein meisje ontving. Het meisje, dat slechts zeven jaar oud was, kwam toestemming vragen om de volgende dag haar eerste Communie te doen. Wat zij vroeg was in strijd met alle toenmalige gebruiken. Zij wist dit. De kardinaal stelde haar slechts één vraag, namelijk hoeveel naturen er in Jezus Christus zijn. Het kind antwoordde twee, de goddelijke en de menselijke. Onmiddellijk wendde de kardinaal zich tot zijn secretaris en droeg hem op aan de pastoor van San Silvestro te schrijven dat hij het meisje de volgende dag tot haar eerste Communie moest toelaten. De kardinaal zelf zou haar communiceren, omdat hij voor de plechtigheid toch naar die kerk moest gaan. Het decreet van de Congregatie van de Sacramenten eindigt met acht artikelen waarin de verplichtingen van de kinderen en die van de ouders worden aangegeven met betrekking tot Biecht, Communie en ontvangst van het Viaticum. De eucharistische decreten van Pius X behoren tot de grootste handelingen van het pausdom van alle tijden. Men moet ze een werk van genialiteit noemen. Zij vervulden de christelijke zielen waarin de liefde tot Christus leeft met dankbaarheid, een menigte uit ieder land, iedere taal en iedere leeftijd, die alleen verhindert dat de wereld in volledig zedenbederf wegzinkt. De blijken van deze dankbaarheid stroomden naar Rome. Een van de ontroerendste was de kinderbedevaart van 1912. In verschillende landen gingen lijsten rond waarop kinderen de belofte schreven op 19 maart te communiceren voor de intenties van paus Giuseppe Sarto. Alleen al in Frankrijk verzamelden zij 133.700 handtekeningen. Vervolgens trok in april een bedevaart naar Italië zoals men er nog nooit een had gezien. Vierhonderd Franse kinderen gingen op weg en te Rome voegden zich kinderen uit de Romeinse parochies bij hen. Kardinaal Vincent Vannutelli droeg voor hen de Mis op in Santa Maria Maggiore en sprak hen toe. De volgende dag, zondag 14 april, bleek de Consistoriezaal te klein om de kinderen, hun ouders en de andere pelgrims die zich bij hen hadden aangesloten te ontvangen. Pius X daalde daarom af naar de Sixtijnse Kapel en liet de kinderen twee aan twee aan zich voorbijgaan. Aan ieder gaf hij een zilveren godsdienstige medaille waarop stond Katholiek en Frans voor altijd. God bescherme Frankrijk. Sommigen gaven hem een brief. Anderen waren vrijmoediger en vroegen hem hun zuster te genezen, hun vader te bekeren of zeiden dat zij priester wilden worden. Daarna sprak Pius X zelf tot hen, vanzelfsprekend in het Frans. Hij herinnerde eraan dat wij in het Evangelie lezen hoe de goddelijke Verlosser eens een klein kind zoals zij geroepen had en het midden onder Zijn apostelen had geplaatst en hun had gezegd dat zij ervoor moesten waken ook maar één van deze kinderen te verachten, omdat hun engelen voortdurend het aanschijn aanschouwen van Zijn Vader Die in de hemel is. Helaas worden deze hemelse bewaarders maar al te vaak bedroefd en met afschuw vervuld wanneer zij in de hun toevertrouwde zielen het bederf en de bezoedeling van de zonde ontdekken. De engelen van de kinderen daarentegen worden door hun zorg nooit afgeleid van de zalige aanschouwing van God, Die zij van aanschijn tot aanschijn zien in Zijn eeuwige licht, en vinden Hem opnieuw in hun ziel, waarin Hij Zich weerspiegelt als in een spiegel van onschuld, zuiverheid en reinheid. Indien dit voor allen geldt, evenals voor het kind dat Onze Heer midden onder Zijn apostelen riep, wat zou Hij dan hebben gezegd van deze kinderen die Hem Zelf met Zijn Godheid en Zijn heilige Mensheid in de Heilige Communie hadden ontvangen. En wat zou Hij hebben gezegd van hun heilige engelen, boven wie zij door de ontvangst van de Heilige Eucharistie waren verheven, aangezien de engelen niet de genade hadden ontvangen die hun was geschonken, zich met Jezus Christus te voeden. Pius X, de paus die een parochie had bestuurd voordat hij de wereld van alle zielen bestuurde, beval de kinderen aan nog lange tijd de catechismus te blijven volgen, dikwijls te communiceren en, indien zij het konden, iedere dag. Hij wenste dat zij zouden worden veranderd in apostelen van Gods heerlijkheid. Toen de kinderen weggingen, keerden zij zich naar het Vaticaan om en verscheidene zwaaiden met hun hand en riepen dat hun goede paus moest leven en dat zij hem terug zouden komen zien. Enkele jaren later, toen geheel Europa in oorlog was, verklaarde zijn opvolger paus Benedictus XV dat hem niets meer ter harte ging dan de decreten Sacra Tridentina Synodus en Quam singulari, die op bevel van zijn voorganger waren afgekondigd, vroom en getrouw te doen naleven. Hij vroeg dat de katholieke kinderen in geheel Europa zouden communiceren voor de intenties van de Opperherder. In dezelfde tijd voltrokken zich over het gehele slagveld dat wij het beste kennen, het onze, buitengewone taferelen. Wat een nieuwe schouwspelen. Mannen die ten strijde gingen communiceerden op ieder uur van dag of nacht. Legeraalmoezeniers baden bij het voorbijtrekken van een aanvalseenheid de acte van berouw en spraken de woorden van de absolutie uit, terwijl vele handen in de sectie of compagnie omhooggingen en het kruisteken maakten, misschien het laatste. De mannen van de tweede linie of van het achtergebied woonden in de legerplaatsen, de verwoeste kerken en de onderkomens een Lof of een Mis bij, biechtten bij een priester soldaat of een legeraalmoezenier en ontvingen de Heilige Communie. Hoeveel getuigen hebben dergelijke taferelen beschreven, waardig aan onze grootste tijden van geloof. Een van hen, een legeraalmoezenier, besloot zijn verhaal met de gedachte dat degenen die medelijden met de menigte hadden gehad en haar brood hadden gegeven gelukkig zouden zijn wanneer zij deze ontroerende taferelen konden aanschouwen. Het hart van Pius X zou van vreugde hebben getrild wanneer hij had gezien dat zijn grote hervorming zich verbreidde en dat onder het kanonvuur de hindernissen vielen die de zielen van de Heilige Tafel hadden verwijderd. Nu reeds lange tijd is verstreken sinds het begin van deze eeuw waarin Pius X zijn eucharistische decreten uitvaardigde, kunnen wij de eerste vruchten zien die zij hebben voortgebracht. Daarover bestaat geen twijfel. In Frankrijk is in de steden, en vooral in de grote steden, waar het godsdienstonderricht sterker en het initiatief sneller is, de veelvuldige Communie de gewoonte geworden van een steeds groeiende keur van christenen. Op bepaalde dagen, bijvoorbeeld op de eerste vrijdag van de maand en op Mariafeesten, kan men vaststellen dat de wens van het Concilie van Trente, namelijk dat degenen die de Mis bijwonen daarin ook communiceren, door de gelovigen wordt vervuld. De sacramentele praktijk is in bijna alle colleges toegenomen. Kleine kinderen, bij duizenden en honderdduizenden, worden niet langer gedwongen tot hun tiende of twaalfde jaar te wachten om Christus te ontvangen, terwijl zij Hem waardiger ontvangen dan hun ouderen. De paascommunies van de leerlingen van de grote scholen worden ieder jaar talrijker en indien men een onderzoek in de gehele katholieke wereld zou instellen, staat reeds vast dat overal eenzelfde vooruitgang zou worden geconstateerd. Een van onze vrienden, die in de Verenigde Staten van Amerika woont, noemde ons een universiteit met 2.600 studenten van achttien tot vijfentwintig jaar, van wie er iedere morgen duizend de Mis bijwonen en communiceren. Deze daad van Pius X opende nieuwe tijden. Alles komt immers neer op de vraag van de zielen. Zullen zij aan God toebehoren, Die leven en jeugd is? Of aan de ander, die ondergang is? Pius X heeft hen dichter bij het Hart van Christus Koning gebracht. Hij heeft hun moed doen groeien toen het gevaar groter werd. Welke toekomst bereidt een dergelijke tucht voor? Wat zullen deze volken zijn, of deze delen van volken, gevoed met Jezus Christus? Men kan het met één woord zeggen: wat de eerste christenen waren, maar dan talrijker.

