Katholieke Klassieken
Korte en eenvoudige uiteenzetting van de katholieke leer
Joseph Faà di Bruno
Catholic Belief, or A Short and Simple Exposition of Catholic Doctrine van de priester Joseph Faà di Bruno verscheen in Engeland in de negentiende eeuw. Voor deze Nederlandse vertaling is gebruikgemaakt van de tweede uitgave uit 1878. Het werk verscheen met kerkelijke goedkeuring, met het Nihil obstat van de Italiaanse theoloog Pius Melia en het Imprimatur van Henry Edward kardinaal Manning, aartsbisschop van Westminster.
Faà di Bruno schreef het werk vanuit zijn ervaring als missionaris in Engeland. In zijn voorwoord verklaart hij dat veel bezwaren tegen het katholieke geloof voortkomen uit een verkeerd begrip van hetgeen de Kerk werkelijk leert. Daarom wilde hij een korte en getrouwe uiteenzetting van de katholieke leer geven. Sommige onderwerpen behandelt hij uitvoeriger omdat juist deze door protestanten dikwijls verkeerd werden begrepen. Daarbij verklaart hij uitdrukkelijk dat hij niemand nodeloos wilde kwetsen, maar evenmin de waarheid wilde verzwakken of verhullen.
Het polemisch taalgebruik in het boek moet tegen deze achtergrond worden gelezen. De daarin behandelde leerstellige geschilpunten werden in de negentiende eeuw openlijk tussen katholieken en protestanten besproken. Aan actualiteit hebben zij echter weinig ingeboet, aangezien tegenwoordig veel katholiek gedoopten dezelfde opvattingen delen, vaak zonder het zelf te beseffen, in het bijzonder waar het persoonlijk oordeel boven het leergezag van de Kerk wordt gesteld. Om die reden zijn deze passages in deze uitgave niet weggelaten of verzacht.
Inhoud
Hoofdstuk I. God en Zijn volmaaktheden
Hoofdstuk II. De Heilige Drievuldigheid
Hoofdstuk III. De erfzonde
Hoofdstuk IV. De Menswording van de Zoon van God
Hoofdstuk V. Jezus, onze enige Middelaar van de Verlossing
Hoofdstuk VI. De Heilige Schrift
Hoofdstuk VII. Het ongeschreven Woord van God
Hoofdstuk VIII. De verklaring van de Heilige Schrift
Hoofdstuk IX. De onfeilbaarheid van de Kerk en van de Paus
Hoofdstuk X. De rechtvaardiging
Hoofdstuk XI. Hoe de Verlossing van Christus op de mensen wordt toegepast
Hoofdstuk XII. De heilige sacramenten
Hoofdstuk XIII. Het heilig Doopsel
Hoofdstuk XIV. Over de zonde. Aard en gevolgen van de zonde
Hoofdstuk XV. Het sacrament van de Biecht
Hoofdstuk XVI. De Heilige Eucharistie
Hoofdstuk XVII. Het heilig Misoffer
Hoofdstuk XVIII. Het heilig Misoffer dient om de Verlossing van Christus op de mensen toe te passen
Hoofdstuk XIX. De zegening met het Allerheiligste Sacrament
Hoofdstuk XX. Het Vormsel
Hoofdstuk XXI. Het heilig Oliesel
Hoofdstuk XXII. De heilige Wijding
Hoofdstuk XXIII. Het heilig Huwelijk
Hoofdstuk XXIV. Slechts één ware Kerk
Hoofdstuk XXV. Eerste kenmerk. Eenheid van geloof, eredienst en Sacramenten
Hoofdstuk XXVI. Het oppergezag van de bisschop van Rome
Hoofdstuk XXVII. Lijst van de Algemene Concilies die in de Kerk van God zijn gehouden vanaf de tijd van de Apostelen tot 1878
Hoofdstuk XXVIII. Tweede kenmerk. Heiligheid
Hoofdstuk XXIX. Kalender van heiligen
Hoofdstuk XXX. Derde kenmerk. Katholiciteit
Hoofdstuk XXXI. Vierde kenmerk. Apostoliciteit
Hoofdstuk XXXII. De ononderbroken opvolging van de H. Petrus
Hoofdstuk XXXIII. Boetewerken
Hoofdstuk XXXIV. Aflaten
Hoofdstuk XXXV. Over het vagevuur
Hoofdstuk XXXVI. Over de aanroeping van de heiligen
Hoofdstuk XXXVII. De Allerheiligste Maagd Maria wordt terecht Moeder Gods genoemd
Hoofdstuk XXXVIII. Eer en devotie tot de Allerheiligste Maagd Maria
Hoofdstuk XXXIX. De Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd Maria
Hoofdstuk XL. Eerbied voor relieken en andere godsdienstige voorwerpen
Hoofdstuk XLI. Waarom de Katholieke Kerk in het Westen de Latijnse taal gebruikt
Hoofdstuk XLII. Enige dingen die katholieken niet geloven
Hoofdstuk XLIII. Besluit
Hoofdstuk I. God en Zijn volmaaktheden
Er is slechts één God, de Schepper van hemel en aarde, het hoogste onstoffelijke Wezen, dat uit Zichzelf bestaat en oneindig is in al Zijn eigenschappen en volmaaktheden, zoals heiligheid, macht, wijsheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid en waarheid.
Hij was altijd, Hij is en Hij zal altijd zijn. Hij is overal tegenwoordig, kent en ziet alle dingen, zelfs onze meest verborgen gedachten.
Hoofdstuk II. De Heilige Drievuldigheid
Met betrekking tot dit diepe mysterie geloven katholieken dat er in één God drie Personen zijn, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, werkelijk van elkaar onderscheiden en gelijk in eeuwigheid, macht, onmetelijkheid en alle andere volmaaktheden, omdat alle drie de Personen één en dezelfde goddelijke natuur hebben.
Het zou een tegenstrijdigheid zijn te beweren dat er drie Goden en één God zijn, of drie Personen en één Persoon. Maar het is geen tegenstrijdigheid te belijden dat God één is in natuur en drie in Personen. Zo is ook de menselijke ziel, hoewel één, drievoudig in haar vermogens, namelijk verstand, geheugen en wil.
Vergelijkingen zijn echter noodzakelijkerwijs onvolmaakt wanneer het gaat om een onderwerp als de Allerheiligste Drievuldigheid, die een groot mysterie is.
Wij zijn niet in staat te begrijpen hoe ieder van de drie Personen God kan zijn en er toch slechts één God is. Men moet bedenken dat er ook in de natuur vele dingen bestaan die wij niet kunnen verklaren of zelfs begrijpen, terwijl wij toch weten dat zij werkelijk bestaan. Zo is bijvoorbeeld de verbazingwekkende snelheid van een elektrische vonk.
Hoofdstuk III. De erfzonde
De erfzonde wordt onderscheiden van de dadelijke of persoonlijke zonde, omdat de dadelijke zonde de zonde is die wij persoonlijk met onze eigen wil en metterdaad bedrijven, terwijl de erfzonde die zonde is welke onze menselijke natuur heeft bedreven door de wil van Adam, met wie onze menselijke natuur verbonden is zoals een tak met zijn wortel, een kind met zijn ouder, en zoals mensen die met Adam dezelfde natuur delen die wij van hem hebben ontvangen, als leden van dezelfde menselijke familie waarvan Adam het hoofd was.
Wanneer onze hand een medemens onrechtvaardig slaat, wordt de hand, hoewel zij zelf geen wil bezit, toch schuldig geacht, niet wanneer zij afzonderlijk wordt beschouwd, maar voor zover zij met de rest van het lichaam en met de ziel verbonden is en daarmee één mens vormt. Zij handelt dus niet krachtens een eigen wil, maar deelt in de wil van de ziel waarmee zij verbonden is.
Zo behoort ook een zonde die innerlijk door de menselijke wil wordt bedreven, door een slecht verlangen, aan de gehele mens toe.
Aan de erfzonde waarin wij geboren worden, zijn wij niet persoonlijk schuldig door onze eigen persoonlijke wil. Onze natuur is er echter schuldig aan door de wil van Adam, ons hoofd, met wie wij door de menselijke natuur die wij van hem ontvangen één lichaam vormen.
Het is een punt van het katholieke geloof dat de erfzonde niet bestaat in de begeerlijkheid van het vlees, die een neiging tot het kwaad is van het lagere deel van de menselijke ziel.
Iedere zonde moet, om in de strikte zin van het woord zonde te zijn, binnen de zedelijke orde vallen, dat wil zeggen afhankelijk zijn van de vrije wil. Vandaar het bekende beginsel in de moraalfilosofie en de moraaltheologie dat er geen zonde is waar geen wil is.
De begeerlijkheid, die niet de wil is maar een blinde en onvrijwillige neiging van onze lagere natuur en daarom een niet toerekenbare neiging tot het kwaad, is op zichzelf niet zondig, tenzij de menselijke wil ermee instemt.
De begeerlijkheid wordt in de Heilige Schrift inderdaad soms zonde genoemd. Zoals het heilig Concilie van Trente verklaart, wordt zij echter niet in strikte maar in ruimere zin zo genoemd, namelijk omdat zij een gevolg van de zonde en een aansporing tot zonde is.
Deze begeerlijkheid blijft immers bestaan in hen bij wie de erfzonde door het sacrament van het heilig Doopsel geheel is afgewassen. Strikt genomen wordt bovendien niemand als zondaar beschouwd enkel omdat hij bekoring tot zonde ondervindt. Deze ellendige neiging tot het kwaad wekt eerder Gods medelijden dan Zijn toorn. God zei tot Noë: Ik zal de aarde niet meer vervloeken omwille van de mens, want de verbeelding en de gedachten van het hart van de mens zijn van zijn jeugd af tot het kwaad geneigd. Genesis 8, 21.
Het katholieke geloof leert dat Adam door zijn zonde niet alleen zichzelf, maar het gehele menselijke geslacht schade heeft toegebracht. Daardoor verloor hij de bovennatuurlijke gerechtigheid en heiligheid die hij om niet van God had ontvangen, niet alleen voor zichzelf maar ook voor ons allen. En doordat hij zichzelf met de zonde van ongehoorzaamheid had bevlekt, heeft hij niet alleen de dood en andere lichamelijke kwalen aan het gehele menselijke geslacht overgedragen, maar ook de zonde, die de dood van de ziel is.
Deze leer van het Concilie van Trente, zitting V, wordt bevestigd door de woorden van de H. Paulus: Daarom, gelijk door één mens de zonde in deze wereld is gekomen en door de zonde de dood, zo is de dood over alle mensen gekomen, in wie allen gezondigd hebben. Romeinen 5, 12.
Naast de schuld van de erfzonde, die de blijvende staat van zondigheid is waarin wij geboren zijn omdat onze menselijke natuur terecht geacht wordt in Adam te hebben ingestemd met de verwerping van de oorspronkelijke gerechtigheid, bestaat er in de mens ook de smet van de erfzonde. Deze is het gemis in de menselijke ziel van die bovennatuurlijke luister die wij allen zouden hebben bezeten indien wij in de staat van oorspronkelijke gerechtigheid waren geboren.
Daar noch Adam, noch iemand van zijn nakomelingen het kwaad dat door zijn zonde was aangericht kon herstellen, zouden wij voor altijd gebleven zijn in de staat van erfzonde en vernedering waarin wij geboren zijn en zouden wij voor eeuwig uitgesloten zijn geweest van de zalige aanschouwing van God, indien God ons in Zijn oneindige barmhartigheid geen Verlosser had geschonken.
Hoofdstuk IV. De Menswording van de Zoon van God
Met betrekking tot dit grote mysterie geloven katholieken dat de Heilige Drievuldigheid in Haar oneindige barmhartigheid besloot ons een Verlosser te schenken die als waarachtig mens kon lijden en als waarachtig God aan Zijn lijden een oneindige waarde kon geven. Want daar de zonde een belediging is van de oneindige Majesteit van God, kon zij slechts worden uitgeboet door een losprijs van oneindige waarde.
God de Zoon, de tweede Persoon van de Heilige Drievuldigheid, het eeuwige Woord, koos daartoe de Heilige Maagd Maria van Nazareth om Zijn Moeder te worden. Nadat Hij haar toestemming had ontvangen, nam Hij door de bovennatuurlijke werking van de Heilige Geest uit haar het menselijke vlees aan en werd aldus mens. Zijn heilige Naam is Jezus Christus.
Door mens te worden legde het eeuwige Woord Zijn goddelijke natuur niet af. Hij bleef wat Hij van alle eeuwigheid geweest was en nam de menselijke natuur aan zonder een menselijke persoonlijkheid, zodat er vanaf het eerste ogenblik van Zijn Menswording in Hem niet slechts één maar twee naturen waren, de goddelijke en de menselijke, verenigd in Zijn goddelijke Persoon, de Persoon van God de Zoon.
De goddelijke natuur van Jezus is één en dezelfde als die van de eeuwige Vader en van de Heilige Geest. Zijn menselijke natuur is in alles gelijk aan de onze, met uitzondering van de zonde en de neiging tot zonde.
Onze Heer Jezus Christus leed en stierf in Zijn menselijke natuur op de berg Calvarië en trad daardoor daadwerkelijk tussen Zijn eeuwige Vader en de mens. Hij bracht een overvloedige voldoening en betaalde aan de eeuwige Gerechtigheid de volledige losprijs voor de zonden van de wereld.
Hoofdstuk V. Jezus, onze enige Middelaar van de Verlossing
Katholieken geloven dat Jezus Christus alleen het grote middelpunt van de christelijke godsdienst is, de bron van alle genade, deugd en verdienste, zoals in de natuur, indien deze vergelijking geoorloofd is, de zon de geschapen en levenwekkende bron van licht, warmte en groei is.
Zij geloven dat deze grote waarheid het levende en wezenlijke bestanddeel van het christendom is: Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, die is Christus Jezus. 1 Korintiërs 3, 11.
Zij geloven dat de vereniging met Jezus Christus het hoogste en edelste doel van de mens is en dat alleen de Katholieke Kerk de middelen verschaft voor de innigste vereniging met Jezus Christus. Zij zijn ervan overtuigd dat het verlangen naar deze innigere gemeenschap met Christus door goddelijke aantrekking duizenden oprechte mensen ertoe heeft gebracht in de Katholieke Kerk het hoogste geluk te zoeken dat op aarde genoten kan worden.
Zij geloven dat Jezus Christus onze Verlosser is omdat Hij ons uit de slavernij van Satan heeft vrijgekocht met de losprijs van Zijn allerheiligst Bloed. Dat Hij onze Zaligmaker is omdat Hij ons redt van de smet, de schuld en de vloek van de zonde. Dat Hij onze enige Middelaar van de Verlossing is omdat Hij alleen daadwerkelijk tussen God en de mens is getreden om door het offer van Zichzelf de volledige vergeving van onze zonden te verkrijgen: Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die Zichzelf gegeven heeft tot verlossing voor allen. 1 Timotheüs 2, 5. En in niemand anders is er heil. Want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten zalig worden. Handelingen 4, 12.
Zij geloven dat Jezus aan het kruis stierf om barmhartigheid, genade en zaligheid voor alle mensen te verwerven, Hij die wil dat alle mensen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen, 1 Timotheüs 2, 3 en 4, en dat sinds de val van Adam barmhartigheid, genade en zaligheid door de mens slechts verkregen kunnen worden door het lijden en de dood van Jezus Christus.
Daar zij geloven dat Jezus Christus waarlijk God is, houden zij eraan vast dat Hem, de Godmens, de hoogste aanbidding verschuldigd is, evenals aan God de Vader en aan God de Heilige Geest.
Hoofdstuk VI. De Heilige Schrift
Het gedeelte van de Openbaring dat door geïnspireerde personen op schrift is gesteld, wordt de Heilige Schrift genoemd.
De Heilige Schrift bestaat niet alleen uit alle boeken die door de protestanten als goddelijk geïnspireerd worden aanvaard, maar ook uit enige andere boeken die geschreven werden nadat de joodse lijst of canon van de Schrift was afgesloten, maar die niettemin door de joodse synagoge en door de protestanten zelf in hoge achting worden gehouden.
Daartoe behoren de boeken Tobias, Judith, Esther, Wijsheid, Ecclesiasticus of Jezus Sirach, de profetie van Baruch en de twee boeken der Machabeeën. Hoewel deze boeken niet formeel in de joodse canon waren opgenomen, werden zij toch door vele kerkvaders uit de eerste eeuwen als canoniek beschouwd en als behorend tot de schat van geopenbaarde waarheden die aan de Kerk was toevertrouwd.
In de schismatieke Griekse Kerk en in andere Kerken van het Oosten komt de canon van de Heilige Schrift overeen met die van de Katholieke Kerk. De pogingen van protestanten om de Grieken ertoe te brengen dat geïnspireerde gedeelte van de Schrift te verwerpen dat zij de apocriefe boeken noemen, hadden slechts tot gevolg dat de Grieken door nieuwe synodale verklaringen bevestigden dat deze boeken geïnspireerd zijn.
Zolang de Kerk nog niet met haar gezag van de goddelijke inspiratie van bepaalde boeken had getuigd, konden sommige kerkvaders over hun inspiratie hebben getwijfeld en redelijkerwijs van oordeel zijn geweest dat zulke boeken niet konden worden aangehaald om een geopenbaarde waarheid vast te stellen, totdat de Kerk eerst iedere twijfel had weggenomen, ze in de canon had opgenomen en aldus de inspiratie en het canonieke gezag van die boeken had vastgesteld.
Dit deed de Kerk op het beroemde Concilie van Hippo in Afrika in het jaar 393, waaraan alle bisschoppen van Afrika deelnamen en waarbij ook de grote kerkleraar en kerkvader, de H. Augustinus, bisschop van Hippo, zeer waarschijnlijk aanwezig was.
In besluit XXXVI van dit Concilie werd bepaald dat niets in de Kerk onder de naam van goddelijke Schrift mocht worden gelezen behalve de canonieke Schriften. De canon omvat 46 geschriften van het Oude Testament, 45 indien Jeremia en Klaagliederen als één geheel worden beschouwd, en 27 van het Nieuwe Testament. Vervolgens worden als canonieke Schriften opgesomd:
Oude Testament
Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Rechters, Ruth, het eerste en tweede boek Samuël, het eerste en tweede boek Koningen, het eerste en tweede boek Kronieken, Ezra, Nehemia, Tobit, Judit, Ester, Job, de Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied, Wijsheid, Wijsheid van Jezus Sirach, Jesaja, Jeremia, Klaagliederen, Baruch, Ezechiël, Daniël, Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia, Maleachi, het eerste en tweede boek Makkabeeën.
Nieuwe Testament
Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Handelingen van de Apostelen, de Brief aan de Romeinen, de eerste en tweede Brief aan de Korintiërs, de Brief aan de Galaten, de Brief aan de Efeziërs, de Brief aan de Filippenzen, de Brief aan de Kolossenzen, de eerste en tweede Brief aan de Tessalonicenzen, de eerste en tweede Brief aan Timoteüs, de Brief aan Titus, de Brief aan Filemon, de Brief aan de Hebreeën, de Brief van Jakobus, de eerste en tweede Brief van Petrus, de eerste, tweede en derde Brief van Johannes, de Brief van Judas en de Apokalyps van Johannes.
Het Concilie van Hippo van 393 werd gevolgd door het Zesde Concilie van Carthago in 419, waaraan tweehonderdachttien bisschoppen deelnamen, alsmede twee legaten die door de Paus van Rome waren gezonden. Zie de werken van Leo M., deel III, blz. 643. De lijst van boeken van de Schrift die door het Concilie van Hippo was vastgesteld, werd door dit Concilie van Carthago bekrachtigd in het negenentwintigste besluit, dat door de vaders van dit Concilie met deze woorden werd besloten: Omdat wij van de Vaders hebben ontvangen dat deze de boeken zijn die in de Kerk gelezen moeten worden. Quia a Patribus ita accepimus in Ecclesia legendum.
Deze woorden mogen niet onopgemerkt blijven door hen die zich laten misleiden door de bewering dat alleen die boeken als goddelijk geïnspireerd gehouden moeten worden waarover in de Kerk nooit enige twijfel heeft bestaan. Laat zulke mensen bedenken welk een aanmatiging het is te veronderstellen dat zij, of hun leiders in de zestiende eeuw, beter in staat waren over de Traditie van de Kerk van de eerste vier eeuwen te oordelen dan het Concilie van Hippo, gehouden in de vierde eeuw, en het Zesde Concilie van Carthago, gehouden aan het begin van de vijfde eeuw, en betere beoordelaars waren dan alle bisschoppen van de christenheid van die tijd. Want de bovenstaande lijst van canonieke boeken, door deze twee Concilies bekrachtigd, werd vanaf dat ogenblik door de gehele christenheid aanvaard.
Vóór de beslissingen van deze Concilies bestond bij sommige kerkvaders twijfel over de goddelijke inspiratie van enkele boeken van de Schrift. Na de vaststelling van de canon door de Kerk hield deze twijfel op. Ook de H. Hiëronymus, die aanvankelijk aan de inspiratie van sommige boeken van het Oude Testament had getwijfeld, aanvaardde na de beslissing van het Concilie van Carthago deze boeken als geïnspireerde Schrift.
Het belang van het gezag van de Katholieke Kerk bij de vaststelling van de inspiratie, canoniciteit en het gezag van de Heilige Schrift wordt treffend uitgedrukt door de H. Augustinus, bisschop van Hippo: Ik zou echter het Evangelie niet geloven indien het gezag van de Katholieke Kerk mij daartoe niet bewoog.
Hoofdstuk VII. Het ongeschreven Woord van God
Naast het geschreven Woord van God geloven katholieken ook in het ongeschreven Woord van God, dat Traditie wordt genoemd.
Onder Traditie verstaan wij niet een louter bericht, een gerucht zonder voldoende bewijs om geloof te verdienen, of een plaatselijke overlevering die door mensen is ontstaan en daarom slechts menselijk is, zoals de overleveringen van de farizeeën die door onze Heer werden veroordeeld. Wij verstaan daaronder een Traditie die oorspronkelijk van God komt, voortdurend wordt onderwezen, opgetekend en op alle wenselijke wijzen levend wordt gehouden door een lichaam van betrouwbare mannen die achtereenvolgens op goddelijke of door God ingestelde wijze worden gekozen en goed onderricht zijn, en die bovendien door God als lichaam worden beschermd tegen het onderwijzen van dwaling of het ontrouw overleveren van de hun toevertrouwde leer.
De H. Paulus geeft ons een denkbeeld van de wijze waarop deze Traditie moet worden voortgezet wanneer hij zegt: Want ik heb u in de eerste plaats overgeleverd hetgeen ik ook ontvangen heb. 1 Korintiërs 15, 3. En opnieuw wanneer hij aan de H. Timotheüs schrijft: En hetgeen gij van mij door vele getuigen gehoord hebt, vertrouw dat toe aan getrouwe mensen die bekwaam zullen zijn ook anderen te onderrichten. 2 Timotheüs 2, 2.
Daar de Heilige Schrift en de zojuist beschreven Traditie beide het Woord van God zijn, de eerste door Hem ingegeven aan een uitverkorene die haar op schrift stelde, de andere door Zijn eigen goddelijke mond op aarde onderwezen of door de Heilige Geest ingegeven in de geest van één mens of een lichaam van mensen om vervolgens onder Zijn goddelijke bescherming van geslacht tot geslacht te worden overgeleverd aan hun wettige opvolgers, kan geen van deze beide goddelijke Woorden zonder de schuld van ongeloof worden verworpen.
De H. Ephrem zegt: Wees hiervan vast overtuigd, niet als van een mening maar als van een waarheid, dat alles wat is overgeleverd, hetzij alleen schriftelijk, hetzij mondeling, daarop gericht is dat wij het leven zouden hebben en het overvloediger zouden hebben. Deel III, sermoen LIX.
De H. Basilius zegt: Van de geloofswaarheden en leringen die in de Kerk worden bewaard, hebben wij sommige uit de schriftelijk overgeleverde leer ontvangen en andere hebben wij op verborgen wijze ontvangen uit de Tradities van de Apostelen. Beide hebben dezelfde kracht bij het vormen van de gezonde leer en niemand zal een van beide tegenspreken, tenminste niemand die enige ervaring heeft met de kerkelijke wetten. Want indien wij zouden trachten de ongeschreven gebruiken als van gering gezag te verwerpen, zouden wij ongemerkt het Evangelie zelfs in de voornaamste zaken aantasten, of liever het Evangelie tot een loutere naam beperken. Deel III, De Spiritu Sancto, hoofdstuk XXVII.
Dat deze Traditie niet kan falen door menselijk bedrog of menselijke zwakheid, dat zij de zekerheid van goddelijke bescherming bezit, met andere woorden dat degenen wier ambt het is deze Traditie levend te houden door God worden beschermd tegen het onderwijzen van dwaling, blijkt uit die passage van Isaias waarvan zelfs protestanten erkennen dat zij op de Kerk betrekking heeft en waarin God zegt: Dit is Mijn verbond met hen. Mijn Geest die in u is en Mijn woorden die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond, noch uit de mond van uw zaad, noch uit de mond van het zaad van uw zaad, van nu af en tot in eeuwigheid. Isaias 59, 21. Dit blijkt eveneens uit de plaatsen bij de H. Johannes waar Christus zegt: En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Vertrooster geven, opdat Hij voor eeuwig bij u blijve, de Geest der waarheid. En: Wanneer Hij echter gekomen is, de Geest der waarheid, zal Hij u alle waarheid leren. Johannes 14, 16 en 17 en 16, 13.
Daarom zegt de H. Ireneüs: Waar de Kerk is, daar is de Geest van God, en waar de Geest van God is, daar is de Kerk en alle genade, en de Geest der waarheid. Tegen de ketterijen, boek III, hoofdstuk XXIV.
De noodzakelijkheid het levende, ongeschreven Woord van God te geloven blijkt ook uit het feit dat de fundamentele deugd van het Geloof, zonder welke niemand christen is, bestaat in instemming met het Woord van God dat wordt verkondigd door mensen die door God zijn gezonden en door Hem belast zijn de waarheden te prediken die hun door Hem zijn geopenbaard, door Hem die oneindige Kennis, Grootheid en Waarheid is en die noch bedriegen noch bedrogen worden kan.
Daarom zegt de H. Paulus: Het geloof komt door het horen. Romeinen 10, 17. Het komt dus door het Woord van God dat door de Apostelen of hun wettige opvolgers wordt verkondigd aan hen die het horen en geloven. Daarom zegt dezelfde Apostel ook: En hoe zullen zij horen zonder prediker. En hoe zullen zij prediken indien zij niet gezonden worden. Romeinen 10, 14 en 15. Door een wettig, goddelijk ingesteld gezag gezonden worden, is door God gezonden worden. Zie Handelingen 13, 4.
Zolang er volken zijn die onderwezen moeten worden, zal het bevel van Christus aan Zijn Apostelen om alle volken en zelfs ieder schepsel te onderrichten nooit ophouden van kracht te zijn en zal het door God gemachtigde onderricht nooit ophouden het Woord van God te zijn. Of dit Woord nu werd verkondigd zonder in geïnspireerde geschriften te zijn vastgelegd, zoals gedurende de twaalf jaren die verliepen tussen de Hemelvaart van onze Heer en het schrijven van het eerste Evangelie, het Evangelie van de H. Mattheüs, of door de Apostelen en hun opvolgers werd verkondigd gedurende de geleidelijke totstandkoming van het Nieuwe Testament tot het jaar des Heren 99, toen het Evangelie van de H. Johannes, het laatste geïnspireerde boek van het Nieuwe Testament, werd geschreven, of na de dood van de H. Johannes in 101 werd verkondigd, dat wil zeggen in de tweede, derde en vierde eeuw, gedurende welke tijd slechts weinigen enkele boeken van het Oude en Nieuwe Testament bezaten, want de canon of gezaghebbende lijst van de geïnspireerde boeken van het Oude en Nieuwe Testament werd pas definitief vastgesteld op het Concilie van Carthago in het jaar 397, of na de vierde eeuw gedurende duizend jaren werd verkondigd, toen er geen gedrukte Bijbels bestonden maar slechts met de hand geschreven Bijbels, die daardoor zeer omvangrijk, kostbaar en zeldzaam waren, of na het jaar 1450 werd verkondigd, toen de boekdrukkunst in gebruik begon te komen en gedrukte Bijbels gemakkelijker verkrijgbaar werden, dit Woord van Christus, dat door Hem met Zijn eigen goddelijke mond of door ingeving aan de Apostelen werd toevertrouwd en door de Apostelen op een door God ingestelde wijze werd overgeleverd aan de gehele keten van hun wettige opvolgers, blijft altijd het Woord van God dat door iedere christen vast geloofd moet worden.
Daarom kon de H. Paulus in zijn tweede Brief aan de Thessalonicenzen zeggen: Broeders, staat vast en houdt de overleveringen die gij geleerd hebt, hetzij door ons woord, hetzij door onze brief. 2 Thessalonicenzen 2, 14.
Toen Jezus Christus tot de Apostelen zei: Wie u hoort, hoort Mij, Lucas 10, 16, beperkte Hij deze plicht om naar de Apostelen te luisteren alsof men naar Hemzelf luisterde niet tot de tijd waarin de geïnspireerde geschriften van het Nieuwe Testament nog niet bestonden, maar strekte Hij haar uit tot alle tijden. Ook de plicht tot prediken geldt niet alleen de twaalf Apostelen maar eveneens hun wettige opvolgers, want alleen door hun opvolgers konden de Apostelen alle volken onderrichten en kon hun apostolisch ambt voor altijd voortduren. Dit zien wij uit de volgende woorden van Christus tot de Apostelen: Gaat dan en onderwijst alle volken. Mattheüs 28, 19. Predikt het Evangelie aan ieder schepsel. Marcus 16, 15. Leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Mattheüs 28, 20. En niemand is vrijgesteld van de plicht hun onderricht te geloven: Wie echter niet gelooft, zal veroordeeld worden. Marcus 16, 16.
Daarom zou iedere wettige bisschop die de Traditie van de Kerk handhaaft kunnen zeggen wat de H. Johannes de Evangelist op hoge leeftijd zei, toen bijna alle boeken van het Nieuwe Testament geschreven waren: Wij zijn uit God. Wie God kent, hoort ons. Wie niet uit God is, hoort ons niet. Hieraan kennen wij de geest der waarheid en de geest der dwaling. 1 Johannes 4, 6.
En de H. Ireneüs kon over de ketters van zijn tijd zeggen: Wij beroepen ons tegenover hen op die Traditie welke van de Apostelen afkomstig is en die in de Kerken door de opvolging van de priesters wordt bewaard. Tegen de ketterijen, boek III, hoofdstuk II. En Origenes zei: Wij moeten niet anders geloven dan zoals de Kerken Gods het ons door opeenvolgende overlevering hebben doorgegeven. Boek III, commentaar op de H. Mattheüs.
De H. Johannes Chrysostomus stelde als beginsel: Het is een Traditie van de Kerk, zoek niet verder. Commentaar op 2 Thessalonicenzen 2, 14, boek XI, homilie IV.
Te veronderstellen dat de Traditie haar gezag heeft verloren doordat zij gedeeltelijk op schrift werd gesteld, zou even onredelijk zijn als te beweren dat de natuurwet buiten werking werd gesteld vanaf het ogenblik waarop de Tien Geboden op de berg Sinaï op schrift werden gesteld.
Sommigen zouden kunnen vragen: welk van deze twee goddelijke Woorden is voor ons het nuttigst. Deze vraag kan reeds als beantwoord worden beschouwd door de aangehaalde kerkvaders. Daarom zal ik nog slechts één getuigenis aanhalen. De heilige bisschop van Hiërapolis, Papias, leerling van de H. Johannes en vriend van de H. Polycarpus, zegt met betrekking tot de Traditie: Wanneer iemand tot mij kwam die met de oudsten omgang had gehad, vroeg ik hem naar hun woorden, wat Andreas en Petrus gezegd hadden, want ik meende dat hetgeen in de boeken staat mij niet zoveel zou helpen als hetgeen uit de levende en blijvende stem voortkomt. Bij Eusebius, boek III, bladzijde 39.
Ik zal hier een vergelijking maken die de onderzoeker wellicht beter kan doen begrijpen wat dit antwoord betekent.
Stel dat er twee rivieren naast elkaar stromen, beide rijk aan kostbare stenen, waarvan mensen die aan de oevers van beide rivieren staan de naam en de waarde willen kennen, omdat die kennis voor hen van levensbelang is. Stel verder dat op een van die rivieren een voortreffelijk schip vaart waarop betrouwbare mannen aanwezig zijn die deze kennis kunnen geven en bereid zijn haar aan de mensen mee te delen. Op de andere rivier bevindt zich echter geen dergelijk schip en geen dergelijke gids. De mensen die aan de oevers van deze tweede rivier staan, weigeren hun toevlucht te nemen tot de goed ingelichte gidsen op het schip van de andere rivier en vertrouwen bij het bepalen van de waarde van de stenen die zij vinden uitsluitend op zichzelf. Zij zouden daardoor gemakkelijk grote fouten maken bij het waarderen van iedere steen en onderling zeer verschillende meningen daarover hebben.
Indien sommigen toevallig aan een van de edelstenen de juiste waarde zouden toekennen, zou dit slechts toevallig zijn en geen van hen zou er zeker van kunnen zijn dat hij zich niet vergiste, terwijl degenen die aan de oevers van de andere rivier staan, door de ervaren mannen op het schip te raadplegen, indien zij dat wilden, gemakkelijk met zekerheid de juiste waarde zouden kunnen leren kennen van iedere edelsteen die in beide rivieren wordt gevonden.
Zoals twee heilige rivieren die uit het Paradijs stromen, voeren de Bijbel en de Traditie beide het Woord van God mee en zijn beide vol kostbare edelstenen van geopenbaarde waarheden. Hoewel deze twee goddelijke stromen vanwege hun goddelijke oorsprong op zichzelf van gelijke waarde zijn en even rijk aan geopenbaarde waarheden, is de Traditie voor ons toch de duidelijkere en veiligere.
Ten eerste omdat de Traditie door de vele bevoegde getuigen die deze Traditie in zichzelf dragen van haar eigen gezag kan getuigen, terwijl de Heilige Schrift haar gezag niet kan bewijzen zonder zich op de Traditie te beroepen om van haar inspiratie en bewaring te getuigen.
Ten tweede omdat een woord twee of meer verschillende betekenissen kan hebben en een uitdrukking in de ene betekenis waar kan zijn en in een andere niet. Zo kan een uitdrukking bijvoorbeeld waar zijn wanneer zij figuurlijk wordt opgevat en niet waar wanneer zij letterlijk wordt opgevat, waar wanneer zij op een bepaalde persoon wordt toegepast en niet wanneer zij op allen wordt toegepast, waar wanneer zij in haar gewone betekenis wordt genomen en niet wanneer zij in een geforceerde of willekeurige betekenis wordt opgevat, waar wanneer zij in een betekenis wordt genomen die andere dingen niet uitsluit en niet waar wanneer zij in uitsluitende zin wordt genomen, waar wanneer zij geacht wordt door middel van andere dingen te werken en niet waar wanneer zij geacht wordt zonder middel te werken, waar wanneer zij een raadgeving betekent en niet waar wanneer zij als een gebod wordt beschouwd, waar wanneer zij toelatend wordt verstaan en niet waar wanneer zij als de werkende oorzaak van iets wordt beschouwd. De Bijbel, die slechts geschreven tekst is en een uitlegger behoeft, kan op zichzelf de dwalende uitlegger niet terechtwijzen.
Maar de Traditie is een levend woord, omdat zij wordt gedragen in de geest en op de lippen van door God aangestelde levende leraren. Zij kan daarom met betrekking tot iedere eigen uitdrukking en eveneens met betrekking tot de uitdrukkingen van de Heilige Schrift zelf zeggen in welke betekenis die uitdrukkingen precies waar zijn en in welke betekenis zij niet waar zijn. Indien iemand ze verkeerd uitlegt, kan de Traditie hem terechtwijzen en de ware betekenis verklaren. Dit alles kan zij doen met een gezag dat door de beloofde bijstand van God onfeilbaar is en door de voortdurende bijstand van de Heilige Geest die in de Kerk woont goddelijk is.
De Ark van het Oude Verbond was, zolang zij in handen van de priesterlijke en levitische orde was en door hen te midden van Gods uitverkoren volk werd gedragen en bewaard, een bron van zegeningen. Wanneer zij naar een ander volk werd gebracht en in handen kwam van onbevoegde of zichzelf bevoegd verklarende personen, werd zij een bron van plagen. 1 Samuel 6.
Zo wordt ook de Heilige Schrift, wanneer zij wordt losgemaakt van de Traditie die haar steun en wettige uitlegster is en in handen wordt gegeven van onbevoegde uitleggers, in plaats van een bron van zegen een oorzaak van eindeloze twisten en verdeeldheid, een aanleiding tot twijfel, fanatisme en onophoudelijk geredetwist, zoals de droevige ervaring bewijst.
Traditie zonder de Heilige Schrift, het Oude of het Nieuwe Testament, heeft gedurende jaren volstaan en zou nog steeds kunnen volstaan. Maar de Heilige Schrift heeft nooit op zichzelf volstaan. Zij heeft altijd de Traditie nodig gehad. Want alleen door de Traditie weten wij dat de Heilige Schrift een geïnspireerd boek is. Alleen de Traditie kan ons met gezag en zekerheid de juiste betekenis van de Heilige Schrift geven. Zonder de Traditie kan men de Heilige Schrift op vele onderling strijdige wijzen laten spreken, waardoor haar gezag uiteindelijk geheel wordt vernietigd.
Om een vergelijking te gebruiken: een rechtbank bestaande uit een ononderbroken opeenvolging van rechters zou met behulp van een levende, algemeen bekende en vaststaande Traditie van mondeling uitgevaardigde wetten voldoende kunnen zijn voor de leiding en het welzijn van een volk. Maar geen geschreven wetboek zou kunnen volstaan zonder een rechtbank die getuigt van de echtheid van die wetten, vaststelt dat zij nog van kracht zijn en in alle gevallen van geschil met gezag hun juiste betekenis bepaalt.
De H. Ireneüs getuigt dat in zijn tijd vele volkeren zonder papier en inkt de zaligheid in hun hart geschreven hadden en de oude Traditie zorgvuldig bewaarden. Boek III, hoofdstuk IV.
Nadat de Traditie reeds enige jaren volledig en met vrucht werkzaam was geweest, voegde God daaraan het geschreven Woord toe. Dit geschiedde echter niet om de Traditie zelf te vervangen, iets wat onze Heer noch Zijn Apostelen ooit hebben gezegd, maar veeleer om de Traditie zelf te versterken. Want juist in dit geschreven Woord heeft Hij, zoals wij reeds gezien hebben, herhaaldelijk en nadrukkelijk laten vastleggen dat de Traditie, of het opeenvolgende mondelinge onderricht van het lichaam van leraren dat Hijzelf daartoe heeft ingesteld en met gezag bekleed, haar volle gezag en kracht zou behouden zolang er een volk of zelfs maar één schepsel te onderrichten zou zijn, dat wil zeggen tot het einde van de wereld.