6. De scheiding van Kerk en Staat

De laatste jaren van het leven van Leo XIII hadden het begin gezien van de uitvoering van die beslissende aanval die het vrijdenken in Frankrijk tegen de katholieke Kerk voorbereidde en die zou uitlopen op de scheiding van Kerk en Staat. De lijst van antireligieuze wetten die onder dit pontificaat door het Franse parlement waren aangenomen, verraadt een weloverwogen plan om het geloof te vernietigen. Wij behoeven haar niet volledig weer te geven om de algemene beroering van de geesten te verklaren, de hevigheid van de verkiezingsstrijd, de volledige vrijheid die aan kranten en volksredenaars werd gelaten om de Kerk te belasteren, de uittocht van talrijke religieuze congregaties van mannen en vrouwen, die niet formeel waren verbannen maar gedwongen werden zichzelf te verbannen, omdat het kloosterleven overeenkomstig hun roeping hun moeilijk of onmogelijk was gemaakt. Om de afgelegde weg in de periode waarvan wij spreken te meten, behoeft men slechts te letten op de voornaamste mijlpalen. Op 28 maart 1882 werd een wet aangenomen die het openbaar lager onderwijs verwereldlijkte door het godsdienstonderricht weg te laten uit de opsomming van de onderwezen vakken. Op 27 juli 1884 werd de echtscheiding opnieuw ingevoerd, die door een wet van 1816 uit het Burgerlijk Wetboek was verwijderd. Op 14 augustus 1884 werden de openbare gebeden bij de opening van het parlement afgeschaft. Op 29 december 1884 werd het vermogen van religieuze gemeenschappen en verenigingen belast met een recht op vermogensaanwas. Op 30 oktober 1886 werden leden van congregaties van het openbaar onderwijs uitgesloten. Op 15 juli 1889 werd door de wet op de legerorganisatie de militaire dienstplicht aan geestelijken opgelegd. Op 1 juli 1901 werd de vrijheid van vereniging afgekondigd, maar werden de religieuze congregaties van het gemene recht uitgesloten en werd voor hen voorafgaande wettelijke machtiging verplicht gesteld. In maart 1903 weigerde de Kamer van Afgevaardigden de aanvragen om machtiging te onderzoeken van eenenvijftig congregaties van mannen, waaronder vijfentwintig onderwijscongregaties, en eenentachtig congregaties van vrouwen, alle werkzaam in het onderwijs. Op 7 juli 1904 werd bij wet aan leden van religieuze congregaties ieder onderwijs, van welke rang en aard ook, verboden en werd de opheffing binnen tien jaar bevolen van de congregaties die uitsluitend het onderwijs tot doel hadden. Men kan niet zonder enige verbazing en evenmin zonder verontwaardiging zien dat onder een pontificaat dat in zoveel opzichten roemrijk was, paus Leo XIII aldus geen enkele rechtvaardigheid voor de godsdienst heeft verkregen. Noch zijn genie, dat de vijanden van de Kerk desnoods terloops erkenden, noch de trouw waarmee hij het Franse protectoraat in het Oosten handhaafde, noch zijn voortdurende en duidelijke wil tot overeenstemming, noch de politiek van aansluiting bij de Republiek, die zoveel officiële personen naar hem toe had moeten brengen indien zij eenvoudig republikeinen waren geweest zoals zij beweerden, niets had de geheime of openlijke haat tegen de Kerk zelf ontwapend. Deze grote paus ontving voor zijn welwillendheid en zijn offers niets dan complimenten. Zijn heilzame werkzaamheid oefende hij uit op het gebied van het christelijke geweten door gedenkwaardige encyclieken. Hij richtte de mensen van goede wil op de waarheden van de maatschappelijke orde, op het apostolaat onder de arbeiders en op de traditionele wijsbegeerte van de Kerk. Wanneer men heden de schoonste geesten kan bewonderen die Jezus Christus zoeken en Hem terugvinden en de vurigheid van zoveel zielen die zich wijden aan het heil van hun broeders, dan rijst onmiddellijk in de herinnering degene op die aan de geleerden opnieuw de H. Thomas van Aquino als meester gaf en die het handvest van de toekomstige vrede ondertekende, de encycliek Rerum novarum. Pius X begon zijn pontificaat dus op het ogenblik dat de vervolging alleen maar heviger werd. Hij bezat een geheimzinnig en buitengewoon ontroerend begrip van Frankrijk. Deze natie, die hij nooit had bezocht, behoorde tot hetgeen hem in zijn christelijke liefde dierbaar was. Hij wist vóór alles wat kardinaal Pie over haar had gezegd, namelijk dat oorlog voeren tegen God niet in haar natuur lag. Hoe moest hij handelen en tot wie moest hij spreken? Onder zoveel onbestendige personen zocht de paus iemand die macht bezat en een rechtmatige klacht kon begrijpen. Vier maanden na zijn verkiezing tot het Opperste Pontificaat schreef hij een brief aan de president van de Franse Republiek, de heer Loubet, die vroeger advocaat was geweest en sinds lang vertrouwd was met rechtskundige en politieke vraagstukken. De brief droeg de datum 2 december 1903. De paus betreurde daarin de uittocht van duizenden mannelijke en vrouwelijke religieuzen die gedwongen waren in vreemde landen een toevluchtsoord en vrijheid te zoeken. Hij herinnerde eraan dat de regering geweigerd had de aanvragen om machtiging te onderzoeken die zij overeenkomstig de nieuwe wet hadden ingediend, eveneens aan de aanvallen op de paus, aan de opschorting van de bezoldiging van geestelijken, aan de langdurige vacature van een groot aantal bisschopszetels en aan de dreigende maatregel om ieder lid van een religieuze congregatie, zelfs van een toegelaten congregatie, het recht te ontzeggen onderwijs te geven op universitair, middelbaar en lager niveau. Met rechtmatige droefheid en vastheid schreef hij vervolgens aan het staatshoofd dat men bij het zien van deze lange reeks steeds vijandiger maatregelen tegen de Kerk zou kunnen menen, zoals sommigen reeds deden, dat men geleidelijk het terrein wilde voorbereiden om niet alleen Staat en Kerk volledig van elkaar te scheiden, maar indien mogelijk ook Frankrijk te beroven van die christelijke afdruk die in vroegere eeuwen zijn roem was geweest. Hij kon niet geloven dat de staatslieden die toen het lot van Frankrijk bestuurden zulke plannen koesterden, die binnenlands onvermijdelijk de ernstigste godsdienstige beroering en buitenlands een vermindering van het aanzien en de zedelijke invloed van Frankrijk zouden veroorzaken. Vervolgens kwam de zin waarin Pius X de president loyaal en moedig waarschuwde dat er, wanneer de scheiding van Kerk en Staat ooit werd afgekondigd, geen twijfel mogelijk was over de houding van de Heilige Stoel. Indien deze ongelukkige mogelijkheid zich werkelijk zou voordoen, zou zijn hart, dat de oudste dochter van de Kerk innig liefhad, diepe smart gevoelen. Maar de Heilige Stoel zou, tot dat uiterste gedreven en vol vertrouwen in de levenskracht van de Kerk in Frankrijk, geen enkele plicht verzuimen die zijn goddelijke zending en de aard van de omstandigheden hem oplegden, terwijl hij aan anderen de verantwoordelijkheid zou laten voor de gevolgen die daaruit konden voortvloeien. Het antwoord kwam pas op 27 februari 1904. Het stond niet op hetzelfde niveau. De heer Loubet verklaarde wel dat hij het behoud van de godsdienstvrede en de loyale uitvoering van het Concordaat wenste, maar de Opperherder had zich volgens hem vergist door zich tot hem te richten. De president van de Republiek moest zich, wat regeringsmaatregelen betrof, binnen zijn constitutionele onverantwoordelijkheid houden en zich van iedere persoonlijke daad onthouden. Twee maanden later kwam de heer Loubet naar Rome, op 24 april 1904, om aan koning Victor Emanuel het bezoek terug te brengen dat deze aan Parijs had gebracht. Hij verscheen niet in het Vaticaan, waar hij wist dat hij niet ontvangen zou zijn. De president wist eveneens dat de Heilige Stoel verplicht zou zijn te protesteren tegen een officieel bezoek aan de koning van Italië te Rome door het hoofd van een katholieke natie. Alle kanselarijen kenden de regels die sinds 1870 op dit punt golden. In de zomer van 1903, in de laatste dagen van Leo XIII, toen de kranten het plan voor een reis naar Rome bekend hadden gemaakt, had kardinaal Rampolla zelfs aan de nuntius in Parijs opdracht gegeven zich tot de heer Delcassé te wenden en hem eraan te herinneren tot welke ongunstige uitleg een dergelijk plan aanleiding kon geven en welk gevolg de uitvoering ervan onvermijdelijk zou hebben. Het officiële Witboek over de scheiding vat de verklaringen samen die de staatssecretaris van Leo XIII aan de minister van Buitenlandse Zaken had gedaan. Reeds aan het begin werd het beginsel van de pauselijke politiek in deze aangelegenheid geformuleerd. De Heilige Stoel, die er steeds zorgvuldig voor waakte zich niet te mengen in de binnenlandse of buitenlandse politiek van staten wanneer de belangen van de Kerk niet in het geding waren, had nooit de bedoeling gehad de toenadering tussen Italië en Frankrijk af te keuren of op enigerlei wijze te belemmeren. Integendeel, hij zag met genoegen alles wat de broederschap tussen de volkeren kon bevorderen en het gevaar van internationale conflicten en oorlogen kon verwijderen. Indien president Loubet vanwege de toenadering tussen beide naties aan koning Victor Emanuel III in een andere Italiaanse stad een bezoek had gebracht, zou de Heilige Stoel zeker hebben gezwegen. Maar na de smartelijke gebeurtenissen van 1870 en zolang daarvoor geen rechtvaardig herstel was gegeven dat de duurzame en volledige onafhankelijkheid van de Opperherder der Kerk tegenover iedere burgerlijke macht waarborgde, kon de Heilige Stoel niet nalaten te protesteren wanneer het hoofd van een katholieke natie, vooral indien hijzelf katholiek was, door een officieel en plechtig bezoek te Rome aan de koning van Italië in een apostolisch paleis feitelijk zijn goedkeuring hechtte aan de beroving die de paus had ondergaan en aan het abnormale karakter van diens bestaande toestand. Ondanks deze waarschuwingen vond het bezoek van de heer Loubet aan Rome plaats en kon de staatssecretaris van de nieuwe paus niet anders dan protesteren. Hij deed dit op 24 april 1904 en nam daarbij bijna woordelijk het protest over dat enkele maanden tevoren door kardinaal Rampolla was opgesteld. Beide teksten werden opgenomen in de bijlagen van het Witboek en vernietigen de fabel dat kardinaal Merry del Val een andere houding zou hebben aangenomen dan zijn voorganger. Het was dezelfde houding. De Franse regering, waarvan men kan aannemen dat zij toen een gelegenheid tot breuk zocht, achtte dit ogenblik niet geschikt. Maar nadat het pauselijke document, dat niet voor openbaarmaking bestemd was, ten gevolge van een indiscretie toch bekend was geworden, kreeg de Franse ambassadeur bij de Heilige Stoel opdracht met verlof te vertrekken. Bij zijn vertrek uit Rome verklaarde de ambassadeur, de heer Nisard, uitdrukkelijk dat dit verlof geen breuk, onderbreking of opschorting van de diplomatieke betrekkingen tussen de Heilige Stoel en de Franse regering betekende. Hij stelde daarom de heer de Courcel voor als voorlopig zaakgelastigde en kondigde voor de daaropvolgende tweede dag de komst te Rome aan van de heer de Navenne, de gewone zaakgelastigde. De breuk was slechts uitgesteld. Zij kwam er naar aanleiding van twee incidenten betreffende het canonieke recht. Het ging om de bisschop van Laval en de bisschop van Dijon, die waren verzocht naar Rome te komen om zich daar te verdedigen en feitelijk weigerden de paus te gehoorzamen. De regering van de heer Combes beweerde dat de paus in dergelijke gevallen niet het recht had rechtstreeks met de bisschoppen te corresponderen en hun voor te houden dat een aanhoudende weerstand kerkelijke maatregelen tegen hen tot gevolg zou hebben. Rome antwoordde geduldig en duidelijk dat nergens in de zeventien artikelen van het Concordaat, noch naar de geest noch naar de letter, werd bepaald dat de Heilige Stoel zonder voorafgaande instemming van de regering een bisschop niet mocht aanraden afstand te doen van zijn bisdom wanneer dit zowel voor hemzelf als voor het bisdom voordeliger zou zijn, of hem naar Rome mocht roepen om uitleg te geven over zijn gedrag. De kardinaal staatssecretaris, die de aan de Franse regering gerichte brieven en nota’s ondertekende, wees er bovendien op dat de paus een dergelijke concessie niet had kunnen doen zonder tekort te schieten in zijn heilige plichten als Opperherder van de Kerk. Niemand bestreed immers dat de bisschoppen in Frankrijk met de regering de door het Concordaat voorgeschreven betrekkingen moesten onderhouden, maar in hun rechtsmacht waren deze bisschoppen afhankelijk van de paus, die hun deze rechtsmacht door de canonieke instelling had verleend en haar voor hen behield. Hij kon deze afhankelijkheid niet onderwerpen aan de toestemming van de burgerlijke overheid. Was dit niet de klaarblijkelijkheid zelf? Maar de regering streefde andere doeleinden na en liet zich door het klaarblijkelijke niet tegenhouden. Een mondelinge nota van de Franse zaakgelastigde te Rome van 30 juli 1904 deelde de Heilige Stoel de verbreking van de diplomatieke betrekkingen mee. Het Witboek waarvan wij zojuist enkele bladzijden hebben besproken bevat in hoofdstuk IX twee opmerkingen die door iedere rechtschapen geest zullen worden beschouwd als de juiste conclusie van dit geschil over de twee bisschoppen en als het vooruitlopende oordeel van de geschiedenis. Samengevat had de Franse regering haar eeuwenoude diplomatieke betrekkingen met de Heilige Stoel verbroken omdat de Heilige Stoel, nadat hij de regering had ingelicht, twee bisschoppen naar Rome had teruggeroepen en hen had uitgenodigd zich daar te verantwoorden voor ernstige beschuldigingen van zuiver kerkelijke aard die openlijk tegen hen waren ingebracht, en omdat de apostolische nuntius aan Mgr. Le Nordez had meegedeeld dat de Heilige Stoel beval de heilige wijdingen voorlopig op te schorten, een maatregel die door de meest elementaire voorzichtigheid werd vereist. Het zou de onpartijdige openbare mening en de geschiedenis gemakkelijk vallen deze redenen naar hun juiste waarde te beoordelen en vast te stellen wie werkelijk de verantwoordelijkheid droeg voor een breuk die zowel voor de belangen van de Kerk als voor die van de Staat noodlottig was. De diplomatieke breuk bereidde de volledige scheiding van Kerk en Staat voor en kondigde haar als nabij aan. Zij werd het volgende jaar door