Daarom erkenden de oude en opeenvolgende kerkvaders steeds de noodzakelijkheid zich op de Traditie, het ongeschreven Woord van God, te beroepen om ketterijen te weerleggen, geschillen over de godsdienst te beslechten en met gezag en zekerheid vast te stellen wat wij volgens Gods Openbaring moeten geloven en doen om zalig te worden. Het was de vaste overtuiging van de kerkvaders dat het geschreven Woord van God alleen, zonder de hulp van de Traditie, geschillen altijd onbeslist zou laten, punten van geloof en zeden onbepaald zou laten en het christendom tot een onopgelost vraagstuk zou maken.
Hoofdstuk VIII. De verklaring van de Heilige Schrift
De Heilige Schrift is het Woord van God.
Ik neem aan dat protestanten dit in het algemeen erkennen. Maar het is duidelijk dat wanneer de Schrift verkeerd wordt uitgelegd, zij tot het woord van de mens wordt.
Want, zoals de protestantse bisschop Walton zegt: Het Woord van God bestaat niet enkel in letters, geschreven of gedrukt, maar in de ware betekenis ervan.
Dit is precies wat de H. Hiëronymus vele eeuwen eerder had gezegd: Wij moeten ervan overtuigd zijn dat het Evangelie niet in de woorden, maar in de betekenis bestaat. Een verkeerde verklaring verandert het Woord van God in het woord van de mens en, wat erger is, in het woord van de duivel, want de duivel zelf kon teksten uit de Schrift aanhalen. En dat deed hij toen hij onze Heer in de woestijn bekoorde. Mattheüs 4, 6.
Protestanten die met zoveel vertrouwen en schijnbare overtuigingskracht verklaren dat zij alleen op de Bijbel steunen, moeten dit punt goed overwegen. Zij menen dat alleen op de Bijbel steunen betekent dat zij niet op menselijk gezag maar op het Woord van God vertrouwen. Niets kan natuurlijk beter zijn dan op het Woord van God te steunen, maar of hetgeen zij alleen op de Bijbel steunen noemen werkelijk betekent op het Woord van God steunen, moet nog worden onderzocht.
Ten eerste moet men bedenken dat de Bijbel, hoewel goddelijk geïnspireerd, slechts een geschreven document is en bovendien een geschreven document dat dikwijls zo moeilijk te begrijpen is, dat zelfs de H. Augustinus, hoewel hij zo geleerd en zo groot een kerkleraar was, van zichzelf moest zeggen dat er in de Bijbel meer dingen waren die hij niet begreep dan dingen die hij wel begreep.
Ten tweede moet men bedenken dat de Bijbel, juist omdat hij een geschreven document is, altijd zou blijven zwijgen indien niemand hem verklaarde. Het is duidelijk dat de Bijbel niet zelf kan spreken en zichzelf verklaren. Men moet het boek ter hand nemen, het openen, lezen en aan de woorden die men voor zich ziet een bepaalde betekenis geven.
Wanneer een protestant dus zegt dat hij alleen op de Bijbel steunt, bedoelt hij niet dat hij op de Bijbel zonder verklaring steunt, want dan blijft de Bijbel stom. Hij bedoelt evenmin dat hij op de Bijbel steunt zoals deze door de Kerk wordt verklaard, want dat zou niet het protestantse maar het katholieke beginsel zijn. Ook bedoelt hij niet dat hij op de Bijbel steunt zoals deze door iemand anders wordt verklaard, want volgens zijn opvatting zou hij daarmee zijn recht op persoonlijke verklaring prijsgeven. Hij bedoelt dat hij alleen op de Bijbel steunt zoals hij die zelf verklaart en dat de betekenis waarin hijzelf hem verstaat voor hem het Woord van God is.
De Bijbel, zo zou hij kunnen voortgaan, verklaard door de kerkvaders, kan wel of niet het Woord van God zijn. De Bijbel, verklaard door de Kerk, kan wel of niet het Woord van God zijn. De Bijbel, verklaard door iemand anders, kan wel of niet het Woord van God zijn. Maar de Bijbel zoals ik hem verklaar, dat is werkelijk het Woord van God, mijn enige leraar, mijn gids, mijn onfeilbaar gezag.
Maar een katholiek zou kunnen zeggen: Wat dan, mijn vriend, indien gij een bepaalde Schriftplaats verkeerd zoudt begrijpen? Dat zou jammer zijn, zou de protestant waarschijnlijk antwoorden, maar daar ik geen ander gezag erken dan mijn eigen persoonlijk oordeel, heb ik toch het recht mijn eigen verklaring als het Woord van God te beschouwen.
Maar het is toch redelijk te veronderstellen dat de verklaring van de Bijbel door het gehele lichaam van bisschoppen van de Katholieke Kerk, ook wanneer zij van uw persoonlijke verklaring afwijkt, waarschijnlijker de juiste betekenis en daarom waarschijnlijker het Woord van God is. Neen, zou de tegenwerper nog kunnen antwoorden, want die verklaring zou niet de mijne zijn. Indien gij zo redeneert, moet ik zeggen dat bij u, mijn vriend, het ik en het mijn het gehele verschil uitmaken.
Wie ogen heeft, zie welke geest aan de wortel ligt van dit zo geroemde beginsel en hoe oppervlakkig het argument is om alleen op de Bijbel te steunen.
Alleen aan de Apostelen gaf onze Heer de opdracht alle volken te onderrichten en de gelovigen werd bevolen naar hen te luisteren en hen te geloven. Marcus 16, 16. Deze opdracht ging vergezeld van de belofte dat Hij bij hen zou zijn in dit leerambt tot het einde der tijden. Mattheüs 28, 19 en 20. Uit deze woorden blijkt duidelijk dat ook hun wettige opvolgers waren begrepen in de opdracht en de belofte die aan de Apostelen waren gegeven. Daaruit volgt dat de gezaghebbende verklaring van de Schrift door de wettige opvolgers van de Apostelen de ware verklaring is en werkelijk het Woord van God. Een daarmee strijdige verklaring moet dus noodzakelijk vals zijn en is niet het Woord van God, omdat iets onder hetzelfde opzicht niet tegelijkertijd waar en onwaar kan zijn. De waarheid is immers in alle dingen één en wat haar tegenspreekt is dwaling.
Daarom veroordeelt de H. Petrus de persoonlijke verklaring van de Schrift wanneer hij zegt: Geen profetie of verklaring van de Schrift geschiedt door persoonlijke uitlegging. 2 Petrus 1, 20. Zij die weigeren naar de wettige verklaring en het geloof van de Kerk te luisteren en deze te volgen, hebben dikwijls in plaats van het Woord van God, dat wil zeggen hetgeen God werkelijk in de Heilige Schrift heeft bedoeld, slechts hun eigen bedenksels en dwalingen, die zij voor het Woord van God aanzien.
Deze mensen raken bijgevolg verstrikt in een doolhof van onzekerheden en veranderen dikwijls hun verklaring. Zij zijn, zoals de H. Paulus het uitdrukt, heen en weer geslingerd en meegesleept door iedere wind van leer. Efeziërs 4, 14. De H. Petrus waarschuwt ons voor dit gevaar wanneer hij, in het bijzonder met betrekking tot de brieven van de H. Paulus, zegt: Daarin zijn sommige dingen moeilijk te begrijpen, die de ongeleerden en onstandvastigen verdraaien, evenals de overige Schriften, tot hun eigen verderf. 2 Petrus 3, 16.
Hieruit blijkt hoe vermetel en gevaarlijk het beginsel van persoonlijke Schriftverklaring is, waardoor ieder afzonderlijk mens zich gerechtigd acht zijn eigen persoonlijke opvatting van een Schriftplaats te verkiezen boven de plechtige verklaring en beslissing van het gehele lichaam van katholieke bisschoppen van vroeger en nu, verenigd met de Stoel van Petrus. Mensen die door zulk een hoogmoed worden geleid, kunnen niet verwachten door God tot de waarheid te worden geleid.
Tegenwerpers zeggen dat zich onderwerpen aan het onderricht van de Kerk betekent dat wij ons verstand prijsgeven. Maar indien het voor de eerste christenen geen prijsgeven van hun verstand kon worden genoemd dat zij zich aan het onderricht van de Apostelen onderwierpen, omdat dit een onderwerping was aan de gezanten van Christus, aan de getuigen en bevoegde verklaarders van de Openbaring zolang de Apostelen leefden, dan kan het zeker evenmin als een prijsgeven van het verstand worden beschouwd wanneer andere christenen zich voegen naar het onderricht van de Katholieke Kerk, dat wil zeggen naar het lichaam van de katholieke bisschoppen met de Paus van Rome aan hun hoofd. Zij zijn de wettige gezanten van God, de rechtmatige opvolgers van de Apostelen, de getuigen en bevoegde verklaarders van de Openbaring. In een ononderbroken opvolging zetten zij dat apostolische ambt voort dat volgens de verklaring van Christus en door de beloofde bijzondere bijstand van de Heilige Geest tot het einde der tijden zou voortduren.
Evenmin is het waar dat iedereen de bijstand van de Heilige Geest bezit om de Bijbel juist te verklaren. Indien dit zo was, zouden de mensen het met elkaar eens zijn en elkaar bij hun verklaring van de Schrift niet tegenspreken, want geen enkele plaats van het geïnspireerde Woord van God en haar juiste betekenis kan werkelijk een andere plaats tegenspreken in zaken van geloof, zeden en feiten.
Maar talrijke protestantse kerkgenootschappen verschillen dikwijls van elkaar en spreken elkaar dikwijls tegen op wezenlijke punten, terwijl ieder beweert zijn eigen leer uit de Heilige Schrift te bewijzen. Ik zeg wezenlijke punten, omdat zij zich juist vanwege deze punten verplicht hebben geacht zich van een andere gemeenschap af te scheiden. Dit toont duidelijk dat zij niet door de Heilige Geest worden geïnspireerd. Hij is immers de Geest van eenheid en waarheid en kan geen tweedracht veroorzaken, geen dwaling leren, geen valse betekenis ingeven en Zichzelf niet tegenspreken.
Dit beginsel van persoonlijke verklaring van de Heilige Schrift heeft gedurende de drie eeuwen sinds de tijd van Luther honderden kerkgenootschappen onder de protestanten doen ontstaan, ondanks de pogingen van verschillende regeringen zulke onderverdelingen te verhinderen. Indien dit beginsel gedurende achttien eeuwen onbelemmerd door de macht van de Staat in de gehele christelijke wereld werkzaam was geweest, zou het aantal verschillende sekten thans waarschijnlijk ontelbaar zijn.
De Bijbel zonder een bevoegde, dat wil zeggen door God gegeven verklaarder, zou nauwelijks enige ketterij kunnen veroordelen. Evenmin zou enig christelijk kerkgenootschap een afzonderlijk persoon of een ander kerkgenootschap wegens ketterij kunnen veroordelen zonder zijn eigen beginsel van persoonlijke verklaring voor allen prijs te geven. In alle eeuwen zijn degenen die hun eigen persoonlijke verklaring tegenover die van de Kerk stelden en onderwezen, door alle kerkvaders, heiligen en kerkleraren als ketters beschouwd en als zodanig door de Kerk veroordeeld.
Katholieken doen er goed aan de Heilige Schrift te lezen en te bestuderen tot meerdere onderrichting en stichting, maar steeds in een geest van onderwerping aan de Katholieke Kerk, zodat zij nooit hun eigen persoonlijke opvatting stellen boven de bekende verklaring en leer van de Kerk van de levende God, de zuil en grondslag der waarheid. 1 Timotheüs 3, 15.
Hoofdstuk IX. De onfeilbaarheid van de Kerk en van de Paus
God heeft aan de mensen waarheden meegedeeld waarvan zij sommige onmogelijk door hun eigen, niet geholpen verstand hadden kunnen kennen, terwijl andere slechts door weinigen door louter redenering ontdekt en met zekerheid gekend hadden kunnen worden. Deze door God aan de mensen meegedeelde waarheden noemen wij de goddelijke Openbaring. God verlangt dat de mensen, om de zaligheid te verkrijgen, deze geopenbaarde waarheden op Zijn goddelijk gezag geloven.
Daar zulk een Openbaring gegeven is, moet er een middel bestaan waardoor deze waarheden in hun zuiverheid aan ons worden overgeleverd en wel op zulk een wijze dat wij er zeker van kunnen zijn dat wij ze bezitten.
Te zeggen dat God aan de mensen slechts woorden heeft gegeven die verschillende en tegenstrijdige verklaringen toelaten en dat Hij op aarde geen gezag heeft achtergelaten om te verklaren welke de ene ware bedoelde verklaring is, komt erop neer de Openbaring geheel te ontkennen. Een wet die verschillende onderling strijdige verklaringen zou toelaten, zou niet het karakter van een wet bezitten indien er geen rechtbank bestond om de ware betekenis ervan vast te stellen. Hetzelfde kan worden gezegd van een Openbaring die verschillende onderling strijdige verklaringen toelaat.
De Heilige Schrift laat op zichzelf over een groot aantal vraagstukken tegengestelde verklaringen toe. Er zijn vele onderwerpen waarover een tekst kan worden aangehaald die schijnbaar een tegengestelde betekenis heeft. In zulke gevallen is het duidelijk dat één of meer van die teksten moeten worden opgevat in een betekenis die overeenstemt met hetgeen in andere gedeelten van de Schrift wordt verklaard.
Indien er een gezag bestaat dat de juiste betekenis van deze passages kan vaststellen, is alles eenvoudig genoeg. Zonder zulk een gezag kan echter niet worden ontkend dat de Heilige Schrift in het veronderstelde geval tegenstrijdige verklaringen toelaat en bijgevolg ten aanzien van zulke vraagstukken ophoudt werkelijk een Openbaring te zijn. Er moet daarom op aarde een levend, door God gemachtigd gezag bestaan dat beslist over de betekenis van de Openbaring die God ons heeft gegeven.
Zulk een gezag moet onfeilbaar zijn. Zijn onfeilbaarheid ligt reeds in zijn opdracht besloten. Wij kunnen ons niet voorstellen dat God iemand heeft aangesteld om ons te leren wat Zijn Openbaring werkelijk is en ons heeft bevolen naar dit gezag te luisteren en het te geloven, terwijl Hij tegelijkertijd zou toelaten dat deze gids ons op een dwaalweg brengt. God, die de Waarheid zelf is, kan ons niet gebieden een valse leer te geloven.
Rooms katholieken geloven dat zulk een onfeilbaar gezag in de Kerk bestaat en dat het toekomt aan het gehele lichaam van de bisschoppen, verenigd met de Paus van Rome. Zij geloven ook dat deze onfeilbare bescherming tegen het onderwijzen van dwaling door God op bijzondere wijze verzekerd is aan de Paus zelf wanneer hij ex cathedra spreekt, daar hij het zichtbare hoofd van de Kerk en de wettige opvolger van de H. Petrus is.
De onfeilbaarheid behoort aan het gehele lichaam van de bisschoppen, verenigd met de Paus van Rome. Dit blijkt duidelijk uit die teksten welke het onfeilbare onderricht bewijzen van de Apostelen, verenigd met de H. Petrus als hun hoofd, en die eveneens op hun opvolgers van toepassing zijn.
De lerende Kerk wordt door de H. Paulus de zuil en grondslag der waarheid genoemd. 1 Timotheüs 3, 15. Onze Heer belooft dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Mattheüs 16, 18. Dat Hij altijd met Zijn Kerk zal zijn. Mattheüs 28, 20. Dat de Heilige Geest voor eeuwig bij haar zal blijven met het uitdrukkelijke doel haar tot alle waarheid te leiden: Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Vertrooster geven, opdat Hij voor eeuwig bij u blijve. Johannes 14, 16.
Onze goddelijke Heer heeft het lichaam van de Apostelen in Zijn plaats gesteld voor Zijn zending op aarde en voor het leerambt. Zoals Mijn Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u. Johannes 20, 21. Wie u hoort, hoort Mij, en wie u veracht, veracht Mij. Lucas 10, 16.
Ten slotte voegde Jezus Christus, onmiddellijk nadat Hij Zijn Apostelen de opdracht had gegeven het Evangelie aan ieder schepsel te prediken, daaraan toe: Wie gelooft en gedoopt is, zal zalig worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Marcus 16, 16. Al deze teksten, die van de gelovigen de volledige aanvaarding verlangen van hetgeen de Kerk leert, zijn volkomen onverenigbaar met de mogelijkheid dat de Kerk in zaken van geloof en zeden iets vals zou leren.
Deze onfeilbaarheid hangt niet af van de geleerdheid die aanwezig is in het gehele lichaam van de bisschoppen, verenigd met de Paus, wanneer zij geloofspunten of zedelijke vraagstukken bespreken en beslissen, maar van de bijstand van de Heilige Geest, die hun verstand verlicht en hun beraadslagingen leidt. Zo werd het besluit van het eerste Concilie te Jeruzalem op de volgende wijze aan de gelovigen meegedeeld: Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht u geen verdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen. Handelingen 15, 28.
Door deze goddelijke bijstand worden de bisschoppen in vereniging met de bisschop van Rome niet het middel van een nieuwe Openbaring, maar worden zij volgens de onfeilbare belofte van God goddelijk bijgestaan en verlicht om hetgeen geopenbaard is goed te begrijpen en de ware betekenis van die Openbaring juist te verklaren.
Naast deze onfeilbaarheid die de Kerk bezit, dat wil zeggen het lichaam van de bisschoppen samen met de Paus, geloven katholieken dat ook de Paus alleen, als opperste Herder en zichtbaar hoofd van de Kerk, door God voor dwaling wordt behoed, maar alleen wanneer hij ex cathedra leert, dat wil zeggen wanneer hij niet als privaat leraar maar krachtens zijn ambt van opperste Herder en leraar van de gehele Kerk een leer betreffende geloof of zeden als waar bepaalt, of een leer betreffende geloof of zeden als vals veroordeelt.
De onfeilbaarheid van de H. Petrus en zijn opvolgers wordt duidelijk bewezen door de volgende teksten uit de Heilige Schrift.
Ten eerste uit de H. Lucas 22, 31, waar wij lezen dat onze Verlosser in tegenwoordigheid van de andere Apostelen aldus tot de H. Petrus sprak: Simon, Simon, zie, Satan heeft verlangd u te hebben om u te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet bezwijke. En gij, eenmaal bekeerd, versterk uw broeders.
Hier treft Jezus Christus een voorziening tegen het gevaar waaraan Zijn Apostelen en hun opvolgers steeds blootgesteld zouden zijn om door de aansporing en misleiding van de duivel van het geloof af te vallen. En op welke wijze voorziet Hij daarin? Door voor één van hen te bidden dat diens geloof niet zou bezwijken en hem te bevelen zijn broeders te versterken. Daardoor geeft Hij hun duidelijk te verstaan dat zij allen aan hem moeten vasthouden en zijn leiding moeten volgen en dat zij aldus dit voorrecht zouden bezitten.
De H. Petrus is degene voor wie Jezus Christus bad en in de persoon van Petrus moeten zijn opvolgers begrepen zijn. Jezus Christus voorzag immers in het welzijn van Zijn Kerk, die niet alleen gedurende het leven van de H. Petrus, maar tot het einde der tijden zou voortbestaan, tegen de aanvallen van de vijand, die niet zouden ophouden.
Indien het mogelijk was dat de Paus in zijn hoedanigheid van opperste Herder van de Kerk, wanneer hij ex cathedra spreekt, dwaling kon leren, zou men kunnen aanvoeren, ten eerste, dat het gebed van onze Heer niet werd verhoord en, ten tweede, dat de voorziening die Jezus Christus getroffen heeft, in plaats van Zijn Kerk te behoeden voor dwaling in geloof of zeden, althans in bepaalde gevallen slechts zou dienen om de gehele Kerk in dwaling mee te slepen en voor Satan een voordeel zou zijn in plaats van een middel ter verdediging van de Kerk tegen hem.
Een ander bewijs wordt ontleend aan de woorden: Gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik Mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Mattheüs 16, 18.
Daar de Kerk van Christus ook na het leven van de H. Petrus tot het einde van de wereld zou voortbestaan en daar de Kerk geen levenloos stoffelijk gebouw is, maar een levend lichaam van mensen dat een levend hoofd nodig heeft om hen te besturen en als het ware het fundament te zijn van deze wijd verbreide gemeenschap, was deze belofte van Christus om Petrus tot een rots te maken niet alleen voor Petrus bedoeld, maar ook voor zijn opvolgers. Er moet een evenredigheid bestaan tussen het gebouw en zijn fundament. Daar het gebouw, namelijk de Kerk, een levend en opeenvolgend lichaam van mensen is, moet ook het fundament, dat wil zeggen de bestuursmacht die het gehele bouwwerk draagt, opeenvolgend zijn. Daarom zijn de opvolgers, als opperste bestuurders van de Kerk, evenals de H. Petrus de rots of het zichtbare fundament ervan.
Indien zij rotsen zijn, moeten zij onbeweeglijk staan als leraren van de waarheid. Indien zij de fundamenten van de Kerk zijn en de poorten der hel deze Kerk nooit kunnen overweldigen, volgt daaruit dat de poorten der hel nog veel minder het fundament zelf kunnen overweldigen. Want het huis ontvangt zijn stevigheid van het fundament en niet het fundament van het huis.
Indien het fundament omvergeworpen kon worden, zou ook het daarop gebouwde huis omvergeworpen kunnen worden. Maar de poorten der hel kunnen de Kerk niet overweldigen. Daarom kunnen zij evenmin het fundament overweldigen dat de Kerk draagt, het fundament dat door onze Verlosser zo vast als een rots werd gemaakt met het uitdrukkelijke doel de Kerk onverwoestbaar te maken.
De ambtelijke persoonlijke onfeilbaarheid van de Paus wordt derhalve door deze tekst volledig bewezen en de kerkvaders hebben hem in deze betekenis verstaan. Onder hen zegt Origenes: Het is duidelijk, hoewel het niet uitdrukkelijk wordt gezegd, dat de poorten der hel noch de Kerk, noch Petrus zullen kunnen overweldigen, want indien zij de rots waarop de Kerk gegrondvest is zouden overweldigen, zouden zij ook de Kerk overweldigen. Zie het commentaar van Origenes op deze tekst.
Een derde argument wordt ontleend aan deze woorden van Jezus Christus tot de H. Petrus: Weid Mijn lammeren, weid Mijn lammeren, weid Mijn schapen. Johannes 21, 15 tot 17.
Onder de naam lammeren, die de schapen volgen en door hen gevoed worden, hebben de kerkvaders het christelijke lekenvolk verstaan en onder de naam schapen, die de lammeren voeden en door de lammeren gevolgd worden omdat zij hun moeders zijn, verstonden zij de bisschoppen en andere herders van de Kerk. De kerkvaders twijfelden er niet aan dat Jezus Christus onder deze zeer betekenisvolle gelijkenis aan de H. Petrus en in zijn persoon aan hen die het ambt van Petrus zouden erven, de zorg voor Zijn eigen kudde wilde toevertrouwen, zowel voor de gelovigen als voor de herders, voor de lammeren en de schapen, waaruit alleen de kudde van Christus, de gehele zichtbare Kerk op aarde, bestaat.
Uit deze opdracht vloeit voor alle andere bisschoppen en voor alle gelovigen over de gehele wereld de overeenkomstige plicht voort zich aan de leiding van de Paus te onderwerpen en zich door hem te laten voeden met het geestelijke voedsel van zijn heilzaam onderricht.
Hieruit volgt dat de Paus beschermd moet zijn tegen het onderwijzen van dwaling, dat wil zeggen dat hij in zijn leerambt onfeilbaar moet zijn. Want indien hij niet door God tegen dwaling beschermd werd wanneer hij in zijn hoedanigheid van opperste Herder de gehele Kerk onderricht, zou de Kerk aan dwaling blootgesteld zijn, in strijd met de belofte van Jezus Christus.
Dat dit het geloof van de oude Kerk was, daarvan zijn de kerkvaders van de eerste vijf eeuwen schitterende getuigen. Ik zal er echter slechts drie aanhalen. De H. Ireneüs, bisschop van Lyon, was een kerkvader uit de tweede eeuw, beroemd om zijn talent en heiligheid en om de zuiverheid van zijn geloof, dat hij met zijn bloed bezegelde. Hij leefde enige jaren bij de bisschop van Smyrna, de H. Polycarpus, leerling van de H. Johannes de Evangelist. Wij kunnen daarom nauwelijks een betere getuige hebben van de overtuigingen en het onderricht van de Kerken van het Oosten en het Westen gedurende de eerste twee eeuwen dan deze grote martelaar en kerkvader, de H. Ireneüs.
De H. Ireneüs stelt nu in zijn boek tegen de ketterijen onder andere als algemeen beginsel dat men, om ketters van hun dwalingen te overtuigen, weliswaar de leer van zijn eigen plaatselijke Kerk zou kunnen raadplegen, die door de Apostelen was gesticht en door hun wettige opvolgers was bewaard, maar dat deze lange weg niet noodzakelijk was. Er bestond een voldoende, veilige en kortere weg, namelijk te zien naar hetgeen door de Kerk van Rome werd geleerd, aangezien alle andere Kerken wegens haar grotere voorrang met die Kerk in het geloof verenigd moesten zijn, in de bestaande Latijnse vertaling propter potiorem principalitatem, en het daarom voldoende was om ketters van hun dwalingen te overtuigen aan te tonen dat de Kerk van Rome hun ketterse leer nooit had onderwezen. Tegen de ketterijen, boek III, hoofdstuk III.
De H. Ireneüs schrijft aan de Kerk van Rome het hogere oppergezag toe en verklaart dat alle andere Kerken verplicht zijn met haar geloof overeen te stemmen, omdat zij gesticht is door de twee roemrijke Apostelen, de H. Petrus en de H. Paulus, wier door hen verkondigde geloof werd overgeleverd door een ononderbroken reeks bisschoppen die de H. Petrus op de Stoel van Rome opvolgden. Hij noemt deze bisschoppen van Rome, tot zijn tijd twaalf in getal: Linus, Anacletus, Clemens, Evaristus, Alexander I, Sixtus I, Telesphorus, Hyginus, Pius I, Anicetus, Soter en ten slotte Eleutherius, onder wiens pontificaat hij zelf leefde.
Deze plicht van alle Kerken om zich als takken aan de stam aan de Kerk van Rome vast te houden en hun geloof in overeenstemming te brengen met het onderricht van de Kerk van Rome, dat wil zeggen van haar bisschop, zou onbegrijpelijk zijn indien wij niet aannemen dat algemeen de overtuiging bestond dat de bisschop van Rome door Christus met onfeilbaarheid was begiftigd.
Van deze algemene overtuiging van de Kerk is ook de grote kerkleraar van de vierde eeuw, de H. Hiëronymus, een voortreffelijke getuige. Toen hij verontrust werd door de geschillen tussen drie partijen die de Kerk van Antiochië verdeelden, waartoe hij als lid van die Kerk of dat bisdom behoorde, schreef hij naar Rome om aanwijzingen aan paus Damasus I: Ik, die slechts een schaap ben, wend mij tot mijn Herder om hulp. Ik ben in gemeenschap verenigd met Uwe Heiligheid, dat wil zeggen met de Stoel van Petrus. Ik weet dat de Kerk op die rots gebouwd is. Wie het paaslam buiten het huis eet, is onheilig. Wie niet in de Ark van Noë is, zal in de zondvloed omkomen. Ik weet niets van Vitalis. Ik verwerp Meletius. Paulinus ken ik niet. Wie niet met u verzamelt, verstrooit. Brief aan paus Damasus.
Ook de grote Afrikaanse kerkleraar, de H. Augustinus, bisschop van Hippo, die aan het einde van de vierde en het begin van de vijfde eeuw leefde, moet van hetzelfde beginsel en dezelfde overtuiging doordrongen zijn geweest. In zijn commentaar op de veroordeling van het pelagianisme zegt hij: Reeds zijn de besluiten van twee Concilies aan de Apostolische Stoel voorgelegd en vandaar zijn antwoorden tot ons gekomen. De zaak is beëindigd. Deze uitspraak van de H. Augustinus is samengevat in de beroemde spreuk die eeuwenlang in enkele woorden het katholieke geloof op dit punt heeft uitgedrukt: Roma locuta est, causa finita est. Rome heeft gesproken, de zaak is beslist.
De onfeilbaarheid van de Paus werd door het Vaticaans Concilie bepaald in de vierde zitting, hoofdstuk IV, op 18 juli van het jaar onzes Heren 1870. Zie The Vatican Decrees van Zijne Eminentie de kardinaal aartsbisschop van Westminster, Longmans, 1875. Met deze woorden: Itaque Nos traditioni a fidei Christianae exordio perceptae fideliter inhaerendo, ad Dei Salvatoris nostri gloriam, religionis Catholicae exaltationem et Christianorum populorum salutem, sacro approbante Concilio, docemus et divinitus revelatum dogma esse definimus: Romanum Pontificem, cum ex Cathedra loquitur, id est, cum omnium Christianorum Pastoris et Doctoris munere fungens, pro suprema sua Apostolica auctoritate doctrinam de fide vel moribus ab universa Ecclesia tenendam definit, per assistentiam divinam, ipsi in beato Petro promissam, ea infallibilitate pollere, qua divinus Redemptor Ecclesiam suam in definienda doctrina de fide vel moribus instructam esse voluit; ideoque ejusmodi Romani Pontificis definitiones ex sese, non autem ex consensu Ecclesiae irreformabiles esse.
Hier volgt de vertaling van deze bepaling uit het oorspronkelijke Latijn van de dogmatische constitutie die begint met Pastor Aeternus.
Daarom leren en bepalen Wij, trouw vasthoudend aan de Overlevering die vanaf het begin van het christelijk geloof is ontvangen, tot eer van God onze Zaligmaker, tot verheffing van de katholieke godsdienst en tot heil van het christenvolk, met goedkeuring van het heilig Concilie, dat het een door God geopenbaard dogma is: dat de Paus van Rome, wanneer hij ex cathedra spreekt, dat wil zeggen wanneer hij in de uitoefening van zijn ambt van Herder en Leraar van alle christenen krachtens zijn hoogste apostolische gezag een leer betreffende geloof of zeden bepaalt die door de gehele Kerk gehouden moet worden, door de goddelijke bijstand die hem in de zalige Petrus beloofd is, die onfeilbaarheid bezit waarmee de goddelijke Verlosser Zijn Kerk begiftigd wilde hebben bij het bepalen van de leer betreffende geloof of zeden, en dat daarom zulke bepalingen van de Paus van Rome uit zichzelf en niet krachtens de instemming van de Kerk onveranderlijk zijn.
Bijgevolg geloven katholieken dat de Paus onfeilbaar is wanneer hij de gelovigen ex cathedra onderricht, dat wil zeggen vanaf de Stoel van de H. Petrus, in zaken van geloof of zeden.
Het woord onfeilbaarheid, wanneer het op de Paus wordt toegepast, betekent dat hij, wanneer hij de gelovigen als hoofd van de Kerk onderricht op de wijze die in de zojuist aangehaalde bepaling is omschreven, in zulke gevallen door de bijzondere belofte en Voorzienigheid van God, die Zelf de enige bron van onfeilbaarheid is, wordt behoed voor een verkeerde verklaring van het Woord van God en voor het onderwijzen van dwaling.
Met ex cathedra onderrichten wordt bedoeld dat hij spreekt, niet als privaat theoloog of in een andere beperkte hoedanigheid, maar dat hij plechtig bepaalt in zijn hoedanigheid van opvolger van de H. Petrus en Herder van de universele Kerk.
De toevoeging van de woorden betreffende geloof of zeden betekent dat men gelooft dat de Paus alleen onfeilbaar is wanneer hij een leer betreffende geloof of zeden onderricht, dat wil zeggen in zaken die betrekking hebben op de geopenbaarde waarheid of op beginselen van zedelijk gedrag in het leven.
Deze beperkingen tonen aan dat katholieken volgens deze bepaling niet gehouden zijn te geloven dat de Paus niet kan dwalen in andere zaken dan geloof of zeden, of zelfs in zaken van geloof of zeden wanneer hij als privaat persoon spreekt en niet in zijn officiële hoedanigheid ex cathedra.
Het is hier van belang op te merken dat onfeilbaarheid, zoals katholieken die op de Paus toepassen, verschilt van onzondigbaarheid. Onfeilbaar betekent, wanneer het van mensen gezegd wordt, door God in bepaalde gevallen voor dwaling behoed. Onzondig betekent hetzij niet tot zonde in staat, zoals God, hetzij door God voor zondigen behoed.
De Paus is niet onzondig. Integendeel, iedere Paus kan in zonde vallen. Niettemin is iedere Paus onfeilbaar bij de verklaring van de Heilige Schrift, bij het bepalen, dat wil zeggen het in nauwkeurige woorden verklaren, van de geopenbaarde waarheid en bij het onderrichten van punten van geloof of zeden, wanneer hij dit alles ex cathedra doet.
Op enigszins vergelijkbare wijze kan in burgerlijke zaken een rechter in zijn privéleven laakbaar zijn en toch voortreffelijk en zonder gebrek zijn in zijn ambtelijke taak bij het beslissen van vraagstukken van burgerlijk recht.
Protestanten maken gemakkelijk deze tegenwerping: Hoe kan een zondig mens onfeilbaar zijn? Zij zouden zich er echter niet over moeten verwonderen dat de opvolger van de H. Petrus, hoewel hij zonde kan bedrijven, krachtens het almachtige gebed en de onfeilbare belofte van Jezus Christus onder bepaalde voorwaarden door de Heilige Geest wordt behoed voor het verkeerd verklaren van het Woord van God, wanneer zij in de Heilige Schrift zien dat zondige mensen, zoals Balaäm, Salomon en Jonas, ertoe gebracht zijn onfeilbaar te spreken of het Woord van God zonder enige dwaling op schrift te stellen. Caïphas was onrechtvaardig en toch werd hij door God geïnspireerd om onfeilbaar deze profetie uit te spreken: Het is nuttig voor u dat één mens sterft voor het volk. Johannes 11, 50. Waarover de Evangelist op dezelfde plaats opmerkt: En dit sprak hij niet uit zichzelf, maar daar hij dat jaar hogepriester was, profeteerde hij dat Jezus voor het volk zou sterven.
Ook waren vele schriftgeleerden en farizeeën zondig van levenswandel en toch zegt onze Heer met betrekking tot hen: De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Onderhoudt en doet daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken, want zij zeggen het en doen het niet. Mattheüs 23, 2. En de H. Petrus zelf wordt, hoewel hij een zondaar was, door christenen erkend als onfeilbaar in het onderrichten van de Kerk, zowel door het gesproken als door het geschreven woord.
Het lijkt nauwelijks consequent dat protestanten katholieken verwijten dat zij geloven dat de Paus de bijzondere bijstand van de Heilige Geest bezit, aangezien velen van hen zover gaan deze bijstand voor ieder afzonderlijk mens aan te nemen. Bovendien beschouwen die protestanten die menen dat zij bij de verklaring van de Schrift door de Heilige Geest worden bijgestaan, zichzelf door een vreemde inconsequentie niet als onfeilbaar. Zij erkennen immers dat zij kunnen dwalen, zichzelf kunnen tegenspreken en elkaar kunnen tegenspreken. Katholieken daarentegen houden, in overeenstemming met hun beginselen, dat de Paus, juist omdat hij door de Heilige Geest wordt bijgestaan wanneer hij de gehele Kerk, een deel daarvan of zelfs een enkel lid ervan ex cathedra onderricht in punten van geloof of zeden, binnen deze bepaalde grenzen niet kan dwalen in de verklaring van het Woord van God en noch zichzelf, noch het ex cathedra onderricht van een andere Paus, noch de dogmatische bepaling van een wettig samengesteld algemeen Concilie kan tegenspreken.
Hoofdstuk X. De rechtvaardiging
De rechtvaardiging is een goddelijke handeling waardoor de heiligmakende genade wordt meegedeeld en door deze genade een bovennatuurlijk leven aan de ziel wordt geschonken, die door de zonde, hetzij de erfzonde, hetzij een persoonlijke zonde, de geestelijke dood had opgelopen. De rechtvaardiging is dus een verandering of overgang van de staat van zonde naar de staat van genade.
Zij is een gave van de almachtige God, als het ware een straal die rechtstreeks uit de goddelijke goedheid voortkomt en de ziel vervult, waardoor degenen die haar ontvangen welgevallig worden aan God en voor Zijn aanschijn gerechtvaardigd zijn.
De genade van de rechtvaardiging brengt een verandering teweeg in de ziel van de wedergeborene, waardoor zij wordt verheven en vervolmaakt. In theologische termen is zij een inwonende en vormgevende hoedanigheid, waardoor zondaars werkelijk rechtvaardig worden en door Jezus Christus deelachtig worden aan de goddelijke natuur, 2 Petrus 1, 4, en kinderen Gods worden, 1 Johannes 3, 1. Door deze genade worden wij uit kinderen van de toorn kinderen van God, uit vijanden vrienden van God, uit zondaars rechtvaardigen en uit erfgenamen van de eeuwige dood erfgenamen van het eeuwige leven.
Van de zijde van de zondaar worden bepaalde voorwaarden vereist om geschikt te zijn deze blijvende en duurzame genade van de rechtvaardiging te ontvangen. Een mens kan zich alleen met behulp van de goddelijke genade voorbereiden en de gesteltenissen die hij toont, bewerken of verdienen de rechtvaardiging geenszins, maar dienen slechts om hem daarop voor te bereiden. Daarom worden zij eenvoudig gesteltenissen of voorbereiding genoemd. Dit is de leer van het Concilie van Trente, dat verklaart: Wij worden gezegd om niet gerechtvaardigd te worden, omdat niets van hetgeen aan de rechtvaardiging voorafgaat, hetzij geloof, hetzij goede werken, deze weldaad voor ons kan verdienen. Zitting VI, hoofdstuk VIII. Hetzelfde heilige Concilie verklaart dat de zonden om niet worden vergeven door de barmhartigheid van God, door de verdiensten van Jezus Christus. Zitting VI, hoofdstuk VII.
De voornaamste gesteltenissen die voor de rechtvaardiging vereist zijn, zijn de volgende akten, die slechts met de hulp van Gods dadelijke genade kunnen worden gesteld, namelijk een akte van geloof of geloof in de geopenbaarde waarheden, van vreze Gods, van hoop en van liefde, een akte van berouw over de begane zonden, met het voornemen de zonde voortaan te vermijden en de geboden te onderhouden, een verlangen het Doopsel te ontvangen voor hen die nog niet gedoopt zijn, en voor hen die na het Doopsel in zonde zijn gevallen, het voornemen tot het sacrament van Boetvaardigheid te naderen. Concilie van Trente, zitting VI, hoofdstuk VI.
De rechtvaardiging kan verloren worden door vrijwillig een gebod van God te overtreden, hetzij door te doen wat verboden is, hetzij door niet te doen wat geboden is. De rechtvaardiging is een talent of gave die, indien zij niet vruchtbaar wordt gemaakt, van ons zal worden weggenomen en wij zullen voor deze nalatigheid worden gestraft.
Door de rechtvaardiging worden wij verheven tot de waardigheid van kinderen Gods, erfgenamen van Zijn Koninkrijk, en dit legt ons de plicht op te handelen op een wijze die met zulk een hoge waardigheid overeenkomt. Indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden, zei onze Heer. Mattheüs 19, 17. Door de rechtvaardiging worden wij met Christus verenigd zoals een rank die aan een wijnstok groeit, maar indien de rank geen vrucht voortbrengt, zal zij worden afgesneden en in het vuur geworpen. Johannes 15, 5. Daarom wordt de genade van de rechtvaardiging door onze Zaligmaker niet met een vijver vergeleken, maar met een bron waarvan het water tot de hemel reikt: Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een bron van water dat opwelt ten eeuwigen leven. Johannes 4, 14.
De genade dwingt de vrije wil van de mens niet, maar eerbiedigt hem en laat de mens vrij om met haar mee te werken of niet. De genade vernietigt daarom onze vrije wil niet, maar helpt hem slechts, en onze eigen medewerking met de genade is vereist. God, die u zonder u geschapen heeft, zal u niet zonder u zalig maken, zegt de H. Augustinus, en in de Heilige Schrift wordt herhaaldelijk verklaard dat God aan ieder zal vergelden naar zijn werken.
Nadat wij gerechtvaardigd zijn, hebben wij voor het verrichten van ieder verdienstelijk goed werk nog steeds een andere genade nodig, die dadelijke genade wordt genoemd. De rechtvaardigende genade, die ook habituele genade wordt genoemd, is iets dat op zichzelf blijvend is. De dadelijke genade is iets voorbijgaands en strekt zich slechts uit tot afzonderlijke handelingen gedurende de tijd waarin zij nodig is. De dadelijke genade is een voorbijgaande, bovennatuurlijke, goddelijke hulp die ons verstand verlicht, onze wil beweegt en ons in staat stelt een afzonderlijke goede daad te verrichten, bijvoorbeeld een bovennatuurlijk geopenbaarde waarheid te aanvaarden of een goed werk te verrichten dat in de bovennatuurlijke orde als goed wordt beschouwd.
Wij hebben voortdurend dadelijke genaden nodig om goede daden te verrichten, zowel vóór als na de rechtvaardiging. De goede daden die vóór de rechtvaardiging met behulp van de genade worden verricht, zijn strikt genomen niet verdienstelijk, maar dienen om de weg naar de rechtvaardiging te effenen, om God, enkel door Zijn barmhartigheid en goedgunstigheid, ertoe te bewegen ons te helpen en ons beter voor die rechtvaardiging voor te bereiden. Maar wanneer goede werken worden verricht door iemand die gerechtvaardigd is, met de bijstand van de dadelijke genade, dan zijn zij aan God welgevallig en verdienen zij een vermeerdering van genade op aarde en een vermeerdering van heerlijkheid in de hemel. Daarom zegt de Apostel: God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk en de liefde die gij in Zijn naam hebt betoond zou vergeten. Hebreeën 6, 10.
Aan de H. Timotheüs schrijft hij dat voor hem een kroon der gerechtigheid was weggelegd en niet alleen voor hem, maar ook voor allen die Zijn komst liefhebben. 2 Timotheüs 4, 8. En in zijn tweede Brief aan de Korintiërs zegt hij: Want wij allen moeten verschijnen voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat hij door het lichaam heeft verricht, naargelang hij goed of kwaad heeft gedaan. 2 Korintiërs 5, 10.
Hoofdstuk XI. Hoe de Verlossing van Christus op de mensen wordt toegepast
Jezus Christus stierf voor het gehele menselijke geslacht. Hij stierf werkelijk opdat Hij voor allen de dood zou smaken. Hebreeën 2, 9. Toch weten wij dat niet alle mensen zalig zullen worden, maar alleen zij die Zijn wil volbrengen. Want wij lezen bij de H. Paulus dat Hij, nadat Hij tot volmaaktheid was gekomen, voor allen die Hem gehoorzamen de oorzaak van eeuwige zaligheid is geworden. Hebreeën 5, 9. Daarom wordt, niettegenstaande de Verlossing van Christus, in het Evangelie gezegd dat sommigen naar de eeuwige straf zullen gaan. Mattheüs 25, 46.
Alleen zij die hun klederen hebben gewassen in het Bloed van het Lam, dat wil zeggen zij op wie de verdiensten van Christus zijn toegepast en die tot het einde volharden in het onderhouden van hetgeen geboden is, zullen zalig worden.
De rechtstreekse middelen die Christus Zelf heeft ingesteld om Zijn oneindige verdiensten op de zielen van de mensen toe te passen, zijn de heilige sacramenten. Zij zijn als zoveel kanalen, door Jezus Christus ingesteld, om aan de mensen Zijn genade mee te delen, voor ons verworven tegen de prijs van Zijn allerheiligst Bloed. Met vreugde zult gij water putten uit de bronnen van de Zaligmaker. Isaias 12, 3.
Hoofdstuk XII. De heilige sacramenten
Met de woorden van onze catechismus: Een sacrament is een uitwendig teken van inwendige genade, door Christus ingesteld, waardoor genade aan onze zielen wordt geschonken. Meer volledig kan men zeggen dat een sacrament een uitwendig teken is van een overeenkomstige onzichtbare genade, door Jezus Christus ingesteld als een blijvend middel in de Kerk, dat krachtens de oneindige verdiensten van Christus de macht heeft aan de waardige ontvanger de genade mee te delen die het betekent.
De Katholieke Kerk leert dat er waarlijk en eigenlijk zeven, en slechts zeven, sacramenten van de Nieuwe Wet zijn, ingesteld door Jezus Christus onze Heer en noodzakelijk voor het heil van de mensheid, hoewel zij niet alle voor iedere persoon noodzakelijk zijn, zoals bijvoorbeeld het Priesterschap en het Huwelijk.
Deze zeven sacramenten zijn:
het Doopsel, waardoor wij christenen, kinderen Gods en leden van Zijn heilige Kerk worden;
het Vormsel, waardoor wij volmaakte christenen worden en kracht ontvangen om het geloof te belijden;
de Heilige Eucharistie, waarin wij het Lichaam en Bloed van Jezus Christus ontvangen tot voedsel van onze zielen;
de Boetvaardigheid, waardoor de zonden die na het Doopsel zijn bedreven worden vergeven;
het heilig Oliesel, dat de ziel sterkt en troost in ziekte en haar, indien God dit dienstig acht, ook lichamelijke gezondheid schenkt;
het Priesterschap, waardoor de bedienaren van de Kerk worden gewijd en de macht ontvangen hun heilige ambt uit te oefenen;
het Huwelijk, waardoor man en vrouw genade ontvangen om heilig samen te leven en hun kinderen christelijk op te voeden.
Hoofdstuk XIII. Het heilig Doopsel
Wij hebben bij de behandeling van de erfzonde gezien hoe het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid of genade een smet op de ziel van de mens veroorzaakt, die wij erfzonde noemen en die de ellende van de gevallen staat van de mens uitmaakt.
Het behoorde daarom tot het werk van onze Zaligmaker niet alleen onze Verlossing door Zijn dood op Calvarië te verwerven, maar ook op iedere mens de heilzame vrucht van Zijn Verlossing toe te passen door hem een gave te schenken die deze rampzalige toestand zou herstellen.
Jezus Christus past Zijn allerheiligst Bloed om niet toe, en niet wegens enige verdienste of enig werk van degene die het ontvangt, door hem in het Doopsel de rechtvaardigende genade te schenken, vergiffenis van de erfzonde en, in het geval van een volwassene, ook van persoonlijke zonden indien hij daaraan schuldig is en er berouw over heeft. De smetten van deze zonden worden in het heilig Doopsel afgewassen en hij wordt een vriend en kind van God en erfgenaam van het Koninkrijk der Hemelen.
Het Doopsel is een sacrament dat voor allen volstrekt noodzakelijk is en zonder hetwelk niemand het Koninkrijk Gods kan binnengaan, want Jezus Christus heeft gezegd: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand opnieuw geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien. Johannes 3, 5.
Daarom was het voor Saulus van Tarsus, die op de weg naar Damascus werd bekeerd, Handelingen 9, 18, en voor de kamerling van koningin Candace, die op de weg de diaken Philippus ontmoette, Handelingen 8, 38, niet voldoende te geloven. Zij moesten gedoopt worden om vergiffenis van hun zonden te verkrijgen en aldus op de weg van de zaligheid te komen. Daarom zeggen wij in de Geloofsbelijdenis van Nicea: Ik belijd één Doopsel tot vergiffenis van de zonden.
Deze heiligmakende genade is van zo groot belang dat God gewild heeft dat de mens overal de grootst mogelijke gelegenheid zou hebben haar te verkrijgen. In geval van nood kan daarom een leek, een vrouw of zelfs een kind het Doopsel toedienen door water over het hoofd van het kind of de volwassene te gieten en tegelijkertijd in welke taal dan ook te zeggen: Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
Het martelaarschap vervangt het Doopsel en wordt dan het Doopsel van bloed genoemd. God schenkt deze rechtvaardigende genade ook aan ieder die de noodzakelijke christelijke waarheden gelooft, oprecht naar het Doopsel verlangt en al het mogelijke doet om het te ontvangen, maar sterft voordat hij het kan ontvangen. Dit wordt het Doopsel van begeerte genoemd.
Het Doopsel kan, evenals het Vormsel en het Priesterschap, slechts eenmaal worden ontvangen, omdat ieder van deze sacramenten een merkteken of karakter in de ziel prent dat voor altijd blijft.
Om dit heilige Sacrament waardig en met vrucht te ontvangen, moeten volwassenen de noodzakelijke geloofsartikelen van het christelijk geloof geloven en belijden, vertrouwen op de barmhartigheid en de verdiensten van Christus en berouw hebben over hun zonden. Zij worden daarbij geholpen door de dadelijke genade, die God aan iedereen schenkt en zonder welke niemand ook maar één stap naar de hemel kan zetten.
In het Doopsel worden kleine kinderen gereinigd van de smet van de erfzonde, in Gods gunst opgenomen, tot leden van het mystieke Lichaam van Christus gemaakt en tot erfgenamen van het Koninkrijk der Hemelen. Zij worden aldus wedergeboren, dat wil zeggen, met de eigen woorden van onze Zaligmaker, opnieuw geboren uit water en de Heilige Geest. Johannes 3, 5. Zij hebben de smet van de erfzonde opgelopen zonder hun kennis en persoonlijke medewerking en zij worden zonder hun kennis van de zonde bevrijd. De gesteltenissen die van volwassenen worden vereist, worden van hen niet verlangd, want kleine kinderen zijn niet in staat tot enige verstandelijke handeling. Zoals kleine kinderen erfgenamen van goederen worden voordat zij in staat zijn ermee in te stemmen deze te ontvangen, zo worden kleine kinderen door het heilig Doopsel erfgenamen van de hemel voordat zij in staat zijn ermee in te stemmen gedoopt te worden. In beide gevallen wordt hun instemming terecht verondersteld.
Maar hoewel het Doopsel voldoende is om een kind in die staat van kindsheid zalig te maken, zal het Doopsel dat het ontvangen heeft, zodra het tot het gebruik van het verstand komt, op zichzelf niet voldoende zijn voor zijn zaligheid. Het moet bovendien de vereiste gesteltenissen bezitten, dat wil zeggen de voornaamste geloofsartikelen geloven en belijden, op God hopen en Hem met geheel zijn hart beminnen.
Dit betekent het stellen van wat akten van geloof, hoop en liefde worden genoemd. Voor de zonden die iemand sinds het Doopsel heeft bedreven, is bovendien een akte van berouw vereist.
Hoofdstuk XIV. Over de zonde. Aard en gevolgen van de zonde
De zonde is van tweeërlei aard, namelijk de erfzonde en de dadelijke zonde.
De erfzonde is die zonde die wij bij onze oorsprong of ontvangenis oplopen en die wij erven van onze eerste ouders Adam en Eva.
Dadelijke of persoonlijke zonde is iedere zonde die wij zelf bedrijven.
Daar wij de erfzonde reeds in het derde hoofdstuk hebben behandeld, zal ik hier alleen over de dadelijke zonde spreken.
Dadelijke zonde is iedere vrijwillige gedachte, ieder vrijwillig woord of iedere vrijwillige daad, of ieder vrijwillig verzuim, waardoor de wet van God wordt overtreden en God bijgevolg wordt beledigd.
Dadelijke of persoonlijke zonde is van tweeërlei aard, namelijk doodzonde of dagelijkse zonde. De H. Johannes spreekt van een zonde die niet tot de dood is en een zonde tot de dood. 1 Johannes 5, 16.
Doodzonde is een volledige overtreding van een gebod van God met volle kennis en welbewuste toestemming. Zij is een afwending van God, die het hoogste voorwerp van onze liefde behoort te zijn, en een toewending tot een schepsel in Zijn plaats. Zij is een zware belediging van God, waardoor wij Zijn vriendschap en Zijn genade verliezen, en dit verlies is de dood van de ziel. Daarom wordt zij doodzonde genoemd.
Dagelijkse zonde is ofwel een lichte overtreding van de wet, of zij kan in sommige gevallen een zware overtreding van de wet zijn, die echter licht wordt in de persoon die haar bedrijft wegens gebrek aan voldoende kennis, overleg of vrijheid.
Dagelijkse zonde is geen volledige verbreking van de wet, maar een neiging tot het verbreken ervan. Zij is geen volkomen afkeren van God, maar een zijdelings afwijken of een verzwakking van onze gerichtheid op Hem als het hoogste voorwerp van onze verlangens of ons laatste doel. Zij is niet het verlaten van God voor een schepsel, maar in zekere mate een toegeven aan geschapen dingen terwijl men toch aan God gehecht blijft. Zij is een zonde die God niet zwaar beledigt zoals de doodzonde dat doet.
Dagelijkse zonde is weliswaar een belediging van God, maar veroorzaakt niet het verlies van Gods vriendschap en evenmin het verlies van de rechtvaardigende genade, zoals de doodzonde dat doet. Zij vermindert echter Gods liefde jegens ons en belemmert de toevloed van Zijn uitgelezen gaven en dadelijke genaden. Kortom, zij brengt de ziel niet, zoals de doodzonde, de dood toe, maar een wond die bij hen die goed gestemd zijn gemakkelijk wordt genezen. Zij veroorzaakt een smet en schuld in de ziel waarvoor wij gemakkelijk vergiffenis kunnen verkrijgen en daarom wordt zij dagelijkse zonde genoemd.
* Anima amissa mors est corporis, Deus omissus mors est animae. De verloren ziel is de dood van het lichaam, het verlies van God is de dood van de ziel. H. Augustinus, Sermo 28.
Uit deze eenvoudige uiteenzetting van het verschil tussen doodzonde en dagelijkse zonde volgt dat, indien wij zorgvuldig de dagelijkse zonde moeten vermijden omdat zij altijd een belediging van God is, wij des te zorgvuldiger en met afschuw de doodzonde moeten vermijden, die God zwaar beledigt, de dood van de ziel veroorzaakt en eeuwige straf verdient.
Doodzonde is onvergelijkelijk verschrikkelijker dan dagelijkse zonde. Geen enkel aantal dagelijkse zonden kan immers de boosheid en schuld van één doodzonde bereiken. Alle lichamelijke kwalen in de wereld zijn niets vergeleken met het kwaad van de doodzonde. Doodzonde is het grootste van alle kwaden. Zij is op zichzelf zo afschuwelijk en verfoeilijk dat zij, zelfs indien er geen hel bestond om haar te straffen, vermeden zou moeten worden wegens haar eigen afzichtelijkheid.
Om hiervan een duidelijker denkbeeld te geven, zal ik enkele punten aanstippen die de zware boosheid van de doodzonde en haar droevige gevolgen voor de ziel aantonen.
De zwaarte van een belediging neemt toe naarmate de waardigheid groter is van de persoon die beledigd wordt en naarmate de aanspraken groter zijn die deze persoon op onze liefde en dienst heeft.
Wanneer wij dit beginsel toepassen, volgt daaruit dat de doodzonde, die een zware belediging is van God, die oneindig verheven is boven het hoogste van Zijn schepselen en wiens aanspraak op onze liefde alle andere aanspraken oneindig overtreft, een onvergelijkelijk grotere belediging is dan een belediging van enig schepsel en een oneindige boosheid openbaart.
De zonde staat bovendien in de grootst mogelijke tegenstelling tot God.
| God | Zonde |
| God is de goedheid zelf | Zonde is het ontbreken van alle goed |
| God is de wezenlijke orde | Zonde is volkomen wanorde |
| God is het hoogste goed | Zonde is volstrekt kwaad en verderf |
| God is de wezenlijke schoonheid | Zonde is monsterlijke misvorming |
| God is zichzelf mededelende liefde | Zonde is bekrompen, lage zelfzucht |
| God is de wezenlijke wijsheid | Zonde is blinde dwaasheid |
| God is gerechtigheid en heiligheid | Zonde is ongerechtigheid en boosheid |
| God is het eeuwige leven | Zonde is de eeuwige dood |
| God is onverwelkelijke heerlijkheid | Zonde is eindeloze schande |
Daarom is de doodzonde noodzakelijkerwijs oneindig hatelijk voor God en straft Hij haar eeuwig. Met andere woorden, God eist voor de zonde volledige genoegdoening. De liefde die God noodzakelijkerwijs voor Zichzelf heeft als het oneindig volmaakte Wezen, is de reden en de maat van de afkeer die Hij van de zonde heeft.
De zonde is een verlaten van God. Weet en zie dat het kwaad en bitter voor u is de Heer uw God verlaten te hebben. Jeremias 2, 19. En Mozes zegt tot de zondaar: Gij hebt de God verlaten die u verwekte en de Heer vergeten die u geschapen heeft. Deuteronomium 32, 18.
Doodzonde is een afwending van God en een gehechtheid aan iets geschapens in Zijn plaats. Zij is een verschrikkelijke wanorde. Zij bestaat daarin dat men zijn goed stelt in een geschapen voorwerp in plaats van het te stellen in God, die de oceaan is van alle goedheid, schoonheid, geluk en heerlijkheid.
Doodzonde verjaagt God uit de ziel. Isaias zegt: Maar uw ongerechtigheden hebben een scheiding gemaakt tussen u en uw God. Isaias 59, 2. Zij ontneemt God Zijn troon in het hart van de mens.
Zij is een onrechtvaardigheid, want daardoor weigert de mens aan God te geven wat hij Hem uit vele hoofden verschuldigd is. Daarom wordt de zonde in de Heilige Schrift dikwijls ongerechtigheid genoemd, dat wil zeggen onrechtvaardigheid.
Doodzonde is een daad van ongehoorzaamheid, een opstand, een openlijke rebellie tegen God. Gij hebt Mijn juk verbroken, zegt de Heer. Jeremias 2, 20. Gij hebt Mijn banden verscheurd en gij hebt gezegd: Ik zal niet dienen.
Zij is een lage verachting van God, van Zijn gezag, majesteit en vriendschap. Zij verkiest de slavernij van de duivel boven de heerlijke dienst van God. Wie zonde bedrijft, zegt de H. Johannes, is uit de duivel. 1 Johannes 3, 8.
Zij is een vermetele belediging die hij die slechts stof en as is, aandoet aan een Wezen dat oneindig groot, oneindig machtig, oneindig wijs, oneindig goed en oneindig heilig is.
Zij is een zwarte ondankbaarheid van de mens jegens zijn grootste Weldoener, zijn Schepper en Verlosser, die hem met natuurlijke en bovennatuurlijke gaven heeft overladen. Zij onteert het beeld van God in de ziel en werpt het neer in het slijk van hartstocht en ondeugd.
Zij is in werkelijkheid het verkiezen van ellende boven gelukzaligheid, de hel boven de hemel en Satan boven God. Met wie hebt gij Mij vergeleken? zegt de Heer. Isaias 46, 5. Met een lage hartstocht waarvoor gij u schaamt, met een gering genoegen dat zo snel voorbijging, met een weinig goud dat in uw handen is weggesmolten. Verwondert u hierover, o hemelen. Want Mijn volk heeft twee kwaden bedreven. Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten en voor zichzelf bakken uitgegraven, gebroken bakken die geen water kunnen houden. Jeremias 2, 12 en 13.
Door de zonde beledigt de mens God in al Zijn hoedanigheden. Hij beledigt Hem als Schepper door tegen Zijn hoogste heerschappij in opstand te komen, als Wetgever door Zijn wetten te overtreden, als Verlosser door Zijn genade te verachten, als Vriend door Zijn vijandschap op te wekken, als Vader door Zijn liefdevol gezag te weerstaan en als Koning door Hem uit het bezit van zijn hart te verdrijven.
Door de zonde beledigt de mens op bijzondere wijze ieder van de drie goddelijke Personen. God de Vader, wiens aangenomen kindschap hij verloochent. God de Zoon, wiens Bloed hij vruchteloos maakt en met voeten treedt en die hij volgens de H. Paulus opnieuw kruisigt. God de Heilige Geest, van wie gezegd wordt dat hij Hem bedroeft, weerstaat en uitblust.
Laten wij nu enkele van de kwade gevolgen bezien die de doodzonde in de ziel voortbrengt.
Doodzonde doet de mens de vriendschap van God verliezen.
Zij verandert God van een vriend in een vijand.
Zij vernietigt de schoonheid van de ziel en bedekt haar met een afzichtelijke melaatsheid.
Zij verlaagt en vernedert de mens zozeer dat zij hem ertoe brengt het geluk te zoeken in modderige wateren en zich te voeden met schillen die alleen voor zwijnen geschikt zijn. Hoe buitengewoon laag zijt gij geworden door steeds dezelfde wegen te gaan, zegt God bij Jeremias. Jeremias 2, 36.
Zij maakt de mens nog lager dan de redeloze dieren zelf. De mens, toen hij in ere was, heeft het niet begrepen. Hij is vergeleken met redeloze dieren en is hun gelijk geworden. Psalm 48, 13.
Zij laat een afzichtelijke smet in de ziel achter, misvormt haar en maakt haar verfoeilijk in de ogen van de hemel. Eén enkele doodzonde in gedachten veranderde duizenden schitterende engelen in afzichtelijke demonen.
Doodzonde verspreidt bitterheid, wroeging, schaamte, onrust en vrees in de ziel. Zij is een vergif dat het geweten kwelt en verderf teweegbrengt. Waarmee een mens zondigt, daarmee wordt hij ook gestraft. Wijsheid 11, 17.
Door de doodzonde verliest de mens het recht op zijn hemelse erfenis.
Doodzonde dooft de rechtvaardigende genade in de ziel geheel uit.
Zij vernietigt de waarde van alle reeds verworven verdiensten. Al zijn gerechtigheden die hij gedaan heeft, zullen niet in herinnering komen. Ezechiël 18, 24.
Zij ontneemt de ziel alle vermogen om te verdienen.
Zolang iemand in een staat van doodzonde blijft, zijn alle goede werken die hij verricht nutteloos om enige beloning in de hemel te verkrijgen. De H. Paulus schrijft: Indien ik de liefde niet heb, ben ik niets. 1 Korintiërs 13, 2.
Zij maakt de mens tot slaaf van de zonde en van zijn kwade begeerten. Romeinen 6, 16. Zijn hartstochten heersen als tirannen over hem. Onze Heer zegt eveneens: Al wie zonde bedrijft, is slaaf van de zonde. Johannes 8, 34.
Door de zonde verkoopt de mens zichzelf en maakt hij zichzelf tot slaaf van de duivel. Wie zonde bedrijft, is uit de duivel. 1 Johannes 3, 8.
Doodzonde veroorzaakt de dood van de ziel. Alle ongerechtigheid, zegt Ecclesiasticus, is als een tweesnijdend zwaard, Ecclesiasticus 21, 4, waarmee een mens God aanvalt en tegelijkertijd zijn eigen ziel doodt. In hetzelfde boek Ecclesiasticus lezen wij: Haar tanden, namelijk die van de zonde, zijn leeuwentanden die de zielen van de mensen doden. Ecclesiasticus 21, 3. En bij de H. Jacobus staat: Maar de zonde, wanneer zij voltooid is, baart de dood. Jacobus 1, 15.
Ten slotte sluit de doodzonde de poorten van de hemel en brengt zij, indien zij vóór de dood niet wordt vergeven, de straf mee van het eeuwige vuur, dat bereid is voor de duivel en zijn engelen. Mattheüs 25, 41.
Door Uw grote barmhartigheid, o God, en door de verdiensten van Jezus Christus, vergeef ons onze zonden. Van alle zonde, Heer Jezus, verlos ons.
Hoofdstuk XV. Het sacrament van de Biecht
De mens blijft, ook nadat hij is wedergeboren en gerechtvaardigd, vatbaar om in zonde te vallen vanwege de verdorvenheid van zijn gevallen natuur en ook vanwege de vele bekoringen die hem omringen. Daarom heeft onze liefdevolle Heer in Zijn oneindige Barmhartigheid een ander Sacrament ingesteld voor de vergeving van zonden die na het Doopsel zijn bedreven. Dit is het sacrament van Boetvaardigheid, waarin door de absolutie van de priester, verbonden met het berouw, de belijdenis en de voldoening van de boeteling, zijn zonden door God worden vergeven.
Voldoening betekent het volbrengen van de boete die de priester in de biecht oplegt, het herstellen van de gegeven ergernis, indien daarvan sprake was, en het teruggeven van het bezit en de goede naam aan onze naaste indien wij hem daarin hebben benadeeld.
De almachtige God kan zeker, indien het Hem behaagt, een mens machtigen om in Zijn Naam zonden te vergeven. Dat Hij bepaalde mensen werkelijk heeft gemachtigd zonden te vergeven, blijkt duidelijk uit hetgeen onze Zalige Heer tot Zijn Apostelen heeft gezegd en in de personen van de Apostelen tot hun wettige opvolgers tot het einde van de wereld: Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u. Toen Hij dit gezegd had, blies Hij over hen en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden gij zult vergeven, hun zijn zij vergeven, en wier zonden gij zult behouden, hun zijn zij behouden. Johannes 20, 21 tot 23.
Deze goddelijke opdracht om in de Naam van Christus zonden te vergeven is altijd verstaan volgens de natuurlijke en duidelijke betekenis van de zojuist aangehaalde woorden van de H. Johannes, namelijk dat God bepaalde mensen heeft gemachtigd om in Zijn Naam vergeving van zonden te schenken en ook te onthouden. Deze woorden zijn vanaf de tijd van de Apostelen tot heden aldus verstaan door de Katholieke Kerk en zijn eveneens aldus verstaan door de Griekse en andere oosterse schismatieke kerken.
Het is natuurlijk altijd God die vergeeft wanneer vergeving wordt geschonken door tussenkomst of bediening van een priester die als dienaar van God handelt. Zoals het in het heilig Doopsel God is die vergeeft, maar door middel van de bedienaar die dit Sacrament van wedergeboorte toedient, want of het nu Paulus of Cephas is die doopt, het is altijd Jezus Christus die doopt, zo is het ook in het sacrament van Boetvaardigheid. Wanneer de priester vergeeft, is het God die vergeeft door Zijn aangestelde en bevoegde dienaar.
Uit de zojuist aangehaalde woorden van de H. Johannes blijkt duidelijk dat de priester krachtens de opdracht van Christus soms moet vergeven en soms moet behouden, dat wil zeggen de vergeving van zonde moet onthouden. Daarom is het noodzakelijk dat de boetvaardige zondaar in de biecht de toestand van zijn geweten aan de priester bekendmaakt, opdat de priester met kennis en voorzichtigheid de absolutie kan geven of onthouden en haar niet ten onrechte of op goed geluk schenkt of weigert, hetgeen Jezus Christus nooit bedoeld kan hebben.
De priester die geroepen is het sacrament van Boetvaardigheid te bedienen en zonden te vergeven, moet immers beoordelen of de persoon die als boeteling tot hem komt werkelijk schuldig is aan zonde of niet, of, indien hij schuldig is, de zonde zwaar of dagelijks is, of herstel jegens een naaste vereist is of niet. Hij moet beoordelen welk onderricht, welke vermaning, raad of boete noodzakelijk is. Hij moet zich een oordeel vormen of de boeteling al dan niet de gesteltenissen bezit die hem geschikt maken om de absolutie te ontvangen.
Kortom, de priester is in de rechtbank van de boete een rechter en als zodanig moet hij in de regel volledige kennis hebben van de zaak waarover hij uitspraak moet doen. Deze kennis kan hij alleen van de boeteling zelf verkrijgen.
Dat het goed is onze zonden te belijden blijkt uit de volgende plaatsen van de Heilige Schrift: Wie zijn zonden verbergt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en verlaat, zal barmhartigheid verkrijgen. Spreuken 28, 13. De H. Jacobus schrijft: Belijdt daarom elkander uw zonden. Jacobus 5, 16. Indien een openlijke belijdenis goed is voor de ziel, hoeveel voordeliger is het dan niet te biechten aan een priester die van God de macht heeft onze zonden te vergeven. Wij moeten de schaamte verdragen onze wonden, kneuzingen en etterende zweren te tonen indien wij genezen willen worden. Ons vernederen is enige vergoeding voor het kwaad dat wij hebben bedreven. Het behaagt God en verkrijgt voor ons vele grote zegeningen.
Hoofdstuk XVI. De Heilige Eucharistie
De Heilige Eucharistie is het ware Lichaam en Bloed van Jezus Christus onder de uiterlijke gedaanten van brood en wijn.
Dit Sacrament overtreft alle andere Sacramenten in verhevenheid, omdat dit allerheiligste Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn, en onder elk van deze gedaanten of species, dat wil zeggen onder de species van brood en onder de species van wijn, werkelijk, waarachtig en wezenlijk, hoewel niet waarneembaar voor onze zintuigen, het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus bevat, tezamen met Zijn ziel en godheid, die onmogelijk ooit van Zijn Lichaam en Bloed kunnen worden gescheiden.
Onze Zaligmaker zei: Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank. Johannes 6, 56. En toen Hij dit Sacrament instelde, zei Hij: Dit is Mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot Mijn gedachtenis. Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed, dat voor u vergoten zal worden. Lucas 22, 19 en 20.
De woorden Doet dit tot Mijn gedachtenis mogen niet worden opgevat als een bezwaar tegen de werkelijke tegenwoordigheid van onze Heer in dit allerheiligste Sacrament. Bij een feestmaal ter gedachtenis aan een veldslag maakt de aanwezigheid van de overwinnaar de gedachtenis niet onmogelijk, maar juist treffender. Men kan eveneens zeggen dat de tegenwoordigheid van Jezus Christus in dit allerheiligste Sacrament de gedachtenis aan Zijn dood levendiger maakt.
De verandering of overgang van de ene substantie in een andere wordt transsubstantiatie genoemd. Het naast elkaar bestaan van de ene substantie met een andere wordt consubstantiatie genoemd.
Om het woord transsubstantiatie beter te begrijpen, is het goed op te merken dat bij alle lichamen twee dingen onderscheiden moeten worden: ten eerste de uiterlijke verschijningsvorm, zoals smaak, geur, vorm en kleur, en ten tweede de stof of substantie waarin deze hoedanigheden aanwezig zijn. De waarneembare hoedanigheden zijn voorwerpen van kennis die wij door het getuigenis van onze zintuigen kunnen verkrijgen, maar van de aard of elementaire structuur van de innerlijke substantie kunnen wij ons geen voorstelling vormen. Zij ligt buiten het bereik van de wetenschap en van ons begripsvermogen.
Wanneer in iets een verandering van substantie plaatsvindt waarbij alle uiterlijke gedaanten blijven zoals zij tevoren waren, maar alleen de innerlijke, niet waarneembare substantie geheel wordt veranderd, wordt dit transsubstantiatie genoemd. Transsubstantiatie is dus de volledige verandering van de innerlijke, niet waarneembare substantie, terwijl alle uiterlijke gedaanten van die substantie onveranderd blijven zoals zij tevoren waren.
De Katholieke Kerk leert dat vóór de consecratie hetgeen op het altaar brood en wijn schijnt te zijn, brood en wijn is, en dat na de consecratie van dat brood en die wijn hetgeen nog steeds brood en wijn schijnt te zijn, niet langer brood en wijn is, maar het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Iets blijft, namelijk de gedaanten of species van brood en wijn, en iets wordt veranderd, namelijk de substantie van dat brood en die wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. Deze innerlijke verandering wordt door katholieken transsubstantiatie genoemd.
Katholieken geloven dat in de Heilige Eucharistie transsubstantiatie en niet consubstantiatie plaatsvindt, om de eenvoudige reden dat onze Zaligmaker bij het Laatste Avondmaal niet zei: Hierin of hiermee is Mijn Lichaam. Hierin of hiermee is Mijn Bloed. Maar Hij zei: Dit is Mijn Lichaam. Dit is Mijn Bloed. Deze woorden houden in hun natuurlijke betekenis een verandering van substantie in, want indien hetgeen Jezus in Zijn handen hield werkelijk Zijn Lichaam en Zijn Bloed was, moest het opgehouden hebben de substantie van brood en wijn te zijn.
En dit blijkt nog duidelijker uit het Nieuwe Testament zoals het in het Syro Chaldeeuws, Grieks en Latijn is geschreven, waarin het woord dit in de uitdrukking Dit is Mijn Lichaam onzijdig is en niet kan verwijzen naar brood, dat in die talen van het mannelijk geslacht is, zodat volgens de kracht van deze talen de enige duidelijke betekenis is: dit wat Ik u geef, is Mijn Lichaam.
Men zou kunnen tegenwerpen dat indien het voornaamwoord dit naar het Lichaam verwijst, er sprake is van tautologie of loutere herhaling van hetzelfde, alsof er gezegd werd: Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam.
Maar hier is geen sprake van herhaling. Van herhaling is sprake wanneer het onderwerp en het gezegde, dat wil zeggen hetgeen van het onderwerp wordt gezegd, niet alleen hetzelfde betekenen, maar ook op dezelfde wijze worden uitgedrukt, en niet wanneer zij verschillend worden uitgedrukt. Zo zou het een tautologie of herhaling van hetzelfde zijn te zeggen: een redelijk dier is een redelijk dier. Maar indien men zou zeggen: een mens is een redelijk dier, zou dit, hoewel redelijk dier en mens hetzelfde zijn, geen tautologie zijn, maar een juiste uitspraak.
In de twee uitspraken Dit is Mijn Lichaam en Dit is Mijn Bloed, in katholieke zin opgevat, is dus geen sprake van tautologie, omdat het onderwerp, namelijk het woord dit, op geheel andere wijze wordt uitgedrukt dan de woorden Mijn Lichaam en Mijn Bloed, die ieder het gezegde vormen.
Indien wij deze uitdrukkingen zouden uitleggen als Dit brood is Mijn Lichaam en Deze wijn is Mijn Bloed, zou dit een regelrechte tegenspraak zijn. En indien wij deze uitdrukkingen zouden forceren tot de betekenis In dit brood is Mijn Lichaam en In deze wijn is Mijn Bloed, zou dit de tekst openlijk geweld aandoen.
In transsubstantiatie geloven betekent dus eenvoudigweg de uitspraak van Christus zonder tegenspraak, zonder naar een uitweg te zoeken en zonder twijfel geloven. Wanneer Christus verklaart Dit is Mijn Lichaam en Dit is Mijn Bloed, antwoordt men met de eenvoud van het geloof: Ja, Heer, ik geloof wat Gij zegt. Het is Uw Lichaam, het is Uw Bloed.
De transsubstantiatie vindt plaats wanneer de door Christus gebruikte en voorgeschreven consecratiewoorden Dit is Mijn Lichaam en Dit is Mijn Bloed over de elementen van brood en wijn in het Heilig Misoffer worden uitgesproken door een geldig gewijde priester.
Allen die in staat zijn in dit heilige Mysterie onderricht te worden, zijn door het gebod van Christus verplicht dit aanbiddelijke Sacrament te ontvangen. De Katholieke Kerk staat de gelovigen toe en raadt hun zelfs aan de Heilige Eucharistie dagelijks te ontvangen, maar gebiedt de ontvangst ervan ten minste eenmaal per jaar.
Dit plechtige gebod berust op de woorden van Jezus Christus: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij gij het Vlees van de Mensenzoon eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven niet in u hebben. Johannes 6, 54.
Hoofdstuk XVII. Het heilig Misoffer
Het offer is de hoogste daad van godsdienst, omdat de andere plechtigheden waarmee wij God vereren ook, hoewel in beperkte zin, gebruikt kunnen worden ter ere van de engelen, de heiligen, koningen en andere hooggeplaatste personen, terwijl het offer zo uitsluitend aan God alleen verschuldigd is dat het alleen aan Hem kan worden opgedragen. Het natuurlijke doel van het offer is immers door de vernietiging of een aanmerkelijke verandering van het offerlam de opperste heerschappij over de schepping uit te drukken, die aan God alleen toekomt.
Vanaf het begin van de wereld waren de dienaren van God gewoon offers op te dragen aan de allerhoogste God. En in alle oude godsdiensten, ware of valse, werd deze offerdienst steeds beschouwd als de plechtigste daad van godsdienst.
Het was daarom passend dat, zoals er onder de natuurwet en onder de Mozaïsche Wet offers bestonden die door de Almachtige waren ingesteld, er ook onder de Wet van genade een voortdurend offer zou zijn waardoor God op een Hem waardige wijze vereerd kon worden, naast het ene Offer dat door onze Heer Jezus Christus op de Calvarieberg werd opgedragen.
Zoals de bloedige offers van de Oude Wet voorafbeeldingen waren van het Offer dat Christus op Calvarië opdroeg met de vergieting van Zijn allerheiligst Bloed, zo waren de offers van de Oude Wet waarbij geen bloed werd vergoten voorafbeeldingen van een ander Offer in de Nieuwe Wet, dat eveneens zonder bloedvergieting zou worden opgedragen.
De profeet Malachias voorspelde in duidelijke woorden dit dagelijkse Offer van de Nieuwe Wet toen hij zei: Want van de opgang der zon tot haar ondergang is Mijn Naam groot onder de heidenen en op iedere plaats wordt geofferd en aan Mijn Naam een reine offerande opgedragen, want Mijn Naam is groot onder de heidenen, zegt de Heer der heerscharen. Malachias 1, 11.
Wat redelijkerwijze te verwachten was, wat door de voorafbeeldingen van het Oude Testament werd aangeduid en bovendien zelfs was voorzegd, heeft onze Heer Jezus Christus bij het Laatste Avondmaal verwezenlijkt. Want de Heilige Eucharistie die Hij toen instelde, is niet alleen een Sacrament maar ook een waar Offer, dat toen door Jezus Christus Zelf aan Zijn eeuwige Vader werd opgedragen en dat ook dagelijks door Hemzelf door de bediening van de priester wordt opgedragen telkens wanneer de priester aan het altaar de Heilige Mis opdraagt, waarbij de aanwezige gelovigen zich met de offerande verenigen.