het parlement aangenomen bij de wet van 11 december 1905. Zonder voorafgaande onderhandelingen en in strijd met de regels van het recht zegde de Franse regering de bilaterale overeenkomst op die Concordaat werd genoemd. Zij verklaarde zich ontslagen van de verplichting de geestelijkheid te bezoldigen. Deze verplichting stond inderdaad in het Concordaat, maar vormde slechts een gedeeltelijke en tot een minimum teruggebrachte vergoeding voor de beroving van de goederen van de geestelijkheid tijdens de revolutionaire periode. De vrome stichtingen die aan de Kerk waren toevertrouwd en de gelden die aan bisschoppelijke tafels of kerkfabrieken waren geschonken opdat eeuwigdurend Missen voor de ziel van de stichters zouden worden opgedragen, verdwenen in dezelfde afgrond. De kerken werden door de wil van de sterkste tot eigendom van de gemeenten verklaard. De priester was er nog slechts een gecontroleerde gebruiker. Van de roerende goederen van alle kerken moest door ambtenaren van de Staat een inventaris worden opgemaakt en niets in de teksten verhinderde een ambtenaar de tabernakels te openen. De wet bevatte nog verscheidene andere onverdedigbare bepalingen, maar de voornaamste was de openbare verloochening door de regering van de Republiek, die verklaarde geen enkele eredienst te erkennen, te bezoldigen of te subsidiëren. De Republiek verloochende aldus haar schulden, hetgeen nooit voor eerlijk is doorgegaan. Bovendien en bovenal beledigde zij de eerste regel dat de naties, ongeacht hun staatsinrichting, aan God eredienst verschuldigd zijn. De scheidingswet stelde verenigingen voor de eredienst in die hetgeen van de kerkelijke goederen overbleef moesten bezitten en beheren, hun zorgvuldig begrensde reservefondsen in handen van de Staat moesten storten en aan de prefect rekening en verantwoording moesten afleggen van inkomsten en uitgaven. De Staat was niet verplicht deze goederen uitsluitend toe te wijzen aan verenigingen die onder leiding van de bisschop stonden. Hij kon kiezen. De hiërarchie van de Kerk behoorde tot de zaken die gescheiden waren en men bekommerde zich er niet om. Zodra de wet was afgekondigd, gingen de ambtenaren van de regering over tot het opmaken van de inventarissen. Op vele plaatsen boden de gelovigen weerstand. Er waren botsingen, gewonden en zelfs doden. Kerken moesten door soldaten en gendarmes worden opengebroken. De weerstand van het katholieke volk liet zien dat de godsdienstige onverschilligheid waarvan men zo dikwijls had gesproken niet overal bestond. De regering had de Kerk willen vernederen en ontdekte dat zij nog over een levend volk beschikte. Maar voor Pius X was de beslissende vraag niet die van de bezittingen. De vraag was of de nieuwe verenigingen voor de eredienst verenigbaar waren met de goddelijke inrichting van de Kerk. De paus kon niet toestaan dat het bezit en bestuur van kerkelijke goederen werden toevertrouwd aan verenigingen die niet noodzakelijk van de bisschop afhankelijk waren. Daarmee zou in de praktijk de hiërarchische orde van de Kerk worden aangetast. Hij onderzocht de wet, raadpleegde en wachtte niet langer dan nodig. Op 11 februari 1906 verscheen de encycliek Vehementer nos. Pius X verklaarde daarin dat de stelling volgens welke de Staat van de Kerk moet worden gescheiden volkomen vals en uiterst verderfelijk is. Zij berustte allereerst op de fout dat men aan God iedere openbare eredienst weigert. De Schepper van de mens is tevens de Stichter van de menselijke samenlevingen en bewaart hen in het bestaan zoals Hij ons bewaart. Wij zijn Hem dus niet alleen een persoonlijke eredienst verschuldigd maar ook een openbare en maatschappelijke eredienst. Bovendien is het een duidelijke ontkenning van de bovennatuurlijke orde om de Staat volledig van de Kerk te willen scheiden. Zij beperkt de werkzaamheid van de Staat tot het tijdelijke welzijn van dit leven en bekommert zich niet om het hoogste doel van de mens, de eeuwige zaligheid, alsof dit hem vreemd was. Toch moet de burgerlijke macht niet alleen geen belemmeringen opwerpen voor het bereiken van dit hoogste goed, maar daartoe juist behulpzaam zijn. Deze leer over de verhouding tussen Kerk en Staat was niet nieuw. Pius X herinnerde aan hetgeen zijn voorgangers reeds hadden geleerd. Hij veroordeelde vervolgens de wijze waarop de Franse regering het Concordaat eenzijdig had verbroken en de rechten van de Kerk had geschonden. Toch moest de praktische vraag omtrent de verenigingen voor de eredienst nog worden opgelost. De Franse bisschoppen werden geraadpleegd. Zij kwamen bijeen en legden hun oordeel aan de paus voor. Op 10 augustus 1906 verscheen de encycliek Gravissimo officii munere. Pius X verklaarde dat de verenigingen zoals de wet ze voorschreef niet konden worden aanvaard. De paus wist wat deze beslissing betekende. De Kerk in Frankrijk zou haar goederen verliezen. De geestelijkheid zou van haar bezoldiging worden beroofd en misschien tot uiterste armoede worden gebracht. Toch kon hij geen regeling goedkeuren die de wezenlijke rechten en de goddelijke inrichting van de Kerk aan burgerlijke verenigingen onderwierp. Hij verkoos armoede boven een beginsel prijs te geven. De Franse bisschoppen gehoorzaamden. Zij hadden de bezwaren gezien, de mogelijke gevolgen overwogen en hun meningen uiteengezet. Toen de paus zijn beslissing had genomen, schaarden zij zich achter hem. Pius X had nooit aan hun trouw aan de Apostolische Stoel getwijfeld. Niettemin schreef hij hun dat hij een ontzaglijke vreugde ondervond bij het schitterende schouwspel dat zij op dat ogenblik gaven en dat hij, terwijl hij hen voor de gehele Kerk hoog prees, uit het diepst van zijn hart de Vader der barmhartigheden, de gever van alle goed, daarvoor zegende. Tien dagen later antwoordden de bisschoppen hem. Voor de derde maal in minder dan een jaar moesten zij in voltallige vergadering bijeenkomen. Ditmaal wilden zij beraadslagen over een ontwerp van administratief contract tussen burgemeesters en pastoors, waarbij de eersten aan de laatsten het gebruik van de gebouwen voor de eredienst zouden toestaan. Ook dit ontwerp moest spoedig worden opgegeven. De vergadering kon niet meer in het aartsbisschoppelijk paleis plaatsvinden. De kardinaal van Parijs nam de uitnodiging van graaf de Franqueville aan en zo hielden de Franse kardinalen, aartsbisschoppen en bisschoppen van 15 tot 19 januari hun zittingen in het kasteel van La Muette. Voordat zij hun werkzaamheden begonnen wilden zij een huldeadres aan Pius X opstellen. De paus had hun gehoorzaamheid gevraagd en tegen zijn wil ook armoede. Zij dankten hem daarom dat hij vertrouwen in hen had gesteld en verzekerden hem van hun volledige en overtuigde instemming met het oordeel van Zijne Heiligheid over de godsdienstwetgeving die met de wet van 1905 was begonnen en met de wet van 2 januari 1907 was voortgezet. De tekst moest naar Rome worden gebracht. Voor deze eervolle zending koos kardinaal Richard Camille Bellaigue. Meteen na zijn aankomst in het Vaticaan werd de gezant van de aartsbisschop van Parijs op 18 januari ontvangen. De paus wachtte hem in zijn bibliotheek. Bellaigue overhandigde hem het adres van de Franse bisschoppen. Zij gingen zitten, de paus aan zijn schrijftafel en Bellaigue in de zetel links van hem. Het was elf uur in de ochtend. De zon overstroomde de bibliotheek waarin Bellaigue reeds zo dikwijls de eer van een gesprek met hem had gehad. Hij zag er de bekende voorwerpen terug, het beeldje van de pastoor van Ars op de schrijftafel, de gouden poederdoos, een kiezelsteen, waarschijnlijk van het Lido, met een lelijke beschildering, het wapen van de Heilige Vader en zijn fraaie wapenspreuk Omnia instaurare in Christo, de zilveren snuifdoos, papieren, boeken en kranten en rechts in een hoek de wandelstok met gouden knop voor de aanstaande wandeling. Verder verlichtte de zon het beeld van Jeanne d’Arc van Dubois, de witmarmeren borstbeelden van Pius IX en Leo XIII en de witgelakte boekenkasten. De paus opende de omslag die hem was overhandigd en begon te lezen. Bellaigue volgde de beweging van zijn lippen en de ontroering van zijn gelaat. Pius X gaf tekenen van instemming en vreugde. Zijn ogen glansden zelfs van tranen. Verscheidene malen en vooral aan het einde mompelde hij met diepe stem dat het mooi, zeer mooi was. Zij spraken over de bewonderenswaardige encycliek. Toen Bellaigue haar geestdriftig prees, zei de paus dat hij geen diplomaat was, maar de wet van zijn God beschermde. Het ging slechts om één zaak, namelijk of de Kerk wel of niet door Onze Heer Jezus Christus goddelijk was ingesteld. Indien dit zo was, kon niets haar ertoe brengen haar rechten, de hiërarchie, haar goederen of haar vrijheid prijs te geven. Steeds keerde het woord vrijheid terug. Nog diezelfde avond drukte de Osservatore Romano het document af. De gehele Kerk van Frankrijk stond aan de zijde van de paus. De tijd van het oude leerstellige gallicanisme was voorbij. Pius X had reeds in de tijd waarin de scheiding van Kerk en Staat werd voorbereid zijn vertrouwen in de toekomst van Frankrijk uitgesproken en had daarop ook gezinspeeld. Op 23 september 1904 had hij tot de pelgrims uit Parijs een soort lyrische toespraak gericht die niet op zichzelf staat in de verzameling van zijn handelingen. De eerste maal bijvoorbeeld dat hij de nieuwjaarswensen van het Heilig College beantwoordde, herhaalde hij als een refrein dat de stal van Bethlehem een school was en trok hij uit dit refrein zes verschillende lessen. Voor de pelgrims van 1904 ontwikkelde hij de gedachte dat God Frankrijk liefhad. Tegen het einde van de toespraak, waarin hij de ondankbaarheid en de fouten van dit land geenszins had verzwegen, verzekerde hij hun dat zij niet alleen de hoop maar de zekerheid moesten meenemen dat Onze Heer Jezus Christus in de oneindige goedheid van Zijn barmhartig Hart hun vaderland zou redden door het met de Kerk verbonden te houden. Daarna kwamen de opzegging van het Concordaat en de officiële beledigingen van meer dan één aard, door Franse ministers aangedaan aan de hoofden van de katholieke Kerk en aan de Kerk zelf. Maar na de scheiding volgde het fiere herstel van de katholieke zielen, priesters en gelovigen, die de beroving aanvaardden liever dan ongehoorzaam te zijn aan de Herder die de weg kent. Er kwam de veelzeggende periode van de inventarissen en daarna zoveel woorden en geschriften en zoveel blijken van trouw, waarvan sommige bekend zijn en vele niet, dat Pius X, een man zeer dicht bij God, niet aarzelde de verwachtingen die hij in 1904 had uitgesproken nog plechtiger en op bijna wonderlijke wijze te bevestigen. De consistoriale toespraak van 29 november 1911 was en blijft voor ons en voor anderen een bron van vertroosting en als een fontein van hoop. De paus legde de kardinaalsbaret op aan kardinalen uit Engeland, Holland, de Verenigde Staten en Frankrijk. De avond tevoren had hij de gehele toespraak eigenhandig geschreven. Toen de ochtend gekomen was, zei hij hun dat het purper een teken van smart en offer was, maar dat zij zelfs midden in het leed van een strijd die niet ophield vertroostingen zouden ontvangen. Tot de geliefde zonen van Engeland en Holland zei hij dat zij zich mochten verheugen omdat in de heilige vreugde van hun landgenoten over hun verheffing tot het kardinalaat het levende geloof zichtbaar was geworden waarvan de katholieken bezield waren. Hun hart en het zijne openden zich voor de dierbare hoop dat hun voorbeeld van invloed zou zijn op de gelukkige terugkeer van alle anderen in de schoot van de Kerk. In de tegenwoordigheid van de kardinaal uit Amerika glimlachte hem deze hoop met buitengewone zoetheid toe. Het enthousiasme waarmee het nieuws van diens verheffing tot het heilige purper was ontvangen, de blijken van eer die alle standen van de samenleving hem hadden betoond, de toejuichingen vergezeld van zegeningen, goede wensen en hartelijke groeten bij zijn vertrek uit New York en Boston en ten slotte zijn triomfantelijke reis over de oceaan onder bescherming van de pauselijke vlag gaven Pius X niet alleen de hoop maar de zekerheid dat de Heer bij zijn terugkeer de vruchten van zijn apostolaat zou vermenigvuldigen en dat op dit gastvrije land, dat alle volkeren der wereld opnam en met een goed begrepen vrijheid het algemeen welzijn bevorderde, de Heer zou heersen en Zijn heerlijkheid er zou schitteren. Vervolgens richtte hij zich tot de zonen van Frankrijk die onder het gewicht van de vervolging zuchtten. Het volk dat bij de doopvont van Reims een verbond met God had gesloten, zou tot inkeer komen en tot zijn eerste roeping terugkeren. De verdiensten van zoveel zonen die de waarheid van het Evangelie in bijna de gehele wereld verkondigden en van wie velen haar met hun bloed hadden bezegeld, de gebeden van zoveel heiligen die er vurig naar verlangden hun geliefde broeders uit hun vaderland als gezellen in de hemelse heerlijkheid te ontvangen en de edelmoedige godsvrucht van zoveel van zijn kinderen die voor geen enkel offer terugschrokken om de waardigheid van de geestelijkheid en de luister van de katholieke eredienst te verzekeren, zouden zeker de goddelijke barmhartigheid over deze natie afroepen. De fouten zouden niet ongestraft blijven, maar de dochter van zoveel verdiensten, zoveel verzuchtingen en zoveel tranen zou niet ten onder gaan. Er zou een dag komen en hij hoopte dat deze niet zeer ver verwijderd was waarop Frankrijk, zoals Saulus op de weg naar Damascus, door een hemels licht zou worden omgeven en een stem zou horen die haar vroeg waarom zij Hem vervolgde. Op haar vraag Wie Hij was, zou de stem antwoorden dat Hij Jezus was Die zij vervolgde en dat het hard was tegen de prikkel achteruit te slaan, omdat zij zichzelf door haar halsstarrigheid te gronde richtte. Bevend en verbaasd zou zij vragen wat de Heer wilde dat zij deed. Hij zou haar antwoorden dat zij moest opstaan, zich wassen van de smetten die haar hadden misvormd, in haar binnenste de ingeslapen gevoelens en het verbond van hun verbintenis opnieuw wakker maken en vervolgens, als oudste dochter van de Kerk, voorbestemde natie en uitverkoren vat, zoals vroeger Zijn Naam dragen voor alle volkeren en alle koningen der aarde.

7. Het modernisme

De encycliek Pascendi is een leerstellig document van de eerste orde. Het ligt nog te dicht bij ons om het reeds naar zijn volle betekenis te kunnen beoordelen. Toch kan men zeggen dat Pius X, door het modernisme te veroordelen, een van de gevaarlijkste aanvallen heeft afgeslagen die ooit tegen de katholieke leer zijn gericht. De mannen die de Kerk wilden moderniseren en dit naar hun zeggen voor haar welzijn deden, waren bezig haar te gronde te richten. Zij verwierpen niet één bepaald dogma, zoals vroegere ketters dikwijls hadden gedaan. Zij tastten de grondslagen zelf aan waarop het geheel van de geopenbaarde waarheid rust. Op 3 juli 1907 verscheen het decreet Lamentabili sane exitu van het Heilig Officie. Het bevatte vijfenzestig stellingen, ontleend aan boeken en artikelen van modernisten, die werden veroordeeld. Dit nieuwe Syllabus maakte het de modernisten onmogelijk zich achter dubbelzinnige formuleringen te verschuilen of te beweren dat men hun gedachten verkeerd had begrepen. De dwalingen werden in korte en nauwkeurige bewoordingen weergegeven. Sommige ervan zijn voldoende om te tonen hoever deze leer reeds was voortgeschreden. Volgens een van de veroordeelde stellingen werken in leerstellige definities de lerende Kerk en de geleerde Kerk zo samen dat aan de lerende Kerk slechts overblijft de gemeenschappelijke opvattingen van de geleerde Kerk te bekrachtigen. Volgens een andere kan de Kerk, wanneer zij dwalingen veroordeelt, van de gelovigen niet eisen dat zij innerlijk instemmen met haar oordeel. Een andere stelt dat de goddelijke inspiratie zich niet zodanig over de gehele Heilige Schrift uitstrekt dat alle afzonderlijke delen van iedere dwaling worden gevrijwaard. Nog een andere beweert dat de evangelisten in vele verhalen niet zozeer hebben meegedeeld wat waar is, als wel wat zij, hoewel het onwaar was, nuttiger achtten voor hun lezers. Van dwaling tot dwaling komt men vervolgens tot de twintigste stelling, die het gehele Oude en Nieuwe Testament ondermijnt en volgens welke de Openbaring niets anders kon zijn dan het bewustzijn dat de mens heeft verkregen van de betrekkingen tussen God en hemzelf. De ontkenningen gaan verder. Christus als Zoon van God wordt ontkend. De leer van de verzoenende dood van Christus wordt niet als evangelisch maar eenvoudig als paulinisch voorgesteld. De geloofsbelijdenis van Nicea en de leer van de oude concilies van Efeze en Chalcedon, die volgens de modernistische exegeten te gunstig waren voor de godheid van Jezus Christus, zouden niet de leer zijn die Jezus Zelf heeft verkondigd. De Sacramenten zijn geen Sacramenten meer. Zij zouden slechts tot doel hebben aan de geest van de mens de altijd weldadige tegenwoordigheid van de Schepper te herinneren. Ieder Sacrament wordt afzonderlijk aan een bijzondere godslasterlijke aantasting onderworpen. Voor de modernisten bestaat er dus geen goddelijke godsdienst meer en geen Verlosser. Men begrijpt reeds dat er evenmin nog een Kerk overblijft. Toch wordt ook zij uitdrukkelijk ontkend. Zij verliest haar noodzakelijke en goddelijke oorsprong en wordt slechts een feit dat aan verandering onderworpen is. Dit alles mondt uit in de achtenvijftigste veroordeelde stelling, volgens welke de waarheid niet onveranderlijker is dan de mens zelf, omdat zij met hem, in hem en door hem evolueert. De mens wordt almachtig. Hij schept de waarheid. Het is een oude dwaling die in de twintigste eeuw als ontdekking en vooruitgang werd voorgesteld. Dit indrukwekkende geheel van beschuldigingen en veroordelingen waarschuwde de christenen tegen het modernisme en maakte duidelijk dat het verdedigen van een van de verworpen stellingen een ernstige fout vormde. Het ging echter nog niet terug tot de bronnen van de ketterij en zette evenmin haar gevolgen uiteen. Dat gebeurde twee maanden later in de encycliek Pascendi. In deze leerstellige verhandeling wordt eerst de positie van de modernisten bepaald. Het gaat niet, zoals zo dikwijls in de geschiedenis, om mannen die openlijk verklaren te breken met een Kerk die zij aanvallen. Integendeel. Zij voeren de strijd van binnenuit, terwijl zij zich hervormers noemen en beweren bovenal het welzijn van de Kerk te zoeken en haar met de huidige tijd te willen verzoenen. De paus verklaart dat zij inderdaad vijanden van de Kerk zijn en dat men niet van de waarheid afwijkt wanneer men zegt dat zij geen ergere vijanden heeft. Zij beramen haar ondergang niet van buitenaf maar van binnenuit. Het gevaar bevindt zich bijna in haar ingewanden en aderen. Hun slagen zijn des te zekerder omdat zij beter weten waar zij moeten treffen. Zij vermengen rationalisme en katholicisme met zulk een verfijnde behendigheid dat zij onvoorbereide geesten gemakkelijk misleiden. Daarbij vertonen zij, wat bijzonder geschikt is om te misleiden, een uiterst werkzaam leven, een buitengewone ijver voor allerlei studies en doorgaans strengere zeden. De paus had eerst zachtheid tegenover hen gebruikt, alsof zij zonen waren, daarna strengheid en ten slotte, zeer tegen zijn zin, openbare terechtwijzingen. Maar de pogingen waren vruchteloos geweest. De modernisten bogen voor een ogenblik het hoofd, maar hieven het onmiddellijk daarna met nog meer hoogmoed op. Indien het alleen om hen ging, zou men misschien nog kunnen zwijgen. Maar de katholieke godsdienst zelf en haar veiligheid stonden op het spel. Zwijgen zou voortaan een misdaad zijn. Het was tijd hun het masker af te nemen en hen aan de gehele Kerk te tonen zoals zij werkelijk waren. De drie overheersende denkbeelden van het modernisme, waarvan Rome opnieuw een zeer oud proces onderzocht en die zij met de kracht van wijsheid en ervaring weerlegde, waren agnosticisme, immanentisme en evolutionisme. God onkenbaar verklaren betekent de mens en zijn rede miskennen. Door haar gehele geschiedenis heen heeft de Kerk het tegendeel geleerd en daardoor de waardigheid van de mens gehandhaafd. Nog kort tevoren had het Vaticaans Concilie het agnosticisme veroordeeld door te verklaren dat wie beweert dat het natuurlijke licht van de menselijke rede niet in staat is door middel van de geschapen dingen met zekerheid de ene ware God, onze Schepper en Heer, te kennen, onder het anathema valt. Maar hoe gaan de modernisten van het agnosticisme, dat uiteindelijk slechts onwetendheid is, over tot wetenschappelijk en historisch atheïsme? De paus antwoordt dat dit moeilijk te begrijpen is. Beweren dat men iets niet kan kennen geeft immers nog geen recht het te ontkennen. Het blijft dan eenvoudig onbeslist. Logischerwijs zouden zij dus ruimte moeten laten voor de hypothese God. Dat doen zij niet. Voor hen staat integendeel vast dat wetenschap en geschiedenis atheïstisch moeten zijn. Op hun terrein mag alleen plaats zijn voor verschijnselen. God en het goddelijke worden eruit verbannen. Toch moet het bestaan van de godsdienst worden verklaard voordat men haar dogma en zedenleer kan aanvallen. De modernisten hebben dit geprobeerd. Nadat zij aan de rede ieder vermogen om God te kennen hebben ontzegd en de Openbaring hebben afgeschaft, zoeken zij de verklaring in de natuur en het leven van de mens. Ieder levensverschijnsel heeft volgens hen als eerste prikkel een behoefte en als eerste uiting een beweging van het hart die gevoel wordt genoemd. Omdat het voorwerp van de godsdienst God is, zou het geloof, beginsel en grondslag van iedere godsdienst, daarom bestaan in een innerlijk gevoel dat zelf voortkomt uit de behoefte aan het goddelijke. Tot hier toe zijn wij in het modernisme alleen ontkenningen tegengekomen. Men zou kunnen verwachten dat er nu een positieve leer en een nieuw gebouw ontstaat. Juist hier blijkt echter de buitengewone schadelijkheid van de ketterij. Terwijl zij schijnt op te bouwen, voltooit zij de vernietiging van het christendom en uiteindelijk van iedere godsdienst. Volgens de modernisten zijn de godsdiensten ontstaan uit de behoefte aan het goddelijke. Voor de katholieke godsdienst maken zij geen uitzondering. Ook zij wordt geheel op hetzelfde niveau geplaatst als de andere. Haar oorsprong zou liggen in het bewustzijn van Jezus Christus, een mens van uitzonderlijke natuur zoals er nooit een tweede is geweest of zal zijn. Zij zou daar zijn ontstaan uit geen ander beginsel dan de levensimmanentie. De paus merkt op dat men versteld staat over zulk een stoutmoedigheid in de bewering en zulk een gemak in de godslastering. En het zijn niet alleen ongelovigen die zulke vermetele beweringen doen. Het zijn katholieken en zelfs priesters, en niet weinigen, die ze openlijk verkondigen. Vervolgens treedt volgens het modernistische stelsel het verstand op. Het analyseert het godsdienstige gevoel en brengt de eerste, nog vage formulering ervan tot grotere duidelijkheid. Deze verder ontwikkelde en meer bepaalde formuleringen, door het leergezag van de Kerk bekrachtigd, zouden het dogma vormen. Het dogma zou dus uit de gelovige zelf ontstaan. En aangezien het absolute dat het voorwerp van dit gevoel is oneindig vele aspecten bezit waaronder het achtereenvolgens kan verschijnen, terwijl de gelovige zelf onder zeer verschillende omstandigheden kan leven, zouden ook de dogmatische formuleringen aan dezelfde wisselingen onderworpen en dus veranderlijk zijn. De paus kan daarom besluiten dat hiermee de weg wordt geopend naar een wezenlijke verandering van de dogma’s. Een geliefde stelregel van de modernisten is dat de godsdienstige ontwikkeling moet samengaan met de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, of volgens een van hun meesters zelfs daaraan ondergeschikt moet worden. Dit is het derde beginsel van de ketterij, de evolutie van het dogma. De paus wijst vervolgens op het gedrag van de modernisten, dat volledig met deze leer overeenkomt. Wanneer men hen hoort of leest zou men soms menen dat zij zichzelf tegenspreken en voortdurend heen en weer bewegen. Dat is volgens Pius X geenszins het geval. Alles is bij hen overwogen en gewild, maar steeds in het licht van het beginsel dat geloof en wetenschap niets met elkaar te maken hebben. De ene bladzijde van hun werk zou door een katholiek kunnen zijn geschreven. Slaat men de bladzijde om, dan meent men een rationalist te lezen. Wanneer zij geschiedenis schrijven, wordt de