Het heilig Misoffer is een gedachtenisoffer en werd als een waar Offer beschouwd door de Apostelen en hun opvolgers, ja door de gehele Katholieke Kerk in alle eeuwen. Het wordt nog steeds als zodanig beschouwd door alle oude schismatieke kerken die zich tussen de vijfde en de negende eeuw van de Rooms Katholieke Kerk hebben afgescheiden en die tot op heden het Misoffer als een instelling van Christus hebben bewaard.
Voor de voltrekking van een gedachtenisoffer is het werkelijk doden van het offerlam niet noodzakelijk, maar slechts de werkelijke tegenwoordigheid van het offerlam, vergezeld van een mystieke dood, dat wil zeggen van een zodanige aanmerkelijke verandering in hetgeen wordt opgedragen dat deze de dood kan voorstellen.
Jezus Christus sterft nu niet meer, Romeinen 6, 9, en toch draagt Hij Zichzelf aan Zijn eeuwige Vader op als iemand die gestorven is hoewel Hij leeft, een Lam, staande als geslacht, Apocalyps 5, 6, terwijl Hij voortdurend aan God de Vader Zijn vijf allerheiligste wonden toont, de tekenen van Zijn offerdood op Calvarië. Evenzo verhindert het feit dat Jezus Christus eenmaal gestorven is en nooit meer zal sterven niet dat Hij in het heilig Misoffer als een waar Offerlam wordt opgedragen met slechts een mystieke offerdood.
Sommige offers van de Oude Wet waren van deze aard, zoals bijvoorbeeld het voorafbeeldende offer van Isaäk door Abraham en het offer van de mus. Daarover lezen wij in het boek Leviticus: De andere levende mus zal hij met het cederhout, het scharlaken en de hysop dopen in het bloed van de mus die geofferd is. Hij zal de levende mus laten wegvliegen. Leviticus 14, 6. Een ander voorbeeld is de zondebok, Azazel, die levend voor de Heer werd gesteld, opdat men gebeden over hem zou uitstorten en hem vervolgens de woestijn in zou zenden. Leviticus 16, 8.
Bovendien bestaan er offers van levenloze dingen waarbij een werkelijke dood onmogelijk is. Zo waren de toonbroden, die in Leviticus het allerheiligste van de offers van de Heer volgens een altijddurende inzetting worden genoemd. Leviticus 24, 9. Van dezelfde aard waren de offers die in het tweede hoofdstuk van Leviticus worden beschreven, waar bevolen wordt dat een handvol van het meel dat door het volk werd aangeboden, door de priester als offer op het altaar zou worden opgedragen en daar door de priester Aäron of zijn zonen zou worden verbrand.
Dit soort offer werd door de Joden als een waar offer beschouwd en Mincha genoemd. Dit woord wordt door de Zeventig Vertalers in de Griekse vertaling die de Septuaginta wordt genoemd en door de Latijnse Vulgaat eenvoudigweg met Offer vertaald.
Het is nu duidelijk dat bij dit soort offer noch een werkelijke noch zelfs een mystieke dood plaatsvond, maar alleen een zeer aanmerkelijke verandering, hetgeen voldoende is voor het wezen van een offer.
In de Heilige Eucharistie is het Offerlam, namelijk Jezus Christus, werkelijk tegenwoordig. Daarom kan Hij worden opgedragen en wordt Hij werkelijk als een Offerande aan Zijn eeuwige Vader opgedragen. Hoewel de dood van het Offerlam niet werkelijk plaatsvindt, geschiedt zij toch op mystieke wijze. Het Lichaam van Christus wordt tegenwoordig gesteld alsof het van het Bloed gescheiden is, daar door de kracht van de consecratiewoorden eerst het Lichaam van Christus tegenwoordig wordt gesteld onder de gedaante van brood en vervolgens Zijn Bloed tegenwoordig wordt gesteld onder de gedaante van wijn. Deze mystieke dood door de schijnbare scheiding van het Bloed van het Lichaam van Christus vormt, samen met de werkelijke offerande van Jezus Christus, die onder iedere gedaante werkelijk, levend en geheel tegenwoordig is, een waar Offer ter gedachtenis aan het Offer van het Kruis.
Deze dubbele consecratie is door de instelling van Christus zo wezenlijk voor de offerhandeling dat, indien alleen het brood of alleen de wijn zou worden geconsacreerd, onze Heer tegenwoordig zou zijn, maar niet als Offer, omdat in dat geval de mystieke offerdood onvolledig zou zijn.
Jezus Christus wordt door de koninklijke Psalmist genoemd een Priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech, Psalm 109, 4, omdat het enige offer dat Melchisedech als priester van de allerhoogste God, Genesis 14, 18, opdroeg, dat van brood en wijn was. Dit was geen rechtstreekse voorafbeelding van het op Calvarië met bloedvergieting opgedragen Offer, maar van het Misoffer, dat onder de gedaanten van brood en wijn zonder bloedvergieting wordt opgedragen en voor altijd wordt opgedragen, de reine offerande waarvan de profeet Malachias spreekt. Malachias 1, 11.
Het schijnt duidelijk dat ook met betrekking tot het Misoffer door de H. Paulus melding wordt gemaakt van een altaar dat tot de christelijke bedeling behoort, daar een altaar altijd een offer aanduidt. Hebreeën 13, 10.
Het heilig Misoffer verschilt in wezen niet van het Offer dat op de Calvarieberg werd opgedragen. De beide Offers zijn wezenlijk hetzelfde, want zowel op Calvarië als in de Mis vinden wij hetzelfde Offerlam en dezelfde voornaamste Offerande, Jezus Christus, hoewel de wijze van offeren verschillend is. Het is een herhaling van hetzelfde Offer, maar op mystieke wijze, dat wil zeggen zonder lijden, bloedvergieting of werkelijke dood van het werkelijk tegenwoordige Offerlam, behalve in verschijningsvorm, en opgedragen door dezelfde Hogepriester Jezus Christus. Daarom zegt de priester op het ogenblik van de consecratie niet: Dit is het Lichaam van Christus, maar handelend in de Persoon van Christus zegt hij: Dit is Mijn Lichaam, overeenkomstig het goddelijke bevel Doet dit, of zoals deze woorden ook weergegeven zouden kunnen worden: Offert dit. Vanwege dit Offer dat dagelijks door Christus op onze altaren wordt opgedragen, wordt Hij genoemd een Priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech. Psalm 109, 4. Hebreeën 7, 17.
Hoofdstuk XVIII. Het heilig Misoffer dient om de Verlossing van Christus op de mensen toe te passen
De H. Paulus verklaart dat Christus Zichzelf slechts eenmaal heeft geofferd, waarmee hij bedoelt door lijden, bloedvergieting en dood, daar hij de offerande van Christus vergelijkt met de dierlijke slachtoffers van de Oude Wet, die werden geofferd door een werkelijke vernietiging van hun dierlijk leven.
Er is niets in de Mis dat tegen deze leer van de H. Paulus ingaat. Integendeel, de Mis is een voortdurend getuigenis van het feit van die ene bloedige dood. Zij is een van de treffendste getuigenissen die wij kunnen geven dat Christus voor de wereld gestorven is. Er kan geen duidelijker getuigenis zijn van de ene dood van het ene Offerlam dan het heilig Misoffer, die verheven handeling die, door Christus Zelf ingesteld, de dood des Heren verkondigt totdat Hij komt, een dood zonder welke de Mis noch betekenis noch bestaan zou hebben.
Wat is dan het voornaamste doel van de Mis? Het voornaamste doel van het heilig Misoffer is de verdiensten en genaden die het Kruisoffer reeds voor de gehele mensheid heeft verworven en bereid, daadwerkelijk toe te passen op de zielen van afzonderlijke mensen. Het is een kanaal of een secundaire bron van de vruchten van de Verlossing, niet de oorspronkelijke bron. Het voegt geen waarde of verdienste toe aan het Offer van Christus dat eens voor allen op Calvarië werd opgedragen. Het is geen offer dat geheel onderscheiden en onafhankelijk is van het Kruisoffer, zoals de verschillende slachtoffers en offers van de Oude Wet onafhankelijk van elkaar waren en aan elkaar werden toegevoegd, maar het is een vernieuwing en herhaling van de eens opgedragen offerande, doordat hetzelfde Offerlam opnieuw op offerende wijze tegenwoordig wordt gesteld, op een andere en onbloedige wijze, door de bediening van de priester. Het wordt herhaald opdat wij de gelegenheid zouden hebben ons daadwerkelijk met dat Offer te verenigen. Het wordt niet herhaald om de mensheid opnieuw te verlossen of iets toe te voegen aan de verdiensten van de Verlossing, maar om de genoegdoening en verdiensten die Christus op Calvarië heeft verworven toe te passen op de Kerk in het algemeen en op iedere ziel in het bijzonder.
De volgende vergelijking zal dit wellicht duidelijker maken.
Indien iemand de regering had benadeeld en een rijk man zou aanbieden het gestolen bedrag te betalen op voorwaarde dat de schuldige vergiffenis zou ontvangen, en indien de regering deze voorwaarden zou aanvaarden met dien verstande dat de schuldige eerst een bijzonder verzoek tot de regering zou richten dat door de rijke man en door hemzelf was ondertekend, dan zou niemand deze tweede vereiste als een afbreuk aan de eerste beschouwen. Men kan gemakkelijk begrijpen dat deze tweede eis noch onredelijk, noch onrechtvaardig, noch een vermindering van de eerste is. Waarom niet? Omdat hij op dezelfde overeenkomst berust en haar veronderstelt. Het is slechts iets dat vereist wordt om de overeenkomst in haar bijzonderheden behoorlijk uit te voeren, een voorwaarde die redelijkerwijze wordt gesteld om de beloofde vergiffenis ordelijk en vruchtbaar te verkrijgen en niet met de bedoeling meer waarde toe te voegen aan het reeds betaalde bedrag.
Zo kan het Misoffer niet beschouwd worden als een afbreuk aan het Offer dat eens voor allen op Calvarië werd opgedragen, omdat het Misoffer daarop berust, al zijn waarde daaraan ontleent en het veronderstelt. Toch is de Mis een waar Offer, omdat Jezus Christus werkelijk wordt opgedragen, zij het op een andere wijze, en wordt opgedragen niet in de zin dat nieuwe verdiensten worden toegevoegd alsof aan de eerste iets ontbrak, maar omdat zij een middel is dat door de eeuwige Vader en de mensgeworden Zoon is ingesteld om de verdiensten van het eerste Offer toe te passen op de gehele Kerk in het algemeen en op iedere ziel in het bijzonder.
Het kan nuttig zijn hetzelfde met een andere vergelijking te verduidelijken.
Stel dat in een bepaald rijk een redenaar door een wonder van welsprekendheid de vrijheid van een bepaalde provincie had verkregen. Stel echter dat de keizer die gunst onder deze voorwaarde verleende, dat deze vrijheid slechts zou worden geschonken aan die inwoners die aanwezig waren bij het voordragen van die redevoering door een plaatsvervanger van de genoemde redenaar. Het is duidelijk dat deze voorwaarde, verre van afbreuk te doen aan de oorspronkelijke redevoering, slechts bedoeld is om de eer van de redenaar en van zijn redevoering te vergroten, doordat iedere inwoner van die provincie haar beter leert waarderen en zich dieper aan die redenaar verplicht voelt.
Hetzelfde kan van het heilig Misoffer gezegd worden, want het geeft ieder van ons persoonlijk de gelegenheid om ons met onze Heer en de priester te verenigen in het opdragen van het goddelijke Offerlam dat op onze altaren tegenwoordig is aan de eeuwige Vader, om ons dieper aan Christus verplicht te voelen door met diepe dankbaarheid en liefde het grote Offer van Calvarië te gedenken, en om de vrucht van dat grote Offer daadwerkelijk en persoonlijk op ons te laten toepassen. Dit alles strekt, zoals duidelijk is, geheel tot grotere eer van Christus en van Zijn grote Offer op de Calvarieberg.
De Mis doet evenmin afbreuk aan het Lijden en de Dood van Christus als het Doopsel of enig ander Sacrament, of als de offerande die Christus Zelf bracht bij Zijn eerste komst in de wereld, bij Zijn Opdracht in de Tempel of bij Zijn Laatste Avondmaal, want door dit alles past Christus op ons de verdiensten van Zijn Lijden en Dood toe.
In feite is de Heilige Mis slechts een van de middelen die onze Zaligmaker heeft nagelaten om Zijn verdiensten op de mens toe te passen. Hijzelf stelde de Heilige Mis in toen Hij zei: Doet dit tot Mijn gedachtenis. Lucas 22, 19.
Hoofdstuk XIX. De zegening met het Allerheiligste Sacrament
De werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament door de transsubstantiatie houdt in dat Jezus Christus daarin tegenwoordig blijft zolang de gedaanten van brood of wijn onveranderd blijven. Daarom kan en moet het Allerheiligste Sacrament, dat wil zeggen Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament, door de gelovigen worden aanbeden.
Dit is hetgeen de Katholieke Kerk leert en zij bepaalt dat in de meeste kerken geconsacreerde hosties, of het Allerheiligste Sacrament, voortdurend worden bewaard. Ten eerste opdat het te allen tijde gereed zou zijn om aan zieken en stervenden te worden toegediend. Daar de consecratie alleen tijdens de Mis kan plaatsvinden, die door iedere priester slechts eenmaal per dag en alleen in de ochtend wordt opgedragen, zouden vele christenen zonder dit Sacrament sterven indien het Allerheiligste Sacrament niet werd bewaard. Wanneer het aan het einde van het leven wordt toegediend, wordt het Viaticum of teerspijze voor de reis genoemd. Ten tweede om de gelovigen de grote troost te schenken Jezus Christus altijd in hun midden te hebben in het Tabernakel op het altaar, om hun bezoeken en gebeden te ontvangen en Zijn genaden uit te delen.
Zo wordt letterlijk de profetie van Isaias vervuld dat de Zaligmaker Emmanuel, dat wil zeggen God met ons, zou zijn en genoemd zou worden. Isaias 7, 14. Eveneens wordt zo de belofte van Jezus Christus Zelf vervuld dat Hij ons niet als wezen zou achterlaten.
De kerken waarin het Allerheiligste Sacrament wordt bewaard, zoals het geval is in alle parochiekerken en in de kerken van religieuze orden, zijn gewoonlijk geopend, sommige de gehele dag, andere gedurende enkele uren in de ochtend en de avond. Zo kunnen de gelovigen op enig uur van de dag tijd vinden om het Allerheiligste Sacrament te bezoeken en enkele kostbare minuten in stil gebed voor God en in aanbidding van hun Heer en Zaligmaker door te brengen.
Maar bij de koningen van deze wereld stellen wij ons er niet mee tevreden hun slechts in het verborgene onze hulde te brengen. Wij geven ook graag van tijd tot tijd openlijk blijk van onze trouw en gehechtheid aan hen. Daarom heeft de Kerk naast deze persoonlijke en stille godsvrucht van de gelovigen bijzondere plechtige riten ingesteld om ons geloof tot uitdrukking te brengen en ons de gelegenheid te geven de innigste liefde van ons hart uit te storten en openlijk onze godsvrucht te betonen jegens onze Heer, God en Koning, tegenwoordig in het Allerheiligste Sacrament.
Dit doet zij door openbare processies, door de veertigurige uitstelling van het Allerheiligste Sacrament, vooral gedurende de Vasten, en vaker door de eenvoudige ritus die de zegening met het Allerheiligste wordt genoemd.
De zegening vindt gewoonlijk in de namiddag of de avond plaats, minder plechtig op weekdagen en plechtiger na de Vespers en de preek op zon en feestdagen.
Wanneer het uur voor de zegening gekomen is, worden alle of het grootste gedeelte van de kaarsen rond het altaar ontstoken. Dit kan vreemd lijken voor hen die niet bekend zijn met het katholieke geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament. Indien Jezus Christus niet tegenwoordig was, zou deze overvloed van zuivere waskaarsen terecht als louter vertoon, louter verspilling en een doelloze overvloed aan licht beschouwd kunnen worden. Maar zo zal het niet voorkomen aan hen die doordrongen zijn van de geest van het katholieke geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament. Wat wij doen voor onze Heer, God en Koning, die tegenwoordig is, kan zeker nooit te veel zijn. En daar brandende kaarsen en mooie bloemen de meest passende versieringen voor het altaar tijdens de goddelijke eredienst zijn, dragen de gelovigen gaarne de kosten zonder acht te slaan op de uitroep van sommigen: Waartoe deze verspilling?
Wanneer het altaar gereedgemaakt en alles voorbereid is, komt de dienstdoende priester in zijn gewaden, indien mogelijk vergezeld door andere priesters en voorafgegaan door misdienaars en de wierookdrager in witte superplies, naar het altaar, aan de voet waarvan allen knielen. Een van de priesters neemt het Allerheiligste Sacrament of de geconsacreerde Hostie uit het Tabernakel en plaatst deze eerbiedig in de ronde kristallen houder in het midden van de monstrans, die van metaal is vervaardigd, kunstig bewerkt en verguld en dikwijls met edelstenen versierd. Hij stelt het Allerheiligste vervolgens uit op een verhoogde troon boven het midden van het altaar, terwijl door koor en volk de hymne wordt gezongen die begint met O Salutaris Hostia, O heilbrengend Offer.
De geestelijken maken vervolgens een diepe aanbidding voor het Allerheiligste Sacrament en de dienstdoende priester staat op, doet driemaal een kleine hoeveelheid wierook, dat wil zeggen welriekende aromatische hars, in het brandende wierookvat en brengt, door het wierookvat driemaal te zwaaien, de opstijgende geurige rook aan God ten offer, zoals wij in de Apocalyps of Openbaring van de H. Johannes lezen dat de engelen dit in de hemel deden.
Na het O Salutaris Hostia wordt gewoonlijk de Litanie van Loreto gezongen, die begint met aanroepingen tot elk van de Personen van de Allerheiligste Drieëenheid. Daarna volgt het Tantum Ergo Sacramentum, welke hymne nooit wordt weggelaten, gevolgd door een gebed dat de dienstdoende priester staande uitspreekt.
Na de tweede bewieroking wordt een rijke zijden schoudervelum over de schouders van de dienstdoende priester gelegd. Vervolgens bestijgt hij de altaartreden, neemt met het velum de monstrans met het Allerheiligste Sacrament, die tevoren van de troon is afgenomen, in zijn handen en maakt, terwijl hij zich naar het volk keert, daarmee het kruisteken over hen. Zo zegent hij de gelovigen met het Allerheiligste.
Dit geschiedt in stilte, behalve dat een klein klokje en soms ook de torenklokken van de kerk worden geluid om niet alleen degenen die zich in de kerk bevinden, maar ook degenen die thuis worden opgehouden, daarop opmerkzaam te maken, opdat allen zich naar lichaam en geest behoorlijk kunnen voorbereiden om de zegen van God te ontvangen. Daarna wordt het Allerheiligste Sacrament in het Tabernakel teruggeplaatst, terwijl Psalm 116, Laudate Dominum, omnes Gentes, Looft de Heer, alle volken, wordt gezongen en een slotgebed wordt uitgesproken.
Na nog een diepe aanbidding door de geestelijken wordt het Allerheiligste Sacrament in het Tabernakel teruggeplaatst, dat vervolgens wordt gesloten. De priesters en misdienaars staan daarna op, maken een kniebuiging en keren in orde terug naar de sacristie.
Dit is een ontroerende en zeer indrukwekkende ritus, volkomen natuurlijk en in overeenstemming met het katholieke geloof in de werkelijke tegenwoordigheid. Velen die niet katholiek zijn, worden bij het zien hoe de priester de bron van barmhartigheid opneemt en het volk zich diep in aanbidding buigt om de zegen uit de bron van alle zegen te ontvangen, ertoe bewogen te zeggen: Ach, kon ook ik maar geloven.
Wees ieder ogenblik gezegend en geprezen, allerheiligst en allerheiligst goddelijk Sacrament.
Hymnen en gebeden die gewoonlijk worden gebruikt bij de uitstelling en zegening van het Allerheiligste Sacrament
Wanneer de priester het Tabernakel opent en het Allerheiligste Sacrament bewierookt, wordt de hymne O Salutaris Hostia gezongen:
O Salutaris Hostia, quae caeli pandis ostium: bella premunt hostilia, da robur, fer auxilium.
O heilbrengend Offer, dat de poort des hemels opent: vijandige machten dringen op, geef kracht, verleen hulp.
Uni trinoque Domino sit sempiterna gloria, qui vitam sine termino nobis donet in patria. Amen.
Aan de ene en drievuldige Heer zij eeuwige heerlijkheid. Moge Hij ons in het vaderland het leven zonder einde schenken. Amen.
Daarna volgt de Litanie van de Allerheiligste Maagd. Vervolgens wordt de hymne Tantum Ergo Sacramentum gezongen, waarbij alle aanwezigen een diepe buiging maken wanneer de woorden Veneremur cernui worden gezongen.
Tantum ergo Sacramentum veneremur cernui: et antiquum documentum novo cedat ritui; praestet fides supplementum sensuum defectui.
Laten wij dan, diep gebogen, zo groot een Sacrament vereren. De oude bedeling wijke voor de nieuwe ritus. Het geloof kome tegemoet aan hetgeen de zinnen niet vermogen.
Genitori, Genitoque laus et jubilatio, salus, honor, virtus quoque sit et benedictio; procedenti ab utroque compar sit laudatio. Amen.
Aan de Vader en de Zoon zij lof en jubel, heil, eer, macht en zegening. Aan Hem die van Beiden voortkomt zij gelijke lof. Amen.
Daarna worden het volgende versikel en gebed gezongen:
V. Panem de Caelo praestitisti eis. Alleluia.
Gij hebt hun brood uit de hemel gegeven. Alleluia.
R. Omne delectamentum in se habentem. Alleluia.
Dat alle zoetheid in zich bevat. Alleluia.
Alleluia wordt gezegd in de Paastijd en gedurende het octaaf van Sacramentsdag.
Oremus.
Laat ons bidden.
Deus, qui nobis sub Sacramento mirabili passionis tuae memoriam reliquisti, tribue, quaesumus, ita nos corporis et sanguinis tui sacra mysteria venerari, ut redemptionis tuae fructum in nobis jugiter sentiamus. Qui vivis. Amen.
O God, die ons onder een wonderbaar Sacrament de gedachtenis van Uw lijden hebt nagelaten, geef ons, zo bidden wij, de heilige geheimen van Uw Lichaam en Bloed zo te vereren, dat wij voortdurend de vrucht van Uw verlossing in ons mogen ervaren. Gij die leeft. Amen.
Hier wordt de zegening met het Allerheiligste Sacrament gegeven. Allen buigen zich in diepe aanbidding en smeken Zijn zegen af over zichzelf, over de gehele Kerk en over de wereld.
Daarna wordt driemaal in het Latijn gezongen:
Adoremus in aeternum Sanctissimum Sacramentum.
Laten wij het Allerheiligste Sacrament in eeuwigheid aanbidden.
Akte van geestelijke Communie
Ik geloof in U, o mijn Jezus, tegenwoordig in het allerheiligste Sacrament van het altaar. Ik bemin U boven alle dingen en verlang U in mijn ziel te ontvangen. Daar ik U nu niet sacramenteel kan ontvangen, kom ten minste geestelijk in mijn hart. Ik omhels U en verenig mij met U alsof Gij reeds daar waart. O laat mij nooit van U gescheiden worden. O Heer Jezus Christus, laat de zoete en verterende kracht van Uw liefde mijn gehele ziel in zich opnemen, opdat ik sterve uit liefde tot U, die uit liefde tot mij hebt willen sterven.*
* Met de H. Alphonsus zou ik allen die in de liefde tot Jezus Christus willen voortgaan willen aansporen een geestelijke Communie te doen telkens wanneer zij het Allerheiligste Sacrament bezoeken.
Hoofdstuk XX. Het Vormsel
Naast het Doopsel, de Heilige Eucharistie en de Biecht erkent de Katholieke Kerk nog vier andere heilige riten als Sacramenten, namelijk het Vormsel, het heilig Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
Het Vormsel is een Sacrament, ingesteld door onze Heer, waardoor de gelovigen, die door het Doopsel reeds kinderen van God zijn geworden, de Heilige Geest ontvangen door het gebed, de zalving met heilige olie, Chrisma genoemd, en de handoplegging van de bisschoppen, de opvolgers van de Apostelen. Daardoor worden zij verrijkt met gaven, genaden en deugden, vooral met de deugd van sterkte, en worden zij volmaakte christenen en dappere soldaten van Jezus Christus, om gedurende hun leven stand te houden in de gehele strijd tegen de wereld, het vlees en de duivel.
Het eerste geval waarin het Vormsel aan de gelovigen werd toegediend, staat vermeld in het achtste hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen, waar de H. Petrus en de H. Johannes de Samaritanen vormden die reeds door de H. Philippus gedoopt waren. Vers 16. Zij baden voor hen, opdat zij de Heilige Geest zouden ontvangen. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest. Verzen 15 en 17.
Door dit Sacrament vindt een zekere toewijding en wijding van de ziel aan God plaats, waarvan een merkteken in de ziel achterblijft. Dit merkteken wordt een karakter genoemd en kan nooit worden uitgewist. Daarom kan dit Sacrament slechts eenmaal worden ontvangen.
Alle christenen zijn verplicht het Vormsel te ontvangen. Alleen het ontbreken van de gelegenheid kan verontschuldigen van zonde wegens het niet ontvangen ervan.
Het moet in staat van genade worden ontvangen. Daarom moet een christen die zich van een doodzonde bewust is, eerst tot het sacrament van de Biecht naderen.
De tijd om het Vormsel te ontvangen is vanaf ongeveer zevenjarige leeftijd tot iedere hogere leeftijd. Allen moeten zich haasten om door een bisschop gevormd te worden, dat wil zeggen de zevenvoudige genade van de Heilige Geest te ontvangen. H. Clemens, Epistola ad Julium.
Hoofdstuk XXI. Het heilig Oliesel
Het sacrament van het heilig Oliesel bestaat in de zalving van de zieken met heilige olie, vergezeld van gebed. Het wordt het laatste Oliesel genoemd omdat het aan zieken wordt toegediend tegen het einde van het leven.
Het is een waar Sacrament, omdat het alles bezit wat voor een Sacrament vereist is. Ten eerste heeft het een uitwendig teken, dat bestaat in de zalving met een weinig olie van de voornaamste zetels van de vijf zintuigen, namelijk de lippen, de ogen, de oren, de handen en de voeten, vergezeld van bijzondere gebeden. Ten tweede is er de belofte van genade, zoals door de H. Jacobus is opgetekend: Is iemand onder u ziek? Laat hij de priesters van de Kerk bij zich roepen en laten zij over hem bidden en hem zalven met olie in de naam des Heren. En het gebed des geloofs zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten en indien hij zonden heeft, zullen zij hem vergeven worden. Jacobus 5, 14 en 15. Ten derde blijkt dat het door Christus is ingesteld uit het feit dat niemand dan God aan een uitwendige ritus de macht kan geven zonden te vergeven en inwendige genade mee te delen.
Dit Sacrament kan gedurende het leven meermalen worden ontvangen, maar slechts eenmaal tijdens dezelfde gevaarlijke ziekte.
Christenen moeten niet nalatig zijn en de ontvangst van dit Sacrament niet uitstellen tot het allerlaatste ogenblik van het leven, want dan bestaat het gevaar zonder dit Sacrament te sterven en daardoor verstoken te blijven van bijzondere genaden en van een grondiger zuivering van de ziel, waardoor zij beter op de dood voorbereid en geschikter zouden zijn om voor hun Rechter te verschijnen.
Een gering gevaar, of zoals de H. Alphonsus de Liguori het uitdrukt, een gevaar voor gevaar, dat de ziekte ernstig zou kunnen worden, kan de ontvangst van dit Sacrament rechtvaardigen.
Door uitstel kan men ook een kans op herstel verliezen. Want zoals de ervaring bevestigt, schenkt het heilig Oliesel, wanneer God dit dienstig acht, behalve zuivering van de ziel ook gezondheid aan het lichaam. De H. Jacobus schijnt dit aan te duiden wanneer hij zegt: Het gebed des geloofs zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. Jacobus 5, 15.
Hoofdstuk XXII. De heilige Wijding
Voor de uitoefening van de goddelijke eredienst, het bestuur van de Kerk en de bediening van de Sacramenten is een priesterschap vereist, en het komt God alleen toe het priesterschap in te stellen.
In de Oude Wet koos en verhief God Aäron, zijn kinderen en nakomelingen tot het priesterschap, en zij moesten in hun priesterlijke bediening worden bijgestaan door de leden van de stam Levi. Zo werd het priesterschap eenvoudig door afstamming binnen de familie aan het nageslacht overgedragen. In de Nieuwe Wet bestond het door Christus ingestelde middel tot overdracht van het priesterschap niet in de beperking ervan tot één familie of stam, maar in het verlenen van het Sacrament van de heilige Wijding aan die christenen die de Apostelen en hun opvolgers uit de gedoopten zouden kiezen en tot deze waardigheid en dit ambt zouden wijden.
De heilige Wijding is derhalve een Sacrament waardoor bisschoppen, priesters en andere bedienaren van de Kerk worden gewijd en de macht en genade ontvangen om hun heilige plichten te vervullen.
Het sacramentele karakter van de heilige Wijding blijkt duidelijk uit de Heilige Schrift. De H. Paulus zegt in zijn brieven aan de H. Timotheüs: Verwaarloos de genade niet die in u is en die u krachtens een profetie werd geschonken onder de handoplegging van de gezamenlijke presbyters. 1 Timotheüs 4, 14. Ik spoor u aan de genade Gods, die door de oplegging van mijn handen in u is, weer aan te wakkeren. 2 Timotheüs 1, 6.
Hier hebben wij alle wezenlijke bestanddelen van een Sacrament: het uitwendige teken, de daaraan verbonden inwendige genade en de goddelijke instelling. Want zoals wij reeds hebben gezegd, God alleen kan uitwendige tekenen tot middelen van genade maken.
Hoofdstuk XXIII. Het heilig Huwelijk
Het Huwelijk, ook Matrimonium genoemd, is de echtelijke vereniging van man en vrouw die van nature en volgens de wet geschikt zijn om te huwen.
Het werd door Christus verheven tot de waardigheid van een Sacrament en is onverbreekbaar.
De huwelijkse staat brengt vele verantwoordelijkheden met zich mee en kent vele moeilijkheden die het hoofd moeten worden geboden, vele plichten die vervuld moeten worden, vele lasten die gedragen moeten worden, vele bekoringen die overwonnen moeten worden en vele taken die vervuld moeten worden.
Jezus Christus verhief het christelijk huwelijk tot een hogere orde, tot een bovennatuurlijke waardigheid, en legde de gehuwden strengere en edelere plichten op. Zij moesten aan elkander onderdanig zijn in de vreze van Christus en de vrouwen moesten aan hun mannen onderdanig zijn als aan de Heer. Efeziërs 5, 22. Zij moesten elkander liefhebben, voeden en verzorgen zoals Christus de Kerk heeft liefgehad, vers 25, en hun kinderen opvoeden in de vreze Gods. Verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en de vermaning des Heren. Efeziërs 6, 4.
Het is daarom duidelijk dat voor de huwelijkse staat niet slechts een gewone, maar een zeer grote en bijzondere genade nodig is, zoals die in een Sacrament wordt ontvangen.
Jezus Christus veredelde en zegende het huwelijk door persoonlijk aanwezig te zijn bij de bruiloft te Kana in Galilea. Hij bekrachtigde de huwelijksband met deze heilige en duidelijke woorden: Wat God dan heeft verbonden, scheide de mens niet. Marcus 10, 9. Hij verhief het huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament van de Nieuwe Wet.
De H. Paulus noemt het zelfs niet alleen een Sacrament, maar een groot Sacrament, omdat het op tweeërlei wijze een Sacrament is. Ten eerste in de gewone betekenis van een Sacrament van de Nieuwe Wet, als een uitwendig teken van een heilige en onverbreekbare vereniging die door genade wordt versterkt. Ten tweede omdat het huwelijk zelf, wanneer het wettig is, een mystiek teken en een beeld is van de vereniging van Christus met de Kerk. Dit is een groot Sacrament, zegt hij, maar ik bedoel in Christus en in de Kerk. Efeziërs 5, 32.
Daarom zegt de H. Cyrillus: Christus heeft de echt geheiligd en aan het huwelijk genade geschonken. Cap. ii. in Johannem xxii. Tertullianus, de H. Ireneüs, de H. Augustinus en de H. Ambrosius noemen het huwelijk een Sacrament. De Nestorianen, Kopten, Armeniërs en Grieken erkennen, hoewel zij van de Katholieke Kerk gescheiden zijn, eenstemmig het huwelijk als Sacrament. Daarin stemmen zij overeen met de Rooms Katholieke Kerk, die het huwelijk altijd als een Sacrament van de Nieuwe Wet heeft beschouwd.
Het is de leer van de Kerk dat een wettig huwelijk tussen gedoopten nooit slechts een overeenkomst kan zijn, maar altijd tevens een Sacrament is. Hoewel het niet als geloofspunt is vastgesteld, wordt meer algemeen aangenomen dat de bedienaren van dit Sacrament de contracterende partijen zelf zijn, wanneer zij door woorden of uitwendige tekenen elkander wederzijds als man en vrouw aannemen.
In die delen van de wereld waar de decreten van het Concilie van Trente betreffende het Huwelijk nog niet zijn afgekondigd, is de aanwezigheid van de pastoor niet noodzakelijk voor de geldigheid van het Sacrament. Maar in die gebieden waar het Concilie van Trente officieel is afgekondigd, is zijn aanwezigheid vereist om de overeenkomst zowel geldig als geoorloofd te maken in de ogen van de Kerk.
De woorden die de priester over de contracterende partijen uitspreekt, Ik verbind u in het huwelijk, in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, zijn slechts bedoeld om de heilige verbintenis die zojuist door de contracterende partijen is aangegaan te erkennen en plechtig te bekrachtigen. De overige gebeden die hij daarna uitspreekt dienen om overvloediger zegeningen af te smeken over het pas gehuwde paar.
Hieruit volgt dat beide partijen in staat van genade behoren te zijn wanneer zij het Sacrament van het Huwelijk aangaan, om twee redenen. Ten eerste omdat zij zelf dit Sacrament bedienen en ten tweede omdat zij het ontvangen.
Zoals de vereniging van Christus met de Kerk niet verbroken kan worden, zo is ook de band tussen man en vrouw onverbreekbaar. Er bestaat geen reden die het verbreken van een wettige en ware huwelijksband tussen christenen kan rechtvaardigen en geen macht op aarde die dit kan toestaan nadat het huwelijk voltrokken is.
Zelfs scheiding is verboden, hoewel het om ernstige redenen aan de onschuldige partij kan worden toegestaan afzonderlijk te leven. Maar deze scheiding zou slechts oneigenlijk echtscheiding genoemd kunnen worden, omdat in zulk een geval de huwelijksband niet verbroken wordt en geen van beide partijen opnieuw kan huwen zolang bekend is dat de ander nog leeft. Echtscheiding echter, in de eigenlijke en strikte betekenis dat een gescheiden persoon opnieuw mag huwen terwijl zijn of haar echtgenoot nog leeft, is door de wet Gods verboden. Er bestaat geen reden die dit kan rechtvaardigen en geen gezag op aarde dat het kan toestaan.
Dit is in alle eeuwen de leer van de Katholieke Kerk geweest, zoals blijkt uit passages van de Vaders en Leraren van de Kerk.
Voor de eerste vijf eeuwen wordt de onverbreekbaarheid van het huwelijk betuigd door Hermas, Justinus, Athenagoras, Tertullianus, de H. Leo van Alexandrië, Origenes, de H. Basilius, de H. Ephrem, de H. Chrysostomus, de H. Cyprianus, Lactantius, de H. Hilarius, de H. Hiëronymus en de H. Augustinus.
Jezus Christus was op dit punt te uitdrukkelijk om verkeerd begrepen te kunnen worden. Zijn woorden luiden: Ieder die zijn vrouw verstoot en een andere huwt, pleegt overspel, en wie haar huwt die door haar man verstoten is, pleegt overspel. Lucas 16, 18. De H. Paulus leert dat niets dan de dood de huwelijksband kan ontbinden. Aan de gehuwden gebied niet ik, maar de Heer, dat de vrouw niet van haar man scheide. En indien zij scheidt, dat zij ongehuwd blijve of zich met haar man verzoene. En de man verstote zijn vrouw niet. 1 Korintiërs 7, 10.
De opvatting dat de Kerk of de paus bij gelegenheid echtscheiding of verbreking van de huwelijksband heeft toegestaan en een of beide partijen heeft toegestaan opnieuw te huwen tijdens het leven van de ander, is een vergissing en mist iedere grond.
Er moet worden opgemerkt dat er omstandigheden zijn die een huwelijk ongeldig en nietig maken, bijvoorbeeld het ontbreken van toestemming, nauwe verwantschap, onwettigheid van de overeenkomst, onvoldoende leeftijd en andere ongeldig makende oorzaken.
In deze gevallen kan de Kerk, na de zaak te hebben onderzocht, verklaren dat het huwelijk vanaf het begin nietig en ongeldig is geweest. Dit is gebeurd en kan opnieuw gebeuren. Strikt genomen wordt daarmee echter geen bestaand huwelijk ontbonden, maar slechts verklaard dat tussen bepaalde personen nooit een huwelijk heeft bestaan wegens een beletsel waardoor de overeenkomst ongeldig was. Maar een geldig en voltrokken huwelijk tussen gedoopten kan in geen geval wettig worden ontbonden. God heeft hen verbonden en die heilige band kan niemand, zelfs geen paus, verbreken.
De samenleving in het algemeen en katholieken in het bijzonder behoren Jezus Christus zeer dankbaar te zijn dat Hij deze onschendbare heiligheid van het huwelijk heeft ingesteld, waardoor talloze ergernissen, familietwisten en ellende worden voorkomen, het gezinsgeluk algemener wordt verzekerd en de vrouw en de kinderen in hoge mate worden beschermd.
Indien deze wet in een bijzonder geval zwaar mocht vallen, vooral voor personen die noch onvoorzichtig zijn geweest in hun keuze, noch tekortgeschoten zijn in rechtvaardigheid en goedheid jegens hun echtgenoot, dan is deze last voor enkelen gering in vergelijking met het ontzaglijke goed dat de samenleving als geheel daaruit ontvangt.
De lijdende persoon moet vanwege zijn bijzondere verdriet niet tegen God in opstand komen, maar dit evenals ieder ander ongeluk geduldig dragen en de algemene beschikking van de Schepper en Heer van de natuur aanbidden.
Hoofdstuk XXIV. Slechts één ware Kerk
Kom, en ik zal u de bruid tonen, de vrouw van het Lam. Apocalyps 21, 9.