godheid van Jezus Christus niet vermeld. Wanneer zij de kansel bestijgen, verkondigen zij haar luid. Als geschiedschrijvers minachten zij de kerkvaders en de concilies. Als catecheten halen zij hen met eerbied aan. Omdat de wetenschap volgens hen in geen enkel opzicht van het geloof afhankelijk is, tonen zij wanneer zij over wijsbegeerte, geschiedenis of kritiek schrijven op duizend manieren hun verachting voor de katholieke leer, de kerkvaders, de oecumenische concilies en het kerkelijk leergezag. Wanneer zij hierover worden terechtgewezen, roepen zij luid dat hun vrijheid wordt geschonden. En omdat het geloof volgens hen aan de wetenschap ondergeschikt is, verwijten zij de Kerk openlijk en voortdurend dat zij weigert haar dogma’s aan de opvattingen van de filosofen ondergeschikt te maken en eraan aan te passen. Zelf trachten zij, nadat zij de oude theologie hebben weggevaagd, een nieuwe theologie in te voeren die zich welwillend voegt naar de afdwalingen van diezelfde filosofen. Verderop vat Pius X de zogenaamde hervormingen samen die de ketterij aan de Kerk aanbeveelt en uiteindelijk wil opleggen. Er is volgens hem werkelijk niets in het katholicisme dat zij niet aanvalt. Het is niet nodig de gehele opsomming weer te geven. Enkele voorbeelden zijn voldoende. De scholastieke wijsbegeerte moet volgens de modernisten uit de seminaries verdwijnen en als een verouderd stelsel naar de geschiedenis worden verwezen. In plaats van de leer van de H. Thomas moet moderne wijsbegeerte worden onderwezen. Het dogma moet in overeenstemming worden gebracht met hetgeen de modernisten wetenschap en geschiedenis noemen, maar wat in werkelijkheid slechts de huidige mening is van enkele geleerden en geschiedschrijvers die hun welgevallig zijn. Het bestuur van de Kerk moet in al zijn onderdelen worden hervormd en eveneens in overeenstemming worden gebracht met de democratie. De Romeinse Congregaties en vooral het Heilig Officie en de Index, die de ketterij hinderlijk vindt, moeten buiten werking worden gesteld. Het kerkelijk celibaat moet worden afgeschaft. Pius X kon een dergelijke leer daarom omschrijven als de verzamelplaats van alle ketterijen. Het modernisme verschilt van het absolute vrijdenken nauwelijks anders dan door zijn aanspraak katholiek te blijven. Het heeft in werkelijkheid alles ontkend behalve het duistere gevoel, het streven naar een ideaal, dat het godsdienst blijft noemen. In de encycliek wordt de leer van de Kerk punt voor punt hersteld en verdedigd. Op bijna iedere bladzijde treden de eerbiedwaardige en krachtige getuigen op van de eeuwen waarin dezelfde of soortgelijke dwalingen reeds waren voortgebracht door avontuurlijke of verdorven geesten. De door de paus aangehaalde teksten, besluiten van het Tweede Concilie van Nicea, het Vierde Concilie van Constantinopel, het Concilie van Trente en het Vaticaans Concilie, alsmede leerstellige uitspraken van Leo X, Gregorius XVI, Pius IX en Leo XIII, herstellen de verstoorde orde. Men bewondert daarbij de majesteit, redelijkheid en goedheid van het katholieke dogma en dankt de Kerk voor die onverzettelijkheid die een wezenlijke hulde aan de waarheid is. Des te duidelijker ziet men dan hoe juist de woorden zijn waarmee Pius X de verder verwijderde oorzaken van deze ketterij aanwijst. Zij kunnen volgens hem tot twee worden teruggebracht, nieuwsgierigheid en hoogmoed. Dat dit van de hoogmoed geldt, behoeft na hetgeen reeds gezegd is nauwelijks verder te worden aangetoond. De modernisten waren allen hoogmoedig en sommigen zelfs tot in het kinderlijke toe. Maar ook de nieuwsgierigheid, niet het prijzenswaardige verlangen naar kennis, maar de onstandvastigheid van dat verlangen, de nutteloze verspilling van de geest aan ieder onderwerp, het gebrek aan verdieping en het te grote gewicht dat aan verbeelding en gevoel wordt toegekend op een terrein dat niet het hunne is, schijnen onder de modernisten zeer verbreide gebreken te zijn geweest. Een gedachte van Leo XIII, die in Pascendi wordt aangehaald, verklaart waarom het modernisme in onze tijd meer aanhangers heeft gevonden dan in andere perioden van de geschiedenis. Leo XIII had erop gewezen dat naarmate de ijver voor de natuurwetenschappen toenam, de hogere en strengere wetenschappen steeds meer in verval waren geraakt en sommige zelfs bijna geheel in vergetelheid waren geraakt. In een eeuw waarin deze strengere wetenschappen algemener waren beoefend, zou het modernisme minder gemakkelijk zijn doorgedrongen. Het zou minder tekortkomingen van het gezonde verstand en minder onwetendheid omtrent de eerste beginselen hebben ontmoet. Wanneer men het leven van bepaalde modernisten leest, vormt dit inderdaad een van de opvallendste vragen. Hoe konden fijngevoelige zielen, soms met bijna vrouwelijke gevoeligheid, met een te vage maar oprechte vroomheid en een onmiskenbare toewijding, zich door zulke grove sofismen laten misleiden? Men zou het moeilijk begrijpen indien men niet wist hoe verborgen de hoogmoed in de geest kan voortgaan en in welke toestand van zwakte de onrust van het leven en de verspreiding van de krachten hem kunnen brengen. Mannen van dit temperament, zonder voldoende studie van het wezenlijke en beheerst door een verlangen naar succes dat zij voor zichzelf verbergen onder het verlangen naar apostolaat, worden buitengewoon schuchter tegenover woorden, louter woorden als vooruitgang, wetenschap en vrijheid. Zij vallen, slachtoffers van zichzelf en van een mode. In hen ziet men niet langer die voortreffelijke deugd die Pius X in zijn laatste consistoriale rede van 1914 zo schoon de maagdelijke fijngevoeligheid in de leer noemde. De uiterste armoede van de wijsgerige oplossingen waaraan zij zich, leken zowel als priesters, vastklampen, toont helaas dat zij zelfs die eigenschappen van fijnheid en smaak verloren hebben die men hun vroeger had toegekend. Een van de leiders van deze richting, de Engelsman pater Tyrrell, nam niet zijn toevlucht tot het gewone argument van door Rome veroordeelde filosofen. Hij beweerde niet dat het modernistische stelsel verkeerd was begrepen. Integendeel, hij had de vermetelheid te verklaren dat het portret juist was en deed alsof hij zich daarover verbaasde. De modernisten bogen voor een ogenblik het hoofd, maar hieven het onmiddellijk daarna met nog meer hoogmoed op.

8. De aansporing tot de katholieke geestelijkheid

Bij gelegenheid van de vijftigste verjaardag van zijn priesterschap liet Pius X op 4 augustus 1908 een aansporing verschijnen, gericht tot de katholieke geestelijkheid, die beroemd is gebleven. De datum waarop deze beschouwing over de man Gods werd gepubliceerd was dezelfde waarop het zesde jaar van zijn pontificaat begon. De paus schreef dat de priester niet alleen voor zichzelf goed of slecht kan zijn. Van hoeveel betekenis is zijn levenswijze niet voor het volk. Waar een goede priester is, daar bevindt zich een schat van onschatbare waarde. Christus had dezelfde gedachte uitgedrukt toen Hij, om aan te geven waaruit de priesterlijke werkzaamheid moet bestaan, de priesters met het zout en het licht vergeleek. De priester is dus het licht der wereld en het zout der aarde. Niemand weet niet dat dit voor hem vooral betekent dat hij de christelijke waarheid moet meedelen. Maar evenmin kan men ontkennen dat deze bediening vrijwel nutteloos is wanneer de priester hetgeen hij mondeling onderwijst niet met zijn voorbeeld ondersteunt. Daarom heeft Christus Zelf, Die als voorbeeld voor de priesters is gesteld, eerst door Zijn voorbeeld onderwezen en daarna door Zijn woord. Wij moeten dus de taak van Christus vervullen. De zending die Hij ons heeft gegeven moeten wij volbrengen met hetzelfde doel dat Hij Zich heeft gesteld. En aangezien eenzelfde willen en eenzelfde afkeer het kenmerk zijn van een hechte vriendschap, zijn wij als vrienden verplicht onze gevoelens gelijkvormig te maken aan die van Jezus Christus, Die heilig, onschuldig en onbevlekt is. Deze zinnen, waarvan de ruime gedachte eenvoudig blijft en toegankelijk voor de nederigste christen, schreef Pius X in de tijd vóór augustus geheel zelf in het Italiaans. De hitte had de audiënties onderbroken. Kardinaal Merry del Val vertelde later dat hij de paus iedere morgen aan zijn aansporing zag werken. Hij schreef met een ongelooflijk gemak, onderbrak zich wanneer de kardinaal binnenkwam en vroeg hem of het zo goed was en of hij vooral niet moest aarzelen iets te verbeteren. De kardinaal verbeterde niets. Er was niets te verbeteren aan een werk dat was voorbereid en verzekerd door de dagelijkse overweging van vijftig jaren priesterschap. Terwijl hij de beginselen uitwerkte die hij in de eerste regels van de aansporing had neergelegd, toonde de paus hoe de clericus trapsgewijze, eerst als subdiaken en vervolgens als diaken, naar het priesterschap wordt geleid en bij iedere overgang wordt gewezen op de heiligheid die bij zijn nieuwe waardigheid behoort. Zij is het die van belang is. Wanneer deze heiligheid, die vooral bestaat in de verheven kennis van Jezus Christus, aan de priester ontbreekt, ontbreekt hem alles. Want zonder haar zijn zelfs de schatten van een uitstekende wetenschap, die Pius X bij de geestelijkheid krachtig trachtte te bevorderen, en zelfs praktische bekwaamheid en handigheid, hoewel zij de Kerk of afzonderlijke personen enig nut kunnen brengen, niettemin dikwijls een bron van betreurenswaardige schade. Maar hoeveel wonderbare werken kan een diep heilig man, al was hij de geringste van allen, niet ondernemen en tot een goed einde brengen voor het heil van het volk Gods. Daarvan bestond een schitterend en nog recent voorbeeld in Jean Baptiste Vianney, die volmaakte herder van zielen, aan wie Pius X zich verheugde zelf de eerbewijzen van de zaligen te hebben toegekend. Er bestaat geen heiligheid zonder genade en de genade wordt door het gebed verkregen. Hoeveel gelegenheden om zich tot God te verheffen bieden zich iedere dag aan een ziel die vervuld is van het verlangen naar haar eigen heiliging en naar het heil van de naaste. Innerlijke benauwdheden, de hevigheid en hardnekkigheid van de bekoringen, gebrek aan deugd, de machteloosheid en onvruchtbaarheid van de werken, ontelbare zonden en nalatigheden en ten slotte de vrees voor Gods oordelen, alles spoort ons krachtig aan om voor de Heer te wenen en, nadat wij Zijn hulp hebben verkregen, ons gemakkelijk door het verwerven van verdiensten te verrijken. Wij moeten niet alleen om onszelf wenen. In deze vloed van misdaden die zich overal verbreidt en uitbreidt, komt het vooral aan ons toe de goddelijke goedertierenheid af te smeken en te vermurwen. Spaar, Heer, spaar Uw volk. Iedere dag moet een bepaalde tijd voor de overweging worden gereserveerd. De priester is verplicht zijn leven als het ware midden in een slechte samenleving door te brengen, zodat hij zelfs bij de uitoefening van zijn herderlijke liefde dikwijls de strikken van de helse slang moet vrezen. Daaruit blijkt hoe ernstig en volstrekt noodzakelijk het voor de priester is iedere dag terug te keren tot de beschouwing van de eeuwige waarheden, om door de nieuwe kracht die hij daaruit put zijn verstand en zijn wil tegen deze gevaren te versterken. Een pijnlijke bevestiging daarvan kan worden gevonden in het leven van priesters die weinig waarde hechten aan de overweging van goddelijke zaken of er zelfs een volstrekte afkeer van hebben. Het zijn mannen bij wie de gezindheid van Christus, dit zo kostbare goed, bijna is uitgedoofd. Zij zijn geheel op aardse zaken gericht, zoeken beuzelingen, verliezen zich in nutteloos gepraat en vervullen hun ambten met slapheid, koelheid en misschien zelfs onwaardig. Onder degenen voor wie deze inkeer van het hart een last is of die haar verwaarlozen zijn er die de daaruit voortkomende innerlijke armoede nauwelijks trachten te verbergen en zich verontschuldigen met het voorwendsel dat zij zich zonder voorbehoud in de maalstroom van de bediening hebben geworpen om de naaste op vele wijzen te dienen. Dat is een betreurenswaardige dwaling. Omdat zij niet gewoon zijn met God te verkeren ontbreekt hun, wanneer zij tot de mensen spreken, geheel de goddelijke adem, zodat het evangelische woord in hen bijna dood schijnt. Hun stem, hoezeer zij ook om haar bekwaamheid en welsprekendheid wordt geprezen, laat geenszins de stem van de Goede Herder horen. De priester moet aan de overweging het lezen van godvruchtige boeken verbinden en vooral het lezen van de Heilige Schrift. Velen dwalen af, vooral omdat zij boven godvruchtige en goddelijke boeken allerlei heel andere boeken verkiezen en een menigte kranten die overvloedig subtiele dwaling en zedenbederf verspreiden. De paus waarschuwde zijn geliefde zonen op hun hoede te zijn, niet op hun gevorderde leeftijd te vertrouwen en zich niet te laten misleiden door de bedrieglijke verwachting dat zij op deze wijze doeltreffender het algemeen welzijn konden dienen. Deze toon van tederheid en vaderlijke strengheid vormt het eigen karakter van de aansporing. De paus beval de priester verder een stralende kuisheid aan en een grote liefde voor de menigte zieken, blinden, kreupelen en verlamden, hetgeen hier vooral in overdrachtelijke zin moet worden verstaan. Hij beval hem aan jaarlijks een retraite te houden en zich onder leiding van het bisschoppelijk gezag met andere priesters te verenigen in economische verenigingen, verenigingen ter verdediging van priesters die ten onrechte waren belasterd en vooral verenigingen voor godsdienstige studie en godsvrucht. De geschiedenis van de Kerk getuigt dat in de tijden waarin priesters overal gemeenschappelijk leefden dergelijke verenigingen overvloedige goede vruchten voortbrachten. Waarom zou men in onze tijd niet iets dergelijks kunnen herstellen, rekening houdend met de verschillen tussen landen en met de behoeften? Deze uiteenzetting van de Opperherder aan zijn zonen, de priesters van de katholieke wereld, eindigt met aangrijpende woorden. Pius X verklaarde dat hij dikwijls met de ogen naar de hemel gericht voor de gehele katholieke geestelijkheid dezelfde smeekbede van Jezus Christus herhaalde, Heilige Vader, heilig hen. Hij wist dat vele gelovigen zich bij de paus in dit gebed aansloten. Als hoofd van de zielen was hij zeer goed op de hoogte, niet alleen van de gebeurtenissen in de wereld, maar ook van de geheimen van heldhaftige en heilige zielen. Hij wees de bekoorde priesters, de vervolgde priesters en de priesters die werden tegengesproken en belasterd erop dat er in het klooster en in de wereld, zeker in verscheidene landen, christenen waren die hun leven aan God aanboden opdat God, door zulk een liefde bewogen, alle priesters zou ondersteunen en hen gelijkvormig zou maken aan het goddelijke voorbeeld. Wanneer men deze aansporing heeft uitgelezen komt de gedachte op dat Pius X, terwijl hij de kenmerken opsomde waaraan de mensen de voorbeeldige priester kunnen herkennen, zonder het te willen zijn eigen portret heeft getekend. Hij was de godvruchtige, de man van overweging, de liefdevolle, de kuise en de nauwgezette onderhouder van wet en raad in ieder opzicht. Hij was ook onverschrokken. Zoals hij vanaf zijn jeugd geen enkele plicht had gevreesd, zo vreesde hij geen mens. Noch de machtigen, noch hun samenzweringen, noch hun pers, noch het lijden van zijn eigen hart wanneer hij een van zijn gelovigen of een van zijn volkeren moest doen lijden, hebben deze zoon van Margherita Sanson en van de gemeentebode van Riese vrees aangejaagd. Zelfs degenen die ver van de katholieke Kerk leven, zelfs degenen die haar niet kennen of haar misschien bestrijden, kunnen hem wanneer zij te goeder trouw zijn hun bewondering en zelfs iets meer, hun eerbied, niet weigeren, voor deze priester die zo zachtmoedig en nederig van hart was, zo helder en zo geducht voor de duisternis, zo verstorven en zo eenvoudig dat hij op zijn Meester gelijkt voor zover het menselijke op het goddelijke kan gelijken. Zijn zorg gold niet alleen de katholieken, maar de gehele mensheid. Van hem is immers deze zin uit zijn eerste toespraak tot het Heilig College, waarvoor weinig gelijken bestaan en waarin zijn grenzeloze liefde wordt uitgedrukt. Zijn zending was verheven omdat zij boven deze voorbijgaande wereld uit de onsterfelijke goederen op het oog had. Geen grens omsloot haar. Zij moest de belangen van het gehele mensdom omvatten, op iedere wijze de eerbiediging van de evangelische voorschriften verzekeren en ten slotte zijn zorg niet alleen uitstrekken tot de gelovigen, maar tot alle mensen voor wie Christus is gestorven. Wij kunnen niet ondernemen alle belangrijke handelingen van het pontificaat van Pius X te ontleden. Daarvoor zou één boek niet voldoende zijn. Dat zal de taak en de eer zijn van een toekomstige geschiedschrijver. De voorbeelden die wij hebben gekozen kunnen nauwelijks een denkbeeld geven van de grote en hervormende werkzaamheid van deze paus. Welke lijst zou men kunnen samenstellen wanneer men de inhoudsopgave van de Acta Apostolicae Sedis volgde. Enkele titels, die reeds uit zichzelf spreken, zijn uit vele andere gekozen. De apostolische constitutie Commissum nobis tegen het veto van wereldlijke machten bij pausverkiezingen. De encycliek Acerbo nimis over het onderricht in de christelijke leer. De brief over de apostolische visitatie van alle kerken en godvruchtige plaatsen van Rome. Het motu proprio waarbij een Vaticaanse uitgave werd bevolen van de liturgische boeken die de gregoriaanse melodieën bevatten. De apostolische constitutie Sapienti consilio over de reorganisatie van de Romeinse Curie. De apostolische constitutie Divino afflatu over het psalter van het Romeinse brevier, in werkelijkheid een nieuwe en zeer gelukkige verdeling van de gebeden die door geestelijken en door talrijke religieuzen over de gehele wereld worden gebeden. De brief waarbij aan de Benedictijner Orde de taak werd toevertrouwd de tekst van de Bijbelvertaling van de H. Hiëronymus in zijn oorspronkelijke vorm te herstellen. De apostolische brief Vinea electa tot oprichting van het Pauselijk Bijbelinstituut te Rome. De apostolische constitutie waarbij werd bepaald dat vanaf 1909 door de Vaticaanse drukkerij een officieel bulletin zou worden uitgegeven met de handelingen van de Heilige Stoel en de Romeinse Congregaties. De encycliek over de scheiding van Kerk en Staat in Portugal. De brief aan het Franse episcopaat over Le Sillon. De rede tot Franse pelgrims over het uitdrukkelijk katholieke karakter van de werken. De encycliek aan het episcopaat van Russisch Polen. De brief aan de bisschoppen van Latijns Amerika over de verzachting van de betreurenswaardige toestand van de Indianen. De encycliek aan de bisschoppen van Duitsland over katholieke en gemengde arbeidersverenigingen. Deze en andere handelingen van Pius X, evenals andere van de verschillende Romeinse Congregaties of van het Staatssecretariaat, die alle onder het gezag van de paus handelden, vullen acht dichtbedrukte delen. Men kan ze niet lezen zonder de intelligentie te bewonderen die een dergelijk werk heeft geleid, de adel die eruit spreekt en het heldere en krachtige geloof dat de menselijke zwakheid kent maar waakt over de rechten van God en er bij de verdediging daarvan volkomen zeker van is het eerste goed van alle mensen te beschermen, namelijk de waarheid. Hoe ver laten dergelijke boeken de verzamelingen achter zich die staatshoofden laten opstellen en waarin men ziet dat woorden zo dikwijls liegen. De brede stijl van de latinisten van het Vaticaan verbaast enigszins, maar de grootheid ligt hier niet alleen in de vorm. Deze klaarblijkelijke rechtschapenheid, deze bijna profetische helderheid die het gevaar ontdekt en trouweloosheid reeds lang vóór ons ontmaskert, dit voortdurende beroep op God en op de lange overlevering waarin Hij niet heeft toegelaten dat ook maar één dwaling binnendrong, dit alles, zo buitengewoon en zo ongewoon, vervult de geest, die voor dit licht en deze zekerheid is geschapen, met vreugde. Men vraagt zich dan af waarom de Actazo weinig worden gelezen. Waarom wordt de geschiedenis van de Kerk, waarvoor zij de onvergelijkelijke archieven vormen, niet aan katholieke scholen bestudeerd en waarom verwaarlozen wij een rijkdom die wij alleen bezitten? Indien op een dag de jeugd wordt onderwezen in de schoonste geschiedenis die ter wereld bestaat, dan zal de onmiddellijke vreugde van de generaties die opstaan en zich beter gewapend en fierder zullen voelen, de vernieuwers danken die hen steviger christelijk hebben gemaakt.