Onder de Oude Wet konden alleen in de Tempel van Jeruzalem offers aan God worden opgedragen. Dit was een voorafbeelding van de Kerk van Christus, dat wil zeggen van dat bijzondere lichaam van christenen dat Christus als het Zijne erkent en waartoe men moet behoren om voor God welgevallig te zijn als lid van het mystieke Lichaam van Christus.
Zoals er slechts één God, één Doopsel, één Waarheid, één Geloof, één Kudde, één Herder en één Weg is, zo kan er op aarde slechts één ware Kerk van God zijn, de Bruid van Jezus Christus, zoals de H. Paulus en de H. Johannes haar noemen.
Deze Kerk is de Katholieke Kerk onder het bestuur van de opvolger van de H. Petrus, de bisschop van Rome, omdat alleen deze Kerk alle vier kenmerken van Gods ware Kerk bezit, geniet en vertoont, zoals zij in de Heilige Schrift worden aangewezen en in de Geloofsbelijdenis van Nicea worden verklaard met de woorden: Ik geloof in één, heilige, katholieke en apostolische Kerk.
Hoofdstuk XXV. Eerste kenmerk. Eenheid van geloof, eredienst en Sacramenten
De ware Kerk van Christus mag niet slechts een mengeling van onderling losstaande delen zijn, maar de delen moeten zo goed met elkander verbonden zijn dat zij één geheel vormen, zoals verschillende ledematen één samenhangend lichaam vormen. Dit bedoelen wij wanneer wij zeggen dat de ware Kerk één moet zijn. Efeziërs 4, 16.
Protestanten beschouwen en verkondigen de persoonlijke uitleg van de Bijbel als een recht voor allen. Indien dit beginsel van God afkomstig was, zou het hen allen eensgezind moeten maken in hetgeen zij geloven en leren. Maar door dit beginsel zijn zij verdeeld in honderden kerkgenootschappen die op verschillende geloofspunten tegenover elkander staan.
Katholieken daarentegen zijn allen verenigd in één lichaam en belijden overal hetzelfde ene geloof. Zij hebben dezelfde Sacramenten en hetzelfde Offer en allen onderwerpen zich aan dezelfde ene, zichtbare, algemene Opperherder.
Katholieken stemmen allen overeen in de erkenning van Jezus Christus als hun enige Verlosser en in het geloof aan alles wat Jezus Christus heeft geleerd en door Zijn Kerk blijft leren, vooral wanneer die Kerk enige leer betreffende geloof of zeden verklaart en vaststelt. Zo kan iedereen precies weten wat hij moet geloven en wat hij moet doen om zalig te worden.
Zij delen eveneens in een gemeenschappelijke verbondenheid en staan over de gehele wereld in volkomen gemeenschap met elkander.
Zij delen met elkander hun gebeden en alle goede werken. Ook zijn zij verenigd in de eredienst, want katholieken laten overal hun medekatholieken toe tot de Sacramenten. Priesters wordt door de plaatselijke bisschoppen en door hun medepriesters toegestaan in ieder land in hun kerken de Heilige Mis op te dragen. Maar bovenal zijn de katholieken verenigd onder de leiding van dezelfde ene zichtbare Opperherder, de bisschop van Rome, de wettige opvolger van de H. Petrus, aan wie Jezus Christus de zorg voor Zijn gehele kudde heeft toevertrouwd, zoals zal blijken uit het volgende hoofdstuk over het oppergezag van de paus van Rome.
Hoofdstuk XXVI. Het oppergezag van de bisschop van Rome
Dit oppergezag of hoogste gezag betekent niet dat de paus een hogere graad van het Priesterschap bezit dan andere bisschoppen. Van de verschillende graden van het Priesterschap is die van bisschop de hoogste en in dat opzicht staat de paus niet hoger dan enige andere wettig gewijde bisschop. Met het oppergezag van de paus wordt echter bedoeld dat, zoals er onder de bisschoppen verschil bestaat in gezag en rechtsmacht, waarbij sommigen bisschop, anderen aartsbisschop, anderen primaat en anderen patriarch zijn, zo de bisschop van Rome in gezag en rechtsmacht boven alle bisschoppen staat, evenals boven alle gelovigen van de universele Kerk op aarde.
Het behoort wezenlijk tot de inrichting van de Kerk dat één van haar bisschoppen als hoogste in gezag wordt erkend. Anders zou het onmogelijk zijn dreigende misbruiken tegen te gaan die plaatselijke bisschoppen niet zouden willen of kunnen herstellen, een oplossing te bieden wanneer een bisschop van enig bisdom in geloof of zeden is afgedwaald, geschillen te beslechten die tussen bisschoppen onderling of tussen bisschoppen en leken zouden kunnen ontstaan. Zonder dit hoogste gezag zou er geen eenheid of verbondenheid bestaan tussen het ene en het andere deel van de christenheid. Het bijeenroepen van algemene concilies zou vrijwel onmogelijk zijn. De stichting van nieuwe bisdommen, de bezetting van vacante bisschopszetels en de overplaatsing van een bisschop van de ene zetel naar de andere zouden vanzelf in handen van leken komen of ten minste van hen afhankelijk zijn. Ook het uitzenden van missionarissen naar verre landen zou ofwel worden verwaarloosd, ofwel op een slappe, ongeregelde en ondoeltreffende wijze geschieden.
Bovendien zouden er, indien zulk een hoogste geestelijk gezag niet bestond, in plaats van één Kerk vele Kerken bestaan die tegenover elkander stonden, waarvan sommige slechts door de wereldlijke macht in een schijnbare eenheid bijeen zouden worden gehouden. Men zou dan niet kunnen zeggen dat de Kerk van Christus één is, noch zou zij vergeleken kunnen worden met een menselijk lichaam met vele ledematen en één zichtbaar hoofd. Evenmin zou zij een Koninkrijk genoemd kunnen worden, tenzij een Koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is en een Koninkrijk zonder koning.
Stel bijvoorbeeld dat een van de Britse koloniën zich aan de rechtsmacht van de Britse Kroon zou onttrekken. Vanaf dat ogenblik zou die kolonie, ook al waren haar inwoners van Britse afkomst en taal, hadden zij Britse gewoonten en overeenkomstige wetten, klaarblijkelijk ophouden deel uit te maken van het Britse Rijk. Op dezelfde wijze zou ieder deel van de katholieke wereld dat zich in geestelijke zaken aan het hoogste middelpunt van het kerkelijk gezag onttrekt, vanaf dat ogenblik ophouden deel uit te maken van het door de Hemel gestichte Koninkrijk van de Katholieke Kerk. Zulk een gemeenschap van christenen zou onafhankelijk, confessioneel of nationaal worden, maar een levende tak of een deel van het ene zichtbare katholieke lichaam zou zij niet kunnen zijn.
Daar het dus noodzakelijk is dat één van de bisschoppen de zichtbare Kerk van God op aarde voorzit, welke van alle bisschoppen ter wereld zouden wij dan van nature met dit oppergezag bekleed achten? Zou het de bisschop van Jeruzalem, Antiochië, Constantinopel, Alexandrië, Parijs, Londen of Rome moeten zijn?
De H. Petrus oefende, zoals blijkt uit de eerste twaalf hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen, bij het begin van het christendom een oppergezag uit over de andere Apostelen en over de gehele Kerk. Het lijkt daarom terecht dat de zetel die door de H. Petrus blijvend werd gekozen en waar hij stierf, als drager van dit voorrecht wordt beschouwd. Nu is het een door de geschiedenis en door monumentale getuigenissen goed bevestigd feit dat de blijvende zetel die door de H. Petrus werd gekozen Rome was, destijds de hoofdstad van het Romeinse Rijk, en dat hij daar de marteldood onderging door op zijn dringend verzoek met het hoofd naar beneden aan een kruis te worden gehecht, omdat hij zichzelf onwaardig achtte op dezelfde wijze gekruisigd te worden als zijn goddelijke Meester.*
* Voor de bewijzen dat de H. Petrus als eerste bisschop te Rome was, zie Appendix, nr. 33, blz. 348.
De bisschoppen van Rome hebben dit oppergezag inderdaad altijd opgeëist en doen dit nog steeds, en geen enkele andere bisschop ter wereld maakt er aanspraak op of heeft er ooit aanspraak op gemaakt.
Sommigen hebben gemeend een uitzondering te zien in paus H. Gregorius de Grote, omdat hij in zijn brief aan Johannes, patriarch van Constantinopel, de titel universele bisschop verwerpt. Zij hebben wellicht niet opgemerkt dat de H. Gregorius, hoewel hij die titel afwees en evenals andere pausen tevreden was met de titel bisschop van Rome, het oppergezag van rechtsmacht niet verwierp, maar het voor zichzelf in duidelijke bewoordingen bevestigde, zoals andere pausen vóór hem hadden gedaan, en wel in diezelfde brief. Want wanneer hij daarin over de zetel van Constantinopel spreekt, zegt hij: Wie twijfelt eraan dat hij onderworpen is aan de Apostolische Stoel? En opnieuw zegt hij: Wanneer bisschoppen een fout begaan, weet ik niet welke bisschop niet aan haar onderworpen is, dat wil zeggen aan de Stoel van Rome. De H. Gregorius oefende bovendien herhaaldelijk dit oppergezag uit. Het volstaat hier te vermelden wat wij lezen in de instructie die hij aan de H. Augustinus gaf toen hij hem naar Engeland zond. Daarin zegt hij: Wij geven u geen rechtsmacht over de bisschoppen van Gallië, maar wij vertrouwen aan uw zorg alle bisschoppen van Brittannië toe. Geschiedenis van de eerbiedwaardige Beda, I, 27. Geen paus heeft over ieder land van de christenheid meer universele rechtsmacht uitgeoefend dan de H. Gregorius, die terecht de Grote wordt genoemd.
In alle eeuwen is de bisschop van Rome door alle katholieke bisschoppen, katholieke koningen en katholieke volkeren beschouwd als de opvolger van de H. Petrus en als de hoogste bestuurder en beheerder van de Katholieke Kerk. Telkens wanneer iemand het oppergezag van de paus verwierp, werd hij vanaf dat ogenblik niet meer als katholiek beschouwd.
De namen Romanist, Papist en Ultramontaan, die door degenen buiten de Kerk zo vrijelijk aan katholieken worden gegeven, tonen reeds dat zij inzien dat het wezenlijke kenmerk van het katholicisme hierin bestaat dat katholieken, hoewel zij tot verschillende volkeren behoren, één hecht lichaam vormen met hun gemeenschappelijke middelpunt van gezag te Rome. Zij zien dat juist dit de katholieken maakt tot wat zij werkelijk zijn, één Kudde, één Lichaam, één Koninkrijk in geestelijke zaken, één Kerk. Zij kunnen zien dat katholieken zonder dit oppergezag zouden ophouden katholieken te zijn en over de gehele wereld zouden worden als verdwaalde schapen, overgeleverd aan ieder die voordeel zou willen trekken uit hun verdeeldheid.
Protestanten verkeren voor het grootste deel in de veronderstelling dat dit hoogste gezag van de Stoel van Rome een usurpatie is, dat het oorspronkelijk niet bestond maar in de loop van de tijd werd ingevoerd.
De geschiedenis bewijst echter dat het oppergezag van de paus door de katholieken in de eerste eeuwen van het christendom even vast werd geloofd als in de eeuwen die daarop volgden. Verre van dat er op dit punt enig verschil zou bestaan, is het een feit dat, terwijl in latere eeuwen het oppergezag van de paus werd ontkend door de schismatieke Kerken van het Oosten en door protestantse gemeenschappen die zich van de Katholieke Kerk hebben afgescheiden, gedurende de eerste zevenhonderd jaar de gehele christenheid verenigd was in het geloof in en de verkondiging van het oppergezag van de Romeinse Stoel.
De Vaders van de oorspronkelijke Kerk twijfelden er geenszins aan dat de Romeinse Opperherder door Gods beschikking de hoogste Herder was van de schapen en lammeren, dat wil zeggen, volgens de verklaring van de Kerkvaders, van de gehele kudde van Christus en de bron van alle geestelijke rechtsmacht. Deze waarheid verwerpen betekende naar hun oordeel het gehele bouwwerk van de Kerk verwoesten. Zijn Plaatsbekleder ontkennen betekende Christus ontkennen. Niemand heeft ooit beweerd dit verheven ambt te hebben geschapen. De goddelijke instelling ervan werd altijd als vaststaand aangenomen. De concilies hebben het niet uitgevonden, maar hebben ervan getuigd als van iets dat ouder was dan zijzelf.
De Romeinse Kerk heeft altijd het primaat bezeten, zeiden de Vaders van Nicea in het jaar des Heren 325. Dit was de belijdenis van het eerste oecumenische concilie.
Tweeëntwintig jaar later schreef het grote Concilie van Sardica aan paus Julius I dat het zeer passend is dat de bisschoppen des Heren vanuit alle provincies verwijzen naar het hoofd, dat wil zeggen naar de Stoel van de Apostel Petrus.
Het Concilie van Chalcedon in 451 zette Dioscorus niet alleen af in gehoorzaamheid aan paus H. Leo I, de Grote genoemd, die door de Vaders werd aangeduid als de allerzaligste Apostel Petrus, die de rots en grondslag van de Katholieke Kerk is, maar deed dit omdat Dioscorus het had gewaagd een concilie te houden zonder het gezag van de Apostolische Stoel. Dit Concilie van Chalcedon was bij uitstek een oosters concilie. Meer dan zeshonderd bisschoppen uit het Oosten namen eraan deel en alleen de twee legaten van de paus kwamen uit het Westen. Toch noemde het concilie in zijn synodale brief de Romeinse Opperherder voor allen de vertolker van de stem van de zalige Petrus. Zij zeggen dat hem door de Zaligmaker de bewaking van de Wijngaard is toevertrouwd en verzoeken hem nederig hun conciliebesluiten door zijn hoogste gezag te bekrachtigen. Alle concilies zeggen achtereenvolgens hetzelfde en zij gronden allen de leer waarvan zij getuigen op de woorden van onze goddelijke Heer.
Protestanten zeggen soms dat zij de eerste zes concilies aanvaarden. Welnu, voor de Vaders van Nicea, Efeze en Chalcedon zou de mening van hen die het primaat van de paus ontkenden een verfoeilijke goddeloosheid hebben geleken, een ontkenning van het Evangelie en een omverwerping van de Kerk van Christus.
De oude Vaders stemmen met de eerste concilies overeen in de verkondiging van het oppergezag van de bisschop van Rome. De H. Cyprianus, gestorven in het jaar des Heren 258, zegt dat de paus de enige bron van geestelijke rechtsmacht is. De H. Maximus, gestorven in 335, zegt dat wie de Romeinse Stoel vervloekt, de Katholieke Kerk vervloekt. De H. Ambrosius, gestorven in 397, zegt: Waar Petrus is, daar is de Kerk. De H. Hiëronymus verklaart dat de veiligheid van de Kerk afhangt van de waardigheid van de Opperherder. Indien hem geen buitengewoon en verheven gezag wordt toegekend, zullen er in de Kerk evenveel schisma’s zijn als priesters. En de H. Augustinus zegt: Rome heeft gesproken, de zaak is geëindigd.
Socrates verhaalt dat tegelijkertijd de bisschoppen van Constantinopel, Gaza, Ancyra en Adrianopel, uit hun zetels verdreven, hun zaak aan paus Julius voorlegden. Het Concilie van Antiochië neemt de woorden over van Juvenalis, bisschop van Jeruzalem, dat het een apostolische overlevering is dat de Kerk van Antiochië door de Kerk van Rome bestuurd en geoordeeld moet worden. Kerken op plaatsen die het verst van de Romeinse Stoel verwijderd waren, verkondigden dezelfde waarheid even duidelijk als de Kerken die dichter bij Rome gelegen waren.
In 740 schreven de H. Bonifatius, de Engelsman, en de zeven Engelse suffragaanbisschoppen in Duitsland aan de Engelse koning en aan Cuthbert, aartsbisschop van Canterbury, en berichtten hun wat zij onlangs in de synode hadden gedaan.
Wij verklaarden, zo zeggen zij, dat wij tot het einde van ons leven het katholieke geloof, de eenheid en de onderwerping aan de Romeinse Kerk zouden bewaren, dat wij onderworpen zouden zijn aan de H. Petrus en zijn Plaatsbekleder, dat de metropolieten er in alles naar zouden streven de voorschriften van de H. Petrus volgens de kerkelijke regels te volgen, opdat zij gerekend mochten worden onder de schapen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Met deze belijdenis stemden wij allen in, wij ondertekenden haar en zonden haar naar het lichaam van de H. Petrus, de Prins der Apostelen.
Omstreeks deze tijd maakte de paus, naar het schijnt, Lichfield tot metropolitane zetel en maakte deze met enkele andere bisdommen los van de metropolitane zetel van Canterbury. Ongeveer vijftig jaar later schreef de koning van Mercia een smekende brief aan de toen regerende paus, in zijn eigen naam en in die van de bisschoppen en hertogen van Engeland, waarin hij zei: Niemand waagt het uw apostolisch gezag tegen te spreken, maar waarin hij verzocht dat Lichfield opnieuw als suffragaan aan de zetel van Canterbury zou worden onderworpen. Paus Leo III willigde door zijn apostolisch gezag hun verzoek in en bracht Lichfield en zijn suffraganen opnieuw onder de zetel van Canterbury.
Op het Concilie van Arles, gehouden in 452, beleden de bisschoppen van Londen, York en Lincoln namens al hun ambtsgenoten de hoogste rechten en voorrechten van de Heilige Stoel.
Toen Engeland Wales had onderworpen en de bisschop van St. Davids werd opgeroepen hulde te brengen aan de zetel van Canterbury, antwoordde hij dat de Britse bisschoppen nooit enige meerdere hadden erkend behalve de Heilige Stoel. De Kerk van Schotland gaf een soortgelijk antwoord aan de aartsbisschop van York toen deze rechtsmacht over haar opeiste, en het antwoord werd goedgekeurd, zoals Lingard opmerkt, door paus Clemens III. Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit de vele die aangevoerd zouden kunnen worden.
Dit ambt van de Romeinse Opperherder werd hem niet door mensen maar door God gegeven. Het is Gods beschikking, Gods instelling, tot behoud van de eenheid, zoals de H. Thomas van Aquino opmerkt. Het werd de Romeinse Opperherder niet door de Kerk verleend. Het komt rechtstreeks van God. Het wordt rechtstreeks geërfd van de H. Petrus, aan wie het door Christus werd gegeven.
Dit hoogste gezag werd aan de H. Petrus gegeven onder drie zeer opmerkelijke beelden.
Christus vergelijkt de Kerk die Hij zal stichten met een gebouw en maakt de H. Petrus, na Hemzelf, tot de grondslag ervan: Gij zijt Petrus en op deze rots zal Ik Mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Mattheüs 16, 18.* Het is de grondslag die een gebouw draagt en stevig houdt. In een lichaam van mensen is het duidelijk het besturende gezag dat dezelfde taak vervult.
* Zoals de H. Petrus hier door goddelijke openbaring een plechtige belijdenis aflegde van zijn geloof in de godheid van Christus, zo verklaart onze Heer hem als beloning voor dit geloof en deze belijdenis de waardigheid waartoe Hij hem wil verheffen. Hij aan wie Hij reeds de naam Petrus had gegeven, die rots betekent, Johannes 1, 42, zou werkelijk een rots van onoverwinnelijke sterkte zijn tot steun van het gebouw van de Kerk. In dat gebouw zou hij, na Christus Zelf, de voornaamste grondsteen zijn in zijn hoedanigheid van hoogste herder, bestuurder en leider en dienovereenkomstig de volheid van kerkelijke macht bezitten, aangeduid door de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. De woorden van Christus tot Petrus, gesproken in de gewone taal van de Joden waarvan onze Heer Zich bediende, waren hetzelfde alsof Hij in onze taal had gezegd: Gij zijt een rots en op deze rots zal Ik Mijn Kerk bouwen. Uit de duidelijke samenhang van de woorden blijkt dus dat Petrus hier wordt aangewezen als de rots waarop de Kerk gebouwd zou worden, terwijl Christus Zelf zowel de voornaamste grondslag als de Stichter ervan is. Merk tevens op dat Christus, door Zijn huis, dat wil zeggen Zijn Kerk, op een rots te bouwen, haar daardoor tegen alle stormen en vloeden heeft beveiligd, zoals de wijze bouwmeester. Mattheüs 7, 24 en 25. De poorten der hel betekenen de machten der duisternis en alles wat Satan zelf of door zijn werktuigen kan doen. Want zoals de Kerk hier wordt vergeleken met een huis of vesting die op een rots is gebouwd, zo worden de vijandige machten vergeleken met een tegenovergesteld huis of een tegenovergestelde vesting waarvan de poorten, dat wil zeggen haar gehele kracht en al haar pogingen, nooit de stad of Kerk van Christus zullen kunnen overweldigen. Door deze belofte zijn wij ten volle verzekerd dat noch afgoderij, noch ketterij, noch enige verderfelijke dwaling ooit de Kerk van Christus zal overweldigen. Voetnoot in de Douay Bible bij deze passage.
Opnieuw vergelijkt onze Heer Zijn Kerk met een stad of Koninkrijk, waarvan Hij de sleutels in handen van de H. Petrus legt en hem tot beheerder ervan maakt: En Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen. Mattheüs 16, 19. Dit drukt op krachtige wijze het denkbeeld van het hoogste gezag uit, zoals ook bij Isaias met betrekking tot de Messias: Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Hij zal openen en niemand zal sluiten. Hij zal sluiten en niemand zal openen. Isaias 22, 22.
Ten derde vergelijkt onze Heer Zijn Kerk met een schaapskooi en maakt Hij de H. Petrus tot opperherder daarvan: Simon, zoon van Johannes, bemint gij Mij meer dan dezen? Weid Mijn lammeren. Weid Mijn lammeren. Weid Mijn schapen. Johannes 21, 15.
Deze drie vergelijkingen bewijzen alle dat onze Heer aan de H. Petrus het hoogste gezag verleende en hem tot middelpunt van eenheid, bestuurder en leider maakte van Zijn Koninkrijk dat toen op aarde gesticht zou worden.
Behalve deze passages, waarin onze Heer aan de H. Petrus het hoogste gezag verleent onder deze treffende beelden, vinden wij er een waarin Jezus Christus, nadat Hij de H. Petrus verzekerd heeft dat Hij voor hem gebeden heeft opdat zijn geloof niet zou bezwijken, hem in de duidelijkste bewoordingen deze opdracht geeft: Bevestig uw broeders. Dit werd gegeven op een zeer plechtig ogenblik, juist toen het bittere Lijden van onze Heer op het punt stond te beginnen. Lucas 22, 31.
Deze passages bewijzen dat onze Heer Jezus Christus de H. Petrus en in de persoon van de H. Petrus zijn wettige opvolgers heeft aangesteld tot hoogste Herders van Zijn Kerk op aarde. Want men kan niet veronderstellen dat de Kerk na de dood van de H. Petrus zonder haar zichtbare opperherder en zonder haar grondslag zou blijven. Daar de H. Petrus moest sterven en de Kerk tot het einde van de wereld moest voortbestaan, moest het gezag dat Jezus Christus had ingesteld om de gehele Kerk als één hecht lichaam bijeen te houden noodzakelijkerwijze en overeenkomstig de wil van Christus worden overgedragen op de wettige opvolgers van de H. Petrus en even lang voortduren als de Kerk zelf.
Niemand behoort dus een voorwendsel te zoeken om dit oppergezag te ontkennen, dat wezenlijk tot de Kerk behoort, duidelijk door Christus is ingesteld en klaarblijkelijk tot welzijn van de gelovigen bestemd is. Indien het gezag van de paus groot is, is het goed dat de Kerk daarvan ontvangt nog groter. Indien dit ambt reusachtig is en de menselijke krachten te boven lijkt te gaan, bewijst de ervaring van achttien eeuwen dat het uitvoerbaar is met de beloofde en nooit falende bijstand van God.
Onder de Oude Wet was er slechts één Opperherder of Hogepriester voor het gehele Joodse volk, hoewel de Joden in grote aantallen over de wereld verspreid waren. Wij moeten ons daarom niet verwonderen dat Christus in de Nieuwe Bedeling één en slechts één hoogste bestuurder van Zijn Huisgezin op aarde heeft ingesteld, opdat het altijd één zou zijn zoals Hijzelf één is. Wij moeten ons niet verwonderen dat Hij een rots heeft bereid als grondslag van Zijn ene Kerk op aarde, gebouwd op Hemzelf, de Grondslag van allen en de eeuwige Rots.
Daar onze Heer Jezus Christus de Grondslag van alle grondslagen en de voornaamste Hoeksteen is, Isaias 28, 16, bezit Hij de volheid van het gezag over de gehele Kerk, zowel in de hemel als op aarde, zowel tegenwoordig als toekomstig, en is Hij de oorspronkelijke bron van alle gezag en rechtsmacht. Vergeleken met het gezag van Christus is dat van de paus over de Kerk afhankelijk en tijdelijk en heeft het, hoewel ruim, zijn grenzen. Het gezag van de paus komt van Christus, staat onder Christus en dient Christus. Hij bezit dit gezag over de Kerk op aarde slechts gedurende de weinige jaren van zijn pontificaat. Dit is slechts een klein gedeelte van de ontzaglijke kudde van Christus, die bestaat uit een grote menigte die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, Apocalyps 7, 9, en over deze gehele kudde zal Jezus, de eeuwige Herder van onze zielen, wanneer zij aan het einde der tijden uit alle volkeren der wereld en uit alle voorbije eeuwen bijeenvergaderd is, Zelf zonder de bediening van enige vertegenwoordiger zichtbaar heersen in de hemel in alle eeuwigheid.
Hoofdstuk XXVII. Lijst van de Algemene Concilies die in de Kerk van God zijn gehouden vanaf de tijd van de Apostelen tot 1878
Onder een Algemeen of Oecumenisch Concilie wordt een concilie verstaan waartoe de bisschoppen van de gehele wereld wettig worden opgeroepen, hoewel het voor de geldigheid van het concilie niet noodzakelijk is dat allen aanwezig zijn.
Om oecumenisch te zijn moet een concilie door de paus, of ten minste met zijn toestemming, worden bijeengeroepen en door hem of door zijn legaten worden voorgezeten. De besluiten van een concilie moeten eveneens zijn goedkeuring hebben.
Een Algemeen Concilie onder leiding van de paus bezit, omdat het de gehele Kerk vertegenwoordigt, het voorrecht van leerstellige onfeilbaarheid en het hoogste gezag. Het is duidelijk dat zelfs de grootste vergadering van bisschoppen zonder de paus een lichaam zonder hoofd zou zijn en niet de gehele Kerk zou kunnen vertegenwoordigen.
Algemene Concilies tonen de bovennatuurlijke levenskracht die in de Kerk van God aanwezig is tot haar eigen behoud en zuiverheid. Tot op heden, 1878, zijn er negentien Oecumenische Concilies geweest. De eerste acht werden gehouden in het oostelijke deel van de christenheid, de overige elf in het westelijke deel.
De volgende lijst van Algemene Concilies stelt duidelijk het feit in het licht dat er in de Katholieke Kerk altijd eenheid van lichaam heeft bestaan, dat wil zeggen onderlinge gemeenschap tussen alle katholieke bisschoppen en afhankelijkheid van hun zichtbare Hoofd, de Romeinse Opperherder, alsook eenheid van geloof, dat de Kerk, trouw aan haar ambt, nooit heeft nagelaten wanneer dit nodig was vrijmoedig en duidelijk te verkondigen. Er bestaat geen enkel geval waarin een leerstuk betreffende geloof of zeden dat door een Algemeen Concilie werd vastgesteld, door een ander Algemeen Concilie of door een paus werd gewijzigd.
Het eerste Concilie van Nicea · 325
Het eerste Concilie van Nicea, het huidige İznik in Anatolië, ongeveer negentig mijl ten zuidwesten van Constantinopel, werd gehouden in het jaar 325 onder paus Sylvester I. Er waren 318 bisschoppen aanwezig. Ook keizer Constantijn de Grote woonde het concilie bij.
Arius werd veroordeeld wegens zijn ontkenning van de Godheid van het Woord en Zijn wezensgelijkheid met de Vader. Op dit concilie werd het grootste gedeelte afgekondigd van hetgeen gewoonlijk de Geloofsbelijdenis van Nicea wordt genoemd.
Het Eerste Concilie van Constantinopel · 381
Het Eerste Concilie van Constantinopel werd gehouden in 381, werd bevestigd door paus Damasus I en werd bijgewoond door 150 bisschoppen.
De volgelingen van Macedonius werden veroordeeld wegens hun ontkenning van de Godheid van de Heilige Geest en Zijn wezensgelijkheid met de Vader en de Zoon.
Het Concilie van Efeze · 431
Het Concilie van Efeze werd gehouden in 431 onder paus Celestinus I. Ongeveer 200 bisschoppen waren aanwezig.
Nestorius werd uit zijn zetel van Constantinopel afgezet en veroordeeld omdat hij leerde dat er in Jezus Christus twee onderscheiden personen waren, een menselijke persoon, geboren uit de Maagd Maria, en de goddelijke Persoon, dat wil zeggen het eeuwige Woord, die met de mens Jezus verbonden werd. Als gevolg van deze dwaling ontzegde hij de Allerheiligste Maagd de titel Theotokos, of Moeder Gods, in strijd met de katholieke leer, die belijdt dat Maria de Moeder is van de ene goddelijke Persoon, in Wie de goddelijke en de menselijke natuur innig en onverbrekelijk verenigd zijn door hetgeen de hypostatische vereniging wordt genoemd.
Het Concilie van Chalcedon · 451
Het Concilie van Chalcedon, gehouden in 451 onder paus Leo de Grote, werd bijgewoond door 630 bisschoppen. Het pauselijk oppergezag werd er vastgesteld.
Eutyches, abt van Constantinopel, en Dioscorus, aartsbisschop van Alexandrië, werden veroordeeld omdat zij leerden dat er in Jezus Christus slechts één natuur was.
Het Tweede Concilie van Constantinopel · 553
Het Tweede Concilie van Constantinopel werd gehouden in 553 onder paus Vigilius. Er waren 165 bisschoppen aanwezig. Hoewel noch de paus noch zijn legaten aanwezig waren, wordt het concilie als oecumenisch beschouwd omdat het later de bekrachtiging van de pausen ontving.
De zogenaamde Drie Hoofdstukken, ketterse geschriften van Theodorus van Mopsuestia, Theodoretus en Ibas, die de reeds veroordeelde leerstellingen van Nestorius begunstigden, werden veroordeeld.
Het Derde Concilie van Constantinopel · 680 en 681
Het Derde Concilie van Constantinopel werd gehouden in de jaren 680 en 681 onder paus Agatho en bijgewoond door 170 bisschoppen.
De monotheleten werden veroordeeld omdat zij leerden dat er in Jezus Christus slechts één werking en één wil was. Deze ketterij trachtte onder een nieuwe vorm de reeds veroordeelde dwaling van Eutyches te doen herleven.
Paus Agatho stierf voordat het concilie ten einde was en het werd door zijn opvolger Leo II bevestigd.
Het Tweede Concilie van Nicea · 787
Het Tweede Concilie van Nicea werd gehouden in 787 onder paus Adrianus I en bijgewoond door 367 bisschoppen.
Op dit concilie werden de iconoclasten, of beeldenbrekers, veroordeeld omdat zij het gebruik van heilige afbeeldingen en de betoning van de daaraan verschuldigde eerbied verwierpen. De laatste zitting van dit concilie werd te Constantinopel gehouden.
Het Vierde Concilie van Constantinopel · 869 en 870
Het Vierde Concilie van Constantinopel werd gehouden in 869 en 870 onder paus Adrianus II en bijgewoond door 102 bisschoppen.
De binnengedrongen patriarch Photius, de bewerker van het Griekse schisma, werd veroordeeld en afgezet en de H. Ignatius werd hersteld op zijn zetel van Constantinopel, die door Photius wederrechtelijk in bezit was genomen. Dit was het laatste Algemene Concilie dat in het Oosten werd gehouden.
Het Eerste Concilie van Lateranen · 1123
Het Eerste Concilie van Lateranen werd in 1123 te Rome gehouden onder paus Calixtus II en bijgewoond door 300 bisschoppen en 600 gemijterde abten.
De strijd over de investituur werd geregeld. De rechten van de Kerk en van de keizers bij de belangrijke aangelegenheid van de verkiezing van bisschoppen en abten werden vastgesteld.
Het Tweede Concilie van Lateranen · 1139
Het Tweede Concilie van Lateranen werd gehouden in 1139 onder paus Innocentius II en bijgewoond door 1000 bisschoppen. De paus zelf zat het voor.
De dwalingen van de Albigenzen en de ketterijen van Petrus de Bruys en Arnold van Brescia werden veroordeeld en het schisma van Petrus Leo werd onderdrukt. Een van de besluiten van dit concilie sprak het anathema uit over ketters die het Doopsel van kinderen, de Heilige Eucharistie, het Priesterschap en het Huwelijk verwierpen.
Het Derde Concilie van Lateranen · 1179
Het Derde Concilie van Lateranen werd gehouden in 1179 onder paus Alexander III, die het persoonlijk voorzat. Het werd bijgewoond door 300 bisschoppen.
De dwalingen van de Waldenzen werden veroordeeld en er werd een betere wijze voor de verkiezing van de Romeinse Opperherder voorgeschreven. Ook werden zeer heilzame voorschriften vastgesteld voor de verkiezing van bisschoppen, voor de regeling van de rechten van patronen en voor kosteloos onderwijs aan het volk, in het bijzonder aan arme kinderen.
Het Vierde Concilie van Lateranen · 1215
Het Vierde Concilie van Lateranen werd gehouden in 1215 onder de grote paus Innocentius III en bijgewoond door 412 bisschoppen en meer dan 800 abten en kloosterlingen, naast de vertegenwoordigers van alle vorsten van de christenheid.
Er werd een korte uiteenzetting van het katholieke geloof opgesteld tegen de dwalingen van die tijd, in het bijzonder die van de Albigenzen en Waldenzen. Kerkelijke wetten werden vastgesteld tot hervorming van de zeden onder de christenen. De verplichting tot biechten voor volwassenen werd, in plaats van meerdere malen per jaar, teruggebracht tot ten minste eenmaal per jaar. Evenzo werd de Heilige Communie voorgeschreven ten minste eenmaal per jaar en wel in de Paastijd. Tevens werd een besluit uitgevaardigd waarbij een onderneming tot herovering van de Heilige Plaatsen werd toegestaan en de verkiezing van Frederik II tot Romeins keizer werd bevestigd.
Het Eerste Concilie van Lyon · 1245
Het Eerste Concilie van Lyon werd gehouden in 1245 onder paus Innocentius IV en bijgewoond door 140 bisschoppen en vele abten en gevolmachtigden van kapittels. Ook waren Boudewijn, keizer van Constantinopel, andere vorsten en gezanten van koningen aanwezig.
De excommunicatie en afzetting van keizer Frederik II, een berucht vervolger van de Kerk die met behulp van de grote paus Innocentius III, zijn peetvader, de troon van het Duitse Rijk had bestegen, vond plaats nadat de krachtige verdediging van zijn keizerlijke vertegenwoordigers en rechtsgeleerden was aangehoord.
Het Tweede Concilie van Lyon · 1274
Het Tweede Concilie van Lyon werd gehouden in 1274 onder paus Gregorius X en bijgewoond door 500 bisschoppen van de Latijnse en Griekse ritus, bijna 70 abten en ongeveer 1000 lagere prelaten. De paus zat het persoonlijk voor.
De schismatieke Grieken keerden terug tot de eenheid van de Kerk en erkenden opnieuw de paus als hoofd van de gehele Kerk, zowel van de Griekse als van de Latijnse ritus.
Het Concilie van Vienne · 1311 en 1312
Het Concilie van Vienne in Frankrijk werd gehouden in de jaren 1311 en 1312 onder paus Clemens V. Er waren 300 bisschoppen en vele andere prelaten aanwezig.
De Orde van de Tempeliers werd opgeheven. De dwalingen van de Begarden werden veroordeeld. Zij beweerden dat de mens in dit leven een zodanige volmaaktheid kon bereiken dat hij niet meer tot zonde in staat was, zelfs wanneer hij vrijelijk toegaf aan de slechte neigingen van het lichaam.
Het Concilie van Konstanz · 1414
Het Concilie van Konstanz kwam bijeen in 1414, toen er ten gevolge van de inmenging van wereldlijke machten drie kandidaten om de pauselijke zetel streden, Johannes XXIII, Gregorius XII en Benedictus XIII. Het werd bijgewoond door ongeveer 200 bisschoppen en een aantal andere prelaten.
Op dit concilie kwam het ernstige schisma ten einde dat door deze usurpatie zo lang de Kerk van God had geteisterd en werden de dwalingen van John Wyclif en anderen veroordeeld.
In november 1417 werd paus Martinus V door allen als wettig gekozen paus erkend en hij zat het concilie voor totdat het werd gesloten. In de laatste zitting keurde en bekrachtigde paus Martinus V alles wat het concilie conciliariter had vastgesteld, dat wil zeggen volgens de strikte regels voor leerstellige bepalingen op Algemene Concilies. Daarom werd het concilie wat deze bepalingen betreft als oecumenisch aanvaard, hoewel het niet onder de Oecumenische Concilies wordt gerekend omdat het tijdens sommige zittingen niet oecumenisch was.
Het Concilie van Florence · 1438 en 1439
Het Concilie van Florence werd gehouden in 1438 en 1439 onder paus Eugenius IV. Het werd bijgewoond door 200 bisschoppen van de Latijnse en Griekse ritus. Ook de Griekse keizer Johannes Paleologus was aanwezig.
Het oppergezag van de paus over de gehele Kerk werd vastgesteld. Opnieuw onderwierpen de aanwezige schismatieke oosterse en Russische bisschoppen zich aan het oppergezag van de paus en werden daardoor met de Katholieke Kerk herenigd.
Het Vijfde Concilie van Lateranen · 1512 tot 1517
Het Vijfde Concilie van Lateranen werd gehouden van 1512 tot 1517 onder de pausen Julius II en Leo X en bijgewoond door 120 bisschoppen. Ook waren vele vertegenwoordigers van koningen en vorsten aanwezig.
Het schafte de Pragmatieke Sanctie af, dat wil zeggen de verzameling van 38 besluiten die het Concilie van Bazel had uitgevaardigd betreffende de rechten en voorrechten van de Romeinse Opperherder, het gezag van concilies, de verkiezing van prelaten en andere kerkelijke aangelegenheden. Het dogma betreffende de onsterfelijkheid van de ziel werd vastgesteld. Het Concilie van Pisa werd veroordeeld en de kerkelijke tucht hervormd. Tevens werd een krachtige aanzet gegeven tot een onderneming of kruistocht tegen de Turken, die destijds de christenheid dreigden te overrompelen.
Het Concilie van Trente · 1545 tot 1563
Het Concilie van Trente werd gehouden van 1545 tot 1563 onder de pausen Paulus III, Julius III, Marcellus II, Paulus IV en Pius IV. Het werd bijgewoond door ongeveer 200 bisschoppen, 7 abten en 7 generaals van religieuze orden en door vertegenwoordigers van koningen en vorsten. Met inbegrip van een verdaging van vier jaar en een onderbreking van tien jaar duurde het concilie achttien jaar.
De katholieke leer betreffende de Heilige Schrift, de Overlevering, de erfzonde, de rechtvaardiging en de zeven Sacramenten werd duidelijk uiteengezet, de tegengestelde dwalingen werden veroordeeld en misbruiken op het gebied van zeden en tucht werden hervormd.
Het Vaticaans Concilie · 1869 en 1870
Het Vaticaans Concilie werd geopend op 8 december 1869 en duurde tot 18 juli 1870. Het werd bijeengeroepen door paus Pius IX, die het voorzat, maar gewoonlijk door zijn legaten. Het aantal patriarchen, aartsbisschoppen en bisschoppen dat op enig tijdstip tussen 8 december 1869 en 18 juli 1870 op het concilie aanwezig was, bedroeg 704. Dit aantal omvatte 113 aartsbisschoppen en bisschoppen in partibus infidelium, van wie allen op 38 na het ambt bekleedden van administrator, hulpbisschop, coadjutor, apostolisch vicaris of apostolisch prefect.
Op dit concilie werd het dogma van het oppergezag van de H. Petrus en zijn opvolgers, dat reeds op het Eerste Concilie van Efeze in 431 was vastgesteld en op het Concilie van Florence in 1438 uitvoeriger was uiteengezet, opnieuw plechtig bevestigd. Dit geloofsdogma leert dat aan de H. Petrus een primaat van rechtsmacht werd verleend over de andere Apostelen en over de gehele kudde van Jezus Christus en dat de bisschop van Rome de opvolger van Petrus in die rechtsmacht is. Tevens werd verklaard dat deze rechtsmacht zich uitstrekt over de gehele Kerk en over ieder lid van de Kerk en dat alle gelovigen verplicht zijn zich eraan te onderwerpen, niet alleen in zaken die tot geloof of zeden behoren, maar ook in zaken die de tucht en het bestuur van de Kerk betreffen.
Op dit concilie werd ook de onfeilbaarheid van de paus wanneer hij ex cathedra spreekt over zaken van geloof of zeden plechtig vastgesteld. Naast het primaat en de onfeilbaarheid van de paus stelde dit concilie tegen het moderne ongeloof ook het bestaan van een persoonlijke God vast.
Sommigen menen dat het dogma van de onfeilbaarheid van de paus een nieuwe leer is omdat het pas op het Vaticaans Concilie als geloofsartikel werd vastgesteld. Maar wie zo redeneert, zou met evenveel schijn van reden kunnen beweren dat het dogma dat het bestaan van een persoonlijke God leert eveneens een nieuwe leer is, omdat ook dat artikel van ons geloof op dit concilie voor het eerst als dogma werd vastgesteld, teneinde de moderne ketterij te bestrijden.
Dit concilie vaardigde eveneens enkele zeer belangrijke besluiten betreffende de kerkelijke tucht uit.
Hoofdstuk XXVIII. Tweede kenmerk. Heiligheid
De Katholieke Kerk is heilig omdat zij, zoals onze catechismus zegt, een heilige leer onderwijst, aan allen de middelen tot heiligheid aanbiedt en zich onderscheidt door de verheven heiligheid van vele duizenden van haar kinderen.
Katholieken zien duidelijk, en niet katholieken erkennen voor het grootste deel zelf, dat er onder de verschillende protestantse sekten ernstige dwalingen en verliezen te betreuren zijn.
Dit kunnen tegenstrijdigheden zijn, ondeugdelijke leerstellingen die niet met de Schrift overeenstemmen, het verlies van Sacramenten, het verlaten van de evangelische raden van volmaaktheid, of verkeerde beginselen die met heiligheid onverenigbaar zijn en die, wanneer zij tot hun logische gevolgtrekkingen in praktijk worden gebracht, zeker in strijd blijken te zijn met Gods volmaaktheden, met het heil van de mens en met het welzijn van de samenleving.
De volgende opsomming van enkele leerstellingen die door verschillende kerkgenootschappen worden aangehangen, hoewel niet alle door ieder afzonderlijk, kan dienen om deze opmerking te verduidelijken.
Dat de zwaarste zonden de uitverkorenen niet schaden en dat zij daardoor de genade van het kindschap Gods en de staat van rechtvaardiging niet verliezen. Dit leerde Luther.
Dat God de bewerker van de zonde is en tegelijkertijd haar wreker. Dit leerde Calvijn.
Dat men niet uit Gods genade kan vallen, maar dat wie eenmaal in genade is altijd in genade blijft.
Dat de mens geen vrije wil heeft.
Dat God in gelovigen geen zonde ziet.
Dat verscheidene boeken van de Heilige Schrift verworpen moeten worden, hoewel zij door hetzelfde gezag zijn bekrachtigd dat van oudsher alle boeken van het Nieuwe Testament heeft bekrachtigd.
Dat een mens het recht heeft zijn eigen uitleg van de Schrift te verkiezen en te handhaven tegenover het oordeel van alle Vaders en bisschoppen van de Katholieke Kerk.
Dat het Doopsel soms wederbaart en soms niet.
Dat het Doopsel geen Sacrament is.
Dat het Doopsel van kinderen nutteloos is.
Dat de mens alleen door het geloof wordt gerechtvaardigd, zonder iets anders, waarbij onder geloof slechts een vertrouwen op Christus tot vergeving wordt verstaan.
Dat berouw, liefde tot God en liefde tot de naaste niet noodzakelijk zijn voor de rechtvaardiging of voor het heil.
Dat goede werken niet alleen niet noodzakelijk zijn, maar zelfs schadelijk voor de rechtvaardiging. Zie Mosheim.
Dat de mens geheel verdorven is en al zijn werken zondig zijn.
Dat alle zonden even schuldig zijn.
Dat werken van overvloed niet zonder aanmatiging en goddeloosheid geleerd kunnen worden.
Dat de nauwgezette onderhouding van Gods geboden onmogelijk is.
Dat alle godsdiensten goed zijn en dat het onverschillig is welke men belijdt.
Dat God, zoals Calvijn leerde, sommige mensen onafhankelijk van hun daden en zonder enige schuld van hun kant heeft voorbestemd en veroordeeld tot eeuwige verdoemenis.
En nog vele andere schadelijke en ondeugdelijke leerstellingen. Deze vruchten tonen van welke aard de boom is, namelijk het recht op persoonlijke uitleg van de Schrift tegen het wettige gezag, want aan hun vruchten zult gij hen kennen. Mattheüs 7, 20.
Ondanks deze beginselen treffen wij onder protestanten dikwijls een hoge zedelijke maatstaf aan. Dit is gelukkig te danken aan het feit dat zij hun beleden beginselen niet tot hun logische gevolgtrekkingen doorvoeren, maar veeleer de natuurlijke zin voor goed en kwaad volgen en vasthouden aan bepaalde gedeelten van het katholieke geloof die onder hen zijn blijven voortbestaan.
De Katholieke Kerk is waarlijk heilig. Haar leer, zowel betreffende het geloof als de zeden, bezielt haar kinderen met liefde tot de volmaaktheid, leidt hen tot heiligheid van leven, tot het beoefenen van alle deugden, tot afschuw van de zonde, tot het vermijden van de gelegenheden daartoe en tot het getrouw onderhouden van al Gods geboden. Dit alles ligt besloten in het begrip ware heiligheid. Zij spoort aan tot gebed, tot het gebruik van de heilige Sacramenten en van alle andere middelen waardoor Gods genade verkregen kan worden. De Heilige Kerk gebiedt haar kinderen aan ieder te geven wat hem toekomt, trouwe gehoorzaamheid aan het wettige wereldlijke gezag in tijdelijke aangelegenheden, getrouwe gehoorzaamheid aan kerkelijke oversten in geestelijke zaken, liefde en bereidwillige onderwerping aan de ouders, eerbied voor allen die boven hen gesteld zijn, consideratie en goedheid jegens ondergeschikten, eerbied en christelijke liefde jegens allen en zelfs liefde als antwoord op haat.
De Kerk moedigt ons aan ons, voor zover onze andere plichten dit toelaten, toe te leggen op geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid. Daartoe behoren de onwetenden onderrichten, de zondaar tot inkeer brengen, hen helpen die op zee of op het land in gevaar en nood verkeren, de armen bijstaan, onderdak bieden aan daklozen, jongeren en gebrekkigen, bedroefden, bejaarden, zieken en stervenden bezoeken in armenhuizen, weeshuizen, ziekenhuizen, gestichten en gevangenissen of waar zij zich ook bevinden, de doden begraven en voor hen bidden, en in het algemeen bidden voor de geestelijke en tijdelijke noden van onze naaste.
Zij leert ons God, die oneindige Majesteit, Almacht, Waarheid, Barmhartigheid en Goedheid is, te aanbidden door veelvuldige akten van aanbidding, nederigheid, geloof, hoop, berouw en liefde, en door geregeld en godvruchtig de diensten van de Kerk bij te wonen, die zij niet alleen op zon en feestdagen maar ook op weekdagen viert om de dood des Heren te verkondigen en de gelovigen voortdurend aan Hem en aan Zijn alles vermogend Lijden en sterven te herinneren.
Zij stelt haar kinderen voortdurend het leven van Jezus Christus voor als het volmaakte Voorbeeld ter navolging. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus. Romeinen 13, 14.
Ook de levens van de heiligen worden ons dikwijls voorgehouden, opdat wij door hun schitterend voorbeeld worden aangemoedigd tot het beoefenen van nederigheid, gehoorzaamheid, zuiverheid, naastenliefde, geduld, zelfverloochening, godsvrucht, volharding en ijver. Deze deugden bezaten de heiligen in de graad die heroïsch wordt genoemd en waardoor zij zich van gewone godvruchtige christenen onderscheidden.
Ook het voorbeeld van de martelaren die stierven voor Christus, voor het geloof en omwille van de deugd wordt ons voortdurend voorgehouden, opdat wij leren lijden en zelfs de dood te verdragen liever dan God ontrouw te worden en ons geweten met zonde te bevlekken. Malo mori quam foedari, liever sterven dan onteerd worden.
De Kerk gebiedt ons voortdurend over onszelf te waken, opdat wij zelfs niet voor een ogenblik vrijwillig één slechte gedachte toelaten die de geest zou verontreinigen.
Degenen die ongelukkig genoeg in zonde zijn gevallen, moedigt zij aan zonder uitstel berouw te hebben en tot God terug te keren en tot het Sacrament van Boetvaardigheid te naderen, opdat hun zielen worden gereinigd in het Allerheiligste Bloed van Jezus, dat hun wordt toegepast in dit levenwekkende, genezende en vertroostende Sacrament.
De Katholieke Kerk verbiedt het geringste onrecht jegens wie dan ook en gebiedt en verplicht ons, naar ons vermogen, herstel en genoegdoening te geven voor ieder nadeel of onrecht dat wij onze naaste hebben aangedaan, zelfs wanneer onze naaste niet van dat onrecht op de hoogte is.
Zij spoort ons aan dikwijls en godvruchtig tot het allerheiligste Sacrament van de Heilige Communie te naderen, opdat onze zielen door dit hemelse Voedsel gevoed en versterkt worden, onze harten steeds meer ontvlammen door het vuur van de goddelijke Liefde en wij voortdurend groeien in genade en godsvrucht.
Kortom, de Katholieke Kerk verbiedt alles wat verkeerd is, zelfs wanneer daardoor het grootste tijdelijke voordeel verkregen zou kunnen worden. Zij gebiedt alles wat plicht is en moedigt alles aan wat goed, heilig en volmaakt is, zelfs het streven naar die verheven deugden waarvoor Jezus Christus geen geboden maar slechts raadgevingen heeft gegeven, de zogenaamde raden van volmaaktheid.
De Kerk kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het gedrag van slechte katholieken, want zij zijn juist slecht voor zover zij afwijken van de katholieke leer en levensregel. Alle katholieken die trouw en nederig de leiding van de Kerk volgen, ongeacht hun volk, wettige beroep of levensstaat, zullen voorbeeldige christenen worden en wellicht zelfs heiligen.
Hier rijst vanzelf de vraag of de vruchten van heiligheid of deugd die door de genade worden verkregen en in de hoge, heroïsch genoemde graad worden beoefend, te vinden zijn onder de leden van de Katholieke Kerk of onder de verschillende vernieuwers die in de zestiende eeuw op zich namen de Kerk te hervormen.
De eerste gedachte die bij de meeste mensen opkomt wanneer zij dit onderwerp overwegen, is dat geen van deze hervormers door iemand als heilige wordt beschouwd, terwijl van sommige van hen door allen wordt erkend dat zij juist het tegendeel van heiligen waren, en dat alle heiligen van de christenheid, zelfs de heiligen die in de kalender van de staatskerk van Engeland zijn behouden en naar wie vele protestantse kerken zijn genoemd, leefden en stierven als trouwe leden van de Katholieke Kerk in gemeenschap met de Stoel van Rome en met ijverige gehechtheid aan haar leer en tucht.
In deze kalender van de Kerk van Engeland treffen wij nog paus Gregorius I aan, de ijverige verdediger van het pauselijk oppergezag, 12 maart, de H. Benedictus van Monte Cassino, 21 maart, patriarch van de westerse monniken en monialen, de H. Dunstan van Canterbury, 18 mei, verdediger van het priestercelibaat, de H. Augustinus van Canterbury, 26 mei, die na de Saksische invasie het katholieke geloof verkondigde aan de inwoners van het heidense Engeland, en de naam van de H. Beda, bekend als de eerbiedwaardige Beda, 27 mei, de benedictijner monnik van Jarrow in Northumberland en trouwe geschiedschrijver van die dagen van katholieke glorie in Engeland. Verder de roemrijke martelaar H. Laurentius, 10 augustus, de toegewijde diaken van de H. Sixtus II, paus en martelaar, de H. Hiëronymus, 30 september, die in de vierde eeuw zozeer aan de pauselijke Stoel gehecht was, de H. Clemens, paus en martelaar, 23 november, wiens apostolische brieven nog bestaan, en paus H. Sylvester, 31 december, onder wie de christelijke keizer Constantijn de Grote tot het christendom werd bekeerd en die, daartoe door de keizer gemachtigd, als eerste op verschillende plaatsen in Rome kerken voor de openbare eredienst bouwde en deze volgens de geschiedenis met heilige afbeeldingen versierde.
Ook de namen van andere katholieke heiligen, bijvoorbeeld de H. David, H. Chad, H. Eduard, H. Richard, H. Elphege, H. Martinus, H. Swithun, H. Egidius, H. Lambertus, H. Leonardus, H. Hugo, H. Remigius, H. Edmundus, H. Agnes, H. Catharina, H. Etheldreda en H. Margaretha, zijn alle behouden in de kalender van de staatskerk van Engeland en hebben hun naam gegeven aan vele kerken van die kerk.
Daarnaast zijn er zeer vele andere heiligen in de Katholieke Kerk van wie vele geleerde en onbevooroordeelde protestanten wegens de buitengewone zuiverheid en heiligheid van hun leven erkennen dat zij heiligen waren. Zelfs Luther erkent de H. Antonius, H. Bernardus, H. Dominicus, H. Franciscus van Assisi, H. Bonaventura en anderen als heiligen, hoewel zij openlijk rooms katholiek waren en de Rooms Katholieke Kerk tegen de ketters en schismatici van hun tijd verdedigden.
Maar onafhankelijk hiervan en van ieder ander getuigenis staat vast dat de bovennatuurlijke deugden en heroïsche heiligheid van ontelbare heilige personen van verschillende volken, geslacht, rang en levensstaat de Katholieke Kerk in iedere eeuw op wonderbare wijze hebben gesierd.
Gedurende driehonderd jaar ontvingen bijna zonder uitzondering alle opvolgers van de roemrijke H. Petrus, meer dan dertig in getal, evenals de H. Petrus de kroon van het martelaarschap in of nabij hun geliefde stad Rome. Een groot aantal pausen en een ontzaglijk aantal bisschoppen worden door de Kerk als heiligen vereerd, naast meer dan twaalf miljoen martelaren die het katholieke geloof edelmoedig met hun bloed hebben bezegeld.
Hoofdstuk XXIX. Kalender van heiligen
Behalve de Apostelen die door onze Heer werden uitgekozen, zijn de namen van een groot aantal heiligen aan katholieken vertrouwd. De volgende betrekkelijk korte lijst van heiligen, want hun aantal zou gemakkelijk vertienvoudigd kunnen worden, en van enkelen die door de Kerk Eerbiedwaardig en na hun zaligverklaring Zalig worden genoemd en die onder katholieken in het Verenigd Koninkrijk en in Italië beter bekend zijn, is zorgvuldig samengesteld en in tijdsvolgorde gerangschikt.
Bij ieder is het jaar en de dag vermeld waarop zijn of haar feest in de kalender voorkomt. Deze datum, die voor het grootste deel overeenkomt met die welke door de geleerde eerwaarde dr. Alban Butler wordt gegeven, geeft gewoonlijk de dag van hun overlijden aan, waarop wij godvruchtig mogen aannemen dat zij zijn overgegaan tot het genot van de eeuwige gelukzaligheid.
Redactionele noot. De lange namenlijst uit de oorspronkelijke uitgave is hier niet overgenomen. Zie daarvoor onze heiligenkalender, waarin de heiligen zijn opgenomen die voorkomen in het Romeins Missaal van 1962. Daarnaast kent de Kerk een veel groter aantal heiligen die in bepaalde landen, bisdommen, plaatsen en religieuze orden worden vereerd en daarom niet in deze algemene kalender voorkomen. Faà di Bruno verwijst hier naar de Engelse priester en hagiograaf Alban Butler, bekend door zijn omvangrijke verzameling heiligenlevens The Lives of the Fathers, Martyrs and Other Principal Saints. Op onze website zijn van verschillende van deze levens Nederlandse vertalingen opgenomen.
En een menigte andere heiligen, die geen mens kan tellen en wier de wereld niet waardig was, een heerlijke wolk van getuigen, die als trouwe leden van de Katholieke Kerk leefden en stierven en wier heiligheid God door vele wonderen heeft bekendgemaakt, overeenkomstig Zijn belofte:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere dan deze zal hij doen, omdat Ik tot de Vader ga. Johannes 14, 12. Zie ook Marcus 16, 17 en 18.
Zo zien wij dat de Rooms Katholieke Kerk de leer van de heiligheid, de middelen tot heiligheid, de vruchten van heiligheid en het goddelijke getuigenis van heiligheid bezit.
Hoofdstuk XXX. Derde kenmerk. Katholiciteit
Katholieken geloven, zoals in de Geloofsbelijdenis van Nicea wordt uitgedrukt, dat de ware Kerk van God katholiek is, dat wil zeggen algemeen of over alle volken verspreid.
Jezus Christus zond Zijn Apostelen om niet slechts één volk maar alle volken te onderrichten. Daarom kan de ware Kerk van Christus niet slechts een nationale Kerk zijn, in haar leer en tucht afgescheiden van alle andere Kerken, maar moet zij de Kerk zijn die overal één en dezelfde is en over de gehele wereld verspreid is.
Katholieken zijn werkelijk katholiek, zowel in feite als in naam. In feite omdat zij niet tot slechts één volk behoren maar tot alle volken der aarde. In naam omdat, wanneer en waar ook katholieken zonder enige nadere aanduiding worden genoemd, iedereen, met uitzondering van enkelen die er een punt van maken zichzelf katholiek te noemen, daaronder christenen verstaat die in gemeenschap zijn met de Stoel van Rome en geen anderen.
In alle tijden hebben ketters, om de kracht te ontgaan van dit kenmerk dat zo duidelijk ten gunste van de katholieken spreekt, getracht de naam katholieken te vervangen door die van Romeinen en Romanisten. De H. Gregorius van Tours verhaalt van de Arianen dat zij de katholieken hardnekkig Romeinen noemden, Romanorum nomine vocitant nostras Religionis homines, Geschiedenis, boek XVII, hoofdstuk 25, maar zij zijn er nooit in geslaagd de katholieken van hun naam te beroven.
De protestanten van onze tijd zijn enigszins afgeweken van deze oude methode, omdat zij inzien dat het nutteloos is te trachten ons dit kenmerk van katholiciteit te ontnemen, dat in alle eeuwen de ware Kerk van God onderscheidt. Zij trachten de kracht ervan te verzwakken door er een nadere bepaling aan toe te voegen en te zeggen: wij geven toe dat gij katholieken zijt, maar gij zijt niet eenvoudig katholieken, gij zijt rooms katholieken. Zo hopen zij voor zichzelf het recht te vestigen dit schitterende kenmerk met ons te delen en zichzelf anglicaanse katholieken te noemen.
De toevoeging rooms is echter overbodig, omdat onder het woord katholiek gewoonlijk juist hetzelfde lichaam van christenen wordt verstaan dat zij met de toegevoegde naam rooms willen aanduiden.
Deze wijze van spreken kan onvoorzichtige mensen misleiden doordat zij hun doet veronderstellen dat er meer dan één Katholieke Kerk kan bestaan, of dat het woord rooms betekent dat de Katholieke Kerk slechts nationaal is, waardoor de heerlijke kenmerken van eenheid en katholiciteit van iedere betekenis worden beroofd.
Een weinig nadenken kan echter iedereen ervan overtuigen dat de Katholieke Kerk geen menselijke instelling is die door de staat is geschapen. Zij is voor haar geestelijk gezag, haar rechten, de vrije uitoefening van haar geestelijke rechtsmacht of haar onderhoud niet afhankelijk van enige aardse macht, zoals Kerken die slechts nationaal zijn. Zij is daarentegen krachtens goddelijke instelling vrij en onafhankelijk in alle staten en koninkrijken van de wereld.
Men moet bedenken dat de paus, de opvolger op de Stoel van de H. Petrus, ongeacht of hij wereldlijke macht uitoefent of niet, van eeuw tot eeuw het zichtbare Hoofd van de Kerk van God op aarde blijft, met het volle gezag, de rechtsmacht en de voorrechten die hem door onze Heer zijn verleend. Daarom zijn katholieken rooms omdat Rome het middelpunt is en de bisschop van Rome het zichtbare Hoofd van de katholiciteit is, en niemand werkelijk katholiek is tenzij hij in gemeenschap staat met de Stoel van Rome.
Katholieken in deze betekenis rooms noemen verandert niets aan het feit dat zij in naam en in waarheid katholiek zijn. De Katholieke Kerk is immers werkelijk algemeen en onder alle volken verspreid, hoewel de Kerk rooms is doordat zij de Romeinse Opperherder als haar zichtbare Hoofd heeft. In deze betekenis geeft het woord rooms de eenheid van de Kerk aan en wijst het op de bisschop van Rome als de ene zichtbare Herder. In deze betekenis zijn de Katholieke Kerk en de Rooms Katholieke Kerk hetzelfde. Beide namen drukken, hoewel de ene vollediger is dan de andere, een en dezelfde werkelijkheid uit.
Maar wanneer protestanten, dankzij de nog overgebleven sporen van het oude geloof, zeggen: Ik geloof de heilige Katholieke Kerk, kunnen zij toch zeker niet bedoelen: ik geloof dat het bijzondere kerkgenootschap waartoe ik behoor, of mijn nationale Kerk, de Katholieke Kerk is, indien zij bedenken dat hun kerkgenootschap of Kerk plaatselijk en beperkt is en van alle andere Kerken en volken der wereld afgescheiden, en daarom in waarheid niet katholiek genoemd kan worden.
Evenmin is het redelijk wanneer protestanten zeggen dat zij wel in de Katholieke maar niet in de Rooms Katholieke Kerk geloven. Een dergelijke uitleg van deze passage uit de Geloofsbelijdenis van Nicea lijkt slechts een gebrekkige wijze om zich dit heerlijke kenmerk van katholiciteit toe te eigenen door de geest van eenvoudige mensen te verwarren en de betekenis van de woorden katholiek en rooms te vertroebelen.
Ik zal hier trachten de dwaling van deze uitleg aan te tonen.
Wanneer protestanten zeggen dat zij in de Katholieke maar niet in de Rooms Katholieke Kerk geloven, kan men hun redenering tegenover katholieken aldus weergeven: wij erkennen dat gij katholieken zijt, omdat uw Kerk inderdaad over alle volken verspreid is, maar gij zijt tevens rooms omdat gij de bisschop van Rome als het zichtbare Hoofd van uw Kerk erkent. Daarom zijn wij gerechtigd u rooms te noemen en wij zorgen ervoor u met deze naam aan te duiden, omdat het woord rooms bij onnadenkende mensen de indruk wekt dat gij evenals wij slechts nationaal zijt.
Nadat zij ons zo genoemd hebben, zeggen zij ons ook dat zijzelf geen rooms katholieken zijn om de eenvoudige reden dat zij de paus van Rome verwerpen. En hoewel zij leden zijn van een Kerk die slechts nationaal is of van een kerkgenootschap dat slechts beperkt is en daarom niet katholiek in de eigenlijke betekenis van het woord, noemen zij zichzelf toch katholiek in een andere bijzondere betekenis die zijzelf aan het woord geven en zijn zij daarom, naar hun zeggen, katholiek maar niet rooms katholiek.
Het is echter gemakkelijk in te zien dat dit geen juiste redenering is. Het zou zeker niet eerlijk zijn indien een mohammedaan beweerde christen te zijn op grond daarvan dat hij geloofde dat Christus op aarde had geleefd en dat hij het grootste gedeelte geloofde van hetgeen in de vier Evangeliën over Hem wordt verhaald, terwijl hij eraan toevoegde dat hij Christus weliswaar niet als God en Zaligmaker geloofde zoals christenen dat doen, maar toch veel omtrent Hem geloofde en daarom het recht had zichzelf christen te noemen en te zeggen dat hij christen maar geen katholiek christen was. Het minste wat men tot zo iemand zou zeggen, lijkt mij, zou zijn dat hij niet eerlijk handelt, zichzelf en misschien ook anderen misleidt, omdat hij het woord christen niet in de gewone betekenis gebruikt maar er een eigen betekenis aan geeft die niemand zonder kennis van zijn bijzondere opvattingen kan begrijpen.
Evenmin wordt de stelling van de tegenstanders sterker wanneer zij zeggen dat zij met hun belijdenis van de Katholieke Kerk de algemene onzichtbare Kerk bedoelen. Dit zou immers neerkomen op het geloof in een Kerk die niet naar voren kan treden en spreken en daarom niet onderwijst. Daarmee zou het wezenlijke leerambt dat Christus aan Zijn Kerk heeft toevertrouwd teniet worden gedaan, evenals de daarmee overeenkomende plicht van de gelovigen om te geloven wat zij leert. De Kerk op aarde is wezenlijk en voortdurend zichtbaar. Zij is die berg boven de toppen der bergen, Isaias 2, 2 en Daniël 2, 35, die stad die op een berg ligt, een stad die niet verborgen kan blijven, Mattheüs 5, 14.
Sommige protestanten antwoorden aldus: wanneer wij zeggen dat wij de Katholieke Kerk geloven, bedoelen wij niet dat wij ons eigen kerkgenootschap of onze nationale Kerk geloven. Wij bedoelen evenmin een onzichtbare Kerk. Wij bedoelen een zichtbare Kerk die over de wereld verspreid is en bestaat uit verschillende nationale Kerken, de Griekse, Romeinse, Lutherse, Anglicaanse en Amerikaanse, die hoewel zij in bepaalde zaken van elkaar verschillen toch in de wezenlijke zaken met elkander overeenstemmen en als zoveel takken van één boom samen één algemene Kerk vormen.
Ik merk ten eerste op dat een dergelijke uitleg van deze passage uit de Geloofsbelijdenis in de Kerk nooit bekend is geweest. Een dergelijke uitleg werd in alle eeuwen stilzwijgend verworpen, zoals blijkt uit het feit dat de Katholieke Kerk iedere christelijke gemeenschap die niet met haar in gemeenschap stond altijd als schismatiek heeft beschouwd en iedere gemeenschap die een van haar vastgestelde geloofsartikelen verwierp als ketters.
Ten tweede wordt deze uitleg algemeen en openlijk verworpen, niet alleen door de rooms katholieken maar ook door de Griekse en andere schismatieke Kerken, die ieder zichzelf alleen als de ware Kerk beschouwen. Zij wordt slechts aangehangen door sommige protestanten en door een traditie binnen de Anglicaanse staatskerk, die deze verklaring gebruiken om hun positie ten opzichte van dit artikel van de Geloofsbelijdenis te rechtvaardigen.
Ten derde kan deze theorie geen standhouden, want deze verschillende gemeenschappen zijn in werkelijkheid niet verenigd in de wezenlijke zaken. Integendeel, zij verschillen van mening over leerstellingen waarvan de ene gemeenschap het belijden als wezenlijk beschouwt en een andere gemeenschap de ontkenning als wezenlijk beschouwt. Daarom kunnen zij niet vergeleken worden met takken van de ene boom, die dezelfde stam en wortel hebben en hetzelfde levenssap ontvangen, hoeveel gelijkenis zij in bepaalde opzichten ook mogen vertonen.
Misschien bedoelen zij met de woorden dat zij in de wezenlijke zaken overeenstemmen dat de genoemde gemeenschappen, hoewel zij onderling verschillen over punten die door sommige van hen als wezenlijk worden beschouwd, toch alle overeenstemmen in hetgeen door de eerste zes Algemene Concilies is vastgesteld.
Ik merk dan op dat de oude Kerk en die zes Algemene Concilies hun recht om enige bepaling vast te stellen grondvestten op dit fundamentele beginsel dat door alle leden van die Kerk werd aanvaard, namelijk dat alles wat de Kerk in gemeenschap met de Stoel van Rome ooit als geloofsartikel zou vaststellen door allen geloofd moest worden.
Het spreekt vanzelf dat zonder deze voorafgaande algemene erkenning van de plicht om alles te geloven wat de Kerk als geloofsartikel zou leren, het bijeenroepen van Algemene Concilies ter beslechting van godsdienstige geschillen nutteloos zou zijn geweest.
Ik zei in gemeenschap met de Stoel van Rome. De noodzakelijkheid hiervan is duidelijk. De Vaders zelf van die zes Algemene Concilies werden bijeengeroepen en voorgezeten door de paus door middel van zijn legaten. Zij onderwierpen zich aan de bevelen van de paus. De canones werden uiteindelijk door de paus bekrachtigd voordat hun geldigheid werd erkend. Bovendien hebben de Vaders tijdens juist die Concilies het primaat van de Romeinse Stoel in duidelijke bewoordingen uitgesproken.
Zo zeiden de Vaders op het Eerste Algemene Concilie, dat van Nicea, zoals aangehaald door het Concilie van Chalcedon, het Vierde Algemene Concilie, handeling 16: De Romeinse Kerk heeft altijd het primaat bezeten.
Op het Tweede Algemene Concilie, het Eerste van Constantinopel, erkenden de Vaders in de brief die zij aan paus Damasus I schreven, zoals Theodoretus vermeldt in het vijfde boek van zijn Kerkgeschiedenis, hoofdstuk 9, dat de Romeinse Kerk het Hoofd is en zijzelf de ledematen.
Op het Vierde Algemene Concilie, dat van Chalcedon, noemen de Vaders paus H. Leo, de toen regerende Opperherder, verschillende malen de bisschop van de universele Kerk en voegen zij in hun brief aan dezelfde heilige Opperherder toe: aan wie de Zaligmaker de bewaking van de Wijngaard heeft toevertrouwd.
Met uitzondering dus van de rooms katholieken, die tot op deze dag aan het genoemde fundamentele beginsel vasthouden, blijkt dat alle schismatieke Kerken of christelijke gemeenschappen die dit beginsel verwerpen noch vasthouden aan die oude Kerk noch aan alle bepalingen van die eerste zes Algemene Concilies. En wat betreft de bepalingen die zij wel aanvaarden, stemmen zij niet overeen met de geest waarin deze werden vastgesteld, noch met het hierboven genoemde fundamentele beginsel waarop zij berustten.
Te zeggen dat de Kerk, die in het Evangelie het Koninkrijk Gods wordt genoemd, bestaat uit een aantal onderling strijdige Kerken die geen werkelijke gemeenschap en geen zichtbare verbondenheid met elkander hebben en waarvan iedere de andere als schismatiek of misschien zelfs als ketters beschouwt, zou even vreemd zijn als te zeggen dat Europa één Rijk vormt hoewel het bestaat uit verschillende van elkander onafhankelijke volken die verdeeld zijn, elkanders rivalen zijn en soms zelfs oorlog met elkander voeren, maar toch één zouden zijn omdat zij op sommige punten van recht, gewoonte of beschaving met elkander overeenstemmen. Dit zou hetzelfde zijn als zeggen dat de Kerk van God een gemeenschap is die bestaat uit losstaande en botsende bestanddelen, zonder zichtbaar hoofd, zonder eenheid, orde en samenhang en zonder die onderlinge gemeenschap, harmonie en verbondenheid tussen haar leden die een goed geordende gemeenschap behoort te bezitten en waarom zij door de H. Paulus met een menselijk lichaam wordt vergeleken. Dit zou betekenen dat de Kerk slechts een Kerk van verdeeldheid is of in het geheel geen Kerk en dat haar leerambt slechts een ambt is dat ertoe leidt de mensen door voortdurende tegenstrijdigheden in verwarring te brengen of te misleiden.
Hoofdstuk XXXI. Vierde kenmerk. Apostoliciteit
De Katholieke Kerk is apostolisch. Dit betekent dat zij geen Kerk is die in de moderne tijd is ontstaan of zich ooit van enige andere Kerk heeft afgescheiden, maar de Kerk zelf is die door Jezus Christus en de Apostelen werd gesticht, hoewel zij zich thans verder heeft ontwikkeld, zoals een edele, wijdvertakte boom die eens slechts een kleine plant was.
Apostoliciteit, nauwkeuriger omschreven, bestaat in een ononderbroken opvolging van Herders die vanaf de tijd van de Apostelen tot op de huidige dag op geldige wijze zijn gewijd, wettig zijn gezonden en achtereenvolgens dezelfde onveranderlijke leer hebben verkondigd.
Door deze geldige wijding, wettige zending en zuivere leer is de Katholieke Kerk van heden de voortzetting van de Kerk die door Jezus Christus en de Apostelen werd gesticht. Zij vormt daarmee één en hetzelfde levende lichaam, zet de zending van de Apostelen voort en is de enige ware en blijvende gezant die door Christus is gezonden om de mensen naar de eeuwige zaligheid te leiden.
Alleen de Rooms Katholieke Kerk bezit dit alles. Haar leer is nooit veranderd. Zij is van tijd tot tijd verder ontvouwd en duidelijker uiteengezet, vooral wanneer een ketterij of een andere noodzaak een plechtige en nauwkeurige bepaling vereiste. Maar er bestaat geen geval waarin de Rooms Katholieke Kerk een leer heeft aangehangen die tevoren als ketters was veroordeeld, of als ketters heeft veroordeeld wat vroeger door de Kerk als geloofsdogma was vastgesteld. Dit is zozeer het geval dat het onder protestanten spreekwoordelijk is te zeggen dat de Roomse Kerk nooit verandert.
Alleen in de Katholieke Kerk heeft er vanaf de tijd van de Apostelen tot heden een ononderbroken opvolging bestaan van Herders die wettig zijn gewijd en gezonden.*
* De Griekse schismatieke Kerk heeft door haar afscheiding in de negende eeuw, in 879, onder Photius, patriarch van Constantinopel, het wettige gezag van de Kerk van Christus verworpen. Hoewel zij een geldige wijding bezit, heeft zij geen wettige zending en evenmin de ononderbroken bewaring van de gehele schat van de katholieke leer. De leer dat de Heilige Geest niet zowel van de Zoon als van de Vader voortkomt, is een ketterij die door de H. Cyrillus van Alexandrië werd veroordeeld op een provinciale synode die in die stad werd gehouden. Deze veroordeling door de H. Cyrillus tegen Nestorius werd in 431 door het Algemene Concilie van Efeze bevestigd. Toch houdt de Griekse Kerk sinds haar afscheiding van de Katholieke Kerk in 879 aan deze ketterij vast. Weliswaar herriepen de Griekse bisschoppen op het Algemene Concilie van Lyon in 1274 hun dwaling en veroordeelden zij haar samen met de Latijnse bisschoppen. Zij lieten de woorden Die voortkomt van de Vader en de Zoon in de Geloofsbelijdenis van Nicea opnemen, maar vervielen spoedig opnieuw in die ketterij. Opnieuw werd deze ketterij op het Algemene Concilie van Florence in 1439, waaraan ook de schismatieke Griekse bisschoppen deelnamen, veroordeeld in de vijfentwintigste zitting. Na hun terugkeer naar huis vervielen de Griekse bisschoppen echter opnieuw in hun schisma en ketterij en houden zij daaraan nog steeds vast.
De Katholieke Kerk heeft zich nooit van enige andere Kerk afgescheiden en er is vanaf de stichting van het christendom geen tijd geweest waarin zij niet bestond.
De protestantse kerkgenootschappen daarentegen zijn alle modern. De oudste daarvan bestaan slechts enkele eeuwen. Toen zij zich van de Katholieke Kerk afscheidden, troffen zij geen sekte aan die geheel met henzelf overeenkwam, anders zouden zij zich daar waarschijnlijk bij hebben aangesloten. Deze sekten ontstonden in feite pas toen hun verschillende stichters hun het bestaan gaven. Daarom worden zij onderscheiden door de naam van hun stichter of door een bijzonder kenmerk van hun nieuwe leer. Verre van apostolisch te zijn, verwerpen zij de apostolische Overlevering en de getuigenissen van de eerste opvolgers van de Apostelen, hetzij in hun belijdenis, hetzij in de praktijk, hetzij in beide. Kardinaal Bellarminus heeft een twintigtal protestantse leerstellingen opgesomd die slechts oude ketterijen zijn, reeds in de eerste eeuwen van de Kerk veroordeeld. De Notis Ecclesiae, boek IV, hoofdstuk 9.
De volgende historische reeks van alle bisschoppen van Rome, opvolgers van de H. Petrus, tot op de huidige tijd bevestigt het feit dat dit schitterende kenmerk van apostoliciteit alleen aan de Rooms Katholieke Kerk toekomt.
Hoofdstuk XXXII. De ononderbroken opvolging van de H. Petrus
Redactionele noot. De lange lijst van pausen uit de oorspronkelijke uitgave is hier niet overgenomen. Faà di Bruno geeft daarin de Opperherders die in ononderbroken opvolging van de H. Petrus de Stoel van Rome hebben bekleed, tot aan de toen regerende paus Pius IX. De eerste eeuwen van deze opvolging vormen tevens een indrukwekkende reeks van martelaarspausen. Van de H. Petrus af tot aan het einde van de grote Romeinse vervolgingen hebben zeer vele pausen hun getuigenis voor Christus met hun bloed bezegeld. Met H. Sylvester I, die in 314 de Stoel van Petrus besteeg, begint de eerste pauselijke regering na het tijdperk van de grote vervolgingen.