HOOFDSTUK X

DE LAATSTE DAGEN VAN PIUS X

Pius X bestuurde aldus de Kerk van 4 augustus 1903 tot 20 augustus 1914. Op 2 juni van dat jaar was hij zijn tachtigste levensjaar ingegaan. De oorlog naderde waaraan hij zou sterven. Hij had deze omwenteling van de wereld voorzien. Meer dan eens had hij tot kardinaal Merry del Val, die hem in de ochtend de diplomatieke telegrammen en de andere stukken van de vorige dag bracht en hem een belangrijke zaak uiteenzette, gezegd wat dit alles betekende vergeleken bij hetgeen eraan kwam. De grote oorlog kwam. Het jaar 1914 zou niet voorbijgaan voordat hij uitbrak. De eerste maal dat hij deze woorden uitsprak was in de tijd dat de Italianen een landing aan de kust van Tripolitanië uitvoerden, in 1911. Verscheidene maanden voordat de wereld in oorlog geraakte, had de paus tijdens een wandeling in de tuinen van het Vaticaan eveneens tot Mgr. Bressan gezegd dat na zijn dood werkelijk de religio depopulata zou komen. De laatste uitspraak van deze aard werd in mei van die gevreesde zomer gericht tot de gezant van Brazilië, die afscheid nam van de Opperherder. De paus zei hem dat hij gelukkig was, omdat hij de grote oorlog niet van nabij zou zien. De diplomaat, getroffen door deze woorden, waarvoor toen nog geen duidelijke aanwijzing bestond, schreef erover aan verscheidene vrienden. Minder dan drie maanden later mobiliseerden vijf naties hun legers en viel Duitsland België binnen. Men heeft verteld dat Pius X, nadat de Oostenrijkse ambassadeur hem tweemaal had verzocht de met Oostenrijk en Duitsland verbonden legers te zegenen, had geantwoord dat hij de vrede zegende. Het woord past geheel bij hem, maar wij hebben niet het bewijs dat het werkelijk is uitgesproken. Later zullen ongetwijfeld vele zaken worden onthuld. De paus met het grote hart kon het lijden en de dood van zijn kinderen niet verdragen. Toen deze oorlog, die hij had voorzien, uitbrak, trof hij hem verzwakt aan en zoals hij andere vaders en moeders, zelfs ver van de slagvelden, zou treffen, trof hij hem als een van de eersten. Hij ontving jonge buitenlanders, leerlingen van de seminaries van Rome, die vertrokken omdat zij door de militaire wetten van hun landen waren opgeroepen. Na deze audiënties hoorde men hem zeggen dat hij gaarne zijn leven zou geven om deze afschuwelijke gesel af te wenden. Zijn laatste pauselijke handeling was een aansporing tot de katholieken van de gehele wereld. Zij draagt de datum 2 augustus 1914. Het is slechts één kreet van smart, een brief van achttien regels waarin Pius X verklaart vervuld te zijn van angst om het heil en het leven van zoveel mensen en volken en waarin hij de priesters aanspoort in alle parochies openbare gebeden te organiseren en alle gelovigen hun geest te verheffen tot Hem van Wie alleen hulp kan komen, tot Christus, de Vredevorst en almachtige Middelaar bij God. Enkele dagen gingen voorbij en het gerucht dat de paus ziek was verspreidde zich door Rome en de wereld. De paus leed aan bronchitis. Zij leek licht, maar weldra bemerkte men dat de hartslag onregelmatig werd en dat zijn leven bedreigd was. Omstreeks het midden van de maand verergerde de ziekte. Pius X zei dat Gods wil moest geschieden en dat hij geloofde dat alles ten einde was. Op de ochtend van 18 augustus vroeg hij de Heilige Communie als Viaticum te ontvangen. Kort daarna werd hij stil. Hij bezat die grote kalmte en die engelachtige uitdrukking die zoveel mensen hadden ontroerd op ogenblikken waarop het, naar het scheen, gemakkelijker zou zijn geweest de majesteit zelf te zijn. Deze schoonheid van de ziel was zo bewonderenswaardig dat de geneesheren er melding van maakten in hun laatste bulletin. Hij begreep alles, maar sprak niet meer. Soms maakte hij langzaam het kruisteken, het teken van het zwaard en van het geloof. Verscheidene dierbare vrienden, kleinen en groten, mochten tot zijn bed naderen. Degenen die het eerst kwamen had hij nog kunnen zegenen. Degenen die later kwamen drukte hij de hand. Lang, zeer lang hield hij zo de handen van zijn staatssecretaris vast, die hem zo trouw en zo goed had gediend. Op 19 augustus gaf de grote klok van de Sint Pieter het sein aan alle klokken van de stad en luidde pro Pontifice agonizante. Op 20 augustus, voordat de dag aanbrak, gaf Pius X zijn ziel aan God. Na de dood van Pius X was de rouw groot in de wereld. Er was geen christen, en zelfs geen rechtschapen mens, die geen smart gevoelde omdat deze grote ziel niet langer aan de aarde toebehoorde. In de nummers van 20 en 21 augustus 1914 publiceerde de Times twee lange artikelen over Pius X, het eerste stellig geschreven door een katholiek en het tweede door een protestant. Beide vormen een fraaie hulde, maar men kan zich afvragen of de protestantse Engelsman, die hier het werk van de paus samenvatte en van buitenaf oordeelde over de vorst uit arme ouders die zojuist gestorven was, niet met meer juistheid en vooruitziendheid oordeelde dan de gelovige die de dag tevoren had geschreven. Wij zullen enkele gedeelten uit beide beschouwingen vertalen. In het artikel van de Times van 20 augustus 1914 werd opgemerkt dat waarschijnlijk geen enkele Italiaanse kardinaal aan de Curie minder bekend was geweest dan de kardinaal van Venetië. Het Vaticaan zag aanvankelijk in hem slechts een werkzaam man, een heilige bisschop van zeldzame bescheidenheid en grote eenvoud van leven, en men vroeg zich met nieuwsgierigheid en bezorgdheid af in welke handen hij zou vallen. Weldra bemerkte men dat Pius X besloten had zelf meester in eigen huis te zijn. Hij bracht spoedig op verscheidene belangrijke punten wijzigingen aan in het ceremonieel van zijn hof en voerde enkele kleine veranderingen in die een strengere zuinigheid beoogden. Hij verzuimde niet zijn kardinalen en kamerheren te raadplegen en stelde hun oordeel op prijs, maar zijn beslissingen droegen altijd het kenmerk van zijn persoonlijkheid en onder zijn eerbiedige hoffelijkheid en zachtmoedigheid moest men weldra de onwrikbare vastheid van de meester erkennen. Reeds in de eerste maanden van zijn pontificaat was veel gesproken over veranderingen in de geest van het pausdom. Men zei dat de Kerk voortaan een vrome paus nodig had en geen politicus. Deze woorden, een vrome paus, in die betekenis gebruikt, wekten bij de nieuwe paus grote verontwaardiging. Toen hij nog patriarch van Venetië was had hij reeds gezegd dat het toch wel zonderling zou zijn wanneer een paus niet vroom was. Degenen die zo spraken stelden zich volgens hem voor dat de paus zich moest terugtrekken in de schaduw van zijn basiliek, zonder enige invloed op het maatschappelijke leven en zijn tijd doorbrengend met het uitdelen van zegeningen. Dat was niet de paus die men nodig had. Het katholicisme had de plicht zijn invloed op de samenleving uit te oefenen en had vooral in die tijd geenszins het recht zich op de achtergrond terug te trekken. In het consistorie van 9 november 1903 had Pius X dezelfde gedachte nader bepaald. Hij verklaarde dat hij zich niet kon verhelen dat meer dan één persoon aanstoot zou nemen wanneer hij zei dat de paus zich noodzakelijkerwijs met politiek moest bezighouden. Maar iedere billijke beoordelaar van de zaken moest inzien dat de Opperherder, aan wie God het hoogste gezag had toevertrouwd, niet het recht had de politiek af te scheiden van het gebied van geloof en zeden. Zelfs Leo XIII had nooit duidelijker de politieke plicht van de Romeinse Opperherder uitgesproken. Vanaf het begin was duidelijk dat zijn opvolger geen enkele aantasting van de hoogste rechten van de Heilige Stoel zou dulden. Het grote Engelse dagblad vatte vervolgens de voornaamste handelingen van Pius X samen en toonde hem daarin trouw aan zichzelf en aan zijn ambt. Het artikel van de Times van 21 augustus 1914 verklaarde dat allen die godsdienst en persoonlijke heiligheid in ere hielden zich met de rooms katholieke Kerk zouden verenigen in de rouw om de Opperherder die zij zojuist had verloren. De politiek van Pius X had veel kritiek uitgelokt, en die kritiek was niet uitsluitend afkomstig van buiten de Kerk die hij bestuurde, maar niemand had ooit de schitterende oprechtheid van zijn overtuigingen betwist of geweigerd zijn priesterlijke deugden te bewonderen. Uit het volk voortgekomen had hij het volk lief en begreep hij het zoals iedere goede parochiepriester dat behoort te doen. Daarin lag het geheim van de grote populariteit die hij in Venetië had bezeten en waardoor hij onmiddellijk de genegenheid van de nederigsten had gewonnen. Maar die populariteit had hij nooit gezocht. Wanneer hij tot zijn gelovigen preekte, aarzelde hij niet zijn gezag te doen gelden en op hun gehoorzaamheid aan te dringen. De katholieke Kerk beweende in hem meer dan een heilige priester en een groot bisschop. Zij beweende ook een groot paus. Pius X was getuige geweest van smartelijke gebeurtenissen, van werkelijke rampen in het leven van de Kerk. Hij had de scheiding van Kerk en Staat in Frankrijk en Portugal zien voltrekken en was getuige geweest van de nationale en maatschappelijke ontkerstening waarvan die scheiding het teken was. Degenen wier oordeel niet door vooroordelen werd verblind konden de Opperherder niet verwijten dat hij ieder vergelijk had afgewezen met een politiek die, volgens de erkenning van haar eigen aanstichters, doelbewust gericht was op de vernietiging van het geloof dat hij tot taak had te bewaren. Men had gezegd dat hij tot een vergelijk bereid had moeten zijn, maar er bestaan beginselen die Rome noch tijdelijk terzijde kan stellen noch voorgoed kan opgeven. Pius X begreep dat iedere aanpassing aan het nieuwe stelsel dat hem werd voorgelegd deze beginselen in gevaar bracht. Niet lichtvaardig legde hij aan de geestelijkheid van Frankrijk en Portugal een houding op die voor haar het verlies van inkomsten, pastorieën en zelfs wettelijke rechten op haar kerken meebracht. Voor Pius X ging het niet om een vraag van belang of doelmatigheid, maar om een keuze tussen goed en kwaad. Hij maakte die keuze uitsluitend geleid door zijn geweten. Van het ene einde van de katholieke wereld tot het andere waren zijn geestelijke kinderen vervuld van rechtmatige fierheid bij het aanschouwen van de heldhaftige gehoorzaamheid van die priesters aan wie hun vader de armoede oplegde. Indien zijn Kerk hem echter een vooraanstaande plaats toekende in de lange reeks van Romeinse Opperherders, dan was dit niet omdat Pius X in deze omstandigheden had gehandeld zoals zonder twijfel iedere andere paus zou hebben gehandeld. Het was vanwege zijn werkzaamheid in de innerlijke aangelegenheden van deze zo uitgestrekte en zo volledig georganiseerde instelling, een werkzaamheid die beloofde het merkteken van zijn pontificaat op de komende eeuwen achter te laten. De omvang en de diepe betekenis van de hervormingen die hij had ingezet waren buiten zijn eigen Kerk nauwelijks opgemerkt. Het was niet overdreven te zeggen dat Joseph Sarto, zoon van een boer en een naaister, uit eigen beweging meer veranderingen in de tucht van de katholieke Kerk had aangebracht dan enige van zijn voorgangers sinds het Concilie van Trente. Een eenvoudig en prachtig leven. Mgr. Bressan vatte het voor ons samen. Vanaf 16 september 1885 tot aan zijn dood was hij steeds bij hem geweest. Hij kon zeggen dat Pius X een man van plicht, arbeid en offer was geweest, die dit alles met kalmte en beminnelijkheid vervulde, zonder ooit de geringste vermoeidheid te tonen of zichzelf ook maar de minste belangrijkheid toe te kennen, alsof hij de geringste onder de eenvoudige priesters was geweest. Hij was altijd goedgehumeurd en maakte graag een grap, zonder ooit zijn natuurlijke waardigheid te verliezen. Van een buitengewone naastenliefde had hij iedere ellende willen verlichten zodra hij ervan hoorde. Mgr. Bressan had hem met bijzondere ijver hulp zien verlenen aan degenen die hem enig onaangenaams hadden berokkend. Niemand aarzelde zijn hart voor hem te openen, hoewel allen die hem zagen begrepen dat zij met een hogerstaand mens spraken. Zelfs voordat hij paus was geworden had men hem een vorst kunnen noemen, omgeven door hoffelijkheid en nederigheid. Uit plicht was hij sterk, nadat hij gebeden had. Daarna dankte hij God dat Hij hem had toegestaan zonder zwakheid te handelen. In zijn testament verklaarde deze vorst van de katholieke wereld dat hij arm geboren was, arm had geleefd en arm wenste te sterven. Zijn zusters bleven in het eenvoudige appartement aan de Piazza Rusticucci wonen. Aan het begin van zijn pontificaat had de heraldische commissie de paus laten vragen hoe de zusters van Zijne Heiligheid voortaan moesten worden genoemd en welke titel zij moesten dragen, prinsessen of gravinnen. Pius X had geantwoord dat men hen de zusters van de paus moest noemen. Zij hadden titel noch schenking ontvangen. Hun voorrecht had erin bestaan iedere week door de paus te worden ontvangen en soms aan zijn tafel te zitten. Bij zijn sterven wilde Pius X deze trouwe oude vrouwen niet onverzorgd achterlaten, maar hij gaf hun slechts het noodzakelijke en verzocht zijn opvolger hun maandelijks driehonderd frank te laten uitbetalen. Aan zijn neven liet hij tienduizend frank na, op voorwaarde dat zijn opvolger het legaat goedkeurde, en hij verzekerde het onderhoud, dat hij voor zijn rekening had genomen, van vierhonderd wezen die slachtoffers waren van de aardbeving van Messina en Reggio in 1908. Zonder deze laatste beschikking, die uit zuivere naastenliefde voortkwam, zouden de testamentaire bepalingen van de paus hebben geleken op die van een kleine rentenier. Anna en Maria bleven dus in Rome. Bij hen woonde hun nicht Ermenegilda Parolin, een van de tien kinderen uit het huwelijk van Teresa Sarto met Jean Baptiste Parolin, eigenaar van de herberg Alle due Spade te Riese. Jong, uitstekend opgevoed, intelligent en met een vriendelijk gelaat zou zij in andere tijden gezocht en gevierd zijn als een prinses uit een regerend huis. Ongetwijfeld werden haar enige toenaderingen gedaan die haar de toegang tot de Romeinse wereld gemakkelijk zouden hebben gemaakt. De Romeinen zeiden in hun volkstaal over haar dat zij degene was die geluk zou brengen. Maar zij huwde niet. Zij bleef eenvoudig en op de achtergrond. Gilda Parolin nam slechts aalmoezen aan voor de werken en de armen van de paus. Zij leefde in de schaduw van de basiliek van Sint Pieter en de hoge muren van het Vaticaan. Zij hielp de tantes bij het ontvangen van de ontelbare bezoekers die hun zo nauwe verwantschap met de paus hun bezorgde. Zij leerde Frans en sprak het zonder accent. Zij was van een engelachtige godsvrucht en bezocht dagelijks als pelgrim de kerken van Rome. Haar voornaamste en verborgen taak bestond erin in de stad de gaven uit te delen van Giuseppe Sarto, die meer dan ooit zo kwistig was in zijn naastenliefde. Zij stierf na een ziekte van een maand op 20 januari 1923 en de kranten brachten toen aan deze bescheiden vrouw een bijzondere hulde. In de Giornale d’Italia stonden bijvoorbeeld enkele passages uit een artikel van Pio Molajoni. Hij herinnerde eraan dat de familie Sarto aan het begin van het pontificaat zelfs had geweigerd eenvoudig te worden ingeschreven in het register van de Italiaanse adel, zoals de pauselijke heraldische raad overeenkomstig een oude gewoonte had voorgesteld. De verwanten van de paus, die gewoon waren te denken en te oordelen zoals hij en die reeds vanaf de tijd dat zij in de jonge priester en vervolgens in de pastoor een dienaar des Heren zagen die hun familie heiligde, voelden op een dergelijk ogenblik, evenals hijzelf, des te sterker het zware gewicht van de nieuwe verantwoordelijkheid die op zijn schouders was gelegd. Het purper, dat vroeger onmiddellijk na de verkiezing van een paus op de schouders van zijn geestelijke verwanten neerdaalde, verscheen zelfs niet in de dromen van eerwaarde Parolin, die heel goed wist dat zijn oom het hoofd had gebogen onder de grote beproeving van het pontificaat, maar zijn dierbare verwanten nooit een offer van dezelfde aard zou hebben willen opleggen. Zo gingen de jeugdjaren van Gilda Parolin voorbij. Zonder enige bevrediging van ijdelheid en zonder liefde leefde zij twintig jaren van haar Romeinse leven in de kleine kring van vertrouwelingen van haar verheven verwant, voortdurend tot God biddend dat de zorgen, de verantwoordelijkheden en de doornen van het pontificaat een gezondheid die haar zo dierbaar was niet zouden vernietigen. Rond de bescheiden en beminnelijke gestalte van Gilda Parolin zal eens een legende ontstaan die, zoals zo dikwijls, zeer dicht bij de waarheid zal liggen. Men zal verhalen van goedheid en deugd vertellen die toekomstige kroniekschrijvers zullen bedenken, omdat de tijdgenoten de werkelijkheid niet hebben gekend, daar het hun niet vergund was de drempel te overschrijden van deze woning waar men slechts in vrede wilde leven. Rome, dat uit de stemmingen van conclaven zoveel vorstelijke families heeft zien voortkomen en zoveel aanzienlijke personen heeft zien bewegen in het lichtende spoor van de mystieke bark, heeft ook dit aanschouwd: aan het begin van de twintigste eeuw, aan de voet van de troon van de paus, een familie van heiligen. Verscheidene neven en nichten van de overleden paus hadden Veneto moeten verlaten toen Italië aan de oorlog deelnam. De streek was vol Italiaanse, Franse, Engelse en Schotse soldaten. Overal werden woningen gevorderd. Riese lag bijna bij de voorposten, want het slagveld aan de Piave lag niet ver daarvandaan, evenmin als Vittorio Veneto, waar de Oostenrijkers eind oktober 1918 definitief werden verslagen, waardoor het oude Vittorio Veneto tegenwoordig Vittoria della Vittoria is geworden. Men besloot te vertrekken. Het witte huis waarin Giuseppe Sarto was geboren werd achtergelaten. Om het te beschermen schreef men slechts met een krijtje op de deur dat men dit huis moest sparen omdat het het huis van Pius X was. Dat was voldoende. De troepen bleven door Riese trekken. Wanneer officieren en soldaten een gevel zagen waarvan de vensters steeds gesloten bleven, kwamen zij dichterbij. Maar zodra zij het opschrift hadden gelezen probeerden zij niet binnen te gaan. Zelfs onder zulke omstandigheden eerbiedigden zij het huis van de paus. Alle andere huizen werden bezet. Een deel van de familie had het grote dorp dus verlaten. Vrouwen, kinderen en enkele oudere mannen die bagage droegen vormden een groep van ongeveer twintig reizigers, die met moeite de spoorweg bereikten. Waar gingen zij heen? Naar Rome, waar de zusters van de overleden paus nog woonden. Zij kwamen op een avond aan en betraden het kleine appartement aan de Piazza Rusticucci, in het verlengde van het Sint Pietersplein. Uitgeput nadat zij de vier verdiepingen hadden beklommen, vroegen zij er te mogen slapen. Verscheidene sliepen op de grond. De volgende ochtend kwam de voormalige staatssecretaris van Pius X hen bezoeken en ondervragen. Zij stonden in een halve kring voor hem. De kardinaal zei dat zij veel hadden geleden. Zij antwoordden dat anderen meer hadden geleden dan zij. Daarop vroeg de kardinaal wat hij voor hen kon doen. Zij antwoordden dat het goed zou zijn indien Zijne Eminentie werk voor hen kon vinden. Geen verzoek om ondersteuning, geen aanspraak op welke gunst ook. Maar zij behoorden tot de familie van Pius X. De Romeinen vernamen zeer spoedig dat zij waren aangekomen, haastten zich en kwamen hun tegemoet. De onderwijzeres kreeg een betrekking op een school, de beambten in een handelshuis of bij een overheidsdienst. Men vroeg hun of zij een Sarto waren en wanneer dat zo was, was er plaats voor hen. Zodra de overwinning het toeliet keerden al deze pas geëmigreerde Venetianen naar Veneto terug. In 1926 leefde van de drie trouwe zusters van Pius X die hem naar Rome waren gevolgd alleen Maria Sarto nog, inmiddels tachtig jaar oud. Deze voortreffelijke vrouw had het familiebezit geërfd, dat wil zeggen het huis te Riese. Als zuster van Pius X kon zij nauwelijks anders dan op hem gelijken en zo kwam zij op de gedachte zich van haar gehele geringe vermogen te ontdoen en het huis, dat inmiddels geheiligd was en waarin bijna een eeuw tevoren Giuseppe Sarto was geboren, aan de gemeente Riese te schenken. De akte werd opgemaakt. Het gemeentebestuur van Riese besloot het aldus overgedragen reliek met eerbied te bewaren en er een museum van Pius X in te richten. Degenen die tegenwoordig te Rome worden ontvangen in het appartement dat door de laatste van de Sarto’s werd bewoond, kunnen aan de wand van de kleine salon een huldeadres zien hangen dat namens de gehele bevolking van Riese is ondertekend door podestà Bottio. Het werd opgesteld door een achterneef van Pius X, Giuseppe Parolin, en het perkament is smaakvol verlucht. Links ziet men een foto van Margherita Sanson en rechts een tekening van het huis. Het opschrift, want dat is het, overeenkomstig de schone Romeinse traditie, zegt veel in weinig woorden. Vanaf de hoge toppen van het Romeinse pontificaat richtte Pius X, van heilige en vereerde gedachtenis, dikwijls zijn gedachten en zijn hart naar de serene vrede van dit nederige geboortehuis, dat Maria Sarto, zijn geliefde zuster, heden uit dezelfde tedere liefde voor het land van hun jeugd voor altijd aan de gemeente Riese schenkt. En Riese ontvangt ontroerd en dankbaar het kostbare geschenk uit haar handen, vervuld van rechtmatige fierheid aldus te zijn aangesteld tot zorgzame en liefdevolle bewaarder van deze nederige gezegende muren, die alle harten heden tot een heilige kapel maken. De lezers van dit boek zullen de afwezigheid hebben opgemerkt van ieder verhaal over wonderbare genezingen die aan Pius X worden toegeschreven. Een groot aantal feiten van deze aard werd reeds tijdens het leven van de paus gemeld. Andere, van recentere datum, worden toegeschreven aan de voorspraak van de Opperherder. Ter ondersteuning worden medische verklaringen aangevoerd. Brieven gaan rond, ondertekend met volkomen achtenswaardige namen, waarin uitvoerig de omstandigheden worden beschreven waaronder deze genezingen hebben plaatsgevonden. Wij menen dat de dossiers die met het oog op een mogelijke zaligverklaring zijn samengesteld reeds meer dan honderd schriftelijke getuigenissen bevatten, die op zijn minst getuigen van een overtuiging die over de gehele katholieke wereld verbreid is en van de volksverering die spontaan aan de nagedachtenis van Pius X wordt gebracht. Wij zijn slechts een eenvoudig gelovige. Ons is geen bijzondere opdracht toevertrouwd. Daarom leek het ons eerbiediger en meer overeenkomstig de wil en de raadgevingen van de Kerk op dit ogenblik niets te zeggen over feiten die aan haar onderzoek zijn onderworpen en slechts in aanmerking mogen worden genomen indien de Kerk ze aanvaardt. Het volk is eensgezind in zijn wensen, maar het oordeel komt het niet toe.

René Bazin, Pie X, E. Flammarion, 1928. Nederlandse vertaling.