Noot. De pausen van Rome. Het gehele aantal pausen van de H. Petrus tot Pius IX bedraagt 257. Van hen worden er 82 als heiligen vereerd, van wie 33 de marteldood hebben ondergaan. 104 waren Romeinen en 103 afkomstig uit andere delen van Italië; 15 waren Fransen; 9 Grieken; 7 Duitsers; 5 Aziaten; 3 Afrikanen; 3 Spanjaarden; 2 Dalmatiërs; 1 Hebreeër; 1 Thraciër; 1 Nederlander; 1 Portugees; 1 Kretenzer en 1 Engelsman. Negen pausen regeerden minder dan één maand, 30 minder dan één jaar en 11 meer dan twintig jaar. Slechts vijf bezetten de pauselijke Stoel langer dan 23 jaar. Dit waren de H. Petrus, die 25 jaar, 2 maanden en 7 dagen Opperherder was; Silvester I, 23 jaar, 10 maanden en 27 dagen; Adrianus I, 23 jaar, 10 maanden en 14 dagen; en Pius IX, die op 16 juni 1876 zijn dertigste jaar op de pauselijke Stoel vierde. Weekly Register, 23 september 1876.
Redactionele noot. De bovenstaande cijfers zijn die van Faà di Bruno in 1876 en worden hier als onderdeel van de oorspronkelijke tekst gehandhaafd. De ononderbroken reeks van opvolgers van de H. Petrus is sindsdien voortgezet. Het Engelse origineel spreekt hierboven van vijf pausen die langer dan 23 jaar de pauselijke Stoel bezetten, maar noemt er slechts vier. Deze onvolledigheid in het origineel is niet aangevuld.
Hoofdstuk XXXIII. Boetewerken
In het geval van hen die na het Doopsel in doodzonde zijn gevallen, blijft er, wanneer de schuld van die zonde en de daarvoor verschuldigde eeuwige straf door de verdiensten van Christus in en door het Sacrament van Boetvaardigheid zijn vergeven, zeer dikwijls nog een schuld van tijdelijke straf over die door de zondaar moet worden voldaan. Deze schuld blijft niet bestaan wegens enige onvolmaaktheid in de kracht van de absolutie, noch wegens enig gebrek aan werkdadigheid van de verzoening van Christus, die op zichzelf voldoende is om voor de zonden van vele werelden te voldoen, maar omdat volgens Gods wil de bestraffing voor begane zonden aanvult wat aan ons berouw ontbreekt en tevens tot verbetering dient. De vrees voor tijdelijke straf helpt dikwijls het voornemen tot beterschap te versterken, weerhoudt ons ervan opnieuw in zonde te vallen en spoort ons aan het gegeven ergernis te herstellen.
Hieruit zien wij dat, terwijl de Godmens Jezus Christus door voor onze zonden te voldoen datgene heeft gedaan wat wij onmogelijk voor onszelf konden doen, Hij ons niet heeft ontslagen van de plicht om met de hulp van Zijn genade te doen wat wij kunnen om onszelf te straffen voor de beledigingen die God zijn aangedaan. Het gezonde verstand zelf zegt ons dat dit niet meer dan recht en billijk is.
Onze eerste ouders moesten, nadat de schuld van hun zonde was vergeven, een lange tijdelijke bestraffing voor hun zonde ondergaan. Dit was eveneens het geval met Aäron, Mozes, zijn zuster Maria en het volk Israël in de woestijn. Zie het boek Numeri, hoofdstukken 12, 14 en 20. Evenzo hoorde David, nadat hij berouw had gekregen over zijn zonde en nederig had gezegd: Ik heb gezondigd, van de profeet Nathan deze woorden: De Heer heeft ook uw zonde weggenomen. Gij zult niet sterven. Maar omdat gij door deze daad aan de vijanden van de Heer aanleiding hebt gegeven tot godslastering, zal het kind dat u geboren is zeker sterven. 2 Koningen, 2 Samuel, 12, 13 en 14. Opnieuw zegt David over zichzelf: Ik ben uitgeput van mijn zuchten. Iedere nacht zal ik mijn bed wassen, mijn rustplaats zal ik met mijn tranen bevochtigen. Psalm 6, 7.
De Katholieke Kerk heeft altijd geleerd dat, nadat de zonde in het Sacrament van Boetvaardigheid is vergeven, nog boetewerken moeten worden verricht, zoals gebeden, vasten, aalmoezen en andere werken van godsvrucht. Deze boetewerken voldoen echter uit zichzelf niet aan de gerechtigheid Gods voor enige zonde, maar alleen voor zover zij al hun waarde ontlenen aan die algenoegzame voldoening die Jezus Christus aan het Kruis heeft gebracht en krachtens welke alleen al onze goede werken welgevallig zijn in de ogen van God.
Zo werden in de oorspronkelijke Kerk de boetecanones ingesteld en werd de veertigdaagse vasten van de Vasten vanaf de tijd van de Apostelen onderhouden. De H. Hiëronymus zegt: Volgens de Apostolische Overlevering onderhouden wij op de daarvoor bestemde tijd van het jaar de Vasten. Epistola 27, ad Marcellum. En de H. Leo zegt: Laat de apostolische instelling van veertig dagen in vasten worden doorgebracht. Derde preek over de Vasten.
De vergiffenis die aan de berouwvolle moordenaar werd geschonken met de heilbrengende woorden Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn, Lucas 23, 43, kan niet als bewijs worden aangevoerd dat God ons ontslaat van het verrichten van boetewerken. Dit was een wonderbare en bijzondere genade die onder buitengewone omstandigheden werd verleend, namelijk op het ogenblik waarop het Bloed der Verlossing werkelijk werd vergoten. Bovendien beleed de stervende moordenaar, behalve dat hij getuigenis aflegde van de Godheid van Jezus Christus, zijn schuld en onderging hij in de geest van boetvaardigheid de foltering van zijn kruisiging en het wrede breken van zijn benen als straffen die hij wegens zijn zonden rechtvaardig verdiend had. Het is bovendien waarschijnlijk dat dit de eerste maal was dat hij vergiffenis ontving.
De Katholieke Kerk, die de noodzakelijkheid van boetewerken in het algemeen leert, houdt eveneens dat volwassen personen die voor het eerst in het Doopsel vergiffenis van persoonlijke zonden ontvangen, en zelfs degenen die na het Doopsel opnieuw in zonde zijn gevallen en als martelaar sterven, of die tot het Sacrament van Boetvaardigheid naderen met een zeer innig volmaakt berouw, of die tot dit Sacrament naderen met onvolmaakt berouw en daarna een volle aflaat ontvangen, geen overblijvende schuld van tijdelijke straf meer te voldoen hebben.
Hoofdstuk XXXIV. Aflaten
Het is te betreuren dat vele protestanten zo slecht over aflaten zijn ingelicht dat zij menen dat daarmee de vergeving van een zonde of de toestemming om een zonde te bedrijven wordt bedoeld.
Onder een aflaat wordt niet verstaan een toestemming om een zonde te bedrijven, noch de vergeving van een zonde, maar de kwijtschelding, door de verdiensten van Jezus Christus, van de gehele of gedeeltelijke schuld van tijdelijke straf die voor de zonde verschuldigd is, nadat de schuld en de eeuwige straf van die zonde door de verdiensten van Jezus Christus reeds in het Sacrament van Boetvaardigheid zijn vergeven.
Aflaten verzekeren de hemel niet, maar bespoedigen slechts het tijdstip waarop zij die de hemel reeds verzekerd hebben doordat zij vóór hun dood vergiffenis van hun zonden hebben verkregen en zich in staat van genade hebben gesteld, deze binnengaan.
Katholieken geloven dat de macht om aflaten te verlenen door Christus aan de Kerk is nagelaten. Zij ligt besloten in de belofte die Jezus Christus aan de H. Petrus deed: En al wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn. Mattheüs 16, 19. Deze woorden bevatten immers een ruime en algemene macht die aan de H. Petrus en zijn opvolgers werd gegeven om een behoorlijk gestelde persoon te ontbinden van alles wat hem kan verhinderen naar de hemel te gaan. De schuld van tijdelijke straf verhindert zelfs een gerechtvaardigde ziel gedurende enige tijd de eeuwige zaligheid binnen te gaan, namelijk totdat die schuld is voldaan of kwijtgescholden.
Men zou kunnen zeggen, ten minste volgens hun beginselen, dat protestanten aan iedereen een soort volle of volledige aflaat geven wanneer zij zeggen dat boetewerken niet noodzakelijk zijn. Katholieken geloven daarentegen dat boetewerken noodzakelijk zijn en dat de macht om te binden en te ontbinden, waarin ook de macht om een aflaat te verlenen besloten ligt, niet aan iedereen werd nagelaten maar alleen aan de wettige opvolgers van de Apostelen, in wie alleen deze macht volgens hen nog berust.
Zo werd de misdadige Korintiër door de H. Paulus aan een zeer strenge boete onderworpen. Ten slotte verleende de Apostel echter, op verzoek van de broeders, aan die berouwvolle zondaar een aflaat, hief de hem opgelegde straf op en liet hem opnieuw toe tot de gemeenschap van de gelovigen. 1 Korintiërs 5 en 2 Korintiërs 2.
De ervaring bewijst dat het verlenen van een aflaat zeer nuttig is. Het moedigt de gelovigen aan tot dieper berouw, tot een veelvuldiger toevlucht tot de heilige Sacramenten van Boetvaardigheid en Communie en tot het beoefenen van werken van naastenliefde en godsvrucht. De leer van de Katholieke Kerk is immers dat de ziel, om enige aflaat te verkrijgen, in staat van genade moet zijn, dat wil zeggen vrij van doodzonde. De voorwaarden voor het verkrijgen van een volle aflaat zijn bijna altijd dat degene die haar wil verkrijgen waardig de Sacramenten van Boetvaardigheid en de Heilige Eucharistie ontvangt ter voorbereiding op het verkrijgen van de aflaat en enige uitwendige werken van godsvrucht verricht. Een aflaat die alleen onder zulke voorwaarden wordt verleend, is daarom verre van een aansporing tot zonde, maar moedigt ons aan tot berouw, boetvaardigheid en andere werken van godsvrucht en is een heilzaam geneesmiddel tegen de zonde en een bescherming tegen de gelegenheden waardoor men tot zonde gebracht kan worden.
Hoofdstuk XXXV. Over het vagevuur
Het vagevuur is een staat van lijden in de andere wereld, waarin gedurende enige tijd die zielen worden opgehouden die dit leven verlaten nadat hun doodzonden zijn vergeven wat betreft de smet en de schuld en wat betreft de eeuwige straf die daarvoor verschuldigd was, maar die wegens deze zonden nog enige schuld van tijdelijke straf te voldoen hebben, evenals die zielen die deze wereld verlaten terwijl zij alleen met dagelijkse zonden belast zijn. Daar worden de zielen gezuiverd en geschikt gemaakt om de hemel binnen te gaan, waar niets wat bevlekt is binnengaat.
Katholieken geloven dat een christen die sterft nadat de schuld en de eeuwige straf van een doodzonde hem zijn vergeven, maar die hetzij door gebrek aan gelegenheid, hetzij door nalatigheid de schuld van tijdelijke straf die wegens zijn zonde verschuldigd is niet heeft voldaan, deze schuld aan de gerechtigheid Gods in het vagevuur zal moeten voldoen.
Zij geloven eveneens dat christenen die sterven met alleen de schuld van dagelijkse zonde op hun ziel, niet onmiddellijk de hemel binnengaan, waar niets wat bevlekt is kan binnengaan, maar eerst gedurende de hun toegemeten tijd naar het vagevuur gaan en, nadat zij daar van de smet van deze dagelijkse of lichtere zonden zijn gezuiverd, tot de hemel worden toegelaten.
Zoals boetewerken op zichzelf geen waarde hebben dan door de verdiensten van Jezus Christus, zo hebben ook de straffen van het vagevuur op zichzelf geen kracht om de ziel van zonde te zuiveren dan krachtens de Verlossing van Christus. Of nauwkeuriger gezegd, de zielen in het vagevuur kunnen de door Gods gerechtigheid gevorderde schuld van tijdelijke straf voldoen en vergiffenis van hun dagelijkse zonden verkrijgen door de verdiensten van Jezus Christus, maar toch als door vuur.
Het katholieke geloof in het vagevuur berust vooral op de apostolische Overlevering van de Kerk, vastgelegd in alle oude liturgieën en bij de oude Vaders Tertullianus, de H. Cyprianus, Origenes, Eusebius van Caesarea, Arnobius, de H. Basilius, de H. Ephrem van Edessa, de H. Cyrillus van Jeruzalem, door het Vierde Concilie van Carthago, door de H. Gregorius van Nyssa, de H. Ambrosius, de H. Epiphanius, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Hiëronymus, de H. Augustinus en door vele andere gezaghebbende getuigen uit de oudheid.
Dat deze Overlevering van de Apostelen afkomstig is, betuigt de H. Johannes Chrysostomus duidelijk in een passage die hierna zal worden aangehaald wanneer gesproken wordt over de voorbeden of hulp voor de overledenen. Blz. 186.
De H. Augustinus zegt over Aerius dat hij de eerste was die durfde te leren dat het geen nut had gebeden en offers voor de doden op te dragen, en deze leer van Aerius rekende hij onder de ketterijen. Boek over de ketterijen, ketterij 53.
Er zijn ook passages in de Heilige Schrift waarmee de Vaders het katholieke geloof op dit punt hebben bevestigd.
De H. Paulus zegt in zijn eerste Brief aan de Korintiërs, hoofdstuk 3, 11: Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk Christus Jezus is. Indien nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stoppelen, ieders werk zal openbaar worden, want de dag des Heren zal het aan het licht brengen, omdat het in vuur geopenbaard zal worden, en het vuur zal beproeven hoedanig ieders werk is. Indien iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft standhoudt, zal hij loon ontvangen. Indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, maar hijzelf zal gered worden, doch zo als door vuur.
De oude Vaders Origenes in de derde eeuw, de H. Ambrosius en de H. Hiëronymus in de vierde en de H. Augustinus in de vijfde eeuw hebben deze tekst van de H. Paulus uitgelegd als betrekking hebbend op dagelijkse zonden die door christenen worden bedreven en die de H. Paulus vergelijkt met hout, hooi, stoppelen. Zo bevestigen zij met deze tekst het katholieke geloof in het vagevuur, dat in hun tijd even bekend was en geloofd werd als tegenwoordig door de katholieken.
In het Evangelie van de H. Mattheüs, hoofdstuk 5, 25 en 26, lezen wij: Wees spoedig eensgezind met uw tegenpartij zolang gij met hem onderweg zijt, opdat misschien de tegenpartij u niet aan de rechter overlevert en de rechter u aan de dienaar overlevert en gij in de gevangenis wordt geworpen. Voorwaar, Ik zeg u, gij zult daar niet uitgaan totdat gij de laatste penning hebt betaald.
Over deze passage zegt de H. Cyprianus, een Vader uit de derde eeuw: Het is iets anders in de gevangenis geworpen te worden en daar niet uit te gaan voordat de laatste penning betaald is, en iets anders onmiddellijk het loon van geloof en deugd te ontvangen. Het is iets anders wegens de straf voor de zonde door langdurig lijden gezuiverd en door langdurig vuur gereinigd te worden, en iets anders alle zonden door lijden in dit leven te hebben uitgeboet. Het is iets anders in het vuur de uitspraak van de Heer op de dag des oordeels af te wachten en iets anders onmiddellijk van Hem de kroon te ontvangen. Brief 52.
Onze Zaligmaker zei: Wie tegen de Heilige Geest zal spreken, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige. Mattheüs 12, 32.
Uit deze tekst redeneert de H. Augustinus dat niet naar waarheid gezegd zou zijn dat hun zonde noch in deze wereld noch in de toekomstige vergeven zal worden, indien sommige zonden niet in de toekomstige wereld werden vergeven. De Civitate Dei, boek XXI, hoofdstuk 24.
Anderzijds lezen wij op verschillende plaatsen in de Heilige Schrift dat God aan ieder zal vergelden, dat wil zeggen hem belonen of straffen, overeenkomstig hetgeen hij verdient. Zie bijvoorbeeld Mattheüs 16, 27. Maar daar wij nauwelijks kunnen aannemen dat God iemand eeuwig zal straffen die sterft met de schuld van slechts één dagelijkse zonde, al was het slechts een ijdel woord, lijkt het redelijk daaruit af te leiden dat de straf die deze persoon in de andere wereld ontvangt slechts tijdelijk zal zijn.
Het katholieke geloof in het vagevuur is niet in strijd met de volgende uitspraken van de Heilige Schrift, die iedere katholiek vast gelooft, namelijk dat het Jezus is die ons reinigt, dat Jezus de ongerechtigheid van ons allen heeft gedragen en dat wij door Zijn striemen genezen zijn. Want de overleden zielen in het vagevuur kunnen daar de schuld van tijdelijke straf voldoen en worden daar van de smet van hun dagelijkse zonden gereinigd uitsluitend door de Verlossing van Christus.
Evenmin is het katholieke geloof in het vagevuur in strijd met die teksten van de Schrift waarin gezegd wordt dat een mens, wanneer hij gerechtvaardigd wordt, van de dood naar het leven wordt overgebracht, dat hij niet meer geoordeeld wordt en dat er geen veroordeling in hem is. Want deze passages hebben geen betrekking op zielen die bij de natuurlijke dood tot de heerlijkheid worden overgebracht, maar op mensen in deze wereld die van de dood van de zonde overgaan naar het leven van de genade. Daaruit volgt evenmin dat zij, wanneer zij in die staat van genade sterven, dat wil zeggen in een staat van geestelijk leven, onmiddellijk naar de hemel moeten gaan. Een ziel kan gerechtvaardigd zijn en toch nog gedurende enige tijd iets te lijden hebben. Zo zijn ook in deze wereld velen gerechtvaardigd zonder daarom van lijden vrijgesteld te zijn.
Evenmin is het juist tegen de katholieke leer over het vagevuur de tekst uit de Apocalyps aan te voeren, Apocalyps 14, 13: Zalig de doden die in de Heer sterven. Van nu af aan, zegt de Geest, mogen zij rusten van hun arbeid, want hun werken volgen hen. Want deze tekst is alleen van toepassing op die zielen die volmaakt in de Heer sterven, dat wil zeggen geheel vrij van iedere soort zonde en van de smet, de schuld en de schuld van tijdelijke straf van iedere zonde. Ook de katholieken geloven immers dat deze zielen geen straf van het vagevuur te lijden hebben, zoals het geval was met de martelaren en vele heiligen die in een volmaakte staat van genade stierven en met de berouwvolle moordenaar die naast Christus aan het kruis stierf.
Gewoonlijk wordt tegen het katholieke geloof in het vagevuur de tekst uit Ecclesiastes aangevoerd die zegt: Indien de boom naar het zuiden of naar het noorden valt, op welke plaats hij ook valt, daar zal hij blijven. Ecclesiastes 11, 3.
Deze tekst, hoewel op zichzelf niet beslissend, wordt terecht gebruikt om de waarheid te bevestigen en te verduidelijken dat wanneer de dood komt het uiteindelijke lot van ieder mens vaststaat en er geen mogelijkheid meer bestaat dit te veranderen. Indien iemand in staat van doodzonde sterft, zal hij altijd in een staat van zonde blijven en bijgevolg voor eeuwig verworpen zijn. Indien hij in staat van genade en vriendschap met God sterft, zal hij voor eeuwig door God aangenomen blijven en in staat van genade en in Zijn vriendschap blijven.
Maar deze tekst bewijst niets tegen het bestaan van het vagevuur, want een ziel kan in staat van genade zijn en toch nog moeten lijden voordat zij volkomen geschikt is om de eeuwige gelukzaligheid van de hemel binnen te gaan en het aanschouwen van God te genieten.
Sommigen zouden niettemin geneigd kunnen zijn deze tekst tegen het vagevuur te gebruiken door te zeggen dat de twee plaatsen waarop de tekst zinspeelt de hemel en de hel zijn. Maar deze uitleg aanvaarden katholieken gaarne, want bij de dood is voor alle mensen de hemel of de hel de uiteindelijke bestemming, terwijl het vagevuur slechts de doorgang naar de hemel is.
Deze tekst spreekt zeker niet tegen degenen die lang vóór de komst van Christus om de wereld te verlossen gestorven zijn en die, hoewel voor de hemel bestemd, daar pas geruime tijd na hun dood konden binnengaan. Daarom spreekt hij evenmin tegen het vagevuur.
De Verlossing van Christus is overvloedig, rijkelijk, zoals de Heilige Schrift zegt, Psalm 129, 7, en katholieken geloven niet dat christenen die sterven terwijl zij alleen schuldig zijn aan dagelijkse zonden waarover zij geen berouw hebben gehad en die niet vergeven zijn, veroordeeld worden tot de eeuwige straffen van de hel, zoals protestanten volgens hun beginselen zouden moeten geloven indien zij consequent waren. Katholieken geloven dat er voor zulke zielen nog een weg bestaat, hoewel een pijnlijke, om na dit leven door de verdiensten van Jezus Christus van deze lichtere zonden gereinigd te worden. Dit geschiedt in het vagevuur, waar zij als goud in het vuur gezuiverd en geschikt gemaakt kunnen worden om het hemelse Jeruzalem binnen te gaan, waarin niets wat bevlekt is zal binnengaan, Apocalyps 21, 27, of om de woorden van de H. Paulus te gebruiken: hijzelf zal gered worden, doch zo als door vuur. 1 Korintiërs 3, 15.
Katholieken geloven eveneens dat de zielen in het vagevuur niet ophouden leden van de Kerk van Christus te zijn en dat zij geholpen worden door het Misoffer, door gebed, godvruchtige werken zoals aalmoezen en andere hulpmiddelen die voorbeden worden genoemd en die door de gelovigen hier op aarde op hen worden toegepast met de bedoeling hen te helpen.
Dit katholieke geloof ligt vervat in de woorden van de Apostolische Geloofsbelijdenis: Ik geloof in de gemeenschap der heiligen. De natuurlijke betekenis van deze belijdenis is dat wij gemeenschap van geestelijke goederen hebben met de heiligen, hetzij in de hemel, in het vagevuur of op aarde. Het is altijd de praktijk van de Katholieke Kerk geweest gebeden en andere godvruchtige werken als voorbede voor de doden op te dragen, zoals overvloedig wordt betuigd door de Latijnse Vaders, bijvoorbeeld Tertullianus, de H. Cyprianus, de H. Augustinus en de H. Gregorius, en onder de Griekse Vaders door de H. Ephrem van Edessa, de H. Basilius en de H. Johannes Chrysostomus.
De H. Chrysostomus zegt: Niet zonder goede reden is door de Apostelen bepaald dat bij de ontzagwekkende mysteries melding van de doden zou worden gemaakt, omdat zij zeer goed wisten dat dezen daaruit groot voordeel zouden ontvangen. Over de eerste Brief aan de Filippenzen, homilie 3. Met de uitdrukking ontzagwekkende mysteries wordt het heilig Misoffer bedoeld.
De H. Augustinus zegt: Er mag niet aan getwijfeld worden dat de doden geholpen worden door de gebeden van de Heilige Kerk, door het heilbrengende Offer en door de aalmoezen die voor hun zielen worden opgedragen, opdat de Heer barmhartiger met hen handele dan hun zonden verdiend hebben. Want dit, wat door de Vaders is overgeleverd, onderhoudt de universele Kerk. Deel V, preek 172.
Dezelfde godvruchtige gewoonte blijkt ook uit de oude liturgieën van de Grieken en andere oosterse Kerken, waarin de priester wordt voorgeschreven tijdens de viering van de heilige Mysteries voor de doden te bidden.
Hoofdstuk XXXVI. Over de aanroeping van de heiligen
Om de katholieke leer betreffende de aanroeping van de heiligen juist te begrijpen, moeten protestanten voor ogen houden dat het woord verering verschillende betekenissen heeft naargelang het op God of op schepselen wordt toegepast. Wanneer het op God wordt toegepast, betekent het de hoogste graad van eer die God als God en God alleen toekomt. Wanneer het op geschapen dingen wordt toegepast, betekent het een lagere, dat wil zeggen mindere eer, die hun terecht wordt bewezen wegens hun verheven plaats onder de schepselen of wegens hun bijzondere betrekking tot God.
Katholieken geloven dat de heiligen die met Christus regeren geëerd en aangeroepen moeten worden, dat zij voor de mensen gebeden tot God opdragen en dat hun relieken vereerd moeten worden. Wij lezen in de Heilige Schrift dat engelen door Abraham en Jozuë werden vereerd, Genesis 19, 1 en Jozuë 5, 15, dat de profeet Samuel en Eliseüs werden vereerd, dat wil zeggen met tekenen van eer en eerbied werden behandeld, 1 Koningen, of 1 Samuel, 28, 14. En in het Eerste Boek Paralipomenon, of 1 Kronieken, 29, 20, lezen wij: En de gehele vergadering zegende de Heer, de God van hun vaderen, en zij bogen zich neer en vereerden God en vervolgens de koning. In de protestantse vertaling staat: zij vereerden God en de koning.
Het aanhoudende gebed van een rechtvaardige vermag veel, Jacobus 5, 16, en wij zien dat de H. Paulus de Romeinse christenen dringend om hun gebeden vraagt: Ik smeek u dan, broeders, door onze Heer Jezus Christus en door de liefde van de Heilige Geest, dat gij mij helpt door uw gebeden voor mij tot God. Romeinen 15, 30. Zoals het goed en nuttig is de gebeden te vragen van heilige personen die op aarde zijn, kan het zeker niet verkeerd of nutteloos zijn de gebeden te vragen van de heiligen in de hemel, nu zij zo dicht bij God zijn en geen gevaar meer lopen Hem te beledigen.
Dat de heiligen iets kunnen weten van hetgeen op aarde gebeurt en met ons kunnen meeleven, kan worden afgeleid uit hetgeen onze Zaligmaker zegt in Mattheüs 22, 30, dat de heiligen zullen zijn als de engelen Gods in de hemel, en uit hetgeen Hij zegt in Lucas 15, 7 en 10: Ik zeg u, er zal vreugde zijn voor de engelen Gods over één zondaar die boete doet. Indien engelen de boetvaardigheid van een zondaar kunnen zien, zullen de heiligen, die als de engelen Gods zijn, dit eveneens kunnen.
De heilige Profeten konden, door God verlicht, zien wat op verre plaatsen gebeurde en zelfs toekomstige dingen voorzien. Wij hebben daarvan een treffend voorbeeld in Exodus 32, 7 tot 14. Toen Mozes op de berg bij God was, buiten het gezicht van het volk beneden, zei God hem dat het volk tot afgoderij was vervallen en dat Hij hen daarom zou vernietigen. Maar Mozes bad onmiddellijk dat God hen zou sparen en God deed dit. Indien Mozes, ver weg en buiten het gezicht maar bij God, mocht weten wat elders gebeurde en mocht bidden, zoals hij deed, voor de afgodische Israëlieten, mogen wij redelijkerwijze aannemen dat de heiligen in de hemel iets mogen weten van hetgeen op aarde gebeurt en voor zondaars mogen bidden. De heiligen in de heerlijkheid van de hemel zijn zeker niet minder verlicht dan de Profeten en men kan evenmin zeggen dat zij de macht om te bidden hebben verloren nu zij dichter bij de troon van God zijn. Indien de naastenliefde ons ertoe beweegt hier op aarde voor elkander te bidden, zouden de heiligen dan niet voor ons mogen bidden in de hemel, waar de liefde nooit vergaat? 1 Korintiërs 13, 8. Zou het ons, die medeburgers der heiligen zijn, Efeziërs 2, 19, niet toegestaan zijn hun voorspraak te vragen, opdat zij door de verdiensten en het middelaarschap van Jezus Christus voor ons verkrijgen wat wij nodig hebben? Wij voelen vanzelf dat deze zalige zielen, die door banden van natuur en genade met ons verbonden zijn, een vurige begeerte moeten hebben ons in onze noden te helpen en dat God hun deze voldoening niet zal onthouden.*
De macht die de Allerheiligste Maagd en alle heiligen bezitten om voor ons ten beste te spreken, is een voorrecht dat hun door Christus is meegedeeld en berust op Zijn goddelijke verdiensten.
Een bezwaar dat dikwijls tegen de aanroeping van de heiligen wordt gemaakt, is dat zij daardoor tussen God en de mensen worden geplaatst en tot middelaars worden gemaakt op dezelfde wijze als Jezus Christus Middelaar is. Dit bezwaar heeft geen werkelijke grond, omdat Jezus de enige Middelaar van de Verlossing is en tevens Middelaar van voorspraak krachtens Zijn eigen rechten en verdiensten, terwijl het middelaarschap van de heiligen geen middelaarschap van Verlossing is, maar slechts een middelaarschap van voorspraak door de verdiensten van Jezus Christus, hun goddelijke Zaligmaker en de onze.
In de betekenis van voorspreker door Jezus Christus kan een heilige, of iemand hier op aarde die voor zijn naaste bidt, als middelaar beschouwd en middelaar genoemd worden, zoals Mozes dit was, die van zichzelf kon zeggen: Ik was de middelaar en stond tussen de Heer en u. Deuteronomium 5, 5.
* De rijke man in de hel voelde medelijden met zijn broeders op aarde, Lucas 16, 27. Wij kunnen niet aannemen dat de heiligen in de hemel hun medelijden met hun verwanten en vrienden hebben verloren of daarin minder zijn geworden.
Hoofdstuk XXXVII. De Allerheiligste Maagd Maria wordt terecht Moeder Gods genoemd
Katholieken geloven dat de Allerheiligste Maagd Maria terecht de Moeder Gods wordt genoemd, want Jezus Christus, de mensgeworden God, dat wil zeggen God die mens geworden is, is waarlijk haar Zoon, zoals de H. Lucas uitdrukkelijk zegt: Het Heilige dat uit u geboren zal worden, zal de Zoon Gods genoemd worden. Lucas 1, 35. En de Allerheiligste Maagd noemde onze Zaligmaker Zoon. Lucas 2, 48.
Het Algemene Concilie van Efeze, gehouden in het jaar 431, veroordeelde Nestorius als ketter omdat hij de Allerheiligste Maagd deze titel van Moeder Gods, in het Grieks Theotokos, ontzegde. Degenen die haar deze titel van Moeder Gods weigeren, tonen daarom dat zij de Menswording van de Zoon Gods niet werkelijk begrijpen. Zij ontkennen feitelijk de persoonlijke Godheid van de Verlosser en de werkdadigheid van de Verlossing, want het bloed dat op Calvarië werd vergoten zou dan niet het Bloed van een Godmens zijn geweest, maar slechts het bloed van een mens. Dit zou neerkomen op de ketterij van Nestorius, die in strijd met het katholieke geloof, dat leert dat er in Jezus Christus twee naturen maar slechts één goddelijke Persoon zijn, leerde dat er in Christus behalve de twee naturen ook twee personen zijn, de goddelijke Persoon en de menselijke, en dat de eeuwige Zoon Gods niet mens geworden is in die zin dat Hij onze menselijke natuur heeft aangenomen, maar slechts in die zin dat Hij in de menselijke natuur woonde als in een tempel, of daarmee verenigd was, niet in één persoon maar slechts op een andere geheimvolle wijze, en bijgevolg dat de Allerheiligste Maagd slechts de moeder was van die menselijke persoon en niet van de goddelijke Persoon die in Christus was.
De reden waarom protestanten weigeren te delen in de liefde die aan de Moeder Gods, onze Lieve Vrouw, verschuldigd is, ligt hierin dat zij de betekenis van deze titel Moeder Gods niet behoorlijk begrijpen en in hun hart beseffen. Laten wij daarom zien wat deze titel betekent. Hij betekent niet dat Maria de Moeder is van de Godheid, indien men onder Godheid de goddelijke natuur verstaat, want de goddelijke natuur is ongeschapen en eeuwig vóór alle eeuwen. Evenmin betekent hij dat Maria de Moeder is van de Tweede Persoon van de Allerheiligste Drieëenheid, God de Zoon, naar Zijn goddelijke natuur, want dit zou hetzelfde zijn als te zeggen dat zij de moeder van de Godheid is, hetgeen niet alleen ongerijmd maar godslasterlijk zou zijn. Evenmin betekent hij dat Maria de moeder werd van een nieuwe persoon die tevoren niet bestond, zoals dit van nature bij alle moeders het geval is, want God de Zoon, die de Zoon van Maria werd, is naar Zijn goddelijke natuur eeuwig met de Vader. Maar hij betekent dat Maria de Moeder was van God de Zoon naar Zijn menselijke natuur, welke menselijke natuur Hij niet bezat voordat Hij haar van Maria aannam, want tot dan toe bezat Hij slechts één natuur, de goddelijke.
Na Zijn Menswording bezat God de Zoon twee naturen, de goddelijke en de menselijke. Met andere woorden, Maria schonk het leven aan een volmaakte en volledige menselijke natuur die God de Zoon vanaf het allereerste ogenblik waarop zij deze door de Heilige Geest ontving tot de Zijne maakte, aannam en met Zijn Godheid verenigde, en zo is Hij vlees geworden en mens geworden.
Daarom spreken de Vaders over een tweevoudige geboorte van het Woord, dat wil zeggen van God de Zoon. De ene is van alle eeuwigheid, Zijn voortkomst uit God de Vader, ex Patre natum ante omnia saecula, en de andere is in de tijd, Zijn geboorte als mens uit de Allerheiligste Maagd, ex Maria Virgine, et homo factus est. God de Zoon werd, door deze volmaakte menselijke natuur aan te nemen die Hij van de Allerheiligste Maagd ontving, naar het vlees geboren en werd naar Zijn menselijke natuur de werkelijke en ware Zoon van Maria. Daarom wordt de Allerheiligste Maagd, de Moeder van Jezus Christus, terecht en naar waarheid Moeder Gods genoemd, dat wil zeggen Moeder van God de Zoon vanaf het ogenblik dat Hij tevens mens werd. Het is waar dat de Allerheiligste Maagd Maria slechts een schepsel is, al haar genaden, voorrechten en heerlijkheid van God ontvangt en geheel van Hem afhankelijk is. Maar het is niet minder waar dat God haar heeft uitverkoren tot Moeder van het mensgeworden Woord, dat het goddelijke Kind dat zij droeg en ter wereld bracht een goddelijke Persoon was, bekleed met de menselijke natuur, maar in Wie geen menselijke persoonlijkheid bestond, omdat in het geheim van de Menswording niet aldus twee personen konden bestaan. Indien Maria niet waarlijk de Moeder was van het eeuwige Woord dat mens geworden is, dan zou het eeuwige Woord evenmin waarlijk mens geworden zijn, noch waarlijk de Mensenzoon zijn.
De Allerheiligste Maagd Maria wordt daarom terecht Moeder Gods genoemd, omdat zij de Moeder is van Jezus Christus, Wiens menselijke natuur is aangenomen door en verenigd met een goddelijke Persoon, namelijk God de Zoon. Geen wonder dan dat de Allerheiligste Maagd Maria in haar grote lofzang tot God, het Magnificat, uitroept: Hij die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam. Lucas 1, 49.
Hoofdstuk XXXVIII. Eer en devotie tot de Allerheiligste Maagd Maria
Omdat de Allerheiligste Maagd Maria vol van genade is, zoals de aartsengel Gabriël verklaarde, en wegens haar onvergelijkelijke waardigheid als de uitverkoren Moeder van Jezus Christus, beschouwen katholieken haar als een schepsel dat hoog verheven is boven alle mensen en engelen. Daarom geloven zij dat haar eer toekomt als het meest bevoorrechte van alle schepselen, overeenkomstig de vermaning van de H. Paulus: Geeft dan aan allen wat hun toekomt, eer aan wie eer toekomt. Romeinen 13, 7.
Alle eer die door mensen aan de Allerheiligste Maagd wordt bewezen, evenaart niet één enkele daad van de ontelbare eerbewijzen die haar door haar goddelijke Zoon, onze Heer, werden gebracht gedurende de tijd dat Hij met haar en de H. Jozef te Nazareth leefde, toen Hij, zoals wij uit het Evangelie vernemen, hun onderdanig was. Lucas 2, 51. Wij behoeven daarom niet bevreesd te zijn haar te eren die door het mensgeworden Woord zozeer werd geëerd. Wij worden door de Kerk zelfs aangemoedigd dit te doen en ons dikwijls in haar gebeden aan te bevelen.
Deze eer en deze toevlucht tot haar voorspraak doen geenszins afbreuk aan de eredienst die God verschuldigd is of aan het Middelaarschap van Jezus Christus. Katholieken beschouwen ze juist als blijken van eerbied jegens onze gezegende Zaligmaker, om Wiens wil wij haar voornamelijk eren. Wij eren immers haar die Hijzelf zo wonderbaar heeft geëerd en van wie Hij moet verlangen dat allen haar eren. De Moeder van Christus onteren zou Christus onteren. Haar eren en liefhebben is Christus eren en liefhebben, aangezien wij haar vooral om Zijnentwil zoveel liefde en eerbied bewijzen.
De gelijkenis in het Evangelie van de arme tollenaar, die van verre stond en zelfs zijn ogen niet ten hemel durfde opheffen, maar op zijn borst sloeg en zei: O God, wees mij zondaar genadig, Lucas 18, 13, bewijst dat nederigheid de beste gesteldheid is om onze gebeden vruchtbaar te maken. Onze toevlucht tot Maria is een gevolg van nederigheid en van het besef van onze onwaardigheid. Bovendien zien katholieken duidelijk dat zij, wanneer zij de Allerheiligste Maagd vragen voor hen te bidden, juist daardoor bevestigen dat zijzelf niet de bron van genade of verdienste is. Ook zij moet immers voor alle genade en verdienste haar toevlucht nemen tot God, haar Zaligmaker zowel als de onze. Wanneer zij bidt, bidt zij uitsluitend door het Middelaarschap en de verdiensten van haar goddelijke Zoon. Wanneer wij de Allerheiligste Maagd Maria vragen voor ons tot Jezus te bidden, verklaren wij daardoor openlijk dat Jezus Christus onze enige Verlosser is.
Hoofdstuk XXXIX. De Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd Maria
De Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd Maria, of haar ontvangenis zonder de smet van de erfzonde, heeft betrekking op haar ziel en niet op haar lichaam. Het is immers een in de theologie erkend beginsel dat een menselijk lichaam op zichzelf niet vatbaar is voor schuld en voor de smet van de zonde, aangezien de zonde een zedelijke en geen stoffelijke smet veroorzaakt. Katholieken houden dat bij alle andere mensen die van Adam afstammen, de ziel, wanneer zij door God wordt geschapen en verenigd met het lichaam van het nog ongeboren kind, welke vereniging de passieve ontvangenis wordt genoemd en waaraan de ouders geen deel hebben, noodzakelijkerwijze, doordat zij aldus de ziel van een kind van de gevallen Adam wordt, de smet van de erfzonde oploopt, die daarna kan worden afgewassen doordat de verdiensten van Jezus Christus op haar worden toegepast. Maar met de Allerheiligste Maagd Maria was het anders, want haar ziel werd op het ogenblik zelf waarop zij werd geschapen en in haar lichaam ingestort, bewaard voor het oplopen van de smet van de erfzonde, doordat haar in het eerste ogenblik van haar bestaan de heiligmakende genade werd geschonken, en dit door de verdiensten van Jezus Christus, die op haar bij wijze van voorkoming en daarom op volmaaktere wijze werden toegepast.
Katholieken erkennen dat de ziel van de Allerheiligste Maagd uit zichzelf evenals die van ieder ander kind van Adam vatbaar was voor de smet van de erfzonde en daarom de Verlossing nodig had. Maar zij houden dat zij, met het oog op en door de verdiensten van Jezus Christus, Wiens maagdelijke Moeder zij zou worden en ten gunste van wie enkele andere algemene wetten werden opgeschort, zoals dat een moeder geen maagd is, bij uitzondering bewaard werd voor het oplopen van deze smet. Dit geloof is niet beperkt tot de Katholieke Kerk. Zelfs de Koran van Mohammed, twaalf eeuwen geleden geschreven, verklaart dat Maria, de Moeder van Jezus, altijd beschermd werd tegen alle aanvallen van Satan.
Protestanten erkennen dat God de Allerheiligste Maagd onbevlekt kon bewaren en dat het tot eer van Christus zou strekken dat Zijn Moeder nooit door zonde bevlekt was geweest, nooit de slavin van de duivel was geweest en zelfs geen ogenblik een voorwerp van Gods afkeer was geweest. Het is immers moeilijk met de rede te verenigen dat zij die de levende Tempel van de mensgeworden God zou worden, eerst een verblijfplaats van de duivel zou zijn geweest.
Wat sommige protestanten mogelijk, rechtvaardig, redelijk en door de eer van Christus dringend vereist achten, houden katholieken als een geloofsartikel.
Het is waar dat vóór de plechtige definitie van deze leer de tegengestelde mening door de Kerk werd geduld en door sommige katholieke theologen werd verdedigd, zonder dat zij daarom van ketterij werden beschuldigd. Dit kwam echter doordat de Kerk over dit onderwerp nog geen uitdrukkelijke definitie had gegeven, sommige in het geschil gebruikte termen nog niet voldoende waren begrepen en er geen duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen actieve en passieve ontvangenis.
Deze leer werd op 8 december 1854 plechtig als geloofsartikel gedefinieerd door paus Pius IX, sprekend ex cathedra: Auctoritate Domini Nostri Jesu Christi, beatorum Apostolorum Petri et Pauli ac Nostri declaramus, pronunciamus et definimus, doctrinam, quae tenet, beatissimam Virginem Mariam in primo instanti suae Conceptionis fuisse singulari omnipotentis Dei gratia et privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu Salvatoris humani generis, ab omni originalis culpae labe praeservatam immunem, esse a Deo revelatam, atque idcirco ab omnibus fidelibus firmiter constanterque credendam. Quapropter si qui secus ac a Nobis definitum est, quod Deus avertat, praesumpserint corde sentire, ii noverint, ac porro sciant, se proprio judicio condemnatos, naufragium circa fidem passos esse, et ab unitate Ecclesiae defecisse.
Dit gedeelte uit de plechtige definitie kan als volgt worden vertaald: Op gezag van onze Heer Jezus Christus, van de zalige Apostelen Petrus en Paulus en op Ons eigen gezag verklaren, verkondigen en definiëren Wij dat de leer die houdt dat de Allerheiligste Maagd Maria in het eerste ogenblik van haar Ontvangenis, door een bijzondere genade en voorrecht van de almachtige God, met het oog op de verdiensten van Jezus Christus, de Zaligmaker van het menselijk geslacht, vrij is bewaard van iedere smet van de erfzonde, door God is geopenbaard en daarom door alle gelovigen vast en standvastig moet worden geloofd. Indien derhalve iemand, hetgeen God verhoede, in zijn hart iets anders zou durven denken dan hetgeen door Ons is gedefinieerd, laat hij weten en bovendien begrijpen dat hij door zijn eigen oordeel veroordeeld is, schipbreuk heeft geleden ten aanzien van het geloof en van de eenheid van de Kerk is afgevallen.
Dat deze leer overeenstemt met de Heilige Schrift en de oude Overlevering van de Kerk, kan men zien in de boeken die over dit onderwerp handelen en eveneens in de Apostolische Brief van Zijne Heiligheid paus Pius IX, Ineffabilis Deus, zo genoemd naar de Latijnse woorden waarmee de tekst begint, van 8 december 1854, waarin de dogmatische definitie van de Onbevlekte Ontvangenis is vervat. In dit document wordt tevens duidelijk uitgelegd hoe deze leer, verre van iets af te doen aan de Verlossing van Christus, haar nieuwe luister verleent, aangezien zij aantoont dat de verdiensten van Christus zo krachtig zijn dat zij niet alleen de macht hebben de smet van de zonde uit te wissen nadat zij is opgelopen, maar ook, wat nog wonderbaarlijker en weldadiger is, de ziel ervoor kunnen bewaren haar op te lopen.
Ter voldoening van sommigen zal ik hier echter één tekst uit de Heilige Schrift en enkele passages uit de oude Vaders aanhalen ter bevestiging van het katholieke geloof in de Onbevlekte Ontvangenis.
In het boek Genesis, 3, 15, zei God: Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad.
Volgens alle oude uitleggers is dit een profetie. De genoemde vrouw is Maria, de Moeder van Jezus Christus, en het zaad van de vrouw is Jezus Christus Zelf, de Verlosser van het menselijk geslacht.
Zeker is de vijandschap die tussen Jezus Christus en de boze geest bestaat voortdurend en sluit zij iedere zonde uit.
Maar God verklaart hier dat dezelfde vijandschap zal bestaan tussen de vrouw, dat wil zeggen de Allerheiligste Maagd Maria, en de slang, dat wil zeggen de duivel.
Daaruit volgt derhalve dat de vijandschap die tussen Maria en de duivel bestaat voortdurend is en eveneens noodzakelijk iedere zonde uitsluit, en dus ook de erfzonde, die op zichzelf voldoende is om iemand aan de duivel te onderwerpen.
Bijgevolg wordt uit deze tekst bewezen dat de Allerheiligste Maagd Maria door de verdiensten van haar Zoon Jezus Christus vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan onbevlekt is. Dat wil zeggen dat zij bewaard werd voor het oplopen van de smet van de erfzonde op het eerste ogenblik waarop haar ziel met haar lichaam werd verenigd en zij als menselijk wezen begon te bestaan, namelijk op het ogenblik van haar passieve ontvangenis.
De H. Cyprianus, een Vader uit de derde eeuw, zegt: Toen de Heilige Geest haar, Maria, overschaduwde, werd het oorspronkelijke vuur van de begeerlijkheid uitgedoofd. Daarom paste het niet dat een onschuldige pijn zou verdragen, noch kon de gerechtigheid toelaten dat dit uitverkoren vat door de gewone barensweeën terneergeworpen zou worden. Want hoewel zij wat de menselijke natuur betreft niet van de overige mensen verschilde, werd niet de zonde aan haar overgedragen. De Nativitate Christi.
Theodoretus, een Vader die leefde ten tijde van de H. Augustinus van Afrika, zegt dat Maria de Cherubijnen en Serafijnen verre overtrof in zuiverheid. Indien Theodoretus geloofd had dat Maria in zonde geboren was, zou hij een dergelijke uitdrukking niet hebben gebruikt.
De H. Ephrem zegt dat Maria geheel vrij was van iedere bezoedeling en smet van zonde. Oratio ad Beatam Virginem.
De H. Maximus, bisschop van Turijn, een Vader uit de vijfde eeuw, zegt: Maria was duidelijk een waardige verblijfplaats voor Christus, niet wegens de schoonheid van haar persoon, maar wegens de oorspronkelijke genade. Homilia V ante Natalem Domini.
In de Griekse Liturgie van de H. Chrysostomus, een Vader uit de vierde eeuw, welke Liturgie nog steeds wordt gebruikt door de rooms katholieke Grieken en de schismatieke Grieken, wordt voorgeschreven dat tijdens de Canon van de Mis door het koor de volgende woorden worden gezongen: Het is waarlijk passend dat wij u prijzen, o Moeder Gods, die altijd gezegend moet worden en die vrij zijt van iedere smet. Gij zijt de Moeder van onze God, boven de Cherubijnen te vereren. Gij zijt onvergelijkelijk heerlijker dan de Serafijnen. Goar, Euchologia, blz. 78.
Theodorus, patriarch van Jeruzalem, zei op het Tweede Concilie van Nicea dat Maria waarlijk de Moeder Gods is en Maagd vóór en na de geboorte en dat zij geschapen werd in een toestand die verhevener en heerlijker was dan die van alle naturen, zowel geestelijke als lichamelijke. Labbe, deel VIII.
Voeg daarbij dat iemand die de Onbevlekte Ontvangenis van de Allerheiligste Maagd Maria niet zou geloven, de volgende gevolgtrekkingen zou moeten aanvaarden, die sterk in strijd zijn met de christelijke opvatting van God.
Hij zou ten eerste moeten geloven dat God, hoewel het in Zijn macht lag de Allerheiligste Maagd, die Zijn Moeder zou worden, vrij te stellen van het oplopen van de smet van de erfzonde, dit niet zou hebben gedaan.
Ten tweede dat God, ondanks Zijn oneindige afschuw van de zonde, als Zijn Moeder iemand zou hebben gekozen die eenmaal door de zonde bevlekt was geweest en daarom gedurende die tijd in de macht van Satan was geweest.
Ten derde dat God, toen Hij voor Zijn Zoon een levende Tempel bereidde waarin Hij mens zou worden, zou hebben toegelaten dat deze eerst door de zonde werd bevlekt.
Hoofdstuk XL. Eerbied voor relieken en andere godsdienstige voorwerpen
Katholieken houden dat afbeeldingen of voorstellingen van Jezus Christus, van Zijn Allerheiligste Moeder en van de heiligen in het algemeen met gepaste eer moeten worden vereerd. Niet om wat zij op zichzelf zijn, maar om wat zij voorstellen. Deze eer wordt betrekkelijke eer genoemd, omdat zij betrekking heeft op of verwijst naar de voorgestelde persoon. Zo zou het eenvoudig een teken van genegenheid jegens onze ouders zijn wanneer wij de afbeelding van een dierbare vader of moeder kussen. Aan het Engelse hof is het een gebruikelijk teken van eerbied jegens Hare Majesteit de Koningin om voor haar lege staatszetel te buigen. Evenzo eren mensen Hare Majesteit door haar portret op een voorname plaats te zetten en ervoor te buigen. Het zou een belediging van de Koningin zelf zijn haar portret oneerbiedig te behandelen.
De eerbied die katholieken aan heilige afbeeldingen bewijzen, is niet in strijd met het gebod van God. Het is waar dat het laatste gedeelte van het eerste gebod verklaart: Gij zult u geen gesneden beeld maken, maar dit wordt verklaard door de daaropvolgende woorden: Gij zult ze niet aanbidden, non adorabis ea, noch dienen. Exodus 20, 4. De betekenis is dus duidelijk: gij zult u geen gesneden beeld of afgod maken met het doel het als een valse god of afgod te aanbidden. De woorden zich neerbuigen in de protestantse vertaling in plaats van aanbidden kunnen onnadenkende personen helaas misleiden. Dit gebod veroordeelt niet het gebruik van afbeeldingen die bestemd zijn om de eer en aanbidding van onze Heer Jezus Christus, de ware levende God, te bevorderen, noch de lagere eer die aan de heilige engelen en de heiligen verschuldigd is, aangezien dit geenszins afgoderij of de aanbidding van vreemde goden is.
Zo werd het ook door de Joden begrepen, die op Gods bevel twee gesneden afbeeldingen van de Cherubijnen op de Ark van het Verbond plaatsten, 3 Koningen 6, 23, en andere afbeeldingen van engelen in de Tempel van Salomon, 2 Paralipomenon, of Kronieken, 3, 10 en 11. Feitelijk wordt het ook zo begrepen door die protestanten die er geen bezwaar tegen hebben gesneden beelden te maken en deze zelfs in hun plaatsen van eredienst op te stellen.
Geen christen zou het zeker over zijn hart kunnen verkrijgen het kruisbeeld, die aangrijpende afbeelding en treffende gelijkenis van onze gekruisigde Zaligmaker, als een afgod te behandelen en het met de voeten te vertrappen. Het christelijk gevoel zou hem ertoe bewegen het te eerbiedigen, zoals hij het kostbare woord, de klank en zelfs de letters van de heilige Naam van Jezus eerbiedigt en vereert.
Het zou afgoderij zijn een heilige of de afbeelding van een heilige als God te aanbidden, maar het is geen afgoderij de heiligen te eren om wat zij zijn, namelijk de trouwe dienaren van God, en afbeeldingen van hen te eren om wat deze afbeeldingen voorstellen. Indien wij eerbied mogen bewijzen aan de afbeelding van een vader, moeder, kind of vriend, levend of overleden, dan mogen wij zeker afbeeldingen eren van de heiligen, die de bijzondere vrienden van God zijn, en onze eerbied tonen voor hen die nu verheerlijkt zijn in de hemel, de geesten der volmaakt geworden rechtvaardigen, Hebreeën 12, 23, die Hem gelijk zullen zijn, 1 Johannes 3, 2, en die Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen, 1 Korintiërs 13, 12.
Het gevaar dat volgens sommige protestanten zou bestaan dat een christen de afbeelding voor de werkelijkheid zou aanbidden en er met andere woorden een afgod van zou maken, is inderdaad zeer gering. Iedere christen, zelfs de minst ontwikkelde, weet immers een afbeelding te onderscheiden van hetgeen zij voorstelt. Het woord afbeelding of gelijkenis zelf maakt dit onderscheid reeds duidelijk. Indien iemand een arme katholieke vrouw voor een afbeelding of schilderij van de Allerheiligste Maagd zag bidden en haar erop zou wijzen dat de Allerheiligste Maagd in de hemel is en niet daar, zou zij zo iemand met medelijden en verbazing aankijken omdat hij het nodig achtte haar daaraan te herinneren.
Jozuë en de oudsten overtraden het gebod van God niet toen zij een gehele dag ter aarde gebogen bleven voor de Ark van het Verbond en de afbeeldingen van de Cherubijnen, zoals in het boek Jozuë, 7, 6, met deze woorden wordt vermeld: Maar Jozuë scheurde zijn klederen en wierp zich ter aarde voor de Ark des Heren tot de avond, hij en al de oudsten van Israël.
In de eerste katholieke penny catechismus, getiteld The Abridgment of Christian Doctrine, die ieder katholiek kind in Engeland reeds bij zijn eerste lessen leert, vindt men in het vierde hoofdstuk de Decaloog of de Tien Geboden Gods, ontleend aan het twintigste hoofdstuk van Exodus, maar wat de laatste twee geboden betreft volgens de volgorde van de herhaling van de Wet van Mozes in het vijfde hoofdstuk, vers 21, van het boek Deuteronomium. De indeling van de geboden in tien, zoals die door de Katholieke Kerk wordt gevolgd, is die van de H. Augustinus, bisschop van Hippo, in de vijfde eeuw. Het is een wijsgerige indeling die de aandacht en bestudering verdient en die op natuurlijke wijze voortvloeit uit de verschillende inhoud van ieder gedeelte. Deze indeling wordt gevolgd door de protestanten in Duitsland en in het algemeen, met uitzondering van de Engelse protestanten.
In hetzelfde vierde hoofdstuk van deze katholieke penny catechismus wordt geleerd welke soort eerbied en eer wij aan relieken en afbeeldingen moeten bewijzen. Op de vraag of het geoorloofd is relieken, kruisbeelden en heilige afbeeldingen te eren, luidt het antwoord bevestigend, met een lagere en betrekkelijke eer, omdat zij betrekking hebben op Christus en Zijn heiligen en herinneringen aan hen zijn. Op de vraag of wij tot relieken of afbeeldingen mogen bidden, luidt het duidelijke antwoord dat het kind wordt geleerd: Neen, geenszins, want zij kunnen ons niet zien, horen of helpen.
Dat het Gods wil is dat wij de relieken van Zijn heiligen eren, leiden wij af uit de wonderbare kracht waarmee het God soms behaagt hun beenderen en andere relieken te verheerlijken. Zo lezen wij in het Vierde Boek der Koningen, 2 Koningen in de protestantse vertaling: Enigen die een man begroeven wierpen het lichaam in het graf van Eliseüs. En toen het de beenderen van Eliseüs had aangeraakt, kwam de man tot leven en stond op zijn voeten. 4 Koningen 13, 21.
De vrouw uit het Evangelie die, vol geloof en nederigheid, voor haar genezing vertrouwde op het aanraken van de zoom van het kleed van onze Heer, Mattheüs 9, 20, degenen die erop vertrouwden dat de schaduw van de H. Petrus hun zieken zou genezen, Handelingen 5, 15, en degenen die hun vertrouwen stelden in de zweetdoeken en gordeldoeken die het lichaam van de H. Paulus hadden aangeraakt en deze naar de zieken brachten, Handelingen 19, 12, werden noch door onze Heer noch door de Apostelen afgekeurd, maar beloond.
De vele beroemde wonderen die bij de graven van de martelaren zijn geschied, bewijzen dat de eer die wij hun bewijzen God welgevallig is. Zie de H. Augustinus, De Stad Gods, boek XXII, hoofdstuk 8.
Hoofdstuk XLI. Waarom de Katholieke Kerk in het Westen de Latijnse taal gebruikt
De Kerk is apostolisch. Zij is de Kerk van de H. Petrus en van de andere Apostelen en zij heeft alle kostbare herinneringen die zij hebben nagelaten met zorg bewaard.
Toen de Apostelen van elkander scheidden om hun zending te vervullen en aan alle volken het Evangelie van de zaligheid te verkondigen, werden hoofdzakelijk twee talen gesproken en verstaan door de twee grote beschaafde delen van de mensheid, het Latijn voornamelijk in het Westen en het Grieks in het Oosten. Zij verkondigden het geloof voornamelijk in het Latijn en het Grieks. Hun onderrichtingen en voorschriften werden in deze twee rijke talen geschreven en de Kerk heeft deze gedenkstukken met godsdienstige eerbied bewaard. Daarom is haar taal in het Westen voornamelijk het Latijn en in het Oosten het Grieks. Toch wordt juist dit, wat in feite een getuigenis ten gunste van de Kerk is, door sommigen tot een verwijt tegen haar gemaakt.
De Voorzienigheid had alles reeds tevoren beschikt. Het Latijn en het Grieks werden dode talen en daardoor onveranderlijk en buitengewoon geschikt om de leerstellingen van de Kerk te formuleren, dat wil zeggen nauwkeurig uit te drukken, want de Kerk verandert niet omdat zij goddelijk is.
Een interessante berekening betreffende de veranderingen van levende talen heeft aangetoond dat indien de Kerk in plaats van het Latijn de Franse taal had aangenomen, zij de formule, dat wil zeggen de wezenlijke woorden, die bij de toediening van het Sacrament van het Doopsel worden gebruikt, zeer dikwijls had moeten wijzigen.* Anders zouden deze formules in correct taalgebruik niet meer de gedachte hebben uitgedrukt die zij behoren over te brengen. Hieruit kunnen wij opmaken hoeveel veranderingen de Geloofsbelijdenis en de decreten van de eerste Concilies en die van de pausen hadden moeten ondergaan.
Protestanten hebben enige reden om in hun gezaghebbende godsdienstige boeken de voorkeur te geven aan gesproken moderne talen. Levende talen met verschillende taalvormen, die voortdurend veranderen, zijn geschikter om leerstellingen over te brengen die aan veelvuldige veranderingen onderhevig zijn.
De Kerk spreekt Latijn, niet alleen omdat zij onveranderlijk is, maar ook omdat zij katholiek of algemeen is en zich tot alle volken in alle tijden moet richten.
Gedurende de eerste vier eeuwen was het Latijn de taal van de beschaafde wereld en hoewel het toen een levende taal was, bezat het dat karakter van algemeenheid dat de Kerk nodig heeft. Toen de wereld in de loop van de tijd in vele nationaliteiten werd verdeeld, behield de Kerk haar schone oorspronkelijke taal en bleef zij aldus in haar taalgebruik even onveranderd als in haar wezen.
De Kerk spreekt dus Latijn omdat zij apostolisch, onveranderlijk en katholiek is.
Het is waar dat de H. Paulus in zijn eerste Brief aan de Korintiërs, hoofdstuk 14, de christenen opdroeg in hun bijeenkomsten een taal te gebruiken die door alle aanwezige gelovigen werd verstaan. Maar vele protestanten ontlenen hieraan een bezwaar dat op de onderhavige kwestie niet van toepassing is.
De Apostel beperkt zich tot de prediking, vermaning en onderrichting van de verzamelde gelovigen. Dit alles, zegt hij, moet geschieden in de volkstaal of gewone taal van het volk. Het woord profetie omvat onderricht, het spreken over goddelijke zaken. De Katholieke Kerk volgt dit apostolische voorschrift letterlijk. Haar bisschoppen, priesters, missionarissen en catecheten gebruiken bij hun onderricht altijd een taal die door allen wordt verstaan. Wanneer dit nodig is, spreken zij zelfs in de meest onbekende en eenvoudige dialecten, opdat het Woord Gods ieder verstand kan bereiken.
De Katholieke Kerk spreekt bij het onderrichten van het volk niet alleen de eigen taal van ieder land en iedere stam, maar bezit tevens een bijzondere katholieke taal, opdat haar herders, die tot ieder volk behoren, gemakkelijk met elkander kunnen communiceren, samen aan het altaar dienst kunnen doen en haar leken, welke taal zij ook spreken, zich in een vreemd land niet vreemd voelen in het huis van God, maar zich thuis voelen in iedere katholieke plaats van eredienst, waar ter wereld ook.
Op deze wijze verenigt de Kerk zich in één algemene taal om Gods barmhartigheid af te smeken en Zijn lof te zingen. Deze schone en verheven harmonie van volken in één geloof, met één stem, in de ene Schaapsstal van de ene Herder, is de Kerk van Christus en de eenheid die haar grote kenmerk is waardig.
De Mis is een Offer en het is voor het volk niet noodzakelijk de woorden van de priester in het Latijn te volgen. Wanneer de katholieke priester aan het altaar staat, kunnen er mensen uit alle delen van de wereld aanwezig zijn. Zodra hij enig gedeelte van de dienst hardop uitspreekt, begrijpen allen het en nemen zij met kennis deel aan zijn bediening. Dit herinnert aan de prediking van de Apostelen op de dag van Pinksteren, toen mensen uit alle volken de H. Petrus hoorden, ieder in zijn eigen taal. Handelingen 2, 6.
De Kerk spreekt dus Latijn, niet alleen omdat zij apostolisch, onveranderlijk en katholiek is, maar ook omdat zij één is.
Een verandering van taal in de Liturgie lijkt de band met het verleden te verbreken en enig vermoeden van vernieuwing te wekken ten aanzien van hetgeen in de Liturgie wordt uitgedrukt. Het behoud van dezelfde oude taal daarentegen geeft aan dat de Kerk die haar blijft gebruiken dezelfde Kerk is als vanouds en dat zij in geen enkele wezenlijke zaak veranderd is, aangezien zij er zo zorgvuldig voor heeft gewaakt zelfs haar taal niet te veranderen, die in vergelijking met de leer van veel minder belang is.
Men mag redelijkerwijze aannemen dat de Kerk die de taal van de oudheid bezit, ook de oudheid aan haar zijde heeft en dat zij, aangezien zij de erfgename van de taal is, tevens de erfgename van het geloof is. Het feit dat zij nog steeds de Latijnse taal gebruikt, geeft ons des te meer zekerheid dat de Katholieke Kerk de ene oude en onveranderlijke Kerk van God is.
* Zie Causeries van mgr. de Ségur.
Hoofdstuk XLII. Enige dingen die katholieken niet geloven
Wij hebben reeds de voornaamste punten van het katholieke geloof besproken. Om nu tegemoet te komen aan de meest voorkomende misverstanden en verkeerde voorstellingen omtrent deze zaken, zullen wij hier, hoewel dit gedeeltelijk een herhaling kan zijn, enige dingen vermelden die katholieken niet geloven.
Zij geloven niet dat er een andere Middelaar van de Verlossing bestaat dan onze Zaligmaker Jezus Christus, want er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven waardoor wij moeten zalig worden dan die van Jezus. Handelingen 4, 12. Wanneer zij de Allerheiligste Maagd of een andere heilige een middelaar noemen, bedoelen zij dit niet in de betekenis van Middelaar van de Verlossing, welke titel aan onze Zaligmaker toekomt, maar in de betekenis van voorspreker of pleitbezorger. In deze betekenis kan iedere christen een middelaar worden genoemd wanneer hij voor zijn medemens bij God ten beste spreekt, zoals Abraham, Mozes en de H. Paulus deden, en aldus voor zijn naaste bidt. God Zelf gebood Elifaz en zijn vrienden zich tot de patriarch Job te wenden, opdat hij voor hen zou bidden, en God beloofde zijn gebeden te aanvaarden. Gaat tot Mijn dienaar Job en offert voor uzelf een brandoffer. Mijn dienaar Job zal voor u bidden. Zijn aangezicht zal Ik aannemen, opdat u geen dwaasheid worde toegerekend. Job 42, 8. In deze betekenis kon ook Mozes zeggen: Ik was de middelaar en stond tussen de Heer en u. Deuteronomium 5, 5.
Zij geloven niet dat de Allerheiligste Maagd op enigerlei wijze aan God gelijk is, want daar zij een schepsel is, hoewel het hoogst bevoorrechte, is zij oneindig minder dan God. Evenmin schrijven zij haar enige macht toe behalve die welke zij van Hem ontvangt, want zij is voor haar bestaan, haar voorrechten, haar genade en haar heerlijkheid geheel van God afhankelijk.
De krachtige en liefdevolle uitdrukkingen die katholieken dikwijls gebruiken en die aan de Allerheiligste Maagd meer lijken toe te schrijven dan hier is gezegd, moeten worden verstaan in de beperkte betekenis die katholieken zelf ermee bedoelen, zoals hier is uitgelegd. Zij moeten dus worden verstaan op een wijze die overeenstemt met de katholieke leer en geest, en niet in de onbeperkte, onkatholieke betekenis die mensen die deze leer niet begrijpen eraan zouden kunnen geven. Deze tedere uitdrukkingen behoren niet met koele kritiek beoordeeld te worden, want zij komen voort uit vurige, innige godsvrucht en onbegrensde liefde.
Indien het geoorloofd was aanstoot te nemen aan uitdrukkingen die slechts in beperkte zin waar zijn, zou men uit de woorden van de Schrift Ik heb gezegd: gij zijt goden, Psalm 81, 6, kunnen afleiden dat de Heilige Schrift bepaalde mensen werkelijk voor goden houdt. Uit de woorden van het Evangelie Indien iemand tot Mij komt en zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij Mijn leerling niet zijn, Lucas 14, 26, zou men kunnen beweren dat Christus het haten van ouders en andere verwanten en het benemen van het eigen leven aanmoedigt. Het voorschrift van onze Heer Indien uw rechterhand u ergert, hak haar af, Mattheüs 5, 30, zou kunnen worden opgevat als een rechtvaardiging van zelfverminking. En uit de woorden Hoe weet gij, man, of gij uw vrouw zult redden, 1 Korintiërs 7, 16, zou iemand kunnen afleiden dat volgens de Schrift een man de redder van zijn vrouw kan zijn.
Indien het dus zelfs bij de uitleg van de Heilige Schrift een verkeerd beginsel zou zijn uitdrukkingen in hun volle omvang te nemen wanneer zij slechts in beperkte zin bedoeld zijn, dan zou het nog onrechtvaardiger zijn dit verkeerde beginsel toe te passen op uitdrukkingen die men aantreft in devotieboeken of godsdienstige dichtwerken, waarin enige ruimte wordt gelaten aan de uiting van een warm hart.
Het is onder mensen algemeen gebruik uitdrukkingen te bezigen die slechts in een afgeleide en beperkte betekenis waar zijn. Zo noemen moeders hun kinderen dikwijls hun kleine engelen, koningen en koninginnen en wordt gezegd dat zij hen aanbidden of verafgoden, zonder dat iemand eraan denkt zulke tedere overdrijvingen van innige liefde te veroordelen. Evenzo wordt in de City of London aan iedere compagnie of gilde en aan burgemeesters, magistraten en vrederechters de eretitel Worshipful gegeven. Ook moet in de huwelijksdienst van het Book of Common Prayer van de staatskerk van Engeland de bruidegom tot de bruid zeggen: Met mijn lichaam vereer ik u.
Niemand behoort aan deze uitdrukkingen aanstoot te nemen. Het zou zelfs spitsvondig zijn dit te doen, vooral wanneer degene die ze gebruikt zelf verklaart wat hij ermee bedoelt.
Katholieken geloven niet dat er op aarde of in de hemel enig gezag bestaat dat toestemming kan geven om ook maar de geringste zonde te bedrijven, of dat een zonde voor geld vergeven kan worden, of dat een priester geldige absolutie kan geven aan een zondaar die geen berouw heeft en niet werkelijk voornemens is de zonde te verlaten en zijn leven te beteren.
Zij geloven niet dat een mens door zijn eigen goede werken, onafhankelijk van de verdiensten en het Lijden van Jezus Christus en van Zijn genade, de zaligheid kan verkrijgen, enige voldoening kan geven voor de schuld van zijn zonden of enige verdienste kan verwerven.
Zij geloven niet dat het geoorloofd is een eed te breken, een leugen te vertellen of enige andere slechte daad te verrichten ter bevordering van het vermeende belang van de Kerk, wegens enig goed, hoe groot ook, dat daaruit zou kunnen voortkomen, of om welke andere reden dan ook. Het valse en verfoeilijke beginsel dat het doel de middelen heiligt, of dat wij kwaad mogen doen opdat er goed uit voortkome, wordt door de Katholieke Kerk volstrekt veroordeeld.
Zij geloven niet dat de Kerk de macht bezit iets toe te voegen aan de waarheden die in het geloofsgoed vervat zijn, dat wil zeggen enige leer op te stellen of op te leggen die haar oorsprong niet heeft in het geschreven of ongeschreven Woord, of haar gezag niet daaraan ontleent. Evenmin geloven zij dat wanneer de Kerk in geloofszaken een definitie geeft, deze definitie of dit geloofsartikel een nieuwe leer is, maar slechts een plechtige verklaring en duidelijke omschrijving van hetgeen in de tijd van de Apostelen ten minste impliciet, dat wil zeggen stilzwijgend daarin besloten, werd geloofd.
Katholieken geloven niet dat protestanten die gedoopt zijn, een goed leven leiden, God en hun naaste liefhebben en buiten hun schuld onwetend zijn omtrent de rechtmatige aanspraak van de Katholieke Godsdienst om de enige ware godsdienst te zijn, hetgeen te goeder trouw zijn wordt genoemd, van de hemel zijn uitgesloten, mits zulke christenen geloven dat er één God is in drie goddelijke Personen, dat God de goeden naar behoren zal belonen en de bozen zal straffen, dat Jezus Christus de mensgeworden Zoon van God is, die ons heeft verlost en op Wie wij voor onze zaligheid moeten vertrouwen, en mits zij oprecht berouw hebben dat zij God door hun zonden hebben beledigd.
Katholieken houden dat protestanten die zulke gesteltenissen bezitten en bovendien geen vermoeden hebben dat hun godsdienst dwaling bevat, noch de middelen bezitten dit te ontdekken, of ondanks hun eerlijke pogingen er niet in slagen de ware godsdienst te ontdekken, en die in hun hart zo gesteld zijn dat zij tot iedere prijs de Rooms Katholieke Godsdienst zouden omhelzen indien zij wisten dat deze de ware was, zonder het te weten rooms katholiek zijn naar de geest. De Kerk houdt dat deze christenen behoren tot en verenigd zijn met hetgeen de ziel van de Katholieke Kerk wordt genoemd, hoewel zij niet met het zichtbare lichaam van de Kerk verenigd zijn door uitwendige gemeenschap met haar en door de uiterlijke belijdenis van haar geloof.
Geheel anders is het geval van een protestant die, hoewel hij daartoe gelegenheid heeft, nalaat uit authentieke bronnen te leren wat de Katholieke Godsdienst is en leert, omdat hij vreest dat hij, wanneer hij van de waarheid van het katholieke geloof overtuigd zou raken, door zijn geweten gedwongen zou worden zijn eigen godsdienst te verlaten en de wereldse ongemakken te dragen die aan deze stap verbonden zijn. Juist deze vrees toont een gebrek aan goede trouw en dat hij niet verkeert in die onoverwinnelijke onwetendheid die hem voor God zou kunnen verontschuldigen, maar dat hij behoort tot degenen van wie in Psalm 35, 4 wordt gezegd: Hij wilde niet begrijpen, opdat hij goed zou handelen.
Zowel billijkheid als gezond verstand leert dat iemand de leer van de Katholieke Kerk uit katholieke bronnen behoort te bestuderen en onderzoeken voordat hij haar veroordeelt. Niemand behoort katholieke leerstellingen te verwerpen wanneer hij zich daarvan niet op de hoogte heeft gesteld. Evenmin is het billijk een oordeel te vormen op grond van verkeerde voorstellingen door belanghebbende en bevooroordeelde personen. Hij behoort veeleer door de bestudering van gezaghebbende katholieke werken de waarheid te beoordelen met de kalme en onbevooroordeelde geest die het allerbelangrijkste onderwerp van de godsdienst verdient.
Onze Zaligmaker gaf de Samaritaanse vrouw geen hoop op zaligheid tenzij zij de ene ware Kerk van die tijd zou omhelzen. Tot haar, die geen zekere leidsman had, zei Hij: Gij aanbidt wat gij niet kent. Wij aanbidden wat wij kennen, want het heil is uit de Joden. Johannes 4, 22. Evenzo bestaat er geen heil voor iemand die door Gods genade tot de kennis van de waarheid is gekomen en hardnekkig buiten de ene Schaapsstal van de zaligheid, de ware Kerk van God, blijft.
Buiten de Ark van Noë was tijdens de Zondvloed geen veiligheid en niemand kan zalig worden die in geen enkele zin binnen de ware Kerk is, welke door die Ark werd voorafgebeeld. Volgens de H. Cyprianus: Niemand kan God tot Vader hebben die de Kerk niet tot Moeder heeft. Indien iemand buiten de Ark van Noë aan de Zondvloed kon ontkomen, kan ook hij die buiten de Kerk is ontkomen. Boek over de eenheid van de Kerk.
Het is moeilijk te begrijpen hoe een protestant dagelijks in de Apostolische Geloofsbelijdenis kan zeggen, zoals velen gelukkig nog steeds doen, Ik geloof de heilige Katholieke Kerk, zonder dat ten minste de gedachte bij hem opkomt dat misschien toch de Kerk die alleen werkelijk katholiek of algemeen is, zowel in naam als in werkelijkheid, meer aanspraak heeft op zijn liefde en gehoorzaamheid dan zijn eigen kerkgenootschap, dat in werkelijkheid niet katholiek is.
Hoofdstuk XLIII. Besluit
Moge de zegen van God rusten op het lezen van deze korte uiteenzetting van de katholieke leer en praktijk.
Mogen oprechte mensen door de bestudering van deze weinige bladzijden met eenvoudige en openhartige uitleg geholpen worden zich een juister denkbeeld te vormen van de werkelijke leer van de Katholieke Kerk en een gunstiger oordeel te krijgen over het heilig katholiek Geloof.
De liefde van Christus dringt ons, 2 Korintiërs 5, 14, zulke ernstig gezinde mensen dringend te verzoeken van harte tot God te bidden om het bovennatuurlijk geloof, om licht dat hen tot de waarheid leidt en om kracht om zich los te maken van iedere gehechtheid aan een zonde waarvan zij weten dat het zonde is.
Indien deze oprechte zielen volharden in het gebed en in het vermijden van de zonde en de gelegenheid tot zonde, zullen zij de waarheid vinden en de waarheid zal hen waarlijk vrijmaken. Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Mattheüs 7, 8 en Lucas 11, 10. Jezus zei: Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien. Mattheüs 5, 8. Hij zei ook: Ik heb nog andere schapen die niet van deze schaapstal zijn. Ook deze moet Ik leiden en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één schaapstal en één Herder. Johannes 10, 16. Indien zij dus standvastig zijn in het gebed, zullen zij geleid worden naar de ene Schaapstal van de Goede Herder Jezus Christus, onze gezegende Heer en Zaligmaker, aan Wie met God de Vader en God de Heilige Geest alle eer en heerlijkheid zij in alle eeuwigheid. Amen.
Een gebed
Voor licht om de ware Kerk van Christus te vinden en om genade om zich, wanneer zij gevonden is, nederig en van harte aan haar leiding te onderwerpen.
O God de Vader, mijn Schepper, o God de Zoon, mijn Verlosser, o God de Heilige Geest, mijn Heiligmaker, Heilige Drieëenheid, één God, ontferm U over mij.
O Jezus, de Weg, de Waarheid en het Leven, Gij die Uw Apostelen hebt aangesteld om in Uw plaats te handelen, met de macht om alle geopenbaarde waarheid te onderwijzen en Uw Sacramenten uit te delen, geef mij licht om Uw ene ware Kerk, hier op aarde zichtbaar, te leren kennen.
Help mij, dierbare Zaligmaker, mij nederig aan haar leiding te onderwerpen en laat mij niet heen en weer geslingerd worden door iedere wind van leer.
Gij die de zieken hebt genezen, genees mij. Gij die de blinden het gezicht hebt gegeven, geef dat ik mag zien. Laat mij in Uw Kerk vergiffenis en zaligheid vinden door de verdiensten van Uw aller kostbaarst Bloed.
Help mij, arme zondaar, U te volgen en voort te gaan naar het volle bezit van U voor eeuwig in de hemel. Amen.
Schietgebeden of korte gebeden die worden aanbevolen om zeer dikwijls, nederig en vurig te herhalen
Jezus, zachtmoedig en nederig van Hart, maak mijn hart gelijkvormig aan Uw Hart.
Dierbare Jezus, leid mij naar Uw ene Schaapstal, o God van mijn zaligheid.
O God de Heilige Geest, geef mij licht om de ware godsdienst te kennen en moed om haar te belijden.
Jezus, voorbeeld van alle deugden.
Jezus, ijverige Minnaar der zielen.
Jezus, onze God, ontferm U over ons.
Waar de eeuwigheid op het spel staat, kan geen zekerheid te groot zijn.
Ik heb de weg van Uw geboden gelopen, toen Gij mijn hart hebt verruimd. Psalm 118, 32.
VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN