Katholieke Klassieken
Uitleg van de gebeden en plechtigheden van de H. Mis
Dom Prosper Guéranger
abt van Solesmes
Voorwoord
Deze verklaring van de heilige Mis is samengesteld uit conferenties van Dom Prosper Guéranger, abt van Solesmes en een der grote herstellers van de katholieke liturgie in de negentiende eeuw. In eenvoudige en heldere taal behandelt hij de gebeden en plechtigheden van de traditionele Romeinse Mis en toont hij hun oorsprong, betekenis en innerlijke samenhang.
Het werk draagt niet het karakter van een geleerd handboek, maar van levend onderricht. Dom Guéranger spreekt als monnik en liturgisch leraar tot hen die de heilige geheimen van het altaar beter willen verstaan en met grotere aandacht en vruchtbaarheid de heilige offerande willen bijwonen.
De tekst werd oorspronkelijk uitgegeven op grond van nagelaten aantekeningen uit zijn mondelinge conferenties. Juist daardoor heeft dit werk zijn bijzondere karakter behouden: niet als een strak systematisch traktaat, maar als een rustige en eerbiedige uitleg van de heilige handelingen der Mis, gezien vanuit de geest van de eeuwenoude Romeinse liturgie.
Inhoud
De Ordo Missæ
Judica
Confiteor
Bewieroking van het altaar
Introitus
Kyrie
Gloria in excelsis
Collecte
Epistel
Graduale
Alleluia · Tractus
Sequentie
Evangelie
Credo
Offertorium
Bewieroking van altaar en gaven
Lavabo
Suscipe, Sancta Trinitas
Orate, fratres
Prefatie
Sanctus
Canon van de Mis
Te igitur
Memento der levenden
Communicantes
Hanc igitur
Quam oblationem
Consecratie van de Hostie
Consecratie van de wijn
Unde et memores
Supra quae propitio
Supplices te rogamus
Memento der overledenen
Nobis quoque peccatoribus
Per quem haec omnia
Het gebed des Heren
Libera nos, quaesumus
Agnus Dei
Gebeden vóór de Communie
Communie
Postcommunio
Ite, missa est
De zegen
Laatste Evangelie
Appendix · Ordinarium van de Mis
De Ordo Missæ
De Orde van de Mis of zoals zij in het Romeins Missaal genoemd wordt de Ordo Missæ is de samenvatting van de rubrieken en gebeden welke gebruikt worden bij de viering van de Mis en die zonder enige verandering onderhouden worden op alle feesten welke door de Kerk gevierd worden.
Wij zullen nooit een juiste voorstelling verkrijgen van de plechtigheden der Mis tenzij wij voortdurend teruggaan tot hetgeen men een plechtige Mis noemt Missa solemnis welke het voorbeeld en type is van alle andere.
Wij zullen nooit een juiste voorstelling verkrijgen van de plechtigheden der Mis, tenzij wij voortdurend teruggaan tot hetgeen men een plechtige Mis noemt, Missa solemnis, welke het voorbeeld en type is van alle andere. Men zou anders kunnen vragen waarom de priester het Epistel aan de ene zijde van het altaar leest en het Evangelie aan de andere. Waarom leest hij niet beide in het midden? Dit behoort niet wezenlijk tot het heilig Offer zelf. Het is slechts een navolging van hetgeen geschiedt in een plechtige Mis, waarin de diaken het Evangelie aan de linkerzijde moet zingen en de subdiaken het Epistel aan de rechterzijde, zoals wij later zullen uitleggen. De priester die zonder diaken en subdiaken de Mis opdraagt, moet in dit opzicht hun functies overnemen en verandert daarom van plaats. Wij zullen dus telkens in de plechtigheden van de plechtige Mis de betekenis moeten zoeken van die der gelezen Mis.
Het Offer der Mis is hetzelfde Offer als dat van het Kruis; en daarin moeten wij Onze Heer zien genageld aan het Kruis en zijn Bloed opofferend voor onze zonden aan zijn eeuwige Vader. Toch moeten wij niet verwachten in de onderscheiden delen van de Mis alle afzonderlijke omstandigheden van het Lijden terug te vinden zoals sommige schrijvers hebben willen doen bij het geven van methoden om de Mis bij te wonen.
De priester verlaat de sacristie en gaat naar het altaar om daar het heilig Offer op te dragen. Hij is zoals de rubriek zegt paratus dat wil zeggen: bekleed met de heilige gewaden welke voor de viering van het Offer zijn voorgeschreven. Aan het altaar gekomen bewijst hij de verschuldigde eerbied; dat wil zeggen: indien het Allerheiligste Sacrament daar tegenwoordig is maakt hij een kniebuiging; anders maakt hij slechts een diepe buiging. Dit is de betekenis van hetgeen de rubrieken zeggen: debita reverentia.
Judica
Na het maken van het kruisteken zegt de priester de antifoon: Introibo ad altare Dei als inleiding op de tweeënveertigste Psalm.
Deze antifoon wordt altijd gezegd zowel vóór als na de Psalm die hij onmiddellijk begint: Judica me Deus. Hij zegt de gehele Psalm beurtelings met de bedienaren. Deze Psalm werd gekozen omwille van het vers Introibo ad altare Dei: Ik zal opgaan tot het altaar Gods. Zij is uiterst passend als begin van het heilig Offer. Wij mogen hier opmerken dat de Kerk de Psalmen welke zij gebruikt steeds kiest om een bijzonder vers dat overeenkomt met hetgeen zij doet of met hetgeen zij wil uitdrukken.
De Psalm waarvan wij nu spreken kwam niet voor in de oudste missalen; het gebruik ervan werd vastgesteld door paus Pius V in 1568. Wanneer wij de priester deze Psalm horen zeggen begrijpen wij op wie hij betrekking heeft: hij heeft betrekking op Onze Heer en het is in zijn naam dat de priester hem reciteert.
Reeds het eerste vers zegt ons dit: Ab homine iniquo et doloso erue me: bevrijd mij van de onrechtvaardige en bedrieglijke mens.
Het vers dat hier als antifoon gebruikt wordt toont ons dat David nog jong was toen hij deze Psalm samenstelde; want nadat hij gezegd heeft dat hij zal opgaan tot het altaar Gods zegt hij: Ad Deum qui laetificat juventutem meam: tot God die mijn jeugd verblijdt. Hij toont verwondering over de droefheid van zijn ziel en richt zich onmiddellijk weer op door zijn hoop op God op te wekken; daarom is zijn lied vol vreugde. Juist om deze vreugde welke het kenmerk van deze Psalm is wil de heilige Kerk dat hij wordt weggelaten in de Missen voor de overledenen waarin wij gaan bidden voor de rust van een ziel wier heengaan uit dit leven ons in onzekerheid en droefheid achterlaat. Eveneens wordt hij weggelaten gedurende de Passietijd waarin de Kerk geheel verdiept is in het lijden van haar goddelijke Bruidegom; en dit sluit alle vreugde uit.
Deze tweeënveertigste Psalm is een passende inleiding op de Mis aangezien hij ons Onze Heer zal brengen. Wie is Hij die tot de heidenen gezonden zal worden anders dan Hij die Licht en Waarheid is? David heeft dit alles voorzien; daarom sprak hij het gebed uit: Emitte lucem tuam et veritatem tuam. Wij nemen zijn gebed over en maken het tot het onze; en wij zeggen tot onze hemelse Vader: zend Hem uit die uw Licht en uw Waarheid is.
Nadat de Psalm beëindigd is met het Gloria Patri en de antifoon herhaald werd vraagt de priester Gods hulp met de woorden Adjutorium nostrum in nomine Domini: Onze hulp is in de naam des Heren; waarop de bedienaren antwoorden: Qui fecit coelum et terram: die hemel en aarde gemaakt heeft. In de zojuist gereciteerde Psalm drukte de priester zijn brandend verlangen uit om Onze Heer te bezitten die Licht en Waarheid is; maar reeds de gedachte dat hij een zondig schepsel op het punt staat deze zijn Heer te ontmoeten doet hem gevoelen hoezeer hij hulp behoeft. Zeker God heeft deze ontmoeting gewild; Hij heeft zelfs behaagd haar voor te schrijven als een van onze plichten; en toch wordt de mens voortdurend zijn onwaardigheid en nietigheid doen gevoelen. Alvorens verder te gaan in het heilig Offer besluit hij zich te vernederen en te belijden dat hij een zondaar is. Hij moedigt zich daartoe aan door het maken van het kruisteken en het inroepen van Gods hulp. Daarna begint hij de belijdenis van zijn zonden.
Confiteor
Hier gebruikt de heilige Kerk de belijdenisformule die zij zelf heeft opgesteld; zij dagtekent waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Het is ons niet geoorloofd de geringste verandering in de woorden aan te brengen. Zij bezit dit voorrecht gemeenschappelijk met alle andere sacramentaliën: dat haar recitatie vergiffenis van dagelijkse zonden verkrijgt mits wij daarover berouw hebben. Zo heeft God in zijn oneindige goedheid ons boven het Sacrament van Boete nog andere middelen geschonken waardoor wij van dagelijkse zonden gereinigd kunnen worden; en daartoe heeft Hij zijn Kerk geïnspireerd ons haar sacramentaliën te geven.
De priester begint dus zoals wij gezegd hebben de belijdenis; en vóór alles beschuldigt hij zichzelf tegenover God. Maar daarmee neemt hij geen genoegen; het is alsof hij zegt: Ik verlang niet alleen mijn zonden aan God te belijden maar ook aan alle heiligen opdat zij hun gebeden met de mijne verenigen en voor mij vergiffenis verkrijgen. Daarom voegt hij onmiddellijk toe: Ik belijd voor de zalige Maria altijd Maagd. Niet alsof hij ooit tegen deze heilige Moeder gezondigd zou hebben; maar hij heeft gezondigd in haar tegenwoordigheid en reeds de gedachte daaraan dringt hem zijn zonden ook aan Haar bekend te maken. Hetzelfde doet hij tegenover de glorierijke heilige Michaël de grote aartsengel die aangesteld is om over onze zielen te waken vooral in het uur van de dood. Op gelijke wijze belijdt hij tegenover de heilige Johannes de Doper die onze Heer zo dierbaar was en zijn Voorloper was. Ten slotte verlangt hij zijn zonden te erkennen tegenover de heilige Petrus en Paulus de beide vorsten der apostelen. Sommige religieuze orden hebben toestemming de naam van hun patriarch of stichter toe te voegen. Zo voegen de Benedictijnen de naam van de heilige Benedictus in; de Dominicanen die van de heilige Dominicus; de Franciscanen die van de heilige Franciscus.
Nadat hij dezen en alle heiligen genoemd heeft wil hij zelfs dat de aanwezige gelovigen weten dat hij een zondaar is; daarom zegt hij tot hen: En u broeders! Want terwijl hij zich wegens zijn zonden vernedert beschuldigt hij zichzelf niet alleen vóór hen die reeds in God verheerlijkt zijn maar ook vóór zijn medestervelingen die zichtbaar aanwezig zijn nabij het heiligdom. En niet tevreden met zich eenvoudig als zondaar te verklaren voegt hij eraan toe op welke wijze hij gezondigd heeft en belijdt hij dat het langs alle drie wegen is waardoor de mensen zondigen namelijk door gedachte woord en daad: cogitatione verbo et opere. Vervolgens verlangend uit te drukken dat hij aldus gezondigd heeft uit eigen vrije wil spreekt hij de woorden uit: Mea culpa mea culpa mea maxima culpa: door mijn schuld door mijn schuld door mijn zeer grote schuld. En opdat hij gelijk de tollenaar uit het Evangelie uiterlijk getuigenis zou geven van zijn innerlijk berouw slaat hij driemaal op de borst terwijl hij deze woorden zegt.
Bewust van zijn behoefte aan vergiffenis wendt hij zich opnieuw tot Maria en alle heiligen evenals tot de aanwezige gelovigen en smeekt hen allen voor hem te bidden. Met betrekking tot deze belijdenisformule welke door onze heilige Moeder de Kerk is vastgesteld mag het goed zijn onze lezers eraan te herinneren dat zij op zichzelf voldoende zou zijn voor iemand die in doodsgevaar verkeert en niet in staat is een biecht af te leggen.
De bedienaren antwoorden de priester door hem de genade van Gods barmhartigheid toe te wensen; zij drukken deze wens uit in de vorm van een gebed gedurende hetwelk hij de priester gebogen blijft en antwoordt: Amen.
Maar ook de bedienaren zelf hebben Gods vergiffenis nodig; daarom herhalen zij dezelfde belijdenisformule als de priester voor de belijdenis van hun zonden; alleen richten zij zich in plaats van te zeggen: Et vobis fratres en tot u broeders tot de priester en noemen hem Vader: Et tibi Pater.
Het is nooit geoorloofd iets te veranderen van hetgeen de heilige Kerk heeft voorgeschreven voor de viering van de Mis. Daarom moeten de bedienaren in het Confiteor steeds de eenvoudige woorden gebruiken: Et tibi Pater; Et te Pater; zij mogen geen verdere titel toevoegen zelfs niet indien zij de Mis van de paus dienen.
Zodra de bedienaren de belijdenisformule voltooid hebben spreekt de priester hetzelfde gebed over hen uit als zij tevoren voor hem hadden gedaan; ook zij antwoorden daarop met een Amen. Daarna volgt een soort zegen: Indulgentiam enzovoort waarbij de priester zowel voor zichzelf als voor zijn broeders vergiffenis en kwijtschelding van hun zonden afsmeekt; hij maakt het kruisteken en gebruikt het woord nobis en niet vobis omdat hij zich op één lijn stelt met zijn bedienaren en deelneemt aan het gebed dat voor allen wordt uitgesproken.
Nadat de belijdenis gedaan is buigt de priester opnieuw doch niet zo diep als tijdens het Confiteor. Hij zegt: Deus tu conversus vivificabis nos: Gij o God zult ons door één blik levend maken; waarop de bedienaren antwoorden: Et plebs tua laetabitur in te: En uw volk zal zich in U verheugen. Vervolgens: Ostende nobis Domine misericordiam tuam: Toon ons uw barmhartigheid o Heer; Et salutare tuum da nobis: En schenk ons de Zaligmaker die Gij voor ons bereid hebt.
Het gebruik van deze verzen is zeer oud. Het laatste geeft ons de woorden van David die in zijn vierentachtigste Psalm bidt om de komst van de Messias. In de Mis verwachten wij vóór de Consecratie de komst van Onze Heer zoals zij die vóór de Menswording leefden de beloofde Messias verwachtten. Onder het woord barmhartigheid dat de Profeet hier gebruikt moeten wij niet eenvoudig de goedheid Gods verstaan; maar wij vragen God dat Hij wil behagen ons Hem te zenden die in persoon zijn Barmhartigheid en zijn Heil is dat wil zeggen de Zaligmaker door wie het heil tot ons moet komen. Deze weinige woorden van de Psalm voeren ons in de geest terug naar de Adventstijd wanneer wij onophoudelijk vragen om Hem die komen zal.
Daarna vraagt de priester God zijn gebed te willen verhoren: Domine exaudi orationem meam: Heer verhoor mijn gebed. De bedienaren vervolgen als het ware in zijn naam: Et clamor meus ad te veniat: En laat mijn geroep tot U komen. De priester groet het volk met de woorden: Dominus vobiscum: De Heer zij met u. Het is alsof hij afscheid van hen neemt nu het plechtige ogenblik gekomen is waarop hij het altaar zal bestijgen en gelijk Mozes de wolk zal binnengaan. De bedienaren antwoorden hem in naam van het volk: Et cum spiritu tuo: En met uw geest.
Terwijl hij naar het altaar opgaat zegt de priester: Oremus; hij strekt zijn handen uit en voegt ze daarna weer samen. Zo dikwijls hij dit woord gebruikt onderhoudt hij dezelfde ceremonie. De reden daarvan is dat dit woord onmiddellijk voorafgaat aan een gebed dat hij gaat uitspreken; en wanneer wij bidden heffen wij onze handen op tot God die in de hemel is en tot wie wij gaan spreken. Zo bad ook Onze gezegende Heer aan het Kruis.
In het gebed dat de priester uitspreekt terwijl hij de treden van het altaar bestijgt gebruikt hij het meervoud omdat hij niet alleen is; de diaken en subdiaken gaan immers met hem op en bedienen hem. De gedachte die op dit plechtige ogenblik het sterkst in de geest van de priester leeft is geheel rein te zijn; want zoals hij zegt gaat hij binnen in het Heilige der Heiligen: Ad Sancta Sanctorum waarbij hij door deze Hebreeuwse overtreffende vorm de verhevenheid wil uitdrukken van de handeling die hij gaat verrichten.
Hij bidt daarom dat zijn zonden zowel als die van zijn bedienaren weggenomen mogen worden. Hoe nader wij tot God naderen des te meer gevoelen wij de geringste zonde als een ondraaglijke smet op onze ziel; daarom verdubbelt de priester zijn gebed dat God hem van zijn zonden moge reinigen. Reeds heeft hij deze barmhartige Heer gevraagd zich om te wenden en hem het leven te schenken: Deus tu conversus vivificabis nos. — Ostende nobis Domine misericordiam tuam. Maar nu hij nader gekomen is tot deze God groeit zijn vrees en wordt zijn verlangen naar vergiffenis vuriger; daarom herhaalt hij ditzelfde gebed opnieuw terwijl hij de altaartreden bestijgt.
Wanneer hij het altaar bereikt heeft legt hij zijn handen erop eerst samengevoegd en vervolgens gespreid opdat hij het zou kunnen kussen. Deze kus van het altaar wordt ingegeven door eerbied voor de relieken der heiligen die zich daar bevinden. Opnieuw volgt een gebed om vergiffenis van zijn zonden; daarin zegt hij: peccata mea: mijn zonden hoewel hij het begon met: Oramus Te Domine: Wij smeken U o Heer; en daarin ligt geen onoplettendheid want allen die het heilig Offer bijwonen moeten jegens de priester een gevoel van kinderlijke eerbied koesteren en met hem en voor hem bidden.
Bewieroking van het altaar
Het altaar vertegenwoordigt Onze Heer Jezus Christus. De relieken der heiligen die zich daarin bevinden herinneren ons eraan dat de heiligen zijn ledematen zijn. Want nadat Hij onze menselijke natuur had aangenomen heeft Hij niet alleen zijn Lijden ondergaan gezegevierd in zijn Verrijzenis en door de Hemelvaart zijn heerlijkheid betreden maar bovendien heeft Hij de Kerk op aarde gesticht en deze Kerk is zijn mystiek Lichaam; Hij is haar Hoofd en de heiligen zijn haar ledematen. Vanuit dit gezichtspunt bezit Onze Heer de volheid van zijn mystiek Lichaam niet zonder zijn heiligen; en daarom zijn de heiligen die met Hem in heerlijkheid regeren met Hem verenigd in het altaar dat Hem vertegenwoordigt.
De priester nadat hij het gebed beëindigd heeft dat hij gebogen en met samengevoegde handen op het altaar uitsprak bereidt zich voor op de bewieroking ervan. Dit zal tweemaal plaatsvinden gedurende het heilig Offer en beide malen met grote plechtigheid uit eerbied voor Onze Heer die door het altaar wordt aangeduid zoals wij reeds gezegd hebben. Niettemin spreekt de priester tijdens de eerste bewieroking geen gebed uit; hij bewierookt eenvoudig ieder deel van het altaar op zodanige wijze dat het geheel aldus geëerd wordt.
Wij leren uit het boek Leviticus dat wierook reeds in zeer vroege tijden gebruikt werd in de goddelijke eredienst. De zegening die de priester er in de Mis over uitspreekt verheft dit natuurproduct tot de bovennatuurlijke orde.
De heilige Kerk heeft deze ceremonie aan de hemel zelf ontleend waar de heilige Johannes haar aanschouwde. In zijn Apocalyps zag hij een engel staan met een gouden wierookvat nabij het altaar waarop het Lam stond omringd door vierentwintig ouderlingen. (Apoc. VIII 3.)
Hij beschrijft ons deze engel terwijl hij aan God de gebeden der heiligen opdraagt welke door de wierook worden gesymboliseerd. Zo wil onze heilige Moeder de Kerk de trouwe Bruid van Christus doen gelijk de hemel doet; en gebruikmakend van het feit dat de sluier van diens geheimvolle verborgenheden aldus gedeeltelijk werd opgelicht door de geliefde leerling ontleent zij voor navolging op aarde deze hulde die daarboven gebracht wordt aan de heerlijkheid van haar Bruidegom.Op dit deel van de Mis worden alleen het altaar en de priester bewierookt; de bewieroking van het koor wordt bewaard voor de tweede maal dat deze ceremonie plaatsvindt namelijk bij het Offertorium. Het is een van de gebruiken der Kerk afbeeldingen en relieken van de heiligen op het altaar uit te stellen welke dan tegelijkertijd bewierookt worden.
Introitus
Nadat de ceremonie van de bewieroking voltooid is zegt de priester de Introitus. Vroeger geschiedde dit niet. De Ordo van de heilige Gregorius vertelt ons dat de priester zich bekleedde in het Secretarium en vervolgens naar het altaar ging voorafgegaan door kruis en toortsen; gedurende die tijd zong het koor de Introitus
die langer was dan wij hem nu hebben want de gehele Psalm werd gezongen en niet slechts één of twee verzen met het Gloria Patri zoals tegenwoordig. Eveneens was het uitsluitend het koor dat de overige delen uitvoerde die gedurende de Mis gezongen moesten worden. Het gebruik dat de priester deze verschillende delen reciteert is ontstaan uit dat van de gelezen Mis welk gebruik tenslotte ook in de plechtige Missen werd ingevoerd.Deze opmerkingen verklaren waarom de oude missalen aanzienlijk verschillen van die welke thans in gebruik zijn. Zij bevatten eenvoudig de gebeden: de collecten secreten postcommunies prefaties en de canon. Men noemde ze sacramentaria. Alles wat door het koor gezongen werd stond in het Antiphonarium dat tegenwoordig de naam Graduale draagt. De meeste gezongen delen van de Mis zijn in werkelijkheid niets anders dan antifonen; zij hebben slechts meer noten dan gewone antifonen. In latere tijden sedert de invoering van de gelezen Missen bevatten onze missalen alles wat vroeger door het koor gezongen werd evenals de Epistels en Evangeliën.
Zowel de priester als het koor maken het kruisteken aan het begin van de Introitus omdat deze beschouwd wordt als de opening van de lezingen. In Missen voor de overledenen maakt de priester het kruisteken alleen over het missaal.
Kyrie
Daarop volgt het Kyrie dat in een plechtige Mis gezegd wordt aan dezelfde zijde van het altaar waar de Introitus gelezen werd. De priester wordt vergezeld door zijn bedienaren die niet naar het midden van het altaar gaan voordat hijzelf dit doet; ondertussen staan zij achter hem op de treden. In een gelezen Mis zegt de priester het Kyrie in het midden.
Dit gebed is een smeekroep waarmee de Kerk de barmhartigheid van de allerheiligste Drievuldigheid afsmeekt. De eerste drie aanroepingen zijn gericht tot de Vader die Heer is: Kyrie eleison; Heer ontferm U. De volgende drie zijn gericht tot Christus de mensgeworden Zoon: Christe eleison. De laatste drie zijn gericht tot de Heilige Geest die Heer is tezamen met de Vader en de Zoon; daarom zeggen wij ook tot Hem: Kyrie eleison. Ook de Zoon is evenzeer Heer als de Vader en de Heilige Geest; maar de heilige Kerk geeft Hem hier de titel Christus vanwege de betrekking van dit woord tot de Menswording.
Ook het koor neemt dezelfde negen aanroepingen op en zingt ze. Vroeger bestond in vele kerken het gebruik deze af te wisselen met woorden die op dezelfde melodie gezongen werden als de aanroepingen zelf zoals wij in verschillende oude missalen aantreffen.
Nadat de ceremonie van de bewieroking voltooid is zegt de priester de Introitus. Vroeger geschiedde dit niet. De Ordo van de heilige Gregorius vertelt ons dat de priester zich bekleedde in het Secretarium en vervolgens naar het altaar ging voorafgegaan door kruis en toortsen; gedurende die tijd zong het koor de Introitus
Wanneer de paus een plechtige Mis celebreert wordt het zingen van het Kyrie voortgezet gedurende de hulde die hem op zijn troon gebracht wordt; dit vormt echter een uitzondering op de huidige praktijk in de gehele Kerk. De drie aanroepingen elk driemaal herhaald zoals thans gebruikelijk is doen ons denken aan onze vereniging hier beneden met de negen koren der engelen die in de hemel de heerlijkheid van de Allerhoogste bezingen. Deze vereniging bereidt ons voor ons met hen te verenigen in de hymne die nu volgt en welke deze zalige geesten naar onze aarde hebben gebracht.
Gloria in excelsis
Wanneer de priester het Gloria in excelsis Deo moet aanheffen gaat hij naar het midden van het altaar; eerst strekt hij zijn armen uit en vervolgens voegt hij zijn handen samen; maar noch hier noch bij de aanhef van het Credo heft hij zijn ogen op. Aan het einde van de hymne maakt hij het kruisteken omdat daar de naam van Jezus wordt uitgesproken die tezamen met de Heilige Geest is in de heerlijkheid van God de Vader; en aldus wordt melding gemaakt van de allerheiligste Drievuldigheid.
Nadat de ceremonie van de bewieroking voltooid is zegt de priester de Introitus. Vroeger geschiedde dit niet. De Ordo van de heilige Gregorius vertelt ons dat de priester zich bekleedde in het Secretarium en vervolgens naar het altaar ging voorafgegaan door kruis en toortsen; gedurende die tijd zong het koor de Introitus
Niets overtreft de schoonheid van haar uitdrukkingen. Het is geen lange compositie zoals bijvoorbeeld de prefatie waarin de heilige Kerk steeds begint met een leerstellige uiteenzetting en zich daarna tot het gebed wendt; hier daarentegen is alles geestdrift en vurige taal van de ziel. De engelen zelf hebben deze hymne aangeheven; en de Kerk geïnspireerd door de Heilige Geest zet de woorden der engelen voort. Laat ons stilstaan bij de woorden van dit verheven lofgezang.
Gloria in excelsis Deo! et in terra pax hominibus bonae voluntatis: Ere zij God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil; aan de mensen die door God bemind worden. Dit zijn de woorden der engelen: aan God zij heerlijkheid; aan de mensen die tevoren allen kinderen des toorns waren de vrede en zegen Gods.
In dit begin van de hymne spreekt men tot God zonder onderscheid van Personen; en de heilige Moeder de Kerk neemt naar het voorbeeld der engelen aanvankelijk dezelfde toon over en vervolgt aldus: Laudamus te: Wij loven U; want lof komt U toe en wij brengen die U. Benedicimus te: Wij zegenen U; dat wil zeggen: wij brengen U dankzegging voor uw weldaden. Adoramus te: Wij aanbidden U o oneindige Majesteit! Glorificamus te: Wij verheerlijken U omdat Gij ons geschapen en verlost hebt. Alleen reeds deze uitdrukkingen tot God te richten met de bedoeling Hem te loven te danken te aanbidden en te verheerlijken is een volmaakt gebed en lofprijzing; zulk is de bedoeling van de Kerk; laat het ook de onze zijn en wij zullen niet behoeven te zoeken naar een hogere betekenis voor onze woorden.
Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam: Wij zeggen U dank om uw grote heerlijkheid. Om de diepe betekenis van deze weinige woorden beter te begrijpen moeten wij bedenken dat God het behaagt het tot zijn heerlijkheid te rekenen ons zijn weldaden te schenken. De grootste daarvan is de Menswording; en de Menswording is zijn grootste heerlijkheid. Daarom kon de Kerk terecht tot Hem zeggen: Wij danken U om uw grote heerlijkheid. De hulde door het mensgeworden Woord gebracht zelfs in hetgeen men het geringste van zijn aanbiddingen zou kunnen noemen verschaft de goddelijke Majesteit meer heerlijkheid dan alle geschapen wezens tezamen zouden kunnen doen. Waarlijk de Menswording is de grote heerlijkheid Gods. En wij zijn schepselen danken Hem daarvoor; want indien de Zoon van God mens geworden is dan is dit voor ons omwille van ons geschied. Ja voor ons hebt Gij o God het mysterie volbracht dat U de grootste heerlijkheid schenkt; het is dus ten volle rechtvaardig dat wij U daarvoor danken: Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam!
Domine Deus Rex coelestis Deus Pater omnipotens: Heer God hemelse Koning God almachtige Vader. Hier richt de Kerk zich rechtstreeks tot de Vader. Tot nu toe was zij geheel vervuld van de eenheid in de Godheid; nu denkt zij aan de Drievuldigheid; en ziende allereerst de goddelijke Persoon die beginsel en oorsprong is van de beide anderen roept zij uit: Deus Pater omnipotens! God almachtige Vader!
Vervolgens wendt zij zich tot haar goddelijke Bruidegom. Zij kan nooit moe worden van Hem te spreken; en bijna geheel het overige van het lofgezang is tot Hem gericht. Zij bezingt de mensgeworden Zoon Gods en noemt Hem Heer: Domine Fili unigenite: Heer eniggeboren Zoon! Zij noemt Hem ook bij de menselijke naam die Hij als schepsel ontvangen heeft: Jesu Christe! Maar zij vergeet niet dat Hij God is; luid verkondigt zij dit door te zeggen: Domine Deus Agnus Dei Filius Patris! Ja haar Bruidegom is God; Hij is tevens het Lam Gods zoals de heilige Geest Hem aan het volk aanwees; en ten slotte is Hij Zoon des Vaders.
In haar verrukte liefde geeft de heilige Kerk aan haar Bruidegom iedere titel die zij bedenken kan; zij somt zijn heerlijkheden op; het is haar een vreugde ze beurtelings allen te verkondigen. Onder deze titels geeft zij Hem die van Lam Gods; maar zij schijnt een ogenblik te aarzelen alvorens eraan toe te voegen wat het droeve gevolg van die titel is namelijk dat Hij de zonden der wereld op zich heeft moeten nemen. Eerst moet zij opnieuw van zijn verhevenheid spreken; zij noemt Hem Filius Patris; en nadat dit gezegd is vat zij moed en zingt haar Bruidegom toe dat Hij als Lam Zich zo diep vernederd heeft dat Hij de zonden der wereld op Zich genomen heeft: Qui tollis peccata mundi. Gij die de zonden der wereld wegneemt. Gij hebt behaagd ons door uw Bloed te verlossen; nu Gij dan verheerlijkt zijt aan de rechterhand van uw Vader verlaat ons niet maar ontferm U over ons: Miserere nobis!
Zij aarzelt niet langer deze woorden uit te spreken; zij herhaalt ze want zij tonen ons waarin onze kracht gelegen is: Qui tollis peccata mundi. Het Lam Gods de Zoon des Vaders die onze smetten en zonden wegneemt — wat hebben wij te vrezen? Is dit niet hetgeen ons sterk maakt? Zo denkt de Kerk. Eerst verkondigt en herhaalt zij deze heerlijke waarheid; daarna vraagt zij om barmhartigheid en smeekt Hem vervolgens acht te slaan op het gebed van zijn Bruid: Suscipe deprecationem nostram. Zie ons hier verzameld voor het Offer; ontvang dan ons ootmoedig gebed.
Nadat de heilige Kerk aldus gesproken heeft aanschouwt zij haar goddelijke Bruidegom gezeten in de hoogste hemelen: Qui sedes ad dexteram Patris: Gij die zit aan de rechterhand des Vaders. Zojuist beschouwde zij Hem met liefde als het Lam Gods dat de zonden der gehele wereld op Zich genomen had; nu stijgt zij hoger op en gaat zelfs tot aan de rechterhand des Vaders waar zij Hem aanschouwt die het voorwerp is van haar aanbidding en lof. Daar bereikt zij het eigen Wezen Gods; daar brengt zij haar hulde aan alle heiligheid alle gerechtigheid alle volheid en alle grootheid zoals zij nu gaat verkondigen. Maar eerst herhaalt zij haar smeekroep om barmhartigheid: Miserere nobis! Ontferm U over ons want Gij hebt ons verlost!
Tu solus Sanctus; Tu solus Dominus; Tu solus Altissimus Jesu Christe: Gij alleen zijt heilig; Gij alleen zijt de Heer; Gij alleen zijt de Allerhoogste o Jezus Christus! Zo volhardt de heilige Kerk in dit lofgezang in haar streven haar goddelijke Bruidegom te bereiken; ieder van haar uitroepen is als een poging om bij Hem te zijn. Zij denkt aan haar eigen noden; zij denkt aan Hem; zij is geheel vervuld van heilige geestdrift. Nauwelijks heeft zij zijn naam genoemd of zij moet al zijn volmaaktheden verkondigen; geen enkele mag vergeten worden. Zij verwijlt bij zijn naam omdat Hij haar Bruidegom is; zij looft Hem verheerlijkt Hem en noemt Hem de enige God de enige Heer de enige Allerhoogste.
Zij voegt echter toe: Cum Sancto Spiritu in gloria Dei Patris: tezamen met de Heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader. Zo noemt zij ieder der drie Personen van de allerheiligste Drievuldigheid; en de lof die zij aan Christus brengt door Hem alleen heilig alleen Heer alleen Allerhoogste te noemen geldt eveneens de beide andere Personen want de Vader en de Heilige Geest kunnen niet van de Zoon gescheiden worden en evenals Hij zijn ook Zij alleen heilig alleen Heer alleen Allerhoogste; en niemand is heilig niemand is Heer niemand is Allerhoogste buiten God alleen.
In dit verheven lofgezang is alles tegelijk groots en eenvoudig. De heilige Kerk staat in bewondering bij de gedachte aan haar goddelijke Bruidegom. Zij begon met het Kyrie; daarna volgde de hymne der engelen; zij nam hun gezang over en zette het voort; en dezelfde Geest die door de engelen tot de herders sprak leerde de Kerk dit lofgezang waardig besluiten.
Collecte
Nadat het Gloria beëindigd is kust de priester het altaar; vervolgens keert hij zich naar het volk en zegt: Dominus vobiscum. Reeds eenmaal tevoren heeft hij zijn bedienaren met deze groet aangesproken; maar toen stond hij nog aan de voet van het altaar; het was als het ware een afscheid want juist op het ogenblik dat hij de wolk ging binnengaan scheen hij het gelovige volk niet te willen verlaten zonder hun ten minste één woord van genegenheid toe te spreken terwijl zij met hem gebeden hadden.
Nu echter heeft de Kerk een andere reden om deze twee woorden te gebruiken namelijk om de aandacht van het volk te vestigen op de collecte die de priester tot God gaat richten met andere woorden op het gebed waarin hij de verlangens der gelovigen samenvat en deze aanbiedt onder de vorm van een smeekbede. Het woord collecte komt van het Latijnse colligere hetgeen betekent bijeenbrengen wat tevoren verspreid was.
Het belang van de collecte is groot. Daarom spoort onze heilige Moeder de Kerk ons aan haar met alle eerbied en godsvrucht aan te horen. Volgens monastiek gebruik buigt het koor diep terwijl de priester haar reciteert; in kathedrale kapittels keren de kanunniken zich naar het altaar. Wanneer de collecte beëindigd is antwoordt het koor: Amen; dat wil zeggen: ja dat is hetgeen wij vragen en wij stemmen in met alles wat gezegd is.
Dit eerste gebed van de Mis wordt ook gereciteerd bij de Vespers de Lauden en in de monastieke ritus bij de Metten; het Romeins Brevier zegt haar slechts in de Metten van Kerstmis vóór de nachtmis. Zij wordt niet gezegd bij de Prime omdat dat gedeelte van het officie van latere instelling is; evenmin bij de Completen welke beschouwd worden als nachtgebeden en hun liturgische vorm ontvingen van de heilige Benedictus. Zij wordt wel gezegd bij Terts Sext en Noon. Dit alles toont ons welk belang de Kerk hecht aan de collecte die als het ware de dag karakteriseert; en dit verklaart waarom zij voorafgegaan wordt door het Dominus vobiscum alsof de priester tot het volk zei: Weest zeer aandachtig want hetgeen nu gezegd zal worden is van het grootste belang.
Bovendien keert de priester zich wanneer hij hier het Dominus vobiscum zegt naar het volk hetgeen hij niet deed toen hij zich nog aan de voet van het altaar bevond. Maar nu hij het altaar bestegen heeft en door het kussen van het altaar de vrede des Heren ontvangen heeft verkondigt hij diezelfde vrede aan de vergadering; en terwijl hij zijn armen opent zegt hij tot haar: Dominus vobiscum. Het volk antwoordt: Et cum spiritu tuo. Daarna zegt de priester zich bewust dat het volk één is met hem: Oremus: Laat ons bidden.
Het Pax vobis dat hier door prelaten gebruikt wordt in plaats van Dominus vobiscum is een zeer oud gebruik. Het was de gewone groet der Joden. De woorden van het Gloria: Pax hominibus bonae voluntatis hebben aanleiding gegeven tot het gebruik ervan op dit gedeelte van de Mis. Er bestaat alle reden om te geloven dat in de eerste eeuwen iedere priester de formule Pax vobis gebruikte.
Hetzelfde geldt voor verschillende pontificale ceremoniën. Zo bijvoorbeeld placht vroeger iedere priester de manipel aan te leggen op het ogenblik dat hij het altaar besteeg zoals een prelaat dit thans nog doet. Later vond men het gemakkelijker deze reeds in de sacristie aan te doen; dit kwam in de plaats van het oude gebruik dat nu alleen nog voor prelaten bewaard gebleven is. Daar het Pax vobis ingegeven wordt door het Gloria wordt het niet gezegd wanneer de Mis die gevierd wordt deze hymne uitsluit; in dat geval gebruikt men in plaats daarvan het Dominus vobiscum.
De priester behoort zijn armen uit te strekken terwijl hij de collecte uitspreekt. Hierin volgt hij de oude wijze van bidden die door de eerste christenen gebruikt werd. Zoals Onze Heer zijn armen aan het Kruis uitstrekte en aldus voor ons bad zo hadden ook de eerste christenen de gewoonte te bidden in dezelfde houding.
Dit oude gebruik is ons op bijzonder duidelijke wijze overgeleverd door de schilderingen in de catacomben welke het gebed steeds voorstellen in die houding; vandaar de naam Orantes die aan deze figuren gegeven wordt. Door dit middel evenals door de geschriften der heilige Vaders zijn vele bijzonderheden omtrent de gebruiken der eerste tijden bewaard gebleven die anders verloren zouden zijn gegaan.
In het Oosten is het gebruik te bidden met uitgestrekte armen algemeen; in onze westerse landen is het zeer zeldzaam geworden en wordt het slechts bij bijzondere gelegenheden gebruikt. Men zou kunnen zeggen dat in het openbaar alleen de priester nog in deze houding bidt omdat hij Onze Heer vertegenwoordigt die hangend aan het Kruis een gebed van oneindige waarde opdroeg aan zijn eeuwige Vader.
Epistel
Na de collecte en de andere gebeden die dikwijls toegevoegd worden onder de naam van commemoraties volgt het epistel welke bijna altijd genomen wordt uit de brieven van een der apostelen hoewel zij soms uit een ander boek van de heilige Schrift afkomstig is. Het gebruik slechts één Epistel in de Mis te lezen behoort niet tot de gebruiken van de primitieve Kerk; toch gaat het minstens duizend jaar terug. In de eerste eeuwen werd eerst een les uit het Oude Testament gelezen waarna een passage uit de apostolische geschriften volgde. Tegenwoordig wordt alleen nog het epistel gelezen behalve op de quatertemperdagen en bepaalde feria’s.
Het gebruik lessen uit het Oude Testament tijdens de Mis te lezen hield op toen het missaal in zijn huidige vorm werd samengesteld waarin alles opgenomen werd wat tijdens de Mis zowel door de priester als door het koor gezegd wordt en dat daarom een volledig missaal genoemd wordt. Een oud missaal een zogenaamd sacramentarium bevatte zoals wij reeds gezegd hebben niets anders dan de gebeden de prefaties en de canon. Al het overige moest gezocht worden in het antifonarium de Bijbel en het evangelarium.
Door deze verandering hebben wij verlies geleden; want iedere Mis had haar eigen prefatie terwijl thans het aantal van deze liturgische composities tot een minimum is teruggebracht. Dezelfde methode werd gevolgd in het goddelijk officie aangezien er in die tijden geen breviaria bestonden; ieder koor moest voorzien zijn van een psalterium een hymnenboek een Bijbel een passionaal dat de handelingen der heiligen bevatte en een homilieboek met de sermoenen der heilige Vaders.
Gedurende lange tijd behield de eerste zondag van de Advent het voorrecht twee Epistels in de Mis te hebben. Uiteindelijk kreeg ook deze slechts één Epistel. Toch werd het officie van deze zondag met bijzondere eerbied behandeld en heeft het trouwer dan de meeste andere officies de oude gebruiken behouden. Zo worden er hoewel het een semidubbel feest is geen suffragiën gezegd noch gedurende de gehele tijd tot aan Epifanie. De suffragiën dateren overigens niet van vóór de elfde eeuw; voordien bestonden zij niet.
Zo verloopt alles in het heilig Offer in volmaakte orde: de priester heeft allereerst de verlangens en smeekbeden van de verzamelde gelovigen uitgesproken; de heilige Kerk heeft door hem gesproken. Weldra zullen wij de woorden van onze goddelijke Meester horen in het Evangelie; maar daarop moeten wij voorbereid worden door het woord van zijn dienaar; dit geschiedde door de Epistel. Zo hebben wij eerst de profeet vervolgens de apostel en tenslotte Onze Heer zelf.
Graduale
Tussen het epistel en het Evangelie hebben wij het Graduale. Het bestaat uit een responsorium en zijn vers. Vroeger werd het gehele responsorium zowel vóór als na het vers herhaald op dezelfde wijze als thans nog geschiedt bij de korte responsoria; alleen was het responsorium buitengewoon rijk aan noten.
Het Graduale is werkelijk het meest muzikale stuk van de gehele liturgie; en aangezien de uitvoering ervan grote vaardigheid vereist mochten nooit meer dan twee zangers het zingen. Wanneer zij het gingen zingen begaven zij zich naar de ambo een soort marmeren kansel die in de kerk geplaatst was; en vanwege de treden die naar deze ambo voerden ontving dit gezang de naam Graduale evenals de Graduale Psalmen die door de Joden gezongen werden terwijl zij de treden van de tempel bestegen.
Alleluia — Tractus
Op het Graduale volgt het Alleluia of indien het seizoen dit vereist de Tractus. Het Alleluia wordt herhaald op de wijze van een responsorium; vervolgens komt een vers; en nadat dit gezegd is wordt het Alleluia een derde maal gezongen. Dit gezang dat bij uitnemendheid de lofzang Gods is verdiende een plaats in de Mis. Er ligt iets zó vreugdevols en tegelijk zó geheimzinnigs in dat het gedurende boetetijden dat wil zeggen van Septuagesima tot Pasen niet gezegd mag worden.
Gedurende deze tijden wordt het vervangen door de Tractus. De Tractus houdt de aandacht der gelovigen bezig gedurende de tijd die nodig is voor de verschillende ceremoniën wanneer de diaken nadat hij de zegen van de priester ontvangen heeft in processie naar de ambo van het Evangelie gaat en zich gereedmaakt het Woord Gods te verkondigen.
De Tractus bestaat soms uit een gehele Psalm of bijna geheel zoals op de eerste zondag van de Vasten; maar gewoonlijk bevat hij slechts enkele verzen. Deze verzen die op een rijke en karakteristieke melodie gezongen worden volgen elkaar op zonder refrein of herhaling; en omdat zij aldus zonder onderbreking gezongen worden dragen zij de naam Tractus.
Sequentia
Op bepaalde hoogfeesten wordt aan het Alleluia of aan de Tractus toegevoegd wat men de Sequentia noemt. Zij werd aan het gezang van de Mis toegevoegd lang na de tijd van de heilige Gregorius; deze toevoeging vond plaats omstreeks de negende eeuw. Zij ontving de naam Sequentia dat wil zeggen vervolg omdat zij oorspronkelijk bestond uit bepaalde woorden die aangepast werden aan de noten welke een vervolg vormden op het woord Alleluia en die reeds vóór de invoering van de Sequentia zelf Sequentia genoemd werden.
Zij wordt ook Prosa genoemd omdat zij oorspronkelijk noch op de metrische hymnen van de oude schrijvers noch op de later verschenen ritmische verzen geleek. Zij was een echt stuk proza dat gezongen werd op de wijze die wij beschreven hebben als een middel om woorden te geven aan het pneuma van het Alleluia. Langzamerhand kreeg zij echter het karakter van een hymne.
De Sequentia verhoogde aldus de plechtigheid van de liturgie; en terwijl zij gezongen werd luidden evenals thans de klokken en werd het orgel bespeeld. Er bestond een Sequentia voor ieder feest en bijgevolg ook voor de zondagen van de Advent.
In het Romeins Missaal dat op bevel van de heilige Pius V werd opgesteld bleven slechts vier Sequentiae behouden. Deze vier zijn de Victimae Paschali welke de oudste van alle is en als voorbeeld voor de overige diende; de Veni Sancte Spiritus de Lauda Sion en de Dies irae. Later werd daar nog het Stabat Mater aan toegevoegd. Het monastieke missaal bezit bovendien de Laeta dies voor het feest van de heilige Benedictus; zij is een compositie uit de zestiende eeuw.
Evangelie
Terwijl het koor deze verschillende gezangen uitvoert neemt de diaken het Evangelieboek en legt het op het altaar omdat het altaar Onze Heer vertegenwoordigt; aldus duidt hij de eenheid aan tussen het Woord Gods dat in het Evangelie gehoord wordt en Christus Jezus. De priester bewierookt het boek niet maar hij zegent de wierook een handeling die de diaken niet mag verrichten.
Nadat de wierook gezegend is knielt de diaken op de bovenste trede van het altaar en zegt het gebed Munda cor meum. In dit gebed vraagt hij God dat zijn hart en zijn lippen gereinigd mogen worden opdat hij waardig het heilig Evangelie zou kunnen verkondigen. Daarin verwijst hij naar de gloeiende kool waarmee een seraf de lippen van de profeet Isaias aanraakte om hem te reinigen en geschikt te maken de ingevingen van de Heilige Geest bekend te maken. (Is. VI 5–7.) Ditzelfde gebed wordt ook in de gelezen Mis door de priester uitgesproken.
Na het gebed neemt de diaken het boek van het altaar; en geknield vóór de priester vraagt hij om de zegen omdat hij gaat lezen: Jube Domne benedicere: Gelief Vader mij te zegenen. In een gelezen Mis vraagt de priester zelf Gods zegen met de woorden: Jube Domine benedicere! en vervolgens antwoordt hij met de woorden van de zegen waarbij hij de noodzakelijke veranderingen aanbrengt om ze op zichzelf toe te passen.
Nadat hij de zegen ontvangen heeft kust de diaken de hand van de priester die daartoe zijn hand op het Evangelieboek legt dat hij aldus als het ware aan de diaken overhandigt en hem opdraagt het in zijn naam te lezen.
Daarna vormt zich een processie naar de ambo van het Evangelie; en daar begint de diaken met deze plechtige woorden: Dominus vobiscum. Dit is de enige gelegenheid waarop de diaken deze woorden mag gebruiken; en dit gebruik ervan betekent dat hij de gelovigen voorbereidt alsof hij tot hen zei: Gij gaat het Woord Gods horen het eeuwige Woord; het is een grote genade voor u allen; moge dan de Heer met u zijn! Moge Hij u verlichten en u voeden met zijn Woord!
Het volk antwoordt hem met de woorden: Et cum spiritu tuo. Vervolgens kondigt de diaken de titel aan van het gedeelte dat hij gaat lezen; hij doet dit met de woorden: Initium of Sequentia sancti Evangelii; en terwijl hij dit zegt maakt hij het kruisteken op het boek en op de plaats waar de tekst van het Evangelie begint. Tegelijk tekent hij zichzelf op voorhoofd mond en borst en vraagt krachtens het Kruis dat de bron is van alle genade dat hij het Evangelie altijd in zijn hart en op zijn lippen moge dragen en zich er nooit voor schamen.
Daarna neemt hij het wierookvat en bewierookt het boek driemaal terwijl de gelovigen als antwoord op de aankondiging van de Blijde Boodschap dank en eer brengen aan Onze Heer Jezus Christus wiens Woord nu gehoord zal worden: Gloria tibi Domine.
Nu is het tijd het heilig Evangelie te zingen. De diaken voegt zijn handen samen maar legt ze niet op het boek aangezien dit een te grote vertrouwelijkheid zou zijn met een voorwerp zo heilig als het boek dat de uitdrukking van het eeuwige Woord bevat.
Nadat de diaken hetgeen hij moest zingen voltooid heeft brengt de subdiaken het geopende boek naar de celebrant die de eerste woorden van de heilige tekst kust en zegt: Per evangelica dicta deleantur nostra delicta: Mogen door de woorden van het Evangelie onze zonden uitgewist worden. In deze formule welke soms ook gebruikt wordt als een van de zegeningen bij de Metten vinden wij een soort rijm wat wijst op een middeleeuwse oorsprong.
Ondertussen keert de diaken zich naar de priester in wiens naam hij het Evangelie gezongen heeft; en terwijl hij het wierookvat neemt bewierookt hij hem driemaal. De priester is de enige die op dit gedeelte van de liturgie deze eer ontvangt.
De priester die de Mis opdraagt zonder diaken en subdiaken behoort wanneer hij het Evangelie leest het missaal zodanig te plaatsen dat hijzelf enigszins naar het noorden gekeerd is. Hetzelfde geldt voor de diaken: hij staat naar het noorden gewend wanneer hij het Evangelie zingt; omdat volgens het woord van de profeet Jeremias vanuit het noorden al het kwaad zal losbreken over alle inwoners van het land. (Jer. I 14.)
Om dezelfde geheimvolle reden wordt bij de doop van volwassenen de catechumeen naar het noorden gewend wanneer hij zijn verzaking aan satan uitspreekt. Vroeger werden in de grotere kerken twee ambos of kansels opgericht: één voor het epistel en één voor het Evangelie. Tegenwoordig vindt men deze twee ambos slechts nog in de beide kerken te Rome: de basiliek van de heilige Clemens en de basiliek van Sint-Laurentius buiten de muren. Zij werden eveneens gebruikt in de basiliek van de heilige Paulus vóór haar herstel. Op de ambo werd gedurende de veertig dagen vóór het feest van Hemelvaart de paaskaars geplaatst.
Nu is het tijd het heilig Evangelie te zingen. De diaken voegt zijn handen samen maar legt ze niet op het boek aangezien dit een te grote vertrouwelijkheid zou zijn met een voorwerp zo heilig als het boek dat de uitdrukking van het eeuwige Woord bevat.
Nadat de diaken hetgeen hij moest zingen voltooid heeft brengt de subdiaken het geopende boek naar de celebrant die de eerste woorden van de heilige tekst kust en zegt: Per evangelica dicta deleantur nostra delicta: Mogen door de woorden van het Evangelie onze zonden uitgewist worden. In deze formule welke soms ook gebruikt wordt als een van de zegeningen bij de Metten vinden wij een soort rijm wat wijst op een middeleeuwse oorsprong.
Ondertussen keert de diaken zich naar de priester in wiens naam hij het Evangelie gezongen heeft; en terwijl hij het wierookvat neemt bewierookt hij hem driemaal. De priester is de enige die op dit gedeelte van de liturgie deze eer ontvangt.
De priester die de Mis opdraagt zonder diaken en subdiaken behoort wanneer hij het Evangelie leest het missaal zodanig te plaatsen dat hijzelf enigszins naar het noorden gekeerd is. Hetzelfde geldt voor de diaken: hij staat naar het noorden gewend wanneer hij het Evangelie zingt; omdat volgens het woord van de profeet Jeremias: vanuit het noorden al het kwaad zal losbreken over alle inwoners van het land. (Jer. I 14.)
Om dezelfde geheimvolle reden wordt bij de doop van volwassenen de catechumeen naar het noorden gewend wanneer hij zijn verzaking aan satan uitspreekt. Vroeger werden in de grotere kerken twee ambos of kansels opgericht: één voor het epistel en één voor het Evangelie. Tegenwoordig vindt men deze twee ambos slechts nog in de beide kerken te Rome: de basiliek van de heilige Clemens en de basiliek van Sint-Laurentius buiten de muren. Zij werden eveneens gebruikt in de basiliek van de heilige Paulus vóór haar herstel. Op de ambo werd gedurende de veertig dagen vóór het feest van Hemelvaart de paaskaars geplaatst.
Wij moeten letten op het onderscheid waarmee de Kerk verlangt dat Epistel en Evangelie in de Mis aangekondigd worden. Wat het epistel betreft wordt zij slechts voorafgegaan door de woorden van de subdiaken die aankondigt uit welk gedeelte de passage genomen is die hij gaat zingen; terwijl het Evangelie altijd voorafgegaan wordt door de woorden: Dominus vobiscum. De reden hiervan is dat in het epistel slechts de dienaar tot ons spreekt; maar in het Evangelie is het het woord van de Meester zelf dat wij gaan horen; en daarom wordt een middel aangewend om de aandacht der gelovigen op te wekken.
Pas aan het einde van de lezing van het Evangelie door de priester wordt geantwoord: Laus tibi Christe; omdat vroeger de celebrant niets las van hetgeen door anderen gezongen werd; het Evangelie behoorde hiertoe en hij luisterde er slechts naar.
In Missen voor de overledenen vraagt de diaken niet de zegen van de priester wanneer hij het Evangelie gaat zingen. Daar het vragen van een dergelijke zegen min of meer een ceremonie is die vreugde uitdrukt wordt zij weggelaten vanwege de droefheid en rouw die een Requiemmis vergezellen. Evenmin worden er toortsen naar de ambo gedragen; noch kust de priester het boek aan het einde van het Evangelie. Om dezelfde reden kust de diaken ook niet de hand van de priester nadat hij het boek van het altaar genomen heeft.
Credo
Op het Evangelie volgt het Credo. Het doel van de recitatie van het Credo is de gelovigen ertoe te brengen het geloof te belijden; en aangezien hun geloof gegrond is op het heilig Evangelie volgt het Credo onmiddellijk nadat de heilige tekst gelezen is. Het is passend dat de gelovigen deze geloofsbelijdenis uitspreken tegenover de ketterijen die zijn opgekomen.
Het Credo moet niet alleen op alle zondagen gezegd worden maar bovendien op de feesten van de apostelen die het geloof gepredikt hebben; op de feesten van de kerkleraars die het verdedigd hebben; op het feest van de heilige Maria Magdalena die als eerste in de Verrijzenis geloofde deze aan de apostelen verkondigde en aldus een apostel der apostelen werd; op de feesten van de heilige engelen omdat naar hen verwezen wordt in de woorden: Schepper van hemel en aarde en van alle zichtbare en onzichtbare dingen; op de feesten van de allerzaligste Maagd omdat het Credo ook spreekt over Onze Lieve Vrouw; hoewel het in votiefmissen wordt weggelaten.
Het wordt eveneens gezegd op het feest van de kerkwijding en op patronaatsfeesten omdat men veronderstelt dat er op deze dagen een grote menigte volk aanwezig zal zijn; en om die reden wordt het ook gezegd op het feest van de heilige Johannes de Doper wanneer dit op een zondag valt; anders wordt het niet gezegd omdat de heilige Johannes vóór de vervulling der Mysteriën kwam en omdat in het symbolum geen melding van hem gemaakt wordt.
Het Credo wordt eveneens gezegd wanneer een kerk een grote of belangrijke reliek bezit van de heilige wiens feest gevierd wordt en waarvan men aanneemt dat vele gelovigen op die dag de heilige diensten zullen bijwonen.
Het symbolum dat gedurende de Mis gereciteerd wordt is niet dat der apostelen maar dat van Nicea; of om geheel nauwkeurig te spreken men zou het het symbolum van Nicea en Constantinopel moeten noemen aangezien het gehele artikel betreffende de Heilige Geest toegevoegd werd op het eerste concilie van Constantinopel tegen Macedonius.
Tot de elfde eeuw werd het Credo niet op deze wijze openbaar gezegd in de kerken van Rome. Toen de heilige Hendrik keizer van Duitsland Rome bezocht was hij verwonderd het Credo niet tijdens de Mis te horen. Hij sprak hierover met de toen regerende paus Benedictus VIII. De paus antwoordde hem dat de Kerk van Rome hierin een teken gaf van de zuiverheid van haar geloof en geen nood had haar afwijzing van dwalingen uit te spreken die nooit binnen haar muren waren gekoesterd.
Kort na de opmerking van de keizer werd echter besloten dat het Credo op zondagen in de kerken van Rome gezegd zou worden; want deze geloofsbelijdenis zou des te plechtiger zijn doordat zij verkondigd werd vanaf juist de Stoel van de heilige Petrus.
Het Niceense symbolum is langer dan dat der apostelen hoewel dit laatste toch alle geloofswaarheden bevat; maar naarmate de ketterijen geleidelijk opkwamen achtte men het noodzakelijk sommige artikelen die aangevallen werden uitvoeriger te ontwikkelen; en aldus werden de verschillende ketterijen duidelijk veroordeeld telkens wanneer zij verschenen.
Dit symbolum bevat alles wat wij moeten geloven want in een van de artikelen zeggen wij: Ik geloof de Kerk; en bijgevolg bezitten wij door alles te geloven wat de heilige Kerk gelooft alles wat zij heeft aangenomen en alles wat zij als waarheid heeft verklaard op de concilies van Nicea en Constantinopel evenals op alle andere die daarop gevolgd zijn.
Het symbolum dat in de Mis gebruikt wordt begint aldus: Credo in unum Deum. Ik geloof in één God. De apostelen hadden het woord unum niet gebruikt; in die tijd bestond er geen noodzaak zulk een toevoeging te maken. Op het concilie van Nicea achtte de Kerk het echter noodzakelijk dit woord toe te voegen om de eenheid van God uitdrukkelijk te bevestigen terwijl tegelijk de Drievuldigheid der Personen werd uitgesproken; dit was gericht tegen de Arianen.
Maar waarom zeggen wij: Ik geloof in één God? Waarom gebruiken wij het voorzetsel in? Dit is van het hoogste belang zoals een ogenblik nadenken ons zal tonen. Want wat is het geloof anders dan een beweging van de ziel naar God? Dat geloof verenigd met de liefde dat levend geloof dat de heilige Kerk in de harten van haar kinderen legt strekt zich uit naar God uit zijn eigen aard stijgt op en verheft zich tot Hem: Credo in Deum.
Er zijn twee wijzen om God te kennen. Een mens die alle dingen aanschouwt waaruit het heelal is samengesteld — de aarde met haar ontelbare voortbrengselen; het firmament bezaaid met sterren te midden waarvan de zon heerst in verblindende luister en haar loop op zo wonderbare wijze volbrengt — een mens die zulke wonderen ziet geordend met zulk een volmaaktheid kan niet anders dan erkennen dat Iemand dit alles tot stand heeft gebracht; dit noemt men een waarheid van de rede. Indien hij niet tot zulk een gevolgtrekking kwam zou hij een totaal gebrek aan verstand tonen en slechts gelijk zijn aan de redeloze dieren aan wie geen verstand gegeven werd omdat zij onredelijke schepselen zijn.
Dit bedoelt men met God kennen door de rede; wij zien de schepping en besluiten daaruit dat zij het werk van God zelf is. Maar wanneer wij spreken over God kennen als Vader als Zoon en als Heilige Geest dan is daarvoor volstrekt noodzakelijk dat God zelf het ons geopenbaard heeft en dat wij zijn woord door het geloof aannemen; dat wil zeggen door die bovennatuurlijke gesteltenis die ons gegeven wordt om te geloven wat God gesproken heeft en ons aan zijn woord te onderwerpen.
God openbaart mij deze dingen en Hij doet dit door zijn Kerk; onmiddellijk treed ik uit mijzelf stijg ik op tot Hem en aanvaard ik als waarheid hetgeen Hij behaagt mij aldus te openbaren. En aldus belijden wij onze God: Credo in unum Deum Patrem omnipotentem.
Factorem coeli et terrae visibilium omnium et invisibilium. Schepper van hemel en aarde van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De gnostieken wilden niet aan God de schepping van de stof en van de zichtbare wezens toeschrijven; deze bepaling van het concilie van Nicea veroordeelt hen door nauwkeurig vast te stellen dat alle zichtbare en onzichtbare dingen visibilium et invisibilium het werk van God zijn.
Hierdoor wordt hulde gebracht aan de eeuwige God als de Almachtige die door deze zijn almacht alle zichtbare en onzichtbare dingen geschapen heeft. Tevens wordt hierdoor het geloof beleden in de schepping der engelen.
Et in unum Dominum Jesum Christum Filium Dei Unigenitum. Ook hier verlangt de heilige Kerk dat wij zeggen: Ik geloof in één Heer. Dit woord unum is wezenlijk; wij geloven niet in twee zonen maar in één enige; niet in een mens en in een God gescheiden van elkaar en twee verschillende personen vormend; neen het is één en dezelfde Persoon die van de eniggeboren Zoon van God.
Maar waarom wordt Hij hier op zo nadrukkelijke wijze Heer genoemd? Toen wij zojuist over de Vader spraken deden wij dit niet. Deze titel wordt in het bijzonder aan Jezus Christus gegeven omdat wij Hem op dubbele wijze toebehoren. Allereerst behoren wij Hem toe omdat wij door Hem geschapen zijn tezamen met de Vader die alle dingen gemaakt heeft door zijn Woord; vervolgens behoren wij Hem toe omdat Hij ons door zijn Bloed verlost en ons uit de muil van satan weggerukt heeft; wij zijn zijn aankoop zijn eigendom zijn bezit; zodat Hij een tweede rechtstitel op ons bezit boven die van Schepper; en meer nog zijn liefde voor de zielen gaat zó ver dat Hij hen bezit als Bruidegom.
Dat er in de Godheid een Zoon is — waarlijk dit te weten is een voorbeeld van een godskennis die geheel verschilt van die louter redelijke kennis waarover wij zojuist spraken. Aan zichzelf overgelaten had de rede ons nooit kunnen leren dat er in God een Vader en een Zoon zijn; om tot deze kennis te komen moesten wij ofwel in de hemel geweest zijn ofwel deze waarheid geopenbaard gekregen hebben in de Schrift of door de Overlevering.
En zoals wij geloven in één enige God de Vader en niet in twee zo geloven wij ook in één enige Zoon: et in unum Dominum Jesum Christum Filium Dei unigenitum.
Et ex Patre natum ante omnia saecula: geboren uit de Vader vóór alle eeuwen. Eeuwen begonnen eerst toen God de schepping uit zijn handen deed voortkomen; opdat eeuwen zouden bestaan moest er tijd zijn en opdat er tijd zou zijn moesten er geschapen wezens bestaan. Welnu vóór alle eeuwen vóór iets uit het niets was voortgetreden was de Zoon Gods uit de Vader voortgekomen zoals wij hier belijden in de woorden: Ex Patre natum ante omnia saecula.
Deum de Deo lumen de lumine Deum verum de Deo vero. De geschapen wereld komt voort uit God omdat zij zijn werk is; maar daarom is zij nog geen God. De Zoon Gods daarentegen voortkomend uit de Vader is God zoals Hij omdat Hij door Hem verwekt is; zózeer zelfs dat alles wat van de Vader gezegd wordt ook op de Zoon van toepassing is behalve alleen dat Hij niet de Vader is; maar Hij is dezelfde substantie hetzelfde goddelijke wezen.
Maar hoe kan de Zoon dezelfde substantie zijn als de Vader zonder dat deze substantie daardoor uitgeput wordt? De heilige Athanasius sprekend over dit onderwerp geeft ons de volgende vergelijking die hoewel stoffelijk ons toch enigermate helpt deze waarheid te begrijpen. Op dezelfde wijze zegt hij als een toorts die ontstoken wordt aan een andere van dezelfde aard op geen enkele wijze diegene vermindert waarvan zij ontstoken werd zo vermindert ook de Zoon Gods door de substantie van de Vader te ontvangen geenszins deze goddelijke substantie die Hij met Hem deelt; want Hij is waarlijk God uit God Licht uit Licht waarachtig God uit waarachtig God.
Genitum non factum: verwekt niet geschapen. Wij menselijke schepselen zijn allen geschapen; ieder van ons is het werk van God zonder uitzondering zelfs Onze Lieve Vrouw en de engelen niet uitgezonderd. Maar met betrekking tot het Woord de Zoon van God is dit niet zo: Hij is verwekt niet geschapen; Hij is voortgekomen uit de Vader maar Hij is niet diens werk. Hij bezit dezelfde substantie hetzelfde wezen dezelfde natuur als de Vader.
In God moeten wij steeds onderscheid maken tussen de Personen maar tevens altijd hetzelfde goddelijke wezen aanschouwen zowel voor de Vader en de Zoon als voor de Heilige Geest: idem quoad substantiam. Onze Heer zelf zegt ons dit: Ego et Pater unum sumus; zij zijn één maar de Personen zijn onderscheiden; Vader Zoon en Heilige Geest — dit zijn de drie namen waardoor zij aangeduid worden.
Zeer gewichtig is daarom dit grote woord van het concilie van Nicea: Consubstantialem Patri één in wezen met de Vader. Ja de Zoon is verwekt door de Vader; Hij bezit dezelfde substantie; er is hetzelfde goddelijke wezen.
Per quem omnia facta sunt: door wie alle dingen gemaakt zijn. Aan het begin van het symbolum werd gezegd dat God hemel en aarde en alle zichtbare en onzichtbare schepselen gemaakt heeft; en nu wordt ons hier sprekend over het Woord de Zoon van God gezegd dat alle dingen door Hem gemaakt zijn. Hoe moeten wij dit verstaan?
Dit kan gemakkelijk begrepen worden door een vergelijking met onze eigen ziel. Aan de ziel zijn drie onderscheiden vermogens gegeven voor de uitoefening van haar drie onderscheiden handelingen: kracht verstand en wil. Deze drie vermogens zijn noodzakelijk voor de voltooiing van een handeling. Door haar kracht kan de ziel handelen maar dit veronderstelt verstand en wil.
Op gelijke wijze heeft God de almachtige Vader alle dingen gemaakt door zijn macht; Hij heeft alle dingen in wijsheid gemaakt door zijn Zoon; en daarop heeft Hij zijn wil gedrukt door de Heilige Geest; aldus wordt zijn handeling voltooid. Daarom is het geheel juist wanneer men van de Zoon zegt: per quem omnia facta sunt.
Qui propter nos homines et propter nostram salutem descendit de coelis. Nadat de heilige Kerk ons het Woord getoond heeft dat zulke grote dingen verricht voegt zij eraan toe dat Hij voor ons zondaars op aarde is neergedaald. Hij is niet alleen gekomen omwille van de mens maar ook om de zonde van de mens te herstellen en hem aan de eeuwige ellende te ontrukken; in één woord: om ons heil te bewerken: et propter nostram salutem. Daarom juist is Hij uit de hemel neergedaald: descendit de coelis.
Niettemin heeft Hij de Vader en de Heilige Geest niet verlaten; daardoor is Hij niet beroofd van de gelukzaligheid der Godheid; maar Hij heeft Zich waarlijk met de mens verenigd en in deze mens heeft Hij alles geleden wat de mens kan lijden uitgezonderd de zonde; Hij daalde neer uit de hemel om in een schepsel te wonen te leven in ons midden met ons te wandelen en Zich in alles te voegen naar de eisen van de menselijke natuur.
Et incarnatus est de Spiritu Sancto. Het Woord is vlees geworden; het is mens geworden door de werking van de Heilige Geest. Alle dingen werden door God gemaakt en wij hebben gezien hoe zij gemaakt werden door de drie goddelijke Personen tezamen. Ook in het mysterie van de Menswording is er de werking van deze drie Personen. De Vader zendt zijn Zoon de Zoon daalt neer op aarde en de Heilige Geest overschaduwt dit verheven mysterie.
Ex Maria Virgine. Let wel op deze woorden: ex Maria. Maria was het die de substantie van zijn mensheid verschafte die substantie welke haar eigen en persoonlijk toebehoorde; zodat zij waarlijk uit zichzelf genomen heeft om aan de Zoon van God te geven die daardoor inderdaad haar eigen Zoon werd. Hoe zuiver moest Maria geweest zijn om waardig bevonden te worden aan de Zoon van God de substantie van zijn menselijke natuur te schenken!
Het Woord heeft niet verkozen Zich te verenigen met een menselijk schepsel dat onmiddellijk uit het niets gevormd was zoals de eerste mens maar Hij wilde zijn uit het geslacht van Adam. Om dit te volbrengen werd Hij vlees in de schoot van Maria hetgeen noodzakelijk meebracht dat Hij bijgevolg een zoon van Adam werd; Hij daalde niet alleen neer in Maria maar nam ook uit Maria: ex Maria; Hij is uit haar eigen substantie.
Et homo factus est. En Hij is mens geworden. Het Woord Gods heeft niet slechts de schijn van een mens aangenomen maar is waarlijk mens geworden. In deze verheven woorden aanschouwen wij de Godheid zelf die zich verenigt met de mensheid. Hier wordt een kniebuiging gemaakt als eerbewijs aan het mysterie van de Menswording.
Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato passus et sepultus est.
Crucifixus. Het Symbolum der apostelen gebruikt dezelfde uitdrukking; de apostelen wilden nadrukkelijk zeggen dat Onze Heer gekruisigd werd en namen geen genoegen met eenvoudig te verklaren dat Hij gestorven was; en dit omdat het van groot belang was aan allen de overwinning van het Kruis op satan te tonen. Zoals wij door het hout ten val gekomen zijn zo heeft God gewild dat ook ons heil door het hout zou worden bewerkt zoals wij elders zingen: ipse lignum tunc notavit damna ligni ut solveret. Ja het was passend dat de list van onze vijand door zijn eigen kunstgreep overwonnen zou worden: et medelam ferret inde hostis unde laeserat en dat het geneesmiddel juist daaruit zou voortkomen waaruit de vijand het vergif had genomen.
Juist daarom hebben de apostelen er zoveel nadruk op gelegd op welke wijze Christus ter dood gebracht werd; en wanneer zij het geloof voor het eerst aan de heidenen verkondigden spraken zij onmiddellijk over het Kruis. De heilige Paulus schrijft aan de Korinthiërs dat hij toen hij voor het eerst onder hen kwam niet geoordeeld had iets anders onder hen te weten dan Jezus en Jezus gekruisigd: Et enim judicavi me scire aliquid inter vos nisi Jesum Christum et hunc crucifixum. (I Cor. II 2.) En tevoren had hij hun reeds gezegd: Maar wij prediken Christus gekruisigd: voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid: Judaeis quidem scandalum Gentibus autem stultitiam. (I Cor. I 23.)
Jezus Christus werd gekruisigd en het symbolum voegt eraan toe: pro nobis. Op dezelfde wijze als wij zeggen: propter nos homines descendit de coelis was het passend dat de heilige Kerk ons zou inprenten dat indien Onze Heer gekruisigd werd dit voor ons geschiedde. Crucifixus etiam pro nobis: sub Pontio Pilato passus. Ook de naam van de Romeinse landvoogd wordt hier genoemd evenals in het Symbolum der apostelen omdat hij een tijdsbepaling aangeeft.
Et sepultus est. Christus heeft geleden; dat is volkomen waar; maar even waar is het dat Hij begraven werd en dit moest noodzakelijk zo zijn; want indien Hij niet begraven was geweest hoe had dan de profetie vervuld kunnen worden waarin gezegd werd dat Hij op de derde dag zou verrijzen? Hierdoor werd tevens de werkelijkheid van zijn dood bewezen een werkelijke en niet schijnbare dood aangezien de begrafenis plaatsvond zoals dit ook bij andere mensen geschiedt.
Et resurrexit tertia die secundum Scripturas. Op de derde dag is Hij verrezen zoals de profetieën hadden voorzegd vooral die van de profeet Jonas. Onze Heer zelf had gezegd: Dit boos en overspelig geslacht verlangt een teken maar geen ander teken zal het gegeven worden dan dat van de profeet Jonas: nisi signum Jonae prophetae. (Matth. XII 39; Luc. XI 29.) Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis was zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde.
Et ascendit in coelum. Hij is opgevaren ten hemel. Het Woord Gods dat op aarde neerdaalde om mens te worden heeft de schoot van zijn Vader niet verlaten. Hier wordt gezegd dat Hij ten hemel is opgevaren hetgeen betekent dat zijn mensheid daar werkelijk is binnengegaan en er voor eeuwig verheerlijkt troont.
Sedet ad dexteram Patris. Hij zit aan de rechterhand des Vaders als Meester en Heer. Inderdaad volgens zijn goddelijke natuur was Hij daar altijd reeds; maar het was passend dat Hij daar ook zou zijn volgens zijn menselijke natuur en dit wordt door deze woorden uitgedrukt. Want aangezien de menselijke natuur verenigd is met de goddelijke natuur in één en dezelfde Persoon namelijk de Persoon van God de Zoon kan men in waarheid zeggen: de Heer zit aan de rechterhand des Vaders.
David heeft dit voorzegd toen hij zei: Dixit Dominus Domino meo: Sede a dextris meis. (Ps. CIX 1.) Dit is een bewijs van de innige vereniging die bestaat tussen de goddelijke en de menselijke natuur in de Persoon van Onze Heer. Daarom is Psalm CIX bij uitstek de psalm van de Hemelvaart want dat was werkelijk het ogenblik waarop de Heer de Vader tot de Heer de Zoon zei: Neem plaats aan mijn rechterhand: Sede a dextris meis.
Et iterum venturus est cum gloria judicare vivos et mortuos. Met betrekking tot Onze Heer is er dus sprake van twee komsten: bij de eerste wordt Hij geboren zonder heerlijkheid en zoals de heilige Paulus zegt vernietigt Hij Zichzelf door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen: Semetipsum exinanivit formam servi accipiens. (Philipp. II 7.) Bij de tweede daarentegen zal Hij komen in heerlijkheid: venturus est cum gloria.
En waarom zal Hij komen? Niet zoals tevoren om te redden maar om te oordelen: judicare vivos et mortuos. Hij zal niet alleen komen om hen te oordelen die ten tijde van zijn tweede komst nog levend op aarde zullen zijn maar bovendien allen die sinds het begin der wereld gestorven zijn want allen zonder uitzondering moeten geoordeeld worden.
Cujus regni non erit finis. En aan zijn rijk zal geen einde zijn. Dit heeft uitsluitend betrekking op het koningschap van Jezus Christus in zijn heilige mensheid want volgens zijn godheid heeft Hij nooit opgehouden te regeren. Dit rijk van Hem zal niet alleen heerlijk zijn maar ook nooit eindigen.
Hier eindigt het tweede deel van het Credo en dit vormt het grootste gedeelte ervan. Het was passend dat in deze openbare belijdenis van ons geloof Jezus Christus uitvoeriger behandeld werd omdat Hij persoonlijk het meeste voor ons gedaan heeft hoewel Hij niets gedaan heeft zonder de gezamenlijke werking en medewerking van de beide andere goddelijke Personen. Daarom noemen wij Hem Onze Heer; zeker deze titel van Heer komt ook de Vader toe die ons geschapen heeft; maar zij is in dubbele mate toepasselijk op de Zoon die ons niet alleen geschapen heeft aangezien God alle dingen gemaakt heeft door zijn Woord maar ons bovendien verlost heeft; zodat wij Hem door een dubbele titel toebehoren.
Et in Spiritum Sanctum Dominum et vivificantem. Ik geloof eveneens in de Heilige Geest; dat wil zeggen: door het geloof richt ik mij tot de Heilige Geest hecht ik mij aan de Heilige Geest. En wie is de Heilige Geest? Dominum. Hij is de Heer Hij is de Meester evenals de beide andere goddelijke Personen.
Maar wat is Hij bovendien? Vivificantem Hij schenkt leven. Zoals onze ziel leven geeft aan ons lichaam zo geeft de Heilige Geest leven aan onze ziel. Het is deze Heilige Geest die haar bezielt door de heiligmakende genade die Hij in haar uitstort; aldus onderhoudt Hij haar doet Hij haar handelen maakt Hij haar levend en laat Hij haar groeien in liefde.
Eveneens is het in de Kerk de Heilige Geest die alles onderhoudt; Hij maakt dat al haar ledematen zo verschillend in volk taal en gebruiken toch leven uit één en hetzelfde leven omdat zij behoren tot één en hetzelfde Lichaam waarvan Jezus Christus het Hoofd is. Allen bezitten immers hetzelfde geloof allen ontvangen dezelfde genaden uit dezelfde sacramenten allen worden bezield door dezelfde hoop en verwachten de vervulling daarvan; kortom de Heilige Geest onderhoudt alles.
Qui ex Patre Filioque procedit: dezezelfde Heilige Geest gaat voort uit de Vader en de Zoon. Hoe zou men kunnen veronderstellen dat de Vader en de Zoon niet verenigd zijn? Er moet noodzakelijk een band bestaan die de Eén met de Ander verbindt. De Vader en de Zoon staan niet slechts naast elkaar maar een band verenigt Hen omvat Hen en gaat van Beiden uit terwijl Hij één met Hen blijft; en deze wederzijdse Liefde is niemand anders dan de Heilige Geest.
Op het concilie van Nicea richtten de Vaders bij het opstellen van het symbolum voornamelijk hun aandacht op hetgeen betrekking had op Jezus Christus; op het concilie van Constantinopel besloten zij het Niceense symbolum te vervolledigen door toe te voegen wat betrekking heeft op de Heilige Geest behalve de woorden Filioque; zoals zij het formuleerden stonden de woorden eenvoudig: Qui ex Patre procedit.
De Vaders van dit concilie zagen geen noodzaak meer te zeggen over de Processie omdat de woorden van Onze Heer in het Evangelie hierover geen twijfel overlaten: Ik zal u van de Vader de Geest der waarheid zenden die van de Vader uitgaat: Ego mittam vobis a Patre Spiritum veritatis qui a Patre procedit. (Joh. XV 26.) Hij is dus eveneens oorsprong van de Heilige Geest aangezien Hij Hem zendt.
De Vader zendt de Zoon en het is duidelijk dat de Zoon uit de Vader voortkomt en door Hem verwekt is; wanneer Onze Heer hier zegt: Ik zal u de Geest zenden bewijst Hij dat ook Hijzelf oorsprong is van de Heilige Geest evenals de Vader. En indien Onze Heer eraan toevoegt: Qui a Patre procedit bedoelt Hij geenszins te zeggen dat de Heilige Geest alleen uit de Vader voortkomt; Hij wil slechts zijn eigen woorden nader verklaren en benadrukken dat niet Hij alleen deze goddelijke Geest zendt maar dat de Vader tezamen met de Zoon Hem zendt.
De Grieken weigerden deze waarheid toe te laten en verwekten daarom twisten over deze passage om het dogma van de Drievuldigheid omver te werpen. Maar wij geloven dat de Drievuldigheid in haar drie Personen op deze onuitsprekelijke wijze verbonden is: dat de eerste Persoon de tweede voortbrengt; en dat de eerste en de tweede met elkaar verenigd worden door de derde. Indien men weigert te geloven in deze Band voortgebracht door de Vader en de Zoon en Hen met elkaar verbindend dan zou de Heilige Geest geheel van de Zoon gescheiden zijn en zou de Drievuldigheid vernietigd worden.
In Spanje werd voor het eerst de toevoeging van het Filioque in het Credo ingevoerd om nauwkeuriger uit te drukken wat de Vaders van Constantinopel hadden verklaard; deze verandering begon in de achtste eeuw. De Roomse Kerk nam haar echter pas in de elfde eeuw over. Zij wist dat een dergelijke maatregel moeilijkheden zou veroorzaken; maar ziende hoe noodzakelijk zij was besloot zij ertoe en sindsdien is deze toevoeging aan het symbolum verplicht geworden in de gehele Kerk.
Qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur. De Heilige Geest moet aanbeden worden; daarom is Hij waarlijk God. Om in het ware geloof te zijn is het niet voldoende slechts eer te bewijzen aan de Heilige Geest; Hij moet als God aanbeden worden evenals wij de Vader en de Zoon aanbidden: simul adoratur; Hij wordt aanbeden zoals de beide andere goddelijke Personen en tegelijk met Hen: simul.
Bij deze woorden verlangt de heilige Kerk dat men het hoofd buigt als hulde aan de Heilige Geest wiens godheid wij hier belijden. Et conglorificatur: Hij wordt mede verheerlijkt; dat wil zeggen: Hij ontvangt heerlijkheid tezamen met de Vader en de Zoon; Hij wordt opgenomen in dezelfde doxologie of lofverheffing want doxologie betekent het geven van heerlijkheid.
Qui locutus est per prophetas; hier hebben wij opnieuw een dogma. De Heilige Geest heeft gesproken door de profeten en de Kerk verkondigt dat Hij dit gedaan heeft. Bij het formuleren van dit artikel had zij vooral de weerlegging van de marcionieten op het oog die leerden dat er een goede God en een kwade God bestonden; volgens hen was de God der Joden niet goed. Terwijl de Kerk hier verklaart dat de Heilige Geest gesproken heeft door de profeten vanaf de boeken van Mozes tot aan die welke dicht bij de tijd van Onze Heer kwamen verkondigt zij dat de werking van de goddelijke Geest zich vanaf het allereerste begin over onze aarde heeft uitgestrekt.
Op Pinksterdag daalde Hij neer over de apostelen en kwam Hij op aarde om daar te blijven; zijn zending verschilde geheel van die van Onze Heer. Het mensgeworden Woord daalde neer op aarde maar na verloop van tijd steeg Hij wederom op naar de hemel. De Heilige Geest daarentegen kwam opdat Hij voor altijd bij ons zou blijven; daarom zei Onze Heer toen Hij de komst van de Paracleet aan zijn apostelen aankondigde: De Vader zal u een andere Paracleet geven opdat Hij voor eeuwig bij u blijve. (Joh. XIV 16.)
Hij voegde eraan toe dat deze Paracleet hun alle dingen zou leren door hun de herinnering terug te geven aan alles wat Hijzelf hun geleerd had: Hij zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. (Joh. XIV 26.)
De Kerk moet onderwezen geleid bestuurd en ondersteund worden. Aan wie komt het toe dit alles te bewerken? Wie is het die dit doet? Het is de Heilige Geest die haar zal bijstaan tot aan het einde der wereld overeenkomstig de belofte van Onze Heer.
Zo is de Zoon door de Vader gezonden; daarna steeg Hij opnieuw ten hemel op. Zowel de Vader als de Zoon hebben de Heilige Geest gezonden opdat Hij bij de Kerk zou blijven tot aan het einde der wereld. Onze Heer zei: Mijn Vader zal u de Geest zenden; en Hij zei eveneens: Ik zal u de Geest zenden; en dit om de betrekkingen te tonen die bestaan tussen de goddelijke Personen die nooit van elkaar gescheiden kunnen worden zoals de ketters beweerden.
De heilige Kerk heeft ons aldus het dogma van de Drievuldigheid helder voor ogen gesteld. Allereerst hebben wij de almachtige Vader Schepper van alle dingen; vervolgens de Zoon die uit de hemel is neergedaald mens geworden is en voor ons gestorven is; daarna is Hij verrezen uit de dood en door zijn Hemelvaart zegevierend ten hemel opgevaren; ten slotte hebben wij de Heilige Geest eveneens Heer met de Vader en de Zoon de Gever van leven die gesproken heeft door de profeten en God is tezamen met de Vader en de Zoon.
Hierna volgt een ander onderwerp: Et unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam. Let erop dat wij niet zeggen: Ik geloof in de Kerk; wij zeggen eenvoudig: Ik geloof de Kerk. Waarom is dit zo? Omdat het geloof dat God zelf als onmiddellijk voorwerp heeft een beweging van onze ziel naar God is; zij gaat uit naar Hem en rust in Hem; en daarom geloven wij in God.
Maar wat betreft geschapen en middellijke zaken die betrekking hebben op God die ons helpen tot God te gaan maar niet God zelf zijn geloven wij deze eenvoudig. Zo geloven wij bijvoorbeeld de heilige Kerk die door Onze Heer Jezus Christus gesticht is en in wier schoot alleen het heil te vinden is: Ik geloof de Kerk: Credo Ecclesiam.
In dit symbolum dat tijdens de Mis gezegd wordt wordt dit geloofsartikel uitvoeriger uitgedrukt dan in het Symbolum der apostelen waar ons eenvoudig geleerd wordt te zeggen: Ik geloof de heilige katholieke Kerk.
Wij verklaren dan allereerst dat de Kerk één is: Credo unam Ecclesiam. In het Hooglied horen wij Onze Heer zelf haar noemen: Mijn enige; één is mijn duif mijn volmaakte is maar één. (Hoogl. VI 8.)
Zij is bovendien heilig: Credo sanctam Ecclesiam. Wij horen de goddelijke Bruidegom opnieuw in hetzelfde Hooglied zeggen: Mijn geliefde mijn duif mijn schone … er is geen vlek in u. (Hoogl. II 10; IV 7.) Ook zegt de heilige Paulus schrijvend aan de Efeziërs dat de Kerk die Onze Heer Zichzelf heeft aangeboden een heerlijke Kerk is zonder vlek of rimpel. (Ef. V.) Daarom is de Kerk van Christus heilig; er zijn geen heiligen buiten haar en er zijn altijd heiligen binnen haar.
Daar zij heilig is kan zij niets anders leren dan de waarheid.
De Kerk is katholiek: Credo Ecclesiam Catholicam; dit betekent dat zij universeel is omdat zij over de gehele aarde verbreid is en omdat zij zal voortbestaan tot het einde der tijden; beide zaken liggen besloten in deze eigenschap van katholiciteit.
Tenslotte is zij apostolisch: Credo Ecclesiam Apostolicam. Ja haar bestaan gaat terug tot het begin; dat wil zeggen: zij komt voort van Onze Heer zelf. Zij is niet plotseling ontstaan nadat vijf tien of vijftien eeuwen verlopen waren zoals bijvoorbeeld het protestantisme; indien zij eerst zo laat ontstaan was zou zij niet van Onze Heer kunnen komen.
Om de ware Kerk te zijn moet zij apostolisch zijn; dat wil zeggen: zij moet een hiërarchie bezitten die teruggaat tot de apostelen en door de apostelen tot Onze Heer zelf.
Zo geloven wij de Kerk; en God verlangt van ons dat wij haar geloven als één heilig katholiek en apostolisch: Et unam sanctam catholicam et apostolicam Ecclesiam. Wij geloven haar omdat zij gegrondvest is op deze vier wezenlijke kenmerken die juist de betekenis uitmaken van haar goddelijke instelling; en zij wordt juist daardoor als zodanig bewezen doordat zij deze vier kenmerken bezit.
Confiteor unum baptisma in remissionem peccatorum: Ik belijd één doopsel tot vergeving der zonden. Het woord Confiteor betekent hier: ik erken. Maar waarom verplicht de heilige Kerk ons zo uitdrukkelijk één enkel doopsel te belijden: Confiteor unum baptisma? Omdat zij nadrukkelijk wil verkondigen dat er slechts één wijze van geestelijke geboorte bestaat en dat er volgens de woorden van de apostel aan de Efeziërs slechts één doopsel is zoals er slechts één God en één geloof zijn: Unus Dominus una fides unum baptisma. (Ef. IV 5.)
Het doopsel maakt ons tot kinderen van God en schenkt ons tegelijk de heiligmakende genade waardoor de Heilige Geest in ons komt wonen. En wanneer de mens door een doodzonde het ongeluk heeft deze genade te verliezen geeft de absolutie die hem met God verzoent hem opnieuw deze genade van het doopsel terug deze oorspronkelijke heiliging en geen andere; zó krachtig is deze eerste genade.
Het doopsel ontleent al zijn kracht aan het water dat uit de zijde van Onze Heer vloeide en daardoor voor ons het beginsel van het leven werd; daarom heeft Onze Heer ons waarlijk voortgebracht; en dit is het ene en enige doopsel dat wij moeten belijden en erkennen.
Et exspecto resurrectionem mortuorum: Ik verwacht de verrijzenis der doden. De Kerk laat ons niet eenvoudig zeggen: Ik geloof de verrijzenis der doden maar: Ik verwacht haar. Wij behoren inderdaad verlangend uit te zien naar het ogenblik van de verrijzenis want de vereniging van lichaam en ziel is noodzakelijk voor de volmaaktheid van de zaligheid.
De heidenen hadden grote moeite deze waarheid te aanvaarden omdat de dood een toestand van onze natuur zelf schijnt te zijn; onze natuur bestaat immers uit lichaam en ziel en aangezien deze elementen van elkaar gescheiden kunnen worden behoudt de dood een zekere heerschappij over ons.
Maar voor ons christenen is de verrijzenis der doden een fundamenteel dogma. Onze Heer zelf heeft dit dogma op de meest treffende wijze bevestigd door op de derde dag na zijn dood te verrijzen; want zegt de heilige Paulus Hij is de eerstgeborene uit de doden: primogenitus ex mortuis; en aangezien wij allen Hem moeten navolgen moeten ook wij allen verrijzen.
Et vitam venturi saeculi. Ik verwacht eveneens het leven van de toekomstige eeuw die geen dood meer kent. Op aarde leven wij door het leven der genade; wij worden gedragen door geloof hoop en liefde; maar wij zien God niet. In de heerlijkheid daarentegen zullen wij Hem ten volle aanschouwen; wij zullen Hem zien van aangezicht tot aangezicht zoals de heilige Paulus zegt: Videmus nunc per speculum in enigmate tunc autem facie ad faciem. (I Cor. XIII 12.)
Bovendien zijn wij gedurende de dagen van onze aardse pelgrimstocht blootgesteld aan het gevaar de genade te verliezen; terwijl in de hemel geen enkele vrees van die aard meer kan bestaan en wij daar in bezit gesteld worden van datgene alleen wat de grenzeloze verlangens van het menselijk hart volkomen kan verzadigen; wij worden daar in bezit gesteld van God zelf die alleen het einddoel van de mens is. Met recht laat de heilige Kerk ons daarom zeggen: Et exspecto vitam venturi saeculi.
Ziedaar de verheven geloofsbelijdenis die de heilige Kerk in de mond van haar kinderen legt. Er bestaat nog een andere formule van het geloof samengesteld door paus Pius IV na het Concilie van Trente. Deze bevat hetgeen wij zojuist verklaard hebben maar voegt er nog verschillende artikelen aan toe die gericht zijn tegen de protestanten; wanneer dezen hun geloofsafzwering wilden doen moesten zij deze luidop voorlezen; zonder deze voorwaarde konden zij de absolutie niet ontvangen.
Eveneens moeten allen die een beneficie verkrijgen vóór zij daarvan bezit nemen deze geloofsformule uitspreken; om die reden doet een bisschop dit wanneer hij in zijn bisdom aankomt.
Offertorium
Nadat het symbolum van het geloof door de gelovigen gezongen is kust de priester het altaar en zich tot het volk wendend zegt hij: Dominus vobiscum waarop het gebruikelijke antwoord gegeven wordt: Et cum spiritu tuo. Waarom kust de priester het altaar? Omdat hij op het punt zich tot de gelovigen te wenden hen wil begroeten met de kus van Christus en Christus zelf door het altaar wordt voorgesteld.
Vervolgens komt de lezing van het Offertorium; dit is een modern gebruik want vroeger werd hetgeen door het koor gezongen werd nooit aan het altaar gelezen. De onderscheiden functies van de verschillende gewijde orden worden op dit gedeelte van de Mis zeer duidelijk zichtbaar: het behoort tot de taak van de diaken de pateen met de hostie erop aan de priester aan te bieden. De diaken kan niet consacreren maar hij mag de heilige Eucharistie dragen; hij mag haar zelfs aanraken en uitreiken; daarom verwondert het ons niet wat hij nu doet; terwijl wij de subdiaken veel verder van de celebrant verwijderd zien blijven.
Wanneer de priester de pateen ontvangt en terwijl hij de hostie opdraagt zegt hij het gebed: Suscipe sancte Pater. Dit gebed dateert uit de achtste of negende eeuw.
Om deze gebeden die nu volgen beter te begrijpen moeten wij voortdurend het Offer zelf voor ogen houden hoewel het nog niet in zijn verheven werkelijkheid is opgedragen. Zo wordt in dit gebed reeds gesproken over de hostie alsof zij aan de eeuwige Vader aangeboden wordt hoewel onze hostie op dit ogenblik nog niet de goddelijke Hostie zelf is. En er wordt gezegd dat deze hostie zonder vlek is: immaculatam hostiam; in deze woorden wordt gezinspeeld op de slachtoffers van het Oude Testament die zonder gebrek moesten zijn omdat zij een voorafbeelding waren van Onze Heer die eenmaal voor ons zou verschijnen als de Immaculatus.
In dit gebed gaat de gedachte van de priester ver vooruit boven het huidige ogenblik; hij denkt aan de hostie die na de consecratie op het altaar zal zijn de hostie die alleen het ware Offer is. En voor wie draagt hij haar op? Hier zien wij het voordeel van werkelijk aanwezig te zijn en de Mis bij te wonen; want de priester draagt haar niet alleen voor zichzelf op maar ook voor hen die hem omringen: pro omnibus circumstantibus. Voortdurend vermeldt hij allen die hier tegenwoordig zijn.
Maar nog meer dan dit; de werking van het heilig Misoffer strekt zich zo ver uit dat de priester ook spreekt van alle gelovigen en ervoor zorgt ook de overledenen niet te vergeten; van dezen maakt hij dadelijk melding wanneer hij zegt: pro omnibus fidelibus Christianis vivis atque defunctis; want het Offer is niet alleen bestemd om God eer te brengen maar ook om de mens weldaden te verkrijgen.
De vier gebeden van het Offertorium zijn niet zeer oud; vroeger liet men het aan de verschillende kerken over om voor dit ogenblik hun eigen gebedsformule te kiezen; alleen de Canon heeft geen plaatselijke veranderingen ondergaan; hij is overal altijd dezelfde geweest. Sinds paus Pius V zijn missaal heeft uitgevaardigd het missaal dat thans gebruikt wordt mag niets meer veranderd worden aan de daarin door hem goedgekeurde formulieren; maar het verschil in tijd waaruit de verschillende gebeden dateren verklaart het grote onderscheid dat men opmerkt tussen het Latijn van hun samenstelling en dat van de Canon dat veel schooner is.
Nadat de priester het offergebed voltooid heeft maakt hij met de pateen het kruisteken en plaatst de hostie op het corporale. Deze vorm van het kruis drukt de eenheid uit tussen het Offer van de Mis en dat van Calvarië. Vervolgens giet de diaken wijn in de kelk en de subdiaken nadert om zijn taak te vervullen die bestaat in het toevoegen van water aan dezezelfde kelk; deze handeling is de hoogste van al zijn functies.
Het gebed dat deze ceremonie begeleidt is zeer oud; het gaat terug tot de eerste eeuwen van de Kerk en men ziet gemakkelijk dat het Latijn ten tijde van zijn samenstelling nog een levende taal was. Daarin wordt ons krachtig voorgehouden welke betekenis en welke waardigheid het water bezit dat hier in het heilig Offer gebruikt wordt.
Waarom wordt water in de kelk gedaan? Omdat volgens de Overlevering Onze Heer zelf bij de instelling van de heilige Eucharistie water met de wijn vermengde zoals matige drinkers gewoon zijn te doen en de Kerk dit gebruik blijft onderhouden. Zij maakt van deze gelegenheid gebruik om tot ons te spreken in wonderbare taal en ons de verhevenste mysteries te ontvouwen.
Zo spreekt Moeder Kerk: Deus qui humanae substantiae dignitatem mirabiliter condidisti. Waarom spreekt men hier over de waardigheid van de mens? Waarom wordt hier herinnerd aan de godheid en mensheid van Jezus Christus? Omdat de wijn en het water die hier gebruikt worden zinnebeelden zijn: de wijn vertegenwoordigt Jezus Christus als God het water vertegenwoordigt Hem als mens. De zwakheid van het water vergeleken bij de kracht van de wijn drukt het verschil uit dat bestaat tussen de mensheid en de godheid van Jezus Christus.
Ook onszelf moeten wij in dit water zien want wij waren het die door Maria aan Onze Heer zijn mensheid verschaften; daarom drukt de heilige Kerk zich hierover uit in gevoelens van bewondering; daarom houdt zij er zo van de ware waardigheid van de mens naar voren te brengen.
Reeds had de koninklijke profeet deze onze waardigheid bezongen in zijn psalm: Constituisti eum super opera manuum tuarum omnia subjecisti sub pedibus ejus: Heer Gij hebt de mens gesteld over de werken van uw handen; Gij hebt alles aan zijn voeten onderworpen. (Ps. VIII.)
En wanneer wij ons herinneren op welke wijze hij door God geschapen werd verwondert het ons niet de heilige Kerk hier te horen zeggen dat hij op wonderbare wijze geschapen werd. Wanneer het over de mens gaat spreekt God deze woorden: Laat Ons de mens maken naar Ons beeld en gelijkenis. En zoals Hij gesproken heeft zo heeft Hij gedaan.
Maar indien de mens aldus geschapen werd dan is hij na zijn val op nog wonderbaarlijker wijze opgericht en de heilige Kerk verzuimt niet dit te zeggen: mirabilius reformasti. Ja waarlijk God heeft hem hersteld op een wijze die in wonderbaarheid zelfs zijn schepping overtreft doordat zijn Zoon de menselijke natuur aannam en aldus de gevallen mens hernieuwde.
Da nobis per hujus aquae et vini mysterium ejus divinitatis esse consortes qui humanitatis nostrae fieri dignatus est particeps Jesus Christus Filius tuus Dominus noster. Geef ons door het mysterie van dit water en deze wijn deel te hebben aan de godheid van Hem die zich verwaardigd heeft deel te nemen aan onze mensheid Jezus Christus uw Zoon onze Heer.
De heilige Kerk stelt ons hier allereerst duidelijk het mysterie van de Menswording voor ogen door dit beeld van het water en de wijn die in één drank vermengd worden; aldus herinnert zij aan de vereniging van de mensheid en de godheid van Onze Heer en zij vraagt aan God dat ook wij deelgenoten mogen worden aan de godheid van de Heer zelf zoals de heilige Petrus zegt in zijn tweede brief: ut per haec efficiamini divinae consortes naturae; dat wil zeggen: opdat wij door de beloften die in Jezus Christus vervuld zijn deelgenoten zouden worden van de goddelijke natuur.
Deze vergoddelijking die op aarde begonnen is door de heiligmakende genade zal in de hemel voltooid worden in heerlijkheid. In het aardse paradijs zei de duivel tot Eva dat indien zij en Adam slechts zijn raad zouden volgen zij als goden zouden worden. Daarin loog hij; want toen zowel als nu kan de mens slechts door de getrouwe vervulling van de goddelijke geboden tot God geraken.
In de hemel zullen wij als goden zijn; niet dat wij dit van nature zullen worden maar omdat wij in de zalige aanschouwing God zullen zien zoals Hij zichzelf ziet en onze toestand die zal zijn van schepselen die onmiddellijk onder de Godheid geplaatst zijn. De heilige Kerk wil deze waarheid voortdurend voor onze geest stellen en zij doet dit in dit gebed terwijl zij tot ons spreekt over de Menswording van het Woord het ware beginsel van de grootheid van de mens.
In de Missen voor de overledenen zegent de priester het water niet en hier raken wij een tweede mysterie aan. Zoals wij gezegd hebben vertegenwoordigt het water de gelovigen en de wijn Onze Heer Jezus Christus. Het gebruik van water en wijn is dus tegelijk het beeld van twee mysteries: het mysterie van de vereniging van de menselijke met de goddelijke natuur in Onze Heer; vervolgens de vereniging van Jezus Christus met zijn Kerk die samengesteld is uit alle gelovigen.
Nu bezit de Kerk geen rechtsmacht meer over de zielen in het vagevuur; zij kan over hen de macht der sleutels niet langer uitoefenen. Zolang haar kinderen op aarde zijn maakt zij voor hen gebruik van de macht die Onze Heer haar gegeven heeft om te binden en te ontbinden; aldus voert zij iedere ziel óf naar de triomferende Kerk — en dan buigt de Kerk op aarde zich eerbiedig voor die gelukzalige ziel — óf naar de lijdende Kerk en dan bidt de Kerk op aarde voor die arme ziel.
Maar enige rechtsmacht over die ziel uitoefenen kan zij niet meer; voorspraak is alles wat zij nog kan aanbieden. Dit drukt de heilige Kerk uit door in de Missen voor de overledenen de zegening van het water weg te laten; daardoor toont zij dat zij geen gezag meer kan uitoefenen over de zielen in het vagevuur.
Water is zo onmisbaar voor het heilig Misoffer dat indien het zou gebeuren dat men geen water kon verkrijgen men zich van het opdragen van de Mis zou moeten onthouden zelfs al ware het Paasdag.
Anderzijds mag het water nooit in zulk een hoeveelheid vermengd worden dat het de wijn zelf verandert; want in dat geval zou de consecratie niet plaatsvinden.
De kartuizers die de liturgie van de elfde eeuw volgen en de dominicanen die die van de dertiende eeuw volgen verrichten deze ceremonie niet in de kerk; zij doen dit in de sacristie en soms aan het altaar maar altijd vóór het begin van de Mis.
Nadat water en wijn in de kelk vermengd zijn draagt de priester deze kelk aan God op met de woorden: Offerimus tibi Domine Calicem salutaris tuam deprecantes clementiam ut in conspectu divinae majestatis tuae pro nostra et totius mundi salute cum odore suavitatis ascendat. Amen.
Wij offeren U Heer de kelk van het heil op uw goedertierenheid smekend opdat hij voor het aanschijn van uw goddelijke majesteit moge opstijgen als een geur van zoetheid voor ons heil en dat van de gehele wereld. Amen.
In dit gebed denkt de heilige Kerk reeds vooruit aan hetgeen deze kelk zal worden. Vooralsnog bevat hij slechts wijn; maar later zullen van deze wijn alleen de accidenten de gedaanten of uiterlijke verschijnselen overblijven; de substantie zal plaats maken voor het ware Bloed van Onze Heer zelf.
Daarom bidt de heilige Kerk God dat Hij welwillend verder moge zien dan hetgeen zij Hem op dit ogenblik daadwerkelijk aanbiedt — en zij smeekt dat deze kelk voor zijn aanschijn moge zijn als een geur van zoetheid; dat wil zeggen: dat hij aangenaam moge zijn voor zijn goddelijke majesteit opdat hij het heil van ons allen zou bewerken.
Nadat het gebed van het Offertorium geëindigd is plaatst de priester de kelk op het corporale waarbij hij eerst met de pateen het kruisteken maakt boven de plaats waar de kelk zal staan om daardoor opnieuw te tonen dat dit Offer waarlijk dat van het Kruis is.
In de Latijnse Kerk wordt het brood op het altaar vóór de priester geplaatst en de kelk tussen het brood en het altaarkruis; zo staan de beide offergaven in één lijn de ene vóór de andere. De Grieken daarentegen plaatsen ze naast elkaar in een evenwijdige lijn de hostie links en de kelk rechts.
Zodra de kelk op het corporale geplaatst is wordt hij opnieuw bedekt met de pala. De pala is een linnen doekje verstijfd zodat het een zekere stevigheid bezit en dat op de kelk gelegd wordt om te verhinderen dat er iets in valt vooral na de consecratie.
Vroeger gebruikte men de pala niet omdat het corporale toen groot genoeg was om over de kelk heen gevouwen te worden. Dit gebruik wordt nog altijd onderhouden door de kartuizers. Gemak en zuinigheid hebben geleid tot de invoering van de pala; maar om te tonen dat zij in werkelijkheid niets anders is dan een deel van het corporale zelf wordt de pala met dezelfde eerbied behandeld.
De zegening die zij ontvangt verheft haar boven gewone voorwerpen die door iedereen aangeraakt mogen worden; en wat verder toont dat zij één en hetzelfde is met het corporale is dat voor beiden dezelfde vorm van zegening gebruikt wordt.
Te Rome wordt de pala vervaardigd uit twee stukken linnen die aan elkaar genaaid en gesteven worden. In onze streken is het gebruikelijker dun karton tussen beide stukken linnen te plaatsen.
Na het opdragen van de kelk volgt een ander gebed dat door de priester in het midden van het altaar wordt uitgesproken terwijl hij de handen gevouwen houdt en het hoofd enigszins buigt: In spiritu humilitatis et in animo contrito suscipiamur a te Domine et sic fiat hoc sacrificium in conspectu tuo hodie ut placeat tibi Domine Deus.
In een geest van nederigheid en met een vermorzeld hart smeken wij U Heer dat wij door U ontvangen mogen worden en dat ons offer heden voor uw aanschijn zó moge zijn dat het U welgevallig zij Heer onze God.
Dit is een algemeen gebed dat de heilige Kerk hier geplaatst heeft om de heilige handelingen te voltooien. De woorden zijn ontleend aan die van de drie jongelingen in de vurige oven zoals verhaald wordt in het boek Daniël. (Dan. III 39-40.)
Vervolgens komt een zeer belangrijke zegening; de Heilige Geest moet aangeroepen worden opdat Hij waardig moge zijn neer te dalen en werkzaam te zijn in het heilig Offer; de priester doet dit met de woorden: Veni Sanctificator omnipotens aeterne Deus et benedic — terwijl hij dit woord uitspreekt maakt hij het kruisteken over alle offergaven — hoc sacrificium tuo nomini praeparatum.
Daar het de Heilige Geest zelf is die in het heilig Misoffer de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Onze Heer bewerkt is het passend dat deze goddelijke Geest tijdens het Offer genoemd wordt. De heilige Kerk roept Hem hier aan door dit gebed opdat Hij zoals Hij Onze Heer Jezus Christus voortbracht in de schoot van Maria zich ook hier op ons altaar zou verwaardigen Hem opnieuw voort te brengen.
Zij drukt dit verlangen uit onder de vorm van een bede om zegening: Zegen zegt zij dit Offer; dat wil zeggen: maak het vruchtbaar opdat het welgevallig zij aan de goddelijke majesteit.
Bewieroking van het altaar enz.
Wij hebben reeds gezien hoe het altaar Onze Heer vertegenwoordigt; dit verklaart waarom het met zulk een eerbied behandeld wordt. De rest van de kerk vertegenwoordigt de ledematen van het Mystieke Lichaam waarvan Christus het Hoofd is dat wil zeggen de gelovigen uit wier geheel de heilige Kerk de Bruid van Christus samengesteld is.
Toen de priester voor het eerst het altaar naderde heeft hij het reeds in alle richtingen bewierookt en aldus hulde gebracht aan Christus zelf. Nu wordt deze ceremonie opnieuw met heilige luister verricht; zoals de koningen uit het Oosten hun rijke gaven neerlegden aan de voeten van het goddelijk Kind zoals het Evangelie verhaalt zo gaat ook de priester nu wierook branden als hulde aan zijn Meester en zijn Koning.
Maar een andere ceremonie moet voorafgaan aan die van de bewieroking van het altaar zelf. Dit brood en deze wijn die zojuist door de priester zijn opgedragen zijn door deze offerande reeds verheven boven de orde der gewone dingen zó zelfs dat indien de priester op dit ogenblik van de heilige handeling zou sterven dit brood en deze wijn in de piscina zouden moeten worden uitgestort. Om haar eerbied ervoor te tonen omhult de heilige Kerk ze met de geur van haar wierook alsof zij dit aan Christus zelf deed.
Dit gebruik van welriekende stoffen in kerkelijke plechtigheden begon in het Oosten waar men deze in rijke overvloed kon verkrijgen. Maar ook in onze koude streken waar zij veel moeilijker te verkrijgen zijn wil de heilige Kerk niet dat onze ceremoniën er geheel van verstoken blijven; daarom schrijft zij ten minste het gebruik van wierook voor evenals zij voor het chrisma ten minste balsem met de olie vermengd wil hebben.
Na de bewieroking van brood en wijn — incensatio super oblata — wordt ook het altaar op gelijke wijze geëerd. Voordat de wierook gebruikt wordt moet zij gezegend worden; de priester doet dit met het volgende gebed: Per intercessionem beati Michaelis Archangeli stantis a dextris altaris incensi…
De engel die in de Apocalyps de gouden wierookschaal draagt wordt niet met name genoemd. De heilige Kerk noemt hier de heilige aartsengel Michaël. Sommigen hebben gemeend dat er in deze passage een vergissing schuilt omdat in het Evangelie van Lucas de engel Gabriël genoemd wordt als staande aan de rechterzijde van het altaar; maar de heilige Kerk schenkt geen aandacht aan dergelijke tegenwerpingen; de heilige Lucas zegt niet dat Gabriël een gouden wierookschaal droeg.
De eerste zegening van de wierook was minder plechtig; de priester zei toen slechts: Ab illo benedicaris in cujus honore cremaberis. Moge gij gezegend worden door Hem ter ere van wie gij zult verbranden. Maar hier worden de engelen aangeroepen omdat het mysterie van de wierook niets anders is dan het gebed van de heiligen dat door de engelen aan God wordt aangeboden zoals de heilige Johannes ons zegt in zijn Apocalyps (VIII 4): De rook van de wierook stijgt op evenals het gebed der heiligen vóór de troon van God: Et ascendit fumus incensorum de orationibus sanctorum de manu Angeli coram Deo.
De priester bewierookt brood en wijn zó dat hun geur de offergaven geheel omhult en met welriekendheid vervult; terwijl hij dit doet zegt hij deze woorden: Incensum istud a te benedictum ascendat ad te Domine et descendat super nos misericordia tua. Moge deze door U gezegende wierook opstijgen tot U Heer en moge uw barmhartigheid op ons nederdalen.
Dit gebed is tegelijk een hulde aan God en een bede voor onszelf. De priester verdeelt deze woorden met tussenpozen terwijl hij de verschillende delen bewierookt die aldus geëerd moeten worden; daarbij volgt hij nauwkeurig hetgeen de rubrieken voorschrijven.
Toen hij het altaar voor de eerste maal bewierookte sprak de priester geen gebed uit; maar nu wanneer hij het voor de tweede maal aldus eert draagt de heilige Kerk hem op een gedeelte van Psalm CXL te herhalen dat zij vooral gekozen heeft omwille van deze woorden die erin voorkomen en die zij als eerste op de lippen van de priester legt: Dirigatur Domine oratio mea sicut incensum in conspectu tuo. Moge mijn gebed Heer opstijgen als wierook voor uw aanschijn.
Zo handelt zij altijd met wonderbare gepastheid alles kiezend wat bij de omstandigheden past hetzij uit de psalmen hetzij uit de Evangeliën en Epistels.
De priester begint met het bewieroken van het kruis of van het Allerheiligste Sacrament indien dit uitgesteld is; vervolgens buigt hij voor het kruis of maakt een kniebuiging indien het Allerheiligste Sacrament in het tabernakel van dat altaar bewaard wordt; daarna indien er relieken tentoongesteld zijn bewierookt hij deze met twee zwaaien van het wierookvat eerst aan de evangeliezijde vervolgens aan de epistelzijde; daarna bewierookt hij ieder deel van het altaar.
In alle overige opzichten verschilt deze bewieroking in niets van de eerste noch van die welke verricht wordt tijdens Lauden en Vespers.
Wanneer de priester het wierookvat aan de diaken teruggeeft spreekt hij een goede wens uit zowel voor hem als voor zichzelf met de woorden: Accendat in nobis Dominus ignem sui amoris et flammam aeternae charitatis. Moge de Heer in ons het vuur van zijn liefde en de vlam van eeuwige liefde ontsteken.
Bij het aannemen van het wierookvat kust de diaken de hand van de priester en vervolgens het boveneinde van de kettingen; wanneer hij het terug aanbiedt doet hij het omgekeerde. Deze gebruiken zijn ons uit het Oosten overgeleverd en aangezien zij tekenen van eerbied en respect zijn danken wij aan de liturgie hun behoud.
Daarna bewierookt de diaken de priester die deze eerbewijzen ontvangt terwijl hij zijdelings naar het altaar gekeerd staat; maar indien het Allerheiligste Sacrament is uitgesteld zoals bijvoorbeeld bij de Mis van Repositie daalt de priester van het altaar af en ontvangt hij met het gezicht naar het volk gekeerd deze eerbewijzen van de diaken die eveneens zijn houding aan de omstandigheden aanpast.
Vervolgens wordt het koor bewierookt te beginnen met de bisschop indien deze aanwezig is; daarna de prelaten indien er zijn vervolgens de priesters en clerici en tenslotte alle gelovigen om te tonen dat allen slechts één lichaam vormen waarvan Jezus Christus het Hoofd is.
Allen zowel bisschoppen prelaten als eenvoudige gelovigen behoren op te staan wanneer zij bewierookt worden; alleen de paus blijft zitten wanneer hij de wierook ontvangt.
Lavabo — Psalm XXV
Terwijl het koor en het volk met wierook geëerd worden wast de priester zijn handen. Deze ceremonie vindt juist op dit ogenblik plaats omdat de priester zojuist het wierookvat gebruikt heeft dat door de rook altijd de handen bevuilt.
Maar tegelijk bevat deze handwassing een mysterie; zij drukt de noodzaak uit voor de priester om zich steeds meer en meer te zuiveren naarmate hij voortschrijdt in het heilig Offer.
Zoals Onze Heer de voeten van zijn apostelen waste vóór Hij de heilige Eucharistie instelde en hun de heilige Communie gaf zo behoort ook de priester zich te zuiveren.
In de Ambrosiaanse liturgie vindt deze handwassing plaats tijdens de Canon vóór de consecratie; de betekenis blijft altijd dezelfde namelijk de plicht van zelfzuivering die op de priester rust; niettemin verdient het ogenblik dat door de Roomse Kerk voor deze rite gekozen is — steeds zo wijs in al haar bepalingen — de voorkeur boven dat van de Ambrosiaanse liturgie.
Om deze handeling te begeleiden die uitdrukt hoe groot de zuiverheid van de priester behoort te zijn heeft de heilige Kerk Psalm XXV gekozen die in het monastieke officie voorkomt in het eerste nocturn van de zondagsmetten: Judica me Domine quoniam ego in innocentia mea ingressus sum.
In deze psalm is het Onze Heer zelf die spreekt; men begrijpt gemakkelijk dat de priester zulke woorden nooit op zichzelf zou kunnen toepassen. De heilige Kerk bepaalt dat slechts de helft van deze psalm gezegd wordt beginnend met de woorden: Lavabo inter innocentes manus meas et circumdabo altare tuum Domine…
Ik zal mijn handen wassen onder de onschuldigen Heer en mij gelijk maken aan hen die in staat van onschuld verkeren opdat ik waardig zij uw altaar te naderen uw heilige lofzangen te horen en uw wonderwerken te verkondigen.
Ieder woord is wonderbaar passend voor dit ogenblik. Verderop ontmoeten wij deze andere opmerkelijke uitdrukking van de profeet: Domine dilexi decorem domus tuae et locum habitationis gloriae tuae: Heer ik heb de schoonheid van uw huis liefgehad en de plaats waar uw heerlijkheid woont.
David spreekt hier over die tabernakel in welks schaduw hij zo gelukkig verbleef hoewel de tempel nog niet bestond want deze werd pas ten tijde van Salomo gebouwd.
De psalm wordt tot het einde voortgezet om de priester voldoende tijd te geven zijn handen te wassen en af te drogen. Deze andere versregel uit dezelfde psalm: Ego autem in innocentia mea ingressus sum: Maar ik ben gewandeld in mijn onschuld bewijst ons opnieuw dat deze psalm geheel messiaans is; de priester zegt hem dus in de naam van Christus met wie hij tijdens de handeling van het grote Offer als één en dezelfde is.
In de Missen voor de overledenen en gedurende de Passietijd — wanneer de Mis feria is — wordt het Gloria Patri aan het einde van deze psalm weggelaten. Deze weglating van het Gloria op deze plaats gaat altijd samen met het weglaten van Psalm Judica aan het begin van de Mis.
Suscipe, Sancta Trinitas
Nadat de priester de psalm beëindigd heeft keert hij terug naar het midden van het altaar en zegt daar met gevouwen handen en licht gebogen hoofd: Suscipe sancta Trinitas hanc oblationem quam tibi offerimus ob memoriam Passionis Resurrectionis et Ascensionis Jesu Christi Domini nostri…
Hier staan zaken van groot gewicht voor ons. Er wordt gesproken van een offerande: Suscipe hanc oblationem: Ontvang deze offerande. De priester spreekt deze woorden over het brood en de wijn die hij zojuist opgedragen heeft; toch heeft hij in werkelijkheid noch dit brood noch deze wijn op het oog.
Deze dingen zijn inderdaad geheiligd en gezegend en verdienen daarom met eerbied behandeld te worden; maar de offerande die hier aan de goddelijke majesteit wordt aangeboden kan nooit beperkt blijven tot een louter stoffelijk offer zoals dat van de Joden; het is dus duidelijk dat de priester in gedachten vooruitgaat naar iets veel verheveners: hij biedt de offerande aan van het grote Offer dat weldra voltrokken zal worden.
En o heilige Drievuldigheid wij dragen U deze offerande op ter gedachtenis van het lijden de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus Christus onze Heer.
Wij moeten hier dus drie zaken in Onze Heer opmerken zonder welke Hij niet volledig zou zijn. Allereerst heeft Hij geleden; maar Hij kon niet bij het lijden alleen blijven daarom is Hij ook gestorven en deze twee tezamen vormen wat wij zijn Passie noemen. Maar dit is nog niet alles: de Heer is ook verrezen.
De dood straf van de zonde is als het ware de overwinning van de duivel op de mens; daarom zou Christus werkelijk overwonnen zijn indien Hij gestorven was zonder daarna te verrijzen. Maar bovendien is Hij ten hemel opgevaren door zijn glorierijke en zegevierende Hemelvaart.
Onze Heer kon onmogelijk op aarde blijven; zolang Hij de hemel niet opende en daar niet zelf binnenging in zijn menselijke natuur moest de hemel gesloten blijven voor de mens; juist daarom is ons heil niet geheel voltooid indien Onze Heer niet na voor ons geleden te hebben ten hemel opvaart hoewel Hij waarlijk de Verrezene is zoals de heilige Paulus zegt: de Eerstgeborene uit de doden.
Laten wij deze grote waarheid dus diep in ons opnemen: Onze Heer heeft geleden Hij is verrezen maar het heil van de mens is niet geheel volbracht zolang hij nog als balling op aarde verblijft; aan de Passie en de Verrijzenis moet noodzakelijk de Hemelvaart toegevoegd worden.
Zó moet ons geloof zijn want zó is de orde van ons heil waarin deze drie zaken vervat liggen: de Passie de Verrijzenis en de Hemelvaart. De heilige Kerk begrijpt zo goed dat deze drie nodig zijn om Christus volledig voor ogen te stellen en dat daarin ons gehele geloof samengevat ligt dat zij erop aandringt dat wij dit hier op dit ogenblik van de offerande van het Offer op duidelijke wijze uitdrukken.
Et in honorem beatae Mariae semper Virginis. Geen enkele Mis wordt opgedragen zonder dat zij eer brengt aan de allerzaligste Maagd Maria die op zichzelf een geheel afzonderlijke wereld vormt.
Daarom gedenken wij eerst Onze Heer vervolgens de allerheiligste Maagd en ten slotte de engelen en heiligen. De engelen zijn groter dan wij dat wil zeggen: zij staan boven ons door hun geestelijke natuur; maar de allerzaligste Maagd hoewel slechts een menselijke schepsel is verheven ver boven hen allen omdat zij zoals reeds gezegd werd een wereld op zichzelf vormt; zij is het meesterwerk van God zelf.
Daarom verzuimt de heilige Kerk niet haar als zodanig te eren in het heilig Offer waarin zij deze verheven Koningin en de unieke plaats die alleen haar toekomt nooit vergeet.
Et beati Joannis Baptistae. De heilige Kerk vereert de heilige Johannes de Doper met grote eerbied; wij hebben reeds gezien dat zij hem altijd noemt in het Confiteor en ook hier verheugt zij zich erover nieuwe eer te bewijzen aan de Voorloper van Onze Heer.
Et sanctorum apostolorum Petri et Pauli; het is passend eveneens onze hulde van eer te brengen aan deze twee grote apostelen die gezamenlijk gearbeid hebben aan de stichting van de heilige Roomse Kerk.
Et istorum. Deze uitdrukking heeft meer dan eens moeilijkheden doen ontstaan; men heeft vaak gevraagd wie hier bedoeld worden. Sommigen hebben gemeend dat hier de heilige van de dag aangeduid wordt; maar in dat geval zou men het woord istius moeten gebruiken en niet istorum; bovendien zouden de Missen voor de overledenen dan opnieuw een moeilijkheid opleveren; het is dus duidelijk dat de bedoeling van de Kerk een andere moet zijn.
Het is duidelijk dat zij hier doelt op die heiligen die daar aanwezig zijn dat wil zeggen wier relieken in het altaar zelf zijn ingesloten. Juist daarom moeten bij de consecratie van een altaar relieken van meerdere heiligen daarin geplaatst worden; de relieken van slechts één heilige zouden niet voldoende zijn en zouden de uitdrukking van de Kerk hier niet rechtvaardigen: et istorum.
Ja zegt zij ter ere van deze heiligen die hier dienen als rustplaats van het mysterie dat op hen gevestigd wordt van deze heiligen op wier lichamen het grote Offer voltrokken zal worden — wat zou meer passend kunnen zijn dan deze heiligen afzonderlijk en op bijzondere wijze te vermelden?
Et omnium sanctorum… Tenslotte noemt de heilige Kerk alle heiligen in het algemeen omdat allen deel hebben aan het heilig Misoffer.
Ut illis proficiat ad honorem nobis autem ad salutem… Merk hier de twee zaken op die in het heilig Offer verenigd zijn: enerzijds brengt het heerlijkheid aan God aan de allerzaligste Maagd Maria en aan de heiligen; anderzijds strekt het ons tot heil. Daarom laat de Kerk ons hier God smeken dit Offer zó te willen aannemen dat het dit dubbele doel bereikt.
Wat betreft de woorden waarmee dit gebed eindigt: daarin geeft de heilige Kerk ons een wijze om de heiligen aan te roepen die zij op die bijzondere dag gedenkt: Et illi pro nobis intercedere digneris in coelis quibus memoriam agimus in terris. Per eumdem Christum Dominum nostrum; merk op hoe steeds de naam van Christus wordt toegevoegd.
Dit gebed is evenals het eerste eerst sinds de tijd van de heilige Pius V voor algemeen gebruik vastgesteld. Het Latijn ervan is minder schoon dan dat van de Canon die uit de vroegste christelijke eeuwen afkomstig is evenals het gebed voor de zegening van het water dat wij hierboven gegeven hebben.
Orate, fratres
Daarna kust de priester het altaar en wendt zich tot het volk met deze woorden: Orate fratres ut meum ac vestrum sacrificium acceptabile fiat apud Deum Patrem omnipotentem.
Deze woorden vormen zijn afscheidsgroet aan hen want hij zal zich niet opnieuw tot hen wenden voordat het Offer voltrokken is. Maar merk op dat dit niet zijn gewone groet is; toen hij bijvoorbeeld naar het altaar opging zei hij slechts: Dominus vobiscum.
Hier beveelt hij zich aan in de gebeden van de gelovigen opdat dit Offer dat tegelijk aan priester en volk toebehoort welgevallig moge zijn aan God. Het Offer behoort aan de priester toe omdat hij er de onmiddellijke bedienaar van is; het Offer behoort aan de gelovigen toe omdat Jezus Christus het ingesteld heeft tot hun bijzonder nut; zie daarom hoezeer de priester nadruk legt op deze woorden: meum ac vestrum sacrificium.
Om dezelfde reden wekt hij ook opnieuw de aandacht van de gelovigen op en spoort hij hen aan tot grotere ernst; want zij mogen niet vergeten dat ook zij deel hebben aan het priesterschap zoals de heilige Petrus zegt wanneer hij de gelovigen een koninklijk priesterschap noemt: regale sacerdotium. (I Petr. II 9.) Alleen reeds doordat zij christenen zijn.
Zij komen voort uit Christus zij behoren Christus toe zij zijn gezalfd en zijn door hun doopsel andere christussen geworden; daarom moeten ook zij de macht bezitten om samen met de priester het Offer op te dragen.
Door de stem van de priester opgewekt haasten zij zich daarom hun verlangen te beantwoorden door hun eigen vurige wens uit te spreken: Suscipiat Dominus sacrificium de manibus tuis ad laudem et gloriam nominis sui ad utilitatem quoque nostram totiusque Ecclesiae suae sanctae.
Moge de Heer dit Offer uit uw handen aannemen tot lof en heerlijkheid van zijn naam tot ons nut en tot dat van geheel zijn heilige Kerk.
Het missaal bewaart op deze plaats nog tussen haakjes het woord meis voor het geval de priester zelf zou moeten voorzien in de afwezigheid of onkunde van de misdienaar.
Nadat dit antwoord door de gelovigen gegeven is behoren zij te overwegen dat zij het gelaat van de priester niet meer zullen zien voordat de Heer zelf op ons altaar is neergedaald. Zelfs zijn stem zal niet meer gehoord worden behalve eenmaal; en dat zal zijn voor het inzetten van het grote en verheven dankgebed namelijk de prefatie.
Maar vóórdat dit geschiedt verzamelt hij de verlangens van de gelovigen in één gebed dat omdat hij het met gedempte stem uitspreekt de naam van secreta ontvangen heeft; om dezelfde reden dat hij hier in stilte bidt laat hij het gebruikelijke woord Oremus weg aangezien hij de gelovigen nu niet oproept om samen met hem te bidden.
In de sacramentaria bijvoorbeeld dat van de heilige Gregorius draagt dit gebed de titel: Oratio super oblata.
Prefatie
Hoewel de priester zijn beden met zachte stem heeft uitgesproken besluit hij dit gebed luidop met de woorden: Per omnia saecula saeculorum; waarop de gelovigen antwoorden: Amen; dat wil zeggen: ook wij vragen hetgeen gij gevraagd hebt.
Inderdaad zegt de priester in het heilig Offer nooit iets zonder de instemming van de gelovigen die zoals wij reeds hebben opgemerkt deel hebben aan het priesterschap. Zij hebben niet gehoord wat de priester gezegd heeft; toch verenigen zij zich ermee en keuren alles van harte goed door hun Amen te antwoorden: ja ons gebed is één met het uwe.
De samenspraak die hier tussen priester en volk begint wordt enige tijd voortgezet en eindigt tenslotte met het laatste woord dat aan de priester alleen toekomt wanneer hij plechtig dank zegt in naam van allen die daar verzameld zijn.
Daarna groet de priester het volk maar ditmaal zonder zich naar hen om te wenden met de woorden: Dominus vobiscum de Heer zij met u; zie nu is het meest plechtige ogenblik van het gebed aangebroken. En de gelovigen antwoorden: Et cum spiritu tuo; moge Hij met uw geest zijn moge Hij u bijstaan; zie wij zijn één met u.
Dan zegt de priester: Sursum corda! Verheft uw harten! De priester verlangt dat hun harten losgemaakt worden van aardse gedachten opdat zij alleen op God gericht mogen zijn; want het gebed dat hij nu gaat uitspreken is een dankgebed.
Merk op hoe passend dit gebed hier geplaatst is want de priester staat op het punt het Offer van het Lichaam en Bloed van Onze Heer te voltrekken en dit Offer is waarlijk voor ons het middel van dankzegging; het is het middel waardoor wij God kunnen teruggeven wat wij Hem verschuldigd zijn.
Daarom wil de heilige Moeder Kerk die met de grootste vreugde vervuld is over dit verheven gebed haar gelovige kinderen aansporen met deze uitroep: Sursum corda! opdat ook zij evenals zijzelf deze grote daad van dankzegging zouden waarderen waardoor zij God iets aanbiedt dat groot is en Hem waardig.
En nu haasten de gelovigen zich de priester hun verzekering te geven: Habemus ad Dominum! Wij hebben onze harten tot de Heer verheven! Daarop antwoordt de priester: indien dit werkelijk zo is laat ons dan allen tezamen dank zeggen aan de Heer onze God: Gratias agamus Domino Deo nostro. En onmiddellijk voegen de gelovigen eraan toe: Dignum et justum est.
Zo verenigen zij zich geheel met de dankzegging van de prefatie die de priester nu gaat uitspreken.
Deze samenspraak is zo oud als de Kerk zelf; er is alle reden om te geloven dat de apostelen haar zelf hebben vastgesteld omdat zij voorkomt in de oudste kerken en in alle liturgieën.
Voor zover mogelijk behoren de gelovigen zich in te spannen tijdens deze acclamaties onder geen enkel voorwendsel te gaan zitten.
Nu neemt de priester alleen het woord op en vervolgt aldus: Vere dignum et justum est aequum et salutare nos tibi semper et ubique gratias agere: Domine sancte Pater omnipotens aeterne Deus per Christum Dominum nostrum.
Waarlijk het is waardig en rechtvaardig billijk en heilzaam U altijd en overal dank te zeggen: heilige Heer almachtige Vader eeuwige God door Christus onze Heer.
…altijd en overal U dank te zeggen door Jezus Christus onze Heer. Ja waarlijk het is door Jezus Christus dat onze dankzegging moet geschieden; want indien wij dit in onze eigen naam deden zou het Oneindige tussen God en ons staan en zou onze dankzegging Hem nooit kunnen bereiken; maar wanneer zij door Jezus Christus geschiedt stijgt zij rechtstreeks omhoog en dringt zij zelfs door tot in het middelpunt van de Godheid.
Maar niet alleen wij mensen moeten door Onze Heer tot de Vader gaan; zelfs de engelen hebben geen toegang behalve door Hem. Luister opnieuw naar de priester: Per quem majestatem tuam laudant angeli; door wie de engelen uw majesteit loven; want sinds de Menswording aanbidden zij de Godheid door Jezus Christus onze Heer de hoogste en soevereine Hogepriester.
Adorant Dominationes; de Heerschappijen aanbidden door Jezus Christus; tremunt Potestates; ook de Machten deze schone engelen doen hun hemelse trillingen horen en beven vol ontzag voor het aanschijn van Jezus Christus.
Coeli; de Hemelen dat wil zeggen de engelen van nog hogere orde; coelorumque Virtutes; en ook de hemelse Krachten nog verhevener engelen; ac beata Seraphim; en de zalige Serafijnen die door hun zuivere liefde het dichtst tot God naderen — socia exsultatione concelebrant; al deze verheven koren verenigd in één harmonische jubel vieren tezamen door Jezus Christus de goddelijke majesteit.
De prefaties eindigen aldus met de vermelding van de engelen om de strijdende Kerk ertoe te brengen de hymne van de triomferende Kerk te zingen.
Cum quibus et nostras voces ut admitti jubeas deprecamur supplici confessione dicentes; met wie wij smeken dat ook onze stemmen mogen toegelaten worden terwijl wij in nederige belijdenis zeggen:
Sanctus
Zo zijn alle prefaties opgebouwd rond één grote gedachte: God dank te zeggen — gratias agere — en deze dankzegging door Jezus Christus te verrichten omdat wij slechts door Hem alleen tot God kunnen naderen ja zelfs in vereniging met de engelen met wie wij ons voegen in het hemels koor van hun Trisagion.
Naast deze gemeenschappelijke prefatie biedt de heilige Kerk ons andere aan waarin wij de hemelse geesten uitnodigen om samen met ons in één gemeenschappelijke daad van dankzegging de voornaamste mysteries van de Godmens te vieren hetzij met Kerstmis hetzij in de Veertigdagentijd hetzij in de Passietijd hetzij met Pasen of wederom met Hemelvaart of Pinksteren.
Evenmin verzuimt zij haar te gedenken door wie het heil naar deze aarde gekomen is de glorierijke Maagd Maria evenals de heilige apostelen door wie de verlossing aan de gehele wereld verkondigd werd.
De prefatie wordt gezongen op dezelfde melodie die de oude Grieken gebruikten wanneer zij op hun feesten een held vereerden en daar zijn grote daden bezongen.
Sanctus
Het Trisagion is de hymne die Isaias hoorde toen hem een visioen van de hemel geschonken werd en later ook de heilige Johannes zoals hij verhaalt in zijn Apocalyps (IV 8). De Kerk kon dit lied van de hemel moeilijk aan het begin van de Mis plaatsen terwijl wij daar juist onze zonden beleden tegenover God en het gehele hemelse hof.
Wat zeggen de engelen dan? Sanctus Sanctus Sanctus Dominus Deus Sabaoth. Zij bezingen de heiligheid van God. En hoe bezingen zij haar? Op de volmaaktste wijze; zij gebruiken de overtreffende trap en zeggen driemaal dat God waarlijk heilig is.
Wij ontmoeten dit lied van het Trisagion ook in het Te Deum: Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant: Sanctus Sanctus Sanctus Dominus Deus Sabaoth.
Waarom wordt God aldus aangeduid door deze drievoudige bevestiging van heiligheid? Omdat heiligheid de voornaamste volmaaktheid van God is; God is heilig door zijn wezen zelf.
Reeds in het Oude Testament werd deze engelenroep geopenbaard: de profeet Isaias hoorde hem; in het Nieuwe Testament noemt Johannes de geliefde leerling hem in zijn Apocalyps.
God is dus waarlijk heilig en Hij behaagt erin ons dit te openbaren. Maar aan de heiligheid wordt nog iets toegevoegd: Sanctus Dominus Deus Sabaoth; Heilig is de Heer de God der legerscharen; dit is als wilde men zeggen: Deus Sanctus et fortis; God de Heilige en de Sterke.
Zo zien wij hier twee zaken in God: heiligheid en sterkte. Deze uitdrukking Deus Sabaoth of Deus exercituum de God der legerscharen wordt gebruikt omdat niets zulk een beeld van kracht geeft als een leger dat alle hindernissen overwint moeilijkheden tart en alles onder de voet loopt wat zich op zijn weg bevindt; aldus wordt de sterkte van God levendig uitgedrukt.
God is dus heilig en sterk. Dit engelenlied heeft de naam Trisagion ontvangen afgeleid van hagios heilig en van tris drie: God de driemaal Heilige.
In het Oude Testament werd hierdoor reeds een aanduiding van de allerheiligste Drievuldigheid gegeven alsof men zei: Heilig is God de Vader heilig is God de Zoon heilig is God de Heilige Geest.
Maar om een glimp van deze waarheid op te vangen was het noodzakelijk onderricht te zijn in het verstaan van de Schrift; daarom konden vrijwel alleen de wetgeleerden tot deze kennis komen; ofwel openbaarde God deze waarheid soms in het gebed aan bevoorrechte zielen die Hij waardig achtte met zijn licht te verlichten.
Onder de Joden werden zulke begenadigde zielen altijd gevonden.
Nadat de Kerk de heiligheid en de sterkte van God beleden heeft voegt zij eraan toe: Pleni sunt coeli et terra gloria tua. Er bestaat geen heerlijker wijze om de glorie van God uit te drukken; waarlijk er is geen hoek of plaats in de schepping waar de glorie van God niet straalt; alles is door zijn macht voortgebracht en alles geeft Hem eer.
De heilige Kerk vervoerd bij dit aanschouwen roept luid uit: Hosanna in excelsis. Wij lezen in de heilige Schrift dat deze uitroep door de Joden werd aangeheven toen Jezus op Palmzondag Jeruzalem binnentrok en het volk riep: Hosanna filio David; ja Hosanna wat heil betekent een groet van diepe eerbied.
De heilige Kerk verenigt beide ineen en maakt uit het Sanctus en deze plechtige begroeting één geheel: Hosanna in excelsis; Hosanna in den hoge. Zij kon zulk een voortreffelijke schat onmogelijk voorbij laten gaan.
Zoals zij ons aan het begin van de Mis met de engelen het Kyrie liet zingen een ware noodkreet zo laat zij ons nu opnieuw onze stemmen mengen met hun engelenkoren maar op geheel andere wijze dan tevoren; zie nu is zij de mysteries binnengetreden zij staat op het punt er volledig bezit van te nemen; daarom wordt zij door geestdrift aangegrepen en heeft zij nog slechts één gedachte: tot haar God zingen: Sanctus Sanctus Sanctus Hosanna in excelsis.
Waarlijk de Joden deden goed hun Hosanna te roepen toen zij in blijde stoet van de Olijfberg afdaalden naar Jeruzalem en door de Gouden Poort binnentrokken; alles was in overeenstemming en ademde overwinning. Maar hoeveel passender is het voor ons dit te zingen op dit ontzagwekkende ogenblik nu de Zoon van God op het punt staat in ons midden neer te dalen wij die Hem waarlijk kennen.
De Joden riepen terecht: Hosanna. Toch kenden zij Hem nog niet; enkele dagen later zouden zij tegen Hem uitroepen: Tolle tolle crucifige eum.
Dit Trisagion wordt in iedere Kerk aangetroffen van welke liturgie of ritus zij ook moge zijn. Vroeger werd het Sanctus gezongen op de toon van de prefatie; daardoor was er ruimschoots tijd om het geheel vóór de Consecratie te zingen zelfs met toevoeging van de woorden: Benedictus qui venit in nomine Domini.
Later echter begon men het op rijker uitgewerkte melodieën te zingen; daaruit ontstond het tamelijk moderne gebruik dit gezang in twee delen te splitsen omdat de Consecratie reeds kon plaatsvinden voordat het volledig uitgezongen was. Daarom houdt het koor tegenwoordig stil bij het Benedictus en hervat het van daaruit na de Consecratie.
Hierdoor moet deze uitdrukking die oorspronkelijk bedoeld was als begroeting van Hem die komen zou nu verstaan worden als een begroeting van Hem die gekomen is.
De priester echter spreekt nog altijd onmiddellijk na het Trisagion de woorden uit: Benedictus qui venit in nomine Domini; en terwijl hij deze zegt maakt hij over zichzelf het heilig teken van onze verlossing om te tonen dat deze woorden op Onze Heer zelf betrekking hebben.
Toch moet deze recitatie van het Sanctus en het Benedictus door de priester niet beschouwd worden als iets betrekkelijk recents zoals wij gezegd hebben over het introïtus. Want men vindt het Sanctus eveneens gereciteerd door priesters van de oosterse ritussen; en het is bekend dat de oosterse liturgieën hun aangenomen gebruiken sinds de hoogste oudheid bewaard hebben zonder daarin de minste verandering toe te laten.
De Canon van de Mis
Nadat de prefatie geëindigd is wordt het Sanctus aangeheven en treedt de priester binnen in de wolk. Zijn stem zal niet meer gehoord worden voordat het grote gebed voltooid is.
Dit gebed heeft de naam Canon Missae ontvangen dat wil zeggen: regel van de Mis omdat juist dit gedeelte wezenlijk de Mis uitmaakt; men kan het met recht de Mis bij uitnemendheid noemen.
Het eindigt bij het Pater noster en evenals tevoren bij het einde van de offergebeden zal de afsluiting aangeduid worden doordat de priester zelf de slotwoorden luidop uitspreekt: Per omnia saecula saeculorum; waarop de gelovigen antwoorden: Amen; wij keuren goed al wat gij gezegd en gedaan hebt want onze bedoeling was één en dezelfde als de uwe: de Heer in ons midden doen nederdalen; daarom hebben ook wij deel aan al uw handelingen.
Men moet dus opmerken dat de priester dit gehele grote gebed de Canon met gedempte stem uitspreekt zelfs de verschillende Amen niet uitgezonderd die de afzonderlijke gebeden waaruit de Canon samengesteld is besluiten.
Slechts eenmaal verheft hij zijn stem enigszins en dan alleen bij het uitspreken van enkele woorden waarmee hij verklaart een zondaar te zijn evenals allen die hem omringen: Nobis quoque peccatoribus.
In de zeventiende eeuw hebben de jansenistische ketters geprobeerd het misbruik in te voeren de Canon van de Mis luidop te reciteren.
Door hun listen misleid liet kardinaal de Bissy een van de opvolgers van Bossuet in het missaal dat hij voor zijn kerk had samengesteld de invoeging toe van R. in rode letters zoals de Franse bisschoppen van die tijd meenden het recht te hebben te doen.
Deze R. in rood moesten vanzelf de indruk wekken dat het volk geacht werd het aldus aangeduide Amen te antwoorden. Maar men kan slechts antwoorden op gebeden die gehoord worden. Daaruit zou noodzakelijkerwijs tenslotte volgen dat de priester de Canon luidop zou reciteren juist hetgeen deze jansenisten beoogden.
Gelukkig werd de publieke aandacht spoedig op deze gevaarlijke nieuwigheid gevestigd; er rezen luide klachten tegen en kardinaal de Bissy zelf trok de ongelukkige stap die hij gezet had weer in.
De verschillende gebeden waaruit de Canon samengesteld is behoren tot de hoogste oudheid; toch kunnen zij niet teruggevoerd worden tot de allereerste dagen van de heilige Kerk. Dit blijkt uit het feit dat de goddelijke eredienst aanvankelijk in de Griekse taal werd verricht een taal die in die tijd veel algemener in gebruik was dan het Latijn.
Men mag daarom aannemen dat deze gebeden zoals wij ze bezitten opgesteld werden tegen het einde van de tweede eeuw of mogelijk in de eerste jaren van de derde eeuw.
Iedere Kerk heeft haar Canon; maar al verschillen deze enigszins van vorm de inhoud blijft altijd dezelfde en de leer die in hun verschillende ritussen wordt uitgedrukt stemt dikwijls woordelijk overeen met die van onze Latijnse ritus.
Wij bezitten hierin een bewonderenswaardig bewijs van de eenheid van het geloof welke ritus men ook beschouwt.
De beginletter van het eerste gebed van de Canon is de letter T die overeenkomt met de Hebreeuwse Tau en die door haar vorm zelf een kruis voorstelt. Geen ander teken kon beter geplaatst worden aan het hoofd van dit grote gebed waarin het Offer van Calvarië vernieuwd wordt.
Toen men daarom de prachtige sacramentaria begon te schrijven en te versieren met vignetten en rijke ornamenten van allerlei aard werd deze Tau overvloedig versierd; tenslotte kwam men op de gelukkige gedachte een afbeelding van Christus op dit kruis aan te brengen dat reeds door de tekst zelf werd aangegeven.
Langzamerhand werd deze voorstelling uitgebreider totdat zij eindigde in een afbeelding van het gehele tafereel van de Kruisiging; toch bleef zij hoe groot ook slechts een toevoeging aan de beginletter van het gebed Te igitur.
Maar uiteindelijk achtte men een onderwerp van zulk een verheven betekenis waardig om geheel zelfstandig behandeld te worden en zo ontstond het afzonderlijke beeld.
Daarom bezit tegenwoordig geen enkel volledig missaal zonder een afbeelding van Christus aan het kruis geplaatst tegenover de bladzijde waarop de Canon begint. En dit alles vindt zijn oorsprong in het eenvoudige kleine vignet dat de oude sacramentaria versierde.
Wat betreft het belang van de Tau zelf: reeds in het Oude Testament wordt zij vermeld; want Ezechiël zegt sprekend over de uitverkorenen dat men met het bloed van het offerdier allen die God voor Zichzelf behouden had op het voorhoofd moest tekenen met het teken van de Tau en dat de Heer beloofd had allen die aldus getekend waren te sparen. (Ezech. IX 4–6.)
Dit wordt verklaard door de grote waarheid dat wij allen gered worden door het kruis van Jezus Christus dat de vorm van een Tau had.
Ook bij het vormsel tekent de bisschop met heilige olie de Tau op het voorhoofd van hen die hij vormt.
Het kruis van Onze Heer had de vorm van een Tau aldus: T. Bovenaan werd een stuk hout geplaatst om het opschrift te dragen dat eraan bevestigd was en zo ontstond de vorm van het kruis zoals wij die nu kennen; want wij lezen bij de heilige Johannes dat de reden van de dood van Onze Heer boven het kruis geplaatst werd: Scripsit autem et titulum Pilatus et posuit super crucem. (Joann. XIX 19.)
Merk op van hoe groot belang deze ene letter is waarmee het grote gebed van de Canon begint.
Te igitur
Te igitur clementissime Pater per Jesum Christum Filium tuum Dominum nostrum supplices rogamus ac petimus.
Na het Sanctus strekt de priester zijn armen omhoog uit; vervolgens voegt hij de handen samen heft zijn ogen ten hemel maar slaat ze onmiddellijk weer neer. Daarna buigt hij diep met de handen samengevoegd en rustend op het altaar terwijl hij zegt: Te igitur clementissime Pater.
Deze woorden Te igitur verbinden alles met de ene grote gedachte; zij drukken uit dat de priester slechts één gedachte heeft: die van het Offer. Het is alsof hij tot God zegt — want al deze gebeden zijn zoals reeds vanaf het begin blijkt tot de Vader gericht —: aangezien ik U toebehoor aangezien de gelovigen al hun verlangens in mijn handen hebben gelegd zie zo treden wij voor U in de naam van ditzelfde Offer.
Vervolgens kust hij het altaar om nog sterker uitdrukking te geven aan de vurigheid van zijn smeking en gaat voort: uti accepta habeas et benedicas; hierbij voegt hij de handen samen en bereidt hij zich voor driemaal het kruisteken over de offergaven te maken terwijl hij toevoegt: haec dona haec munera haec sancta sacrificia illibata; ja dit brood en deze wijn die wij U hebben aangeboden zijn waarlijk rein; gewaardig U dan ze te zegenen en te ontvangen; en zegen ze niet voor zover zij slechts stoffelijk brood en wijn zijn maar met het oog op het Lichaam en Bloed van uw Zoon waarin zij weldra veranderd zullen worden.
Het kruisteken dat de priester hier over brood en wijn maakt dient vooral om te tonen dat hij voornamelijk Christus zelf voor ogen heeft.
Opnieuw strekt hij zijn handen uit en vervolgt aldus: in primis quae tibi offerimus pro Ecclesia tua sancta catholica. Het eerste belang dat op het spel staat wanneer de Mis wordt opgedragen is de heilige Kerk dan welke niets God dierbaarder is; Hij kan niet onbewogen blijven wanneer men over zijn Kerk spreekt.
Quam pacificare adunare et regere digneris toto orbe terrarum. Het woord adunare toont ons hier Gods eigen bedoeling met haar; Hij wil dat zij één zij zoals Hijzelf zegt in de heilige Schrift: una est columba mea. (Hoogl. VI 8.)
Door in te treden in deze goddelijke bedoeling smeken ook wij Hem haar altijd één te bewaren en dat niets ooit het naadloze kleed van Christus zou kunnen verscheuren.
Zoals in het Pater noster de allereerste bede die Onze Heer ons leert uitspreken is dat zijn Naam geheiligd worde: Sanctificetur nomen tuum; en Hij ons daardoor leert dat Gods eer en belangen vóór alle andere moeten gaan; zo wordt ook hier op dezelfde wijze deze eer op de voorgrond geplaatst in wat zijn Kerk betreft: in primis.
En ons gebed voor haar is dat zij vrede moge bezitten; wij vragen dat zij beschermd worde dat zij waarlijk één zij en goed bestuurd over de gehele wereld.
De priester voegt vervolgens toe: una cum famulo tuo Papa nostro N. et Antistite nostro N. et omnibus orthodoxis atque catholicae et apostolicae fidei cultoribus. Er wordt dus geen Mis opgedragen zonder dat zij de gehele Kerk ten goede komt; al haar leden hebben er deel aan en men draagt er zorg voor hen in de woorden van dit gebed afzonderlijk te noemen.
Allereerst komt de plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde; en wanneer zijn naam genoemd wordt maakt men een buiging van het hoofd om Jezus Christus te eren in de persoon van zijn plaatsbekleder. Alleen wanneer de Heilige Stoel vacant is wordt hierop een uitzondering gemaakt. Wanneer de paus zelf de Mis opdraagt vervangt hij deze woorden door: Et me indigno servo tuo.
De bisschop doet op gelijke wijze in zijn eigen geval; want onmiddellijk na de paus maakt het missaal melding van de bisschop in wiens bisdom de Mis wordt opgedragen opdat overal de heilige Kerk in haar geheel vertegenwoordigd zij. Te Rome wordt geen bisschop genoemd omdat de paus zelf bisschop van Rome is.
Opdat al haar leden zonder uitzondering genoemd zouden worden spreekt de heilige Kerk hier over alle gelovigen en noemt hen fideles dat wil zeggen: hen die trouw zijn in het onderhouden van het geloof van de heilige Kerk; want om gerekend te worden onder degenen die hier genoemd worden is het noodzakelijk in dit geloof te zijn; het is noodzakelijk orthodox te zijn zoals zij nadrukkelijk zegt: omnibus orthodoxis; dat wil zeggen: allen die recht geloven die het katholieke geloof belijden het geloof dat door de apostelen is overgeleverd.
Door zo sterk de nadruk te leggen op deze woorden: omnibus orthodoxis atque catholicae et apostolicae fidei cultoribus wil de heilige Kerk ons doen verstaan dat zij bij deze gelegenheid van haar gebed uitsluit hen die niet tot het huisgezin van het geloof behoren die niet recht geloven die niet orthodox zijn en die hun geloof niet van de apostelen ontvangen hebben.
De woorden waarin de heilige Kerk zich overal uitdrukt tonen zeer duidelijk hoezeer de heilige Mis vreemd is aan particuliere devoties. Zij moet daarom vóór alles gaan en haar intenties moeten geëerbiedigd worden.
Zo geeft de heilige Kerk al haar leden deel aan het grote Offer; zo waar is dit dat indien de Mis afgeschaft werd wij spoedig zouden terugvallen in de toestand van verdorvenheid waarin de heidense volkeren verzonken zijn. En dit zal het werk van de antichrist zijn: hij zal alle mogelijke middelen aanwenden om de viering van het heilig Misoffer te verhinderen opdat wanneer dit grote tegenwicht eenmaal weggenomen is God noodzakelijkerwijze een einde zou maken aan alle dingen omdat er dan geen reden meer overblijft voor hun voortbestaan.
Wij begrijpen dit gemakkelijk wanneer wij zien hoe sinds de invoering van het protestantisme de innerlijke kracht van de samenleving merkbaar verzwakt is. De ene maatschappelijke oorlog volgde op de andere en bracht overal verwoesting mee; en dit alles uitsluitend omdat de kracht van het grote Misoffer verminderd is.
Hoe verschrikkelijk dit ook is het vormt slechts het begin van hetgeen gebeuren zal wanneer de duivel en zijn dienaren losgelaten op aarde overal een stroom van rampspoed en verwoesting zullen uitstorten zoals Daniël heeft voorzegd.
Door wijdingen te verhinderen en priesters ter dood te brengen zal de duivel tenslotte zover komen dat de viering van het grote Offer zal ophouden; dan zullen voor onze aarde de dagen van verschrikking en ellende aanbreken.
Wij mogen ons hierover niet verwonderen want de heilige Mis is zowel voor God als voor ons een gebeurtenis; zij raakt rechtstreeks zijn eer. Hij kan de stem van dit Bloed duizendmaal welsprekender dan dat van Abel niet verachten; Hij moet er bijzondere aandacht aan schenken omdat zijn eigen eer ermee gemoeid is en omdat het zijn eigen Zoon is het eeuwige Woord Jezus Christus die Zich daar als Offer aanbiedt en daar voor ons tot zijn Vader bidt.
De woorden waarin de heilige Kerk zich overal uitdrukt tonen zeer duidelijk hoezeer de heilige Mis vreemd is aan particuliere devoties. Zij moet daarom vóór alles gaan en haar intenties moeten geëerbiedigd worden.
Zo geeft de heilige Kerk al haar leden deel aan het grote Offer; zo waar is dit dat indien de Mis afgeschaft werd wij spoedig zouden terugvallen in de toestand van verdorvenheid waarin de heidense volkeren verzonken zijn. En dit zal het werk van de antichrist zijn: hij zal alle mogelijke middelen aanwenden om de viering van het heilig Misoffer te verhinderen opdat wanneer dit grote tegenwicht eenmaal weggenomen is God noodzakelijkerwijze een einde zou maken aan alle dingen omdat er dan geen reden meer overblijft voor hun voortbestaan.
Wij begrijpen dit gemakkelijk wanneer wij zien hoe sinds de invoering van het protestantisme de innerlijke kracht van de samenleving merkbaar verzwakt is. De ene maatschappelijke oorlog volgde op de andere en bracht overal verwoesting mee; en dit alles uitsluitend omdat de kracht van het grote Misoffer verminderd is.
Hoe verschrikkelijk dit ook is het vormt slechts het begin van hetgeen gebeuren zal wanneer de duivel en zijn dienaren losgelaten op aarde overal een stroom van rampspoed en verwoesting zullen uitstorten zoals Daniël heeft voorzegd.
Door wijdingen te verhinderen en priesters ter dood te brengen zal de duivel tenslotte zover komen dat de viering van het grote Offer zal ophouden; dan zullen voor onze aarde de dagen van verschrikking en ellende aanbreken.
In de heilige Eucharistie zijn er drie zaken die wij steeds voor ogen moeten houden. Ten eerste het Offer waardoor eer aan God wordt gebracht; ten tweede het Sacrament dat het voedsel van onze zielen is; ten derde het bezit van Onze Heer zelf in zijn werkelijke Tegenwoordigheid zodat wij Hem daar die aanbidding kunnen brengen welke de vertroosting van onze ballingschap is.
Dit loutere bezit van Onze Heer waardoor ons de mogelijkheid gegeven wordt Hem daar werkelijk tegenwoordig te aanbidden is het minste van deze drie grote zaken; het staat lager dan het ontvangen van het Sacrament in de heilige Communie. En de heilige Communie staat op haar beurt lager dan het Offer omdat daar alleen wijzelf in aanmerking komen.
Maar wanneer deze drie gezamenlijk verwezenlijkt worden is het gehele mysterie volkomen en wordt vervuld wat Onze Heer gewild heeft bij de instelling van de Eucharistie.
Waarlijk indien ons slechts vergund was geweest de Heer die in ons midden tegenwoordig is te aanbidden zou dit reeds een wonderbaarlijk grote gave zijn geweest; maar de heilige Communie gaat dit verre te boven; en het Offer verheft zich boven beide deze grote gunsten uit boven alle gedachte.
Zie door het Offer werken wij rechtstreeks op God zelf in en Hij kan tegenover deze handeling niet onverschillig blijven zonder daardoor aan zijn eigen eer tekort te doen.
Nu God alle dingen omwille van zijn eer geschapen heeft moet Hij noodzakelijk aandacht schenken aan het heilig Misoffer en onder een of andere vorm schenken wat ook maar van zijn goddelijke Majesteit daardoor gevraagd wordt.
Zo wordt nooit één Mis opgedragen zonder dat de vier grote doeleinden van het offer vervuld worden: aanbidding dankzegging verzoening en smeking; want God heeft Zich daartoe verbonden.
Toen Onze Heer ons leerde bidden droeg Hij ons op te zeggen: Sanctificetur nomen tuum; dit is een stoutmoedige bede die zeer nauw de belangen van Gods grote eer raakt. Maar in de heilige Mis gaan wij nog verder; wij arme schepselen mogen daar tot de almachtige God zelf zeggen dat Hij dit Offer niet mag afwijzen want het is Jezus Christus zelf die het opdraagt; dat Hij niet mag weigeren te luisteren want het is Jezus Christus zelf die hier bidt.
Vroeger werd op deze plaats in de Canon na de naam van de bisschop ook de naam van de koning genoemd: et rege nostro N. Maar sinds de heilige Pius V zijn missaal voor algemeen gebruik heeft uitgevaardigd werd dit weggelaten. De beslissing van de heilige Pius V op dit punt vloeide voort uit het verschil van godsdienst dat onder de vorsten was ontstaan sinds de invoering van het protestantisme.
Alleen Rome kan bijzondere toestemming geven om een koning in de Canon te noemen. Spanje verzocht onder de regering van Filips II om deze gunst en zij werd verleend. In Frankrijk verboden het parlement van Toulouse en dat van Parijs geërgerd door het weglaten van de naam van de koning in het missaal van de heilige Pius V toen dit voor het eerst verscheen de druk van genoemd missaal.
In 1855 vroeg en verkreeg Napoleon III van de paus toestemming om zijn naam in dit gedeelte van de Mis te laten noemen.
Noch aan het eerste noch aan het tweede gebed van de Canon wordt de gewone slotformule of het Amen toegevoegd.
Memento van de levenden
Memento Domine famulorum famularumque tuarum N. et N. En de priester terwijl hij de handen samenvoegt gedenkt in stilte degenen die hij bijzonder aan God wil aanbevelen.
Zo heeft de priester eerst gebeden voor de gehele Kerk in het algemeen voor de paus de bisschop en alle orthodoxe katholieken dat wil zeggen allen die het geloof van de heilige Kerk bezitten.
Maar dit grote Offer waarvan de vruchten oneindig zijn werkt op meer bijzondere wijze ten gunste van allen voor wie speciaal gebeden wordt; daarom is het de priester hier toegestaan degenen te noemen die hij op bijzondere wijze aan God wil aanbevelen.
Wij leren uit de overlevering dat de priester in alle tijden vrij geweest is aldus uitdrukkelijker te bidden voor hen in wie hij belang stelde omdat de vruchten van het heilig Offer hun in het bijzonder kunnen worden toegepast zonder afbreuk te doen aan de voornaamste intentie.
Opnieuw strekt de priester zijn handen uit en vervolgt zijn gebed met de woorden: Et omnium circumstantium quorum tibi fides cognita est et nota devotio.
De priester bidt voor allen die rondom hem aanwezig zijn omdat hun geloof hen ertoe gebracht heeft alles achter te laten en zich rondom het altaar te verzamelen; daarom verdienen zij een bijzonder aandeel in het heilig Offer.
Hieruit zien wij hoe goed het is zo dikwijls mogelijk de Mis bij te wonen. Maar wanneer wij dit doen moet het zijn met geloof en godsvrucht; want de priester zegt nadrukkelijk: quorum tibi fides cognita est et nota devotio.
Het is duidelijk dat de priester zó niet tot God zou kunnen spreken namens christenen die zich in de kerk niet anders gedragen dan elders die in geen enkel opzicht aandacht hebben voor hetgeen aan het altaar geschiedt en die schijnen te menen niets anders te doen te hebben dan zich zoveel mogelijk min of meer eerbaar te verstrooien.
Van degenen die tegenwoordig zijn kunnen dus alleen zij die met geloof en godsvrucht deelnemen werkelijk deel hebben aan de vruchten van de heilige Mis.
Wat de afwezigen betreft: ook zij kunnen deel hebben aan het Offer door zich er geestelijk mee te verenigen en door het verlangen te hebben eraan deel te nemen met geloof en godsvrucht indien het in hun macht lag aanwezig te zijn. Indien zulke gesteltenissen in hen aanwezig zijn delen zij werkelijk in de vruchten van het grote Offer hoe ver zij ook verwijderd mogen zijn.
Uit alles wat gezegd is blijkt hoe de priester wanneer hij het altaar nadert om het Offer op te dragen geen louter persoonlijke gedachte kan hebben. Dan houdt hij de gehele Kerk in zijn handen en bidt hij met uitgestrekte armen zoals Christus zelf terwijl hij het Offer opdraagt voor alle mensen.
De priester voegt hier een nieuwe aandrang aan zijn gebed toe en noemt vóór God afzonderlijk die verschillende personen voor wie hij het heilig Offer opdraagt: pro quibus tibi offerimus vel qui tibi offerunt hoc sacrificium laudis.
De Kerk gebruikt hier de uitdrukking offer van lof hoewel deze eigenlijk meer op het psalmgezang toegepast wordt omdat de heilige Mis eveneens opgedragen wordt tot lof en eer van God; bovendien is dit een uitdrukking die men dikwijls in de heilige Schrift aantreft.
Voor wie wordt het Offer opgedragen? De priester nog steeds sprekend over degenen die hij genoemd heeft vervolgt aldus: pro se suisque omnibus pro redemptione animarum suarum pro spe salutis et incolumitatis suae.
Zo omvat het heilig Offer allen en strekt het zich uit tot allen. De ziel neemt de eerste plaats in deze opsomming in; en hier ontmoeten wij die bede die zo dikwijls voorkomt in de stichtingsakten van de middeleeuwen: pro redemptione animarum suarum.
Vervolgens houdt de Kerk zich bezig met de lichamelijke noden van haar kinderen; zij smeekt God het lichaam veilig en gezond te bewaren te midden van alle gevaren waardoor het omringd wordt.
Tenslotte besluit de priester door aan de levende God de verlangens en noden van alle gelovigen op te dragen met deze woorden: tibique reddunt vota sua aeterno Deo vivo et vero.
De priester kan hier evenmin voor ongelovigen bidden als voor ketters die reeds door het enkele feit van hun ketterij geëxcommuniceerd zijn en bijgevolg buiten de schoot van de heilige katholieke Kerk staan.
Evenmin kan hij bidden voor hen die zonder ketters te zijn om andere redenen geëxcommuniceerd zijn; het zou een ontwijding zijn de namen van zulke personen uit te spreken te midden van het heilig Offer. Men kan privé voor hen bidden maar niet in de openbare gebeden van de Kerk.
Zij zijn uitgesloten van het Offer zoals zij buiten de Kerk staan; daarom is het onmogelijk hen tijdens de heilige viering te noemen.
Communicantes
De strijdende Kerk wil niet alleen tot het heilig Altaar naderen. Zij heeft tot God gesproken over de plaatsbekleder van Jezus Christus op aarde over de bisschop onder wiens gezag het bisdom staat en vervolgens over alle katholieken.
Nu wil zij nog een andere groep personen noemen die niet tot de strijdende Kerk behoren maar tot de triomferende Kerk. Zij weet zeer goed dat degenen die reeds de heerlijkheid van de triomferende Kerk genieten niet van haar gescheiden zijn maar integendeel innig met haar verenigd blijven en met haar één en dezelfde Kerk vormen.
Weliswaar wordt de Kerk onderscheiden in de triomferende Kerk de lijdende Kerk en de strijdende Kerk; toch is er slechts één Kerk. Wij moeten ons dus vóór God aanbieden niet alleen in gezelschap van de heiligen op aarde maar ook van de heiligen in de hemel.
Daarom voegt de priester toe: Communicantes et memoriam venerantes.
Ja wij vereren waarlijk hen die wij nu gaan noemen en de reden waarom wij hun gedachtenis aldus eren is dat zij reeds de eeuwige heerlijkheid en God zelf voor altijd bereikt hebben; wij zijn met hen verenigd en staan met hen in rechtstreekse gemeenschap zodat wij met hen één zijn in het heilig Offer.
En wie zijn zij?
Allereerst: in primis gloriosae semper Virginis Mariae Genetricis Dei et Domini nostri Jesu Christi.
Onze allerzaligste Maagd bezit alle recht op een eer die haar alleen toekomt en de heilige Kerk verzuimt nooit haar deze te bewijzen; bij deze gelegenheid drukt zij deze gedachte uit door het woord in primis: vóór alles behoort men over Maria te spreken.
Ja over Maria die altijd Maagd geweest is en altijd Maagd blijft: Maagd vóór de geboorte Maagd in de geboorte en Maagd na de geboorte. Zij is bovendien waarlijk de Moeder van God van Hem die tegelijk Onze Heer Jezus Christus is.
Al deze titels geven haar recht op een bijzondere vermelding die haar van allen anderen onderscheidt.
Sed et beatorum Apostolorum et Martyrum tuorum. Vervolgens noemt de heilige Kerk de apostelen en martelaren van Christus. Dadelijk zal zij ons de namen van de martelaren geven maar eerst noemt zij die van de apostelen.
Alleen de heilige Matthias wordt hier weggelaten; zijn naam verschijnt later in een andere lijst na de Consecratie.
Men gaf aan deze lijsten de naam diptycha omdat zij vroeger geschreven werden op dubbele tafeltjes dikwijls van rijk bewerkt ivoor. Verscheidene daarvan werden op het altaar gebruikt. Op het ene schreef men de namen van de heiligen die men bijzonder wilde gedenken; op een ander de naam van de regerende paus of patriarch onder wiens gezag de plaats stond alsook die van de bisschop van het bisdom enzovoort.
Soms voegde men er nog een derde aan toe met de naam van de katholieke vorst van het land en van zijn kinderen. Tenslotte werden ook de namen geschreven van hen die de kerk waarin men bijeenkwam gesticht hadden haar begiftigd hadden of haar een bijzondere dienst bewezen hadden; en omdat men hen afzonderlijk vermeldde werden deze lijsten dikwijls zeer lang.
Wanneer iemand het ongeluk had in ketterij te vervallen werd zijn naam indien hij op het diptychon geschreven stond uitgewist en kon hij er niet opnieuw op geplaatst worden vóórdat hij voldoende onderwerping had betoond en met de Kerk verzoend was.
Deze gebruiken zijn thans verdwenen omdat het aantal personen dat aanspraak maakte op vermelding op de diptycha tenslotte zo groot werd dat het bezwaarlijk werd.
Daarom beperkte men de lijst van heiligen en stelde men de namen vast zoals wij ze nu in het missaal aantreffen; deze lijsten blijven echter een overblijfsel van het oude gebruik van de diptycha.
De heilige Jozef wordt hier niet genoemd evenmin als in het Confiteor omdat de devotie tot deze grote heilige voorbehouden was aan de latere tijden en omdat in de eerste eeuwen de aandacht van de Kerk vooral gericht was op de apostelen en martelaren aan wie de eerbewijzen van haar eredienst in het bijzonder werden toegekend.
Later toen de tijd gekomen was om de Canon vast te leggen schrok de heilige Kerk ervoor terug opnieuw wijzigingen aan te brengen zelfs in de kleinste bijzonderheden van een liturgisch gebed dat door de christelijke oudheid was vastgesteld en geheiligd.
Met haar steeds wijze voorzichtigheid heeft de heilige Kerk het aantal heiligennamen dat hier genoemd wordt beperkt.
Laten wij deze lijst doorlopen.
Petri et Pauli. De priester heeft voortdurend deze ene gedachte voor ogen: dat hij innig verenigd is met al deze heiligen en dat hij bezig is hun gedachtenis te eren.
Hij noemt de heilige Petrus en de heilige Paulus samen omdat deze beide heiligen in werkelijkheid één zijn aangezien zij beiden behoren tot de heilige Roomse Kerk die door hun gezamenlijke arbeid werd gesticht.
Daarna volgen de andere apostelen: Andreae Jacobi — Jacobus de Meerdere — Johannis — Johannes de geliefde leerling — Thomae Jacobi — Jacobus de Mindere — Philippi Bartholomaei Matthaei Simonis et Thaddai; Thaddeüs die ook Judas genoemd wordt.
Deze heiligen die zojuist door de Kerk genoemd werden behoren allen tot het Evangelie; maar om te tonen dat zij tot alle tijden behoort acht zij het goed met deze eerbiedwaardige namen van de grondslagen van de Kerk andere te verbinden die haar niet minder dierbaar zijn.
Daarom worden deze drie pausen in dezelfde lijst genoemd: Lini Cleti Clementis. Linus Cletus en Clemens werden alle drie door de heilige Petrus gewijd; zodat zich bij de dood van de apostel reeds deze drie bisschoppen te Rome bevonden.
De heilige Petrus had Clemens tot zijn opvolger aangewezen maar deze wist zich aanvankelijk aan deze last te onttrekken; tenslotte werd hij echter gedwongen haar te aanvaarden. Of hij vóór of na de heilige Cletus de stoel van Petrus bezette blijft onzeker.
Xysti. Hier hebben wij een andere paus: Sixtus II degene die de heilige Laurentius als diaken had. Hij is een zeer beroemde paus; hij werd onthoofd op het kerkhof van Pretextatus en het kerkhof van de heilige Calixtus waar zich de crypte van de heilige Caecilia bevindt wordt eveneens naar hem genoemd namelijk dat van de heilige Sixtus.
Daarna volgt Cornelius: Cornelii wiens grafschrift onlangs ontdekt in de catacomben door commendatore De Rossi zoveel levendige belangstelling heeft gewekt; dit grafschrift werd in twee afzonderlijke stukken teruggevonden: op het ene stond slechts Cor op het andere nelius.
Na deze pausen wordt de naam van een bisschop genoemd: de heilige Cyprianus bisschop van Carthago: Cypriani. Hij wordt op de diptycha verbonden met zijn vriend de heilige Cornelius.
Laurentii: de grote diaken de heilige Laurentius die door de heilige Kerk zo bijzonder geëerd wordt. Deze martelaren leden allen onder de vervolging van Valerianus; maar de volgende de heilige Chrysogonus: Chrysogoni behoort tot de tijd van Diocletianus.
Wat de heiligen Johannes en Paulus betreft: Johannis et Pauli zij zijn veel later en werden ter dood gebracht onder de regering van Julianus de Afvallige.
Tenslotte: Cosmae et Damiani beiden geneesheren; zij waren geen Romeinen maar hun lichamen werden later naar Rome overgebracht; zij leden onder Diocletianus.
Met deze twee namen sluit de lijst die door de heilige Kerk is vastgesteld; er mogen geen andere meer worden toegevoegd.
Zij besluit haar gebed door alle heiligen te noemen door wier verdiensten zij zich aan God aanbeveelt: et omnium sanctorum tuorum quorum meritis precibusque concedas ut in omnibus protectionis tuae muniamur auxilio.
Hier eindigt dit derde gebed dat evenals de twee andere een aanbevelingsgebed is.
Allereerst bad de priester voor de heilige Kerk de paus de bisschop en alle katholieken; vervolgens voor hen voor wier intentie het heilig Offer wordt opgedragen; daarbij voegde hij nog andere personen die hem bijzonder ter harte gingen; tenslotte herinnerde hij God aan de vereniging die bestaat tussen de strijdende Kerk en de triomferende Kerk en zo werden de namen van de heiligen in de hemel gehoord aan ons altaar hier beneden.
Deze drie gebeden vormen slechts één enkel gebed; daarom besluit de priester pas aan het einde van dit derde terwijl hij de handen samenvoegt met de gebruikelijke woorden: Per eumdem Christum Dominum nostrum. Amen.
Hij spreekt dit Amen zelf uit en wel zacht; zijn stem zal niet meer gehoord worden vóór het Pater noster.
Hanc igitur
Nadat dit gebed geëindigd is strekt de priester zijn handen uit over de offergaven en bidt opnieuw. Dit gebaar is van groot belang en verdient hier bijzondere aandacht; het is afkomstig uit de Oude Wet.
Wanneer in de tempel een slachtoffer werd aangeboden om geofferd te worden had de handoplegging een dubbele betekenis en een dubbele kracht. Door deze ritus werd het slachtoffer voor altijd afgescheiden van ieder profaan gebruik en uitsluitend gewijd aan de dienst en eer van God. Daardoor nam de Heer bezit van het slachtoffer wat het ook mocht zijn.
Zo doet nu de heilige Kerk nadat zij reeds bij het Offertorium het brood en de wijn aan alle profaan gebruik onttrokken en aan God opgedragen heeft dit nogmaals en met grotere nadruk nu het ogenblik van de Consecratie nabij is.
In de heilige ongeduldigheid van een verwachting die bijna vervuld wordt strekt de priester zijn handen uit over brood en wijn opdat zijn offergave genadige aanvaarding moge vinden vóór de troon van God; en hij spreekt deze woorden uit:
Hanc igitur oblationem servitutis nostrae sed et cunctae familiae tuae quaesumus Domine ut placatus accipias: diesque nostros in tua pace disponas atque ab aeterna damnatione nos eripi et in electorum tuorum jubeas grege numerari.
Zo bidt de priester terwijl hij het heilig Misoffer opdraagt en juist op dit ogenblik waarop hij zo bijzonder naar de offergaven zelf wijst voor zichzelf voor allen die tegenwoordig zijn en voor allen die met hen verenigd zijn; en hij smeekt dat ons vrede in deze wereld gegeven moge worden dat wij aan de hel mogen ontkomen en dat wij samen met de uitverkorenen de heerlijkheid van de hemel mogen genieten.
Er bevindt zich in dit gebed een toevoeging die onze aandacht verdient. De heilige Kerk bezat oorspronkelijk deze woorden niet: diesque nostros in tua pace disponas. Zij werden toegevoegd door paus Gregorius de Grote terwijl Rome belegerd werd door de Longobarden en de stad zich daardoor in het grootste gevaar bevond.
Sindsdien heeft de heilige Kerk het nuttig geoordeeld deze bede om vrede te behouden; zij heeft ervoor gewaakt geen woorden uit haar tekst weg te nemen die door de Heilige Geest zelf aan zulk een heilige paus waren ingegeven. Want zoals Johannes Diaconus ons vertelt verscheen de Heilige Geest dikwijls zichtbaar in de gedaante van een duif boven het hoofd van de heilige Gregorius en fluisterde hem in het oor wat hij moest zeggen of doen bij bepaalde gewichtige gelegenheden.
Dit gebed eindigt met: Per Christum Dominum nostrum; deze woorden spreekt de priester uit met samengevoegde handen waarna hij er zacht voor zichzelf aan toevoegt: Amen.
Quam oblationem
Hier begint het grote gebed dat voortduurt tot aan het Memento van de overledenen en in welks midden het verheven mysterie van de transsubstantiatie wordt voltrokken.
Zo spreekt de priester: Quam oblationem tu Deus in omnibus quaesumus adscriptam ratam rationabilem acceptabilemque facere digneris.
De heilige Kerk blijft geheel verdiept in de offergave en smeekt God haar te zegenen; en daartoe maakt de priester erover het kruisteken opdat zij aldus geheiligd liefdevol door de Heer moge worden aanvaard.
Adscriptam — hier wordt opnieuw het kruisteken gemaakt — deze offergave is van zulk een werkelijk belang dat zij als het ware opgetekend moet worden; men smeekt God haar te willen inschrijven.
Ratam — opnieuw het kruisteken — zij moet in de hemel bekrachtigd goedgekeurd en bevestigd worden als iets waarlijk goeds en passend.
Tenslotte smeekt de priester dat deze offergave rationabilem moge zijn.
Om deze uitdrukking te begrijpen moeten wij ons herinneren wat de slachtoffers van de Oude Wet waren; zij waren immers slechts schaduw en voorafbeelding en hadden geen waarde behalve in zoverre zij betrekking hadden op het Offer van het Kruis.
Maar het brood en de wijn — of liever vooruitlopend in gedachte samen met de heilige Kerk zelf op het verheven gevolg van de heilige Consecratie — het Lichaam en Bloed van Jezus Christus zijn hier op ons altaar het ware en werkelijke Slachtoffer de geestelijke Offerande waardoor alle andere offers overbodig en onvruchtbaar worden.
In deze zin zegt de heilige Paulus schrijvend aan de Romeinen dat zij zichzelf aan God moeten aanbieden als een innerlijk en geheel geestelijk offer: Obsecro vos fratres per misericordiam Dei ut exhibeatis corpora vestra hostiam viventem sanctam Deo placentem rationabile obsequium vestrum. (Rom. XII 1.)
Gij die christenen zijt zegt de apostel moet uw lichamen aanbieden als een levend offer heilig en welgevallig aan God en redelijk dat wil zeggen geestelijk in tegenstelling tot de offers van de Oude Wet.
Zo moet de christen zelfs zijn eigen lichaam aan God offeren door het deel te laten nemen aan het gebed; en dit doet hij door het vasten en boetedoeningen op te leggen om te verhinderen dat het voortdurend neerwaarts trekt volgens zijn stoffelijke neiging.
In één woord: hij moet zó handelen dat het lagere deel van zijn wezen voortdurend ondersteund wordt opdat het zich zonder hinder met het hogere deel van zijn wezen zou kunnen verenigen.
Maar keren wij terug tot de offergave die zich op het altaar bevindt. Indien dit brood en deze wijn zouden blijven wat zij zijn zouden zij niet beter zijn dan de offers van de Oude Wet; maar aangezien zij weldra veranderd zullen worden in het Lichaam Bloed en de Ziel van Onze Heer Jezus Christus zal dit waarlijk een redelijk Offer zijn wezenlijk redelijk.
Daarmee is nog niet alles gezegd; onze offergave moet ook acceptabilem zijn zodat de Heer waarlijk zou kunnen zeggen: Ik ben geheel voldaan over het Offer dat Mij wordt opgedragen.
Ut nobis Corpus et Sanguis fiat dilectissimi Filii tui Domini nostri Jesu Christi. Bij de woorden Corpus et Sanguis maakt de priester het kruisteken over de hostie en over de kelk.
O mocht deze offergave het Lichaam en Bloed van Jezus Christus worden! Waarlijk het Lichaam en Bloed van Jezus Christus zijn voor altijd in de hemel; maar wij vragen dat Zij hier beneden tegenwoordig mogen worden in deze offergave die wij aanbieden.
Wij richten dus deze bede tot God omwille van onszelf namelijk dat deze offergave veranderd moge worden in het Lichaam en Bloed van de Heer; want de Kerk legt ons nadrukkelijk deze woorden op de lippen: fiat nobis opdat dit Lichaam en dit Bloed tot onze beschikking zouden staan en zelfs ons voedsel zouden worden.
Consecratie van de Hostie
Quam pridie quam pateretur. Deze woorden werden toegevoegd door paus Alexander I de zesde opvolger van de heilige Petrus. Hij deed dit om het lijden van Onze Heer in herinnering te brengen omdat het Offer van de Mis één en hetzelfde is als het Offer van het Kruis; want dezelfde Heer die Zich eerst offerde in het Cenakel op de vooravond van zijn Offer zou de volgende dag geofferd worden op Calvarië.
Accepit panem in sanctas ac venerabiles manus suas. Bij deze woorden doet de priester hetzelfde: hij neemt het brood in zijn handen.
Et elevatis oculis in coelum. Ook hij heft zijn ogen ten hemel terwijl hij navolgt wat hij uitspreekt dat Onze Heer gedaan heeft.
In het Evangelie wordt niet vermeld dat Jezus bij deze gelegenheid zijn ogen ten hemel hief; maar de overlevering leert ons dit en wel een zó zekere overlevering dat de heilige Kerk er zorg voor draagt haar hier volledig te bevestigen.
Ad te Deum Patrem suum omnipotentem tibi gratias agens. Dit is de Eucharistie dat wil zeggen de dankzegging; en de heilige Kerk draagt er zorg voor onze aandacht daarop te vestigen want aangezien wij steeds noodzakelijkerwijze tekortschieten in het aflossen van onze voortdurende schuld van dankbaarheid jegens God voor zijn ontelbare weldaden behoren wij voortdurend de dankzegging in ons hart en op onze lippen te dragen.
Benedixit — bij dit woord maakt de priester het kruisteken over de hostie — fregit deditque discipulis suis.
Accipite et manducate ex hoc omnes.
Hoc est enim Corpus meum.
De priester houdt vervolgens de hostie met beide handen vast tussen duim en wijsvinger en spreekt de woorden van de Consecratie zacht maar duidelijk uit terwijl hij zijn ogen gevestigd houdt op de hostie die hij wil consacreren.
Op het ogenblik dat deze woorden van Consecratie uitgesproken zijn aanbidt de priester onmiddellijk op de knieën de heilige Hostie. De rubriek zegt statim terstond; hij mag geen ogenblik wachten want het brood is verdwenen slechts de gedaanten zijn gebleven; het brood heeft plaats gemaakt voor de Heer zelf en het is de Heer die de priester aanbidt.
Nadat hij zijn eigen daad van aanbidding verricht heeft heft de priester de Hostie omhoog boven zijn hoofd om haar aan de gelovigen te tonen opdat ook zij haar zouden aanbidden.
Vroeger werd de hostie op dit ogenblik van de Mis niet opgeheven maar slechts vlak vóór het begin van het Pater noster.
In de elfde eeuw waagde Berengarius aartsdiaken van Angers het de werkelijke Tegenwoordigheid van Onze Heer in de heilige Eucharistie te ontkennen; daarom werd het tonen van de heilige Hostie aan het volk onmiddellijk na de Consecratie ingevoerd om hen tot aanbidding op te wekken.
Na deze verheven ceremonie legt de priester de heilige Hostie op het corporale en knielt opnieuw neer om haar te aanbidden.
Vanaf dit ogenblik zal de priester telkens wanneer hij de Hostie aanraakt vóór en na deze aanraking een kniebuiging maken; vóór de aanraking omdat hij de Heer gaat aanraken en daarna om Hem hulde te bewijzen.
Bovendien zal hij duim en wijsvinger van beide handen niet meer van elkaar scheiden tot aan de ablutie omdat deze vingers gewijd zijn en alleen zij de eer hebben de Heer aan te raken.
Om deze reden heeft de bisschop bij zijn wijding juist deze vingers op bijzondere wijze geconsacreerd door eerst daarop de heilige olie aan te brengen en ze vandaar over de rest van de hand uit te spreiden.
Indien een priester een van zijn wijsvingers zou verliezen zou hij toestemming van de paus zelf nodig hebben om met een andere vinger het Lichaam van de Heer aan te raken.
Zo wordt het grote mysterie van de transsubstantiatie voltrokken dat wil zeggen de verandering van de ene substantie in een andere overeenkomstig het woord van Onze Heer tot zijn apostelen: Hoc facite in meam commemorationem. (Luc. XXII 19.)
Daarbij is echter vereist dat de bedienaar een geldig gewijde priester zij dat hij deze sacramentele woorden uitspreekt over waar brood en natuurlijke wijn en dit met de intentie te consacreren zoals de Kerk het doet.
Wanneer aan deze voorwaarden voldaan is is God niet vrij; Hij is gebonden door zijn eigen woord en bijgevolg moet het mysterie voltrokken worden.
Het woord enim is ingevoegd om deze zin met de voorafgaande te verbinden; men vindt het niet in een van de drie Evangeliën die de instelling van de Eucharistie vermelden evenmin geeft de heilige Paulus het in zijn brief. (I Cor. XI 24.)
Niettemin moet Onze Heer dit woord uitgesproken hebben want deze overlevering is ons door de heilige Petrus en de apostelen overgeleverd.
Een priester die het woord enim zou weglaten zou zondigen maar zijn consecratie zou geldig blijven. Indien hij echter het woord meum wegliet zou er geen consecratie plaatsvinden omdat het noodzakelijk is te bepalen wiens Lichaam het is dat de priester in zijn handen houdt.
Zodra deze zojuist genoemde heilige woorden uitgesproken zijn is het Lichaam van Onze Heer waarlijk op het altaar tegenwoordig; maar omdat sinds zijn Verrijzenis het Lichaam Bloed de Ziel en de Godheid van onze Verlosser niet meer van elkaar gescheiden kunnen worden is Hij op ons altaar aanwezig in levende staat zoals Hij in de hemel is dat wil zeggen verheerlijkt zoals Hij onafgebroken geweest is sinds zijn Hemelvaart.
Het tonen van het Lichaam van Onze Heer dat nu plaatsvindt is zoals wij hierboven reeds hebben uitgelegd van betrekkelijk latere instelling.
De Oosterse Kerken kennen op dit punt van de Mis geen gelijkaardige ceremonie; daarentegen geven zij veel meer luister en gewicht dan wij aan de verheffing die onmiddellijk aan het Pater noster voorafgaat en trekken daardoor de aandacht van het volk tot diepe aanbidding.
Daartoe neemt de priester dan het Lichaam en Bloed van de Heer in zijn handen en terwijl hij zich naar de gelovigen wendt zoals bij het Orate fratres houdt hij ze omhoog ter aanbidding.
Consecratie van de wijn
Nadat de kelk ontbloot is spreekt de priester deze woorden uit: Simili modo postquam coenatum est; vervolgens neemt hij de kelk in zijn handen en gaat voort: accipiens hunc praeclarum calicem in sanctas et venerabiles manus suas.
Let op deze uitdrukking: praeclarum calicem. Hoe verheerlijkt de heilige Kerk deze kelk die het Bloed van de Heer bevat heeft en die zij nu in de handen van haar priester legt!
In de Psalm zegt de profeet: Et calix meus inebrians quam praeclarus est! (Ps. XXII 5.) Ja waarlijk mijn kelk bedwelmt; hoe verheven is hij hoe heerlijk hoe schitterend!
De heilige Kerk acht deze woorden zo passend voor de heilige kelk die gebruikt wordt om het Bloed van Jezus Christus te bevatten dat zij hier haar eigen gevoelens in precies deze uitdrukking uitstort.
De priester vervolgt: item tibi gratias agens. Reeds eerder sprak de priester over deze dankzegging toen hij bij de consecratie van de hostie zei dat Onze Heer nadat Hij zijn ogen opgeheven had dank gezegd had.
Daarna neemt hij de kelk in zijn linkerhand en zegent haar met de rechter terwijl hij zegt: benedixit deditque discipulis suis dicens: Accipite et bibite ex eo omnes.
V
De woorden die gebruikt worden voor de consecratie van de wijn gelijken op die van het Evangelie zij het met enkele kleine verschillen. Wij hebben ze ontvangen door de overlevering van de Kerk van Rome gesticht door de heilige Petrus die Onze Heer zelf had horen spreken.
Novi et aeterni testamenti. Deze onze kelk bevat dus het Bloed van de Heer het Bloed van het Nieuwe Testament dat hier ook eeuwig genoemd wordt om het te onderscheiden van het Oude Verbond dat slechts zou duren tot de komst van Onze Heer.
Mysterium fidei. Mysterie van het geloof; dat wil zeggen: het mysterie dat boven alle andere op bijzondere wijze ons geloof bewijst; want volgens het woord van de heilige Petrus moet ons geloof beproefd worden.
En zo waarlijk is dit het mysterie van het geloof dat de heilige Paulus schrijvend aan Timotheüs over de Eucharistie zegt dat de diakens zuiver en heilig moeten zijn en het mysterie van het geloof moeten bewaren in een rein geweten: Habentes mysterium fidei in conscientia pura.
Het is bekend dat de heilige Eucharistie op bijzondere wijze aan de zorg van de diakens was toevertrouwd die haar zelfs aan de gelovigen konden uitreiken wanneer er geen priester aanwezig was.
Laat ons tenslotte nog deze woorden opmerken: pro multis effundetur in remissionem peccatorum. Dit Bloed zal voor velen vergoten worden tot vergeving van de zonden.
Ons geloof leert dat het voor allen vergoten werd en niet slechts voor een groot aantal; maar niet allen zullen er voordeel uit trekken tot vergeving van hun zonden.
Zodanig zijn de woorden van de consecratie van de wijn waarvan de uitwerking zo ontzagwekkend is. Samen met de woorden van de consecratie van het brood vormen zij de eigenlijke offerhandeling.
Onze Heer is het Slachtoffer het Slachtoffer dat op ons altaar geofferd wordt; niet slechts in die zin dat de heilige Mis door de mystieke scheiding van Lichaam en Bloed het bloedige Offer van Calvarië afbeeldt en ons in herinnering brengt maar bovendien wegens de eigen toestand en bestemming van het Lichaam en Bloed van Onze Heer onder de eucharistische gedaanten.
Nooit werd een slachtoffer in enig offer waarachtiger gedood en geofferd dan dit ons goddelijk Slachtoffer zodra de Consecratie voltrokken is; want Hij die de glans is van God de Vader heeft dan voor zijn goddelijke heerlijkheid schoonheid en leven geen andere bestemming meer dan in ons binnen te gaan om daar geheel verloren en verteerd te worden.
Zo is het Offer waarlijk en werkelijk voltrokken. God heeft het aanschouwd en wij kunnen Hem in waarheid zeggen: Zie wat op Calvarië geschiedde; en ware het niet om de onsterfelijkheid van uw Zoon dan zou de gelijkenis volkomen zijn.
Voor de voltrekking van dit Offer verleent de priester zijn bediening aan Onze Heer die Zich verbonden heeft neer te dalen om aldus geofferd te worden telkens wanneer een sterfelijk mens bekleed met de priesterlijke waardigheid brood en wijn in zijn handen houdt en daarover bepaalde woorden uitspreekt.
Maar wie is het die hier het Offer opdraagt? Is het de priester of Jezus Christus?
Het is Onze Heer zelf die in de persoon van de priester offert want de priester is slechts één met Hem; er bestaat slechts deze ene beperking: Hij zou niet op het altaar nederdalen indien de priester zijn medewerking niet verleende.
Het Offer is dus slechts één en hetzelfde of het nu op Calvarië wordt opgedragen of op het altaar.
Bij de woorden van de Consecratie voegt de priester terwijl hij de kelk op het corporale plaatst het volgende toe: Haec quotiescumque feceritis in mei memoriam facietis.
Toen Onze Heer dit tot zijn apostelen sprak gaf Hij daardoor aan hen en in hun personen aan alle priesters de macht te doen wat Hijzelf zojuist gedaan had namelijk Hemzelf offeren.
Daarom is het op dit plechtige ogenblik van de Consecratie niet de mens die spreekt; het is veeleer Christus zelf die zich van de mens bedient om dit te voltrekken.
Zulk is het ontzagwekkende christelijke Offer dat ons terugvoert naar Calvarië en ons toont hoe vreselijk Gods rechtvaardigheid is die zulk een Slachtoffer vereiste.
Dit Offer alleen zou voldoende geweest zijn om miljoenen werelden te redden. Maar Onze Heer heeft gewild dat het voortgezet zou worden.
Nadat Hij eenmaal op Calvarië geofferd was kon Hij dit niet opnieuw op dezelfde wijze doen; niettemin kende Hij de zwakheid van de mens en vreesde Hij dat het Offer van het Kruis slechts eenmaal voltrokken uiteindelijk nog maar weinig indruk op de gelovigen zou maken.
Binnen korte tijd zou de mens het Offer van Calvarië slechts beschouwd hebben als een historisch feit opgenomen in de bladzijden van de kerkelijke geschiedenis waar nog slechts weinigen eraan zouden denken het op te zoeken.
Daarom sprak Onze Heer als het ware tot zichzelf: hetgeen eenmaal op Calvarië geschiedde moet vernieuwd worden tot aan het einde der tijden.
Ziehier waarom Hij in zijn liefde dit goddelijk mysterie heeft ingesteld waardoor Hij in de hostie nederdaalt en zichzelf opnieuw offert.
Ook God zelf ziet het belang van dit werk en juist daardoor wordt Hij bewogen tot medelijden barmhartigheid en vergiffenis jegens de mens.
Laten wij nu onderzoeken wie deze verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Onze Heer tot stand brengt; wie is het die in dit mysterie handelt?
Wij moeten ons herinneren dat telkens wanneer één van de drie goddelijke Personen van de allerheiligste Drievuldigheid handelt de twee andere Personen in volmaakte overeenstemming aan dezelfde handeling deelnemen.
Bij de Menswording wordt de Zoon mens maar het is de Vader die Hem zendt en het is de Heilige Geest die het mysterie bewerkt.
Evenzo zendt bij de heilige Mis de Vader de Zoon; de Zoon daalt neder en de Heilige Geest bewerkt de transsubstantiatie dat wil zeggen de verandering van de ene substantie in een andere.
Daarom heeft de Kerk om de werking van de Heilige Geest in dit mysterie uit te drukken in haar gebed bij de offerande deze goddelijke Geest aangeroepen zoals wij reeds opmerkten met de woorden:
Veni Sanctificator Omnipotens aeterne Deus et benedic hoc sacrificium tuo sancto nomini praeparatum.
De Oosterse Kerk bezit dit gebed niet in haar liturgie; maar omdat zij het volk de werking van de Heilige Geest in dit grote mysterie wil doen kennen zegt de celebrant na het uitspreken van de woorden van Consecratie over het brood: Heer God gewaardig U uw Geest te zenden opdat Hij dit brood verandere in het Lichaam van uw Zoon; en al het volk antwoordt: Amen.
Na de consecratie van de wijn zegt de celebrant opnieuw: Heer God gewaardig U uw Geest te zenden opdat Hij deze wijn verandere in het Bloed van uw Zoon; en opnieuw antwoordt al het volk: Amen.
Dit schijnt echter een tegenstrijdigheid te zijn; want wanneer de priester elk van deze aanroepingen uitspreekt heeft de transsubstantiatie reeds plaatsgevonden. Waarom roept men dan nog de Heilige Geest aan?
Deze opmerking is meer dan eens gemaakt; toch heeft men dit gebruik behouden en men geeft daarvoor de volgende reden.
Om de toejuiching van het volk niet te vermengen met de woorden van de heilige Mysteriën heeft de Oosterse Kerk de aanroepingen die betrekking hebben op de werking van de Heilige Geest ná deze woorden geplaatst; dat wil zeggen: juist op het ogenblik dat in de Latijnse Kerk de verheffing plaatsvindt wanneer zij het Lichaam en Bloed van Onze Heer aan de aanbidding van de gelovigen toont.
Dan brengt de Oosterse Kerk hulde aan de macht en werking van de Heilige Geest.
Wij Latijnen doen dit vooraf zowel in het gebed: Veni Sanctificator Omnipotens als in het gebed: Quam oblationem waarin wij zeggen: ut Corpus et Sanguis fiat.
Niettemin vraagt de Latijnse Kerk het volk niet haar gebed door een toejuiching goed te keuren; want een antwoord op deze plaats zou veronderstellen dat dit gebed luidop werd gereciteerd.
Nu hebben wij reeds uitgelegd dat het gebed van de Canon geheel geheim is en volledig met zachte stem moet worden uitgesproken.
_Unde et memores._ De priester heeft het Kostbaar Bloed aanbeden, aan de gelovigen getoond en opnieuw aanbeden. Nu strekt hij wederom de handen uit en vervolgt het gebed: Unde et memores, Domine, quaesumus, nos servi tui, sed et plebs tua sancta, ejusdem Christi Filii tui tam beatae Passionis, necnon et ab inferis Resurrectionis sed et in coelis Gloriosae Ascensionis. Offerimus praeclarae majestati tuae … Daarom indachtig. De priester zegt _wij_, want het betreft niet hem alleen, maar heel het volk. Hij brengt dit in herinnering bij God den Vader, en allen verenigd met hem gedenken de zalige Passie, de Verrijzenis en de Hemelvaart van onze goddelijke Verlosser. Tijdens de Offerande werden deze drie grote Mysteriën reeds bijzonder naar voren gebracht, maar de heilige Kerk acht dit nog niet voldoende. Zij wil op deze plaats nogmaals bij dezelfde gedachte verwijlen, en wel met des te grotere liefde. Zij weet immers dat God alles voor de mens heeft gedaan, en zij wil niet dat ook maar één van Zijn weldaden aan haar aandacht ontsnapt. Ja waarlijk, wij offeren hier iets onuitsprekelijk groots, want vóór ons bevinden zich het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Wij gedenken Zijn lijden, dat ons zulk een zalige weldaad heeft gebracht. Hier wordt het slachtoffer geofferd, maar meer nog: het slachtoffer dat wij hier bezitten, is tevens Hij die verrezen is. En zelfs dit is nog niet alles: wij gedenken eveneens Zijn glorierijke Hemelvaart. Ja waarlijk, Hij die hier tegenwoordig is, is de Verrezene. Hij is het die ten hemel opsteeg en gezeten is aan de rechterhand des Vaders, terwijl de engelen jubelend uitriepen: Attolite portas, principes, vestras et elevamini portae aeternales, et introibit Rex gloriae. Heft uw poorten omhoog, vorsten, verheft u, eeuwige poorten, opdat de Koning der heerlijkheid binnentrede. Zo bezitten wij dus werkelijk op ons altaar Hem die geleden heeft, die verrezen is en die nu in triomferende heerlijkheid in de hemel regeert. Ja, wij gedenken dit alles werkelijk, en juist daardoor ontvangen wij zulk een vertrouwen dat wij met heilige vrijmoedigheid durven zeggen: Offerimus praeclarae majestati tuae de tuis donis ac datis. Wij spreken van offeren. Wij, die niets bezitten. Volstrekt niets. Ja waarlijk, wij hebben niets van onszelf, maar wij offeren U Uw eigen gaven terug. Meer kunnen wij niet zeggen. Dit brood en deze wijn werden ons door U geschonken; daarna werden zij het Lichaam en Bloed van Uw Zoon, die Gij ons eveneens geheel en al hebt gegeven. Zo putten wij uit Uw eigen onuitputtelijke rijkdommen, en offeren U hetgeen Gijzelf ons geschonken hebt.
Een reine Offerande, een heilige Offerande, een onbevlekte Offerande.
De priester heeft het Kostbaar Bloed aanbeden, aan de gelovigen getoond en opnieuw aanbeden. Nu strekt hij wederom de handen uit en vervolgt het gebed:
Unde et memores, Domine, quaesumus, nos servi tui, sed et plebs tua sancta, ejusdem Christi Filii tui tam beatae Passionis, necnon et ab inferis Resurrectionis sed et in coelis Gloriosae Ascensionis. Offerimus praeclarae majestati tuae …
Daarom indachtig. De priester zegt wij, want het betreft niet hem alleen, maar heel het volk. Hij brengt dit in herinnering bij God den Vader, en allen verenigd met hem gedenken de zalige Passie, de Verrijzenis en de Hemelvaart van onze goddelijke Verlosser. Tijdens de Offerande werden deze drie grote Mysteriën reeds bijzonder naar voren gebracht, maar de heilige Kerk acht dit nog niet voldoende. Zij wil op deze plaats nogmaals bij dezelfde gedachte verwijlen, en wel met des te grotere liefde. Zij weet immers dat God alles voor de mens heeft gedaan, en zij wil niet dat ook maar één van Zijn weldaden aan haar aandacht ontsnapt.
Ja waarlijk, wij offeren hier iets onuitsprekelijk groots, want vóór ons bevinden zich het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Wij gedenken Zijn lijden, dat ons zulk een zalige weldaad heeft gebracht. Hier wordt het slachtoffer geofferd, maar meer nog: het slachtoffer dat wij hier bezitten, is tevens Hij die verrezen is. En zelfs dit is nog niet alles: wij gedenken eveneens Zijn glorierijke Hemelvaart.
Ja waarlijk, Hij die hier tegenwoordig is, is de Verrezene. Hij is het die ten hemel opsteeg en gezeten is aan de rechterhand des Vaders, terwijl de engelen jubelend uitriepen:
Attolite portas, principes, vestras et elevamini portae aeternales, et introibit Rex gloriae.
Heft uw poorten omhoog, vorsten, verheft u, eeuwige poorten, opdat de Koning der heerlijkheid binnentrede.
Zo bezitten wij dus werkelijk op ons altaar Hem die geleden heeft, die verrezen is en die nu in triomferende heerlijkheid in de hemel regeert. Ja, wij gedenken dit alles werkelijk, en juist daardoor ontvangen wij zulk een vertrouwen dat wij met heilige vrijmoedigheid durven zeggen:
Offerimus praeclarae majestati tuae de tuis donis ac datis.
Wij spreken van offeren. Wij, die niets bezitten. Volstrekt niets. Ja waarlijk, wij hebben niets van onszelf, maar wij offeren U Uw eigen gaven terug. Meer kunnen wij niet zeggen. Dit brood en deze wijn werden ons door U geschonken; daarna werden zij het Lichaam en Bloed van Uw Zoon, die Gij ons eveneens geheel en al hebt gegeven. Zo putten wij uit Uw eigen onuitputtelijke rijkdommen, en offeren U hetgeen Gijzelf ons geschonken hebt.
En welke eigenschappen bezit dit offer van ons? Het is zuiver, heilig en onbevlekt. Maar op aarde is alles onzuiver, niets heilig, alles bevlekt en besmet. Hoe durft de priester dan zó te spreken?
Wij moeten bedenken wat ons Offer is. Het is de Zoon van God Zelf, in wie de grote Mysteriën van het lijden, de Verrijzenis en de Hemelvaart zijn voltrokken. Ziehier wat de heilige Kerk zulk een heilige vrijmoedigheid schenkt. Als Bruid treedt zij vóór de allerheiligste Drievuldigheid en zegt: Ik ben verrijkt met Uw eigen schatten. Ik bezit Hem als de mijne, Hem die al deze Mysteriën heeft volbracht welke ik thans gedenk. Hij is de mijne, want Gij hebt Hem mij geschonken.
Zie dan: Hem offer ik U op, en dit mijn Offer is U waardig, want het is waarlijk zuiver, heilig en onbevlekt.
Dit Offer is zó machtig, dat God Zelf als het ware gedwongen wordt neer te zien op hetgeen wij Hem aanbieden. Hij kan het niet afwijzen. De gehele kracht van dit Offer berust hierop: dat de Zoon ons gegeven is als de onze. Door Hem alleen verwezenlijken wij de vier doeleinden van het christelijk Offer. Zo grijpen wij als het ware God Zelf aan, die verplicht is dit Offer te aanvaarden en Zich daarin volkomen voldaan te verklaren.
Onder de Oude Wet was dit niet zo. Hoe zouden offers van stieren en lammeren zulk een uitwerking kunnen hebben op de grote God? Wat had Hij daaraan nodig? Maar hier, op ons altaar, onder de nederige gedaanten van brood en wijn, bevindt zich Iets dat de aandacht van God Zelf trekt en Hem verplicht ons te tonen dat hetgeen geofferd wordt Hem waarlijk welgevallig is.
Wel mag de duivel woeden bij zulk een aanschouwing. Wel mag hij alle pogingen aanwenden om het geloof in de Werkelijke Tegenwoordigheid te vernietigen, onze altaren omver te werpen en het aantal priesters te verminderen, opdat er ten minste minder Missen aan God zouden worden opgedragen.
O welk een gedachte is het, dat een eenvoudig zondig mens zulke ontzagwekkende dingen volbrengt, en aldus met zulk een macht vóór de almachtige God staat. Indien deze bediening slechts aan de engelen ware toevertrouwd, aan die reine geesten die nooit door de adem der zonde werden aangeraakt, dan zou men dit beter kunnen begrijpen. Maar neen: het is de mens, de zondige mens, die God verkiest en die Hij alleen met zulk een voorrecht vereert.
Deze mens moet wel beven. En toch gevoelt hij zich almachtig, daar hij de Zoon van God Zelf in zijn handen houdt.
Deze offerande, zuiver, heilig en onbevlekt, welke de priester aan God opdraagt, is bovendien: Panem sanctae vitae aeternae, ac Calicem salutis perpetuae. Hier wordt ons de Eucharistie voorgehouden als Sacrament. Want indien zij een Offer is dat aan God wordt opgedragen, dan is zij evenzeer een Sacrament bestemd om onze zielen te voeden en hun het eeuwige leven en het heil te schenken.
In dit verheven gebed maakt de priester, terwijl hij de woorden uitspreekt: Hostiam puram, hostiam sanctam, hostiam immaculatam, driemaal tegelijk het kruisteken over hostie en kelk. Vervolgens maakt hij, bij de woorden panem sanctae vitae aeternae, het kruisteken over de hostie, en bij de woorden Calicem salutis perpetuae over de kelk.
Betekent dit soms dat hij hier waagt Onze Heer Zelf te zegenen? Zeker niet. Tot aan het ogenblik van de Consecratie heeft hij werkelijk het brood gezegend, want daartoe bezit hij het recht krachtens zijn priesterlijke macht om te zegenen. Maar nu houdt hij niet langer brood in zijn handen: het is de goddelijke Oorsprong van alle zegeningen Zelf die op ons altaar tegenwoordig is.
Wanneer de priester dus het kruisteken maakt, dan geschiedt dit enkel om te tonen dat dit Offer het Offer van het Kruis zelf is: een Offer waarlijk zuiver, heilig en onbevlekt. Hij tekent afzonderlijk de hostie om uit te drukken dat zij inderdaad het Lichaam des Heren is dat gekruisigd werd. Daarna tekent hij de kelk om aan te duiden dat deze het Bloed bevat dat op het Kruis werd vergoten.
Zo moeten wij verstaan dat vanaf het ogenblik van de Consecratie alle kruistekens die de priester maakt door de heilige Kerk zijn voorgeschreven om het Offer van het Kruis aan te duiden en in herinnering te brengen, en geenszins bedoeld zijn als zegeningen over Onze Heer.
Supra quae propitio ac sereno vultu respicere digneris. De priester strekt opnieuw de handen uit en vervolgt het grote gebed. Ja Heer, ofschoon Gij de oneindige Heiligheid zijt, de oneindige Macht, het hoogste Zijn Zelf, verwaardig U toch in Uw goedheid en barmhartigheid Uw ogen neer te slaan op deze aardse woning van ons, en Uw aanschijn te wenden naar hetgeen wij U thans opdragen: supra quae respicere digneris.
Et accepta habere. Vroeger, tot aan de tijd van de heilige Leo, eindigde dit gebed niet zoals thans. Men verstond hier het woord illa, die dingen, als aanvulling van de zin. De heilige Leo achtte het beter het gebed een duidelijker afsluiting te geven, en voegde daarom deze woorden toe: Sanctum sacrificium, immaculatam hostiam.
Dit is dus de eigenlijke betekenis: et accepta habere sanctum Sacrificium, immaculatam hostiam. Het overige gedeelte van de zin vormt, zoals de tekst nu luidt, een soort tussenzin: sicuti accepta habere dignatus es munera pueri tui justi Abel.
Ontvang dan, o Heer, dit Offer, zo zegt de priester, gelijk Gij de gaven hebt aangenomen van Uw dienaar, de rechtvaardige Abel. De offergaven van Abel waren U welgevallig, o Heer, en toch was hetgeen hij opdroeg oneindig geringer dan hetgeen wij U thans mogen aanbieden. Tussen deze beide offers bestaat geen vergelijking. En toch hebt Gij het nederige offer van Abel welwillend aangenomen.
En dit is nog niet alles. Er was nog een ander offer uit de oudheid dat God dierbaar was: et sacrificium patriarchae nostri Abrahae. Dit was het offer van Abraham. Het eerstgenoemde, dat van Abel, was een bloedig offer, maar dat van Abraham was onbloedig. Het was het offer van een vader, die toestemde in de offerande van zijn zoon, welke God van hem verlangde.
De Heer had tot hem gesproken: Neem uw zoon en ga hem Mij ten brandoffer opdragen op de berg die Ik u zal aanwijzen. En Abraham gehoorzaamde God en trok uit met zijn zoon. Het gehele offer bestond in deze gehoorzame overgave van de grote patriarch. Zijn offer was geheel geestelijk, want God, tevreden met zijn gehoorzaamheid, gebood hem zijn zoon te sparen. Het bloed dat bij deze gelegenheid vergoten werd, was slechts dat van een ram, die in plaats van Isaak werd geofferd.
Abel en Abraham worden hier verbonden met het Offer van Jezus Christus, die Zijn eer en Zijn leven heeft prijsgegeven en Zichzelf aan Zijn Vader heeft opgedragen met de volmaaktste gehoorzaamheid, Zich waarlijk offerend, daar Zijn Lichaam en Zijn Bloed hier vóór ons gescheiden zijn.
Het is daarom zeer passend hier het offer van Abel en dat van Abraham in herinnering te brengen. Merk bovendien op hoe het bloedig offer oorspronkelijk is, maar dat toch het offer van Abraham zó welgevallig was aan God, dat deze heilige patriarch daardoor de rechtstreekse voorvader van Christus werd, die waarlijk het bloed van deze vader der gelovigen in Zijn aderen droeg.
Verder voegt de priester hier nog andere woorden toe, waardoor het bestaan van een derde offer wordt aangeduid: et quod tibi obtulit summus sacerdos tuus Melchisedech. Dit derde offer is in mysterie gehuld. Het werd opgedragen door de hogepriester Melchisedech, zelf een geheimzinnige figuur, en God heeft zijn offer waarlijk welgevallig geacht.
Hier kunnen wij God herinneren aan hetgeen Hijzelf tot Zijn goddelijke Zoon spreekt in Psalm cix: Tu es Sacerdos in aeternum secundum ordinem Melchisedech. Ja Heer, wanneer Gij Uw Zoon wilt verheerlijken, zegt Gij Hem dat Hij Priester is volgens de orde van Melchisedech. Hoe welgevallig moet dan het offer van deze geheimvolle persoon U geweest zijn.
In de heilige Mis vinden wij tegelijk verenigd het offer van Abel, dat van Abraham en dat van Melchisedech. Het offer van Abel verbeeldt het Kruisoffer, waarmee de Mis één en hetzelfde Offer vormt. Het offer van Abraham beeldt de onbloedige offerande uit, zoals deze plaatsvindt in het Offer van de Mis. Tenslotte verbeeldt de offerande van Melchisedech het Misoffer waarin brood en wijn op het altaar worden gebruikt.
Maar na de Consecratie blijven brood en wijn niet meer bestaan. Alleen de gedaanten of uiterlijke verschijnselen blijven over, dienend om het goddelijke Slachtoffer te verhullen.
Supplices Te rogamus. Tijdens het volgende gebed houdt de priester de handen niet langer uitgestrekt, omdat hij zich diep voorover buigt in nederige smeking. Met de samengevoegde handen rustend op het altaar zegt hij:
Supplices Te rogamus, Omnipotens Deus: jube haec perferri per manus sancti Angeli tui in sublime Altare tuum, in conspectu divinae Majestatis tuae.
Ontzagwekkende woorden zijn dit, zo zegt Innocentius III in zijn verhandeling over de Mis. De priester duidt zijn offer slechts aan met het eenvoudige woord haec, deze dingen. Hij weet dat God ze ziet en hun onschatbare waarde kent. Daarom beperkt hij zich ertoe eenvoudig te zeggen: jube haec perferri, gebied dat deze dingen worden opgedragen.
En waarheen verlangt hij dat deze offerande wordt gebracht? in sublime altare tuum, naar Uw verheven altaar. Dit altaar van ons hier op aarde is ons niet voldoende. Wij verheffen ons verlangen zó ver, dat deze onze Offerande geplaatst moge worden op dat altaar dat de heilige Johannes in de hemel aanschouwde, waarop hij ons het Lam toont als geslacht: et vidi Agnum stantem tamquam occisum.
Dit Lam staat, zegt de heilige Johannes, en toch voegt hij eraan toe: tamquam occisum, als geslacht. Waarlijk, Onze Heer zal voor eeuwig de tekenen van Zijn vijf Wonden dragen, maar nu stralend als zonnen. En dit Lam staat, omdat Hij leeft en niet meer sterft. Zo toont de heilige Johannes Hem ons.
Zulk is het altaar waarop de Heer staat in Zijn onsterfelijk leven, dragend de tekenen van hetgeen Hij voor ons geleden heeft: Agnum tamquam occisum. Daar bevindt Hij zich voor eeuwig vóór de troon van de goddelijke Majesteit.
Daarom smeekt de priester nu God Zijn engel te zenden om het Slachtoffer van dit ons altaar op aarde op te nemen en het te plaatsen op het altaar van de hemel.
Op welke engel doelt de priester hier? Geen cherub, geen seraf, geen engel noch aartsengel kan uitvoeren hetgeen de priester God hier vraagt te bevelen. Dit is een daad die de macht van elk geschapen wezen te boven gaat.
Beschouw daarom de betekenis van het woord engel. Het betekent gezondene. Welnu, de Zoon van God is Degene die door de Vader gezonden werd. Hij daalde neer op aarde onder de mensen. Hij is de ware Missus, de Gezondene, gelijk Hijzelf zegt: Et qui misit me Pater.
Onze Heer behoort niet eenvoudig tot de rang van die geesten die wij engelen en aartsengelen noemen en die God nabij ons geplaatst heeft. Neen, Hij is de Engel bij uitnemendheid. Hij is, zoals de Schrift Hem noemt, de Angelus magni consilii, de Engel van de grote Raad Gods, van dat grote raadsbesluit waardoor God, de wereld willende verlossen, Zijn eigen Zoon heeft gegeven.
De priester smeekt dus God dat deze Engel haec, hetgeen zich op het altaar bevindt, moge opnemen en plaatsen op het altaar van de hemel. Door deze bede wil hij de eenheid tonen van het Offer des hemels met het Offer der aarde.
Hier vinden wij een gedachte die verwant is aan hetgeen voorkomt in de Griekse liturgie. Na de Consecratie smeken de Oosterse liturgieën de Heilige Geest neer te dalen en het Mysterie te voltrekken, zoals wij reeds eerder opmerkten, om aldus te tonen dat het de Heilige Geest is die hier werkt, gelijk Hij ook werkte in de allerheiligste Maagd.
Het Mysterie is weliswaar reeds voltrokken, en strikt genomen zou de Griekse priester zich van zulk een gebed moeten onthouden, daar de Heilige Geest ook zonder dit reeds het Mysterie heeft bewerkt. Maar neen: dit is slechts hun wijze om uit te drukken hetgeen wij zojuist hebben gezien in het Latijnse gebed dat wij nu behandelen, namelijk de identiteit van het Offer van het Lam, zowel op het altaar van de hemel als op dat der aarde.
In de hemel staat het Lam, hoewel als geslacht; hier beneden wordt Het op gelijke wijze geofferd. Wie is het nu die deze beide Offers tot één enkel Offer maakt? Het is Jezus Christus, de Gezondene, de Engel van de grote Raad.
De priester voegt vervolgens toe: ut quotquot ex hac altaris participatione. Terwijl hij deze woorden uitspreekt kust hij het altaar. De heilige Kerk koestert de diepste verering voor dit altaar, dat Jezus Christus zelf voorstelt, Hij die het levende Altaar is. Daarom overlaadt zij het bij de wijding en consecratie met haar schoonste plechtigheden.
De priester vervolgt: Sacrosanctum Filii tui Corpus et Sanguinem sumpserimus. Hierbij maakt hij het kruisteken over de hostie en de kelk, en tevens over zichzelf. Daarna zegt hij: omni benedictione coelesti et gratia repleamur. Per eumdem Christum Dominum nostrum.
Wij smeken hier dus vervuld te worden met alle hemelse zegen en genade, alsof wij reeds in de hemel waren toegelaten tot deelname aan dat levende Altaar daarboven, Jezus Christus, die rondom Zich genade en zegen verspreidt. Wij vragen deze genaden en zegeningen krachtens onze deelname aan dit altaar op aarde, dat de heilige Kerk met zulk een eerbied behandelt.
In naam van dit altaar vraagt de priester alle mogelijke zegeningen voor heel de mensheid. Merk op hoe de priester nooit slechts voor zichzelf spreekt. Daarom zegt hij repleamur, dat wij vervuld mogen worden. Terwijl hij deze laatste woorden uitspreekt maakt hij het kruisteken over zichzelf, om te tonen dat deze zegen ons komt door het Kruis, en tevens om aan te duiden dat wij haar met geheel ons hart aannemen.
Hier eindigt het tweede gedeelte van de Canon, namelijk datgene wat aan de Offerande is gewijd. Deze drie gebeden omgeven de Consecratie zelf, zoals de voorafgaande gebeden erop hebben voorbereid. Nu voert de heilige Kerk ons terug naar de voorbede.
Memento van de overledenen
Naast de triomferende Kerk en de strijdende Kerk bestaat er nog een derde deel van dit grote Lichaam. Ja, God heeft ons de macht gegeven tussenbeide te treden voor de lijdende Kerk, haar te hulp te komen en haar goed te doen. Daarom kan het heilig Offer worden opgedragen ten bate van haar lijdende ledematen. En de heilige Kerk wil in haar moederlijke liefde dat in iedere Mis melding van hen wordt gemaakt, omdat daardoor nieuwe hulp wordt verkregen voor die van haar kinderen die nog verblijven in deze plaats van loutering.
Het is een geloofspunt dat het heilig Offer verlichting brengt aan de zielen in het vagevuur. Deze leer is ons door de Overlevering overgeleverd. Reeds in de tweede eeuw vinden wij Tertullianus spreken over het gebed voor de overledenen.
Vroeger bestond er bovendien een afzonderlijk diptych uitsluitend bestemd voor de namen van de overledenen wier gedachtenis bijzonder bewaard moest blijven, bijvoorbeeld weldoeners.
De priester richt zich nu tot God ten gunste van deze lijdende ledematen: Memento etiam, Domine, famulorum famularumque tuarum N. et N. qui nos praecesserunt cum signo fidei et dormiunt in somno pacis.
Wij zeggen dat wij voorbede doen voor hen die ons zijn voorgegaan met het teken van het geloof. Wat verstaat de Kerk onder dit teken van het geloof? Het is het teken van het Doopsel en van het Vormsel, dat van de christen een volmaakt christen maakt. Reeds het Doopsel alleen schenkt ons dit teken van het geloof, omdat wij daarin met het Kruis worden getekend.
Zó waar is dit, dat wanneer het lichaam van een overledene naar de kerk wordt gebracht, de priester daarover dit gebed uitspreekt: Non intres in judicium cum servo tuo, Domine … qui, dum viveret, insignitus est signaculo sanctae Trinitatis.
Ja, hij werd getekend met het teken van het geloof, signum fidei, het teken van de allerheiligste Drievuldigheid. Daarom heeft hij, o Heer, recht op Uw erbarmen en behoort hij niet met al te grote gestrengheid geoordeeld te worden.
Deze uitdrukking van de heilige Kerk, signum fidei, bewijst nogmaals dat wij hier niet kunnen bidden voor ongelovigen, zoals wij reeds eerder opmerkten bij het Memento van de levenden, daar zij niet in gemeenschap staan met de heilige Kerk.
Et dormiunt in somno pacis. De heilige Kerk stelt ons hier nadrukkelijk voor ogen hoe zij de dood van een christen beschouwt. Het is een slaap, zegt zij ons, voor hen over wie wij spreken: dormiunt. Om dezelfde reden geeft zij aan de plaatsen van begraving de naam kerkhof of cimeterium, omdat dit woord een slaapplaats of rustplaats betekent.
Ja, zij slapen, en het is een slaap van vrede: in somno pacis. De heilige Kerk gebruikt deze uitdrukking omdat degenen voor wie zij bidt in vrede met haar gestorven zijn en in ware kinderlijke onderwerping aan haar. Zij zijn gestorven in Jezus Christus, in de kus des Heren. Zelfs indien zij nog in het vagevuur verblijven, kan toch van hen gezegd worden dat zij slapen in vrede, omdat zij gered zijn in Jezus Christus, die de vrede met Zich brengt.
In de catacomben vindt men dikwijls de woorden in pace op grafstenen gegrift. Zo spraken de eerste christenen over de dood. Eveneens zingen wij in het officie van de martelaren: Corpora sanctorum in pace sepulta sunt. Dit zeer oude officie bewaart nog de taal van de catacomben: in pace.
De heilige Kerk heeft daarvan een overblijfsel behouden wanneer zij voor haar overledenen bidt en de priester laat zeggen: dormiunt in somno pacis.
De rubriek schrijft hier voor dat de priester de handen samenvoegt bij het einde van dit eerste gedeelte van het gebed. Dan bidt hij voor die overledenen die hij in het bijzonder wil aanbevelen. Daarna strekt hij opnieuw de handen uit en vervolgt aldus: Ipsis, Domine, et omnibus in Christo quiescentibus. Hier zien wij dat iedere Mis nuttig is voor alle zielen in het vagevuur.
Locum refrigerii, lucis et pacis, ut indulgeas, deprecamur. Let hier op deze drie zaken die de heilige Kerk vraagt: verkwikking, licht en vrede.
Wat is immers het vagevuur? Het is een plaats waar de zielen verkwikking nodig hebben, want die brandende vlammen worden hevig gevoeld. Het is bovendien een plaats zonder licht, daar de heilige Kerk voor deze arme zielen een locum lucis afsmeekt. Niets is daar aanwezig dat hen afleidt van hun verschrikkelijke smarten.
Verder is het een plaats waar de zoete vrede niet heerst. Daar is een voortdurende onrust, terwijl de ziel zich uitstrekt naar God, die zij nog niet bereiken kan. Daar verkeert zij in diepe benauwdheid en angst, in ellende omdat zij zichzelf in zulk een toestand van jammerlijke smart en vreselijk lijden heeft gebracht.
Ja, het vagevuur is waarlijk de volkomen tegenstelling van die verblijfplaats waar eeuwig heersen: refrigerium, lux et pax.
Deze drie uitdrukkingen zijn van het hoogste belang, omdat zij ons tonen dat telkens wanneer wij voor de overledenen bidden, de hulp die hun door onze bemiddeling bereikt altijd bestaat in verkwikking, licht en vrede.
De priester besluit het gebed op de gebruikelijke wijze: Per eumdem Christum Dominum nostrum. Amen. Bovendien bestaat hier een bijzondere rubriek die voorschrijft dat hij bij deze slotwoorden het hoofd buigt, iets wat bij andere gebeden niet wordt voorgeschreven. Dit is bedoeld als een nog dringender smeking.
Want op dit ogenblik straalt licht in het vagevuur, daar een gebed dat voor deze arme zielen wordt opgedragen nooit zonder uitwerking blijft. Het is alsof de duistere kerker zich opent om de zachte dauw van verkwikking, licht en vrede neer te laten dalen op deze brandende lijders.
Deze drievoudige hulp wordt aan de verschillende zielen geschonken in de mate die Gods rechtvaardigheid aan ieder toekent. Want de heilige Kerk kan slechts bidden voor de overledenen bij wijze van voorspraak. Zij bezit niet langer die rechten over hen welke zij bezat toen zij nog haar ledematen op aarde waren.
Maar anderzijds weten wij ook dat haar gebed altijd een heilzame uitwerking heeft op de zielen die in het vagevuur lijden, en dat God nooit toelaat dat een gebed dat voor hen wordt opgedragen vruchteloos blijft.
Nobis quoque peccatoribus. Nu wij hebben gezien hoe het kostbaar Bloed van Christus overvloedig uitstroomt over het vagevuur, laten wij onze gedachten richten op onszelf. De priester gaat nu spreken in zijn eigen belang en in het onze. Hij verklaart zichzelf een zondaar, evenals wij het zijn.
Nobis quoque peccatoribus famulis tuis, de multitudine miserationum tuarum sperantibus partem aliquam et societatem donare digneris cum tuis sanctis …
Ook wij, hoewel zondaars, vragen ons deel aan de gelukzaligheid. Wij willen daarvan niet uitgesloten worden. Dit is de enige maal waarop de priester tijdens de Canon met verheven stem spreekt. Terwijl hij aldus spreekt slaat hij zich op de borst, en de gelovigen behoren hetzelfde te doen.
De broederlijke liefde heeft ons ertoe gebracht te bidden voor onze broeders die gestorven zijn en nog niet zijn toegelaten tot de vreugde van de hemel. Maar tevens smeken wij Onze Heer dat ook ons deel gegeven moge worden aan diezelfde gelukzaligheid. Op Zijn goedheid en barmhartigheid stellen wij ons vertrouwen.
En met wie verlangen wij deel en gemeenschap te hebben? Cum tuis sanctis Apostolis et Martyribus, met Uw heilige Apostelen en Martelaren. Het scheen de heilige Kerk dat zij nog niet voldoende heiligen had genoemd. Maar daar zij het niet passend achtte nieuwe namen toe te voegen aan haar eerste lijst, vond zij dit ogenblik geschikt om hen te noemen die haar bijzonder dierbaar waren.
Het is voor de heiligen een zeer grote eer dat hun namen aldus vermeld worden in deze grote handeling van de Kerk. Daarom heeft God Zelf Zijn uitverkorenen aangewezen die in de tegenwoordigheid van Jezus Christus herdacht zouden worden.
Opnieuw ontmoeten wij hier Apostelen en Martelaren: Cum tuis sanctis Apostolis et Martyribus. Men moet niet vergeten dat in de eerste eeuwen de verering van belijders nog niet algemeen was ingesteld. Heilige eer werd toen slechts bewezen aan Apostelen en Martelaren. Daarom worden alleen deze twee klassen genoemd.
Met hen verlangen wij verenigd te worden. Vervolgens zegt de Kerk: cum Johanne, met Johannes. Welke Johannes wordt hier bedoeld? Het is Johannes de Doper, de Voorloper van Onze Heer.
Stephano, met Stefanus, de protomartelaar. Waarom werd deze grote heilige niet reeds eerder genoemd? Omdat de heilige Kerk in het eerste diptych, na Petrus en de Apostelen genoemd te hebben, onmiddellijk overging tot de eerste pausen: Linus, Cletus en Clemens. Door Petrus en zijn drie opvolgers aldus samen te noemen wordt de Kerk zelf onmiddellijk zichtbaar gemaakt, evenals de macht van Petrus, in deze heerlijke reeks van heilige pausen. De naam van Stefanus zou deze orde van gedachten hebben onderbroken indien hij in de eerste lijst geplaatst was.
Hetzelfde geldt voor Johannes de Doper, die niet beschouwd wordt als Apostel noch als Martelaar, hoewel hij boete predikte en de komst van Christus aankondigde, en hoewel hij ter dood gebracht werd wegens zijn moedige verdediging van de kuisheid. De Kerk echter, die verlangde deze beide grote heiligen te noemen, gaf hun deze plaats.
Matthia, met Matthias. Hier hebben wij een Apostel. Zijn naam werd hier geplaatst omdat de heilige Kerk in haar eerste diptych twaalf Apostelen had genoemd, waarbij zij Paulus aan de Twaalf toevoegde. Matthias, die gekozen werd om na de afval van Judas het apostolisch college aan te vullen, mocht zijn rechtmatige plaats niet verliezen. Daarom werd zijn naam aan het hoofd van het tweede diptych geplaatst.
Barnaba, met Barnabas, de metgezel van Paulus op vele van diens apostolische reizen.
Ignatio, met Ignatius, de grote martelaar, die na Evodius Petrus opvolgde op de zetel van Antiochië. Hij schreef die schitterende brief aan de Romeinen waarin hij spreekt over het geluk dat de christen wacht wanneer hij de genade ontvangt voor Christus te mogen sterven. Onder Trajanus kwam hij naar Rome om als het ware zijn as te vermengen met die van Petrus en Paulus, want daar onderging hij het martelaarschap.
Alexandro, met Alexander. Hier verschijnt de naam van een groot paus. Hij was de vijfde of zesde opvolger van Petrus. Het was een gelukkige gedachte zijn naam hier in te voegen, want hij was het die voorschreef dat in de Canon deze woorden moesten worden opgenomen: Qui pridie quam pateretur, opdat op dit plechtige ogenblik de gedachtenis van het lijden van Christus levendig voor ogen zou staan.
Marcellino, Petro, met Marcellinus en Petrus. Dit zijn twee martelaren uit de vervolging van Diocletianus. Marcellinus was priester en Petrus exorcist. Hun namen worden nooit van elkaar gescheiden.
Tot nu toe werd in de Canon nog geen enkele heilige vrouw genoemd. De heilige Kerk kon hen echter niet verzwijgen. Wie noemt zij het eerst? Felicitate, de grote Felicitas, moeder van de zeven martelaarzonen, die onder Marcus Aurelius als het ware het heldhaftige offer van de moeder der Machabeeën vernieuwde.
Zo beroemd was zij met haar kinderen, dat, hoewel de catacomben reeds geopend waren ten tijde van hun martelaarschap, de christenen de lichamen van haar zonen onder elkaar verdeelden om ze in de verschillende begraafplaatsen bij te zetten. Felicitas zelf leed het martelaarschap op 29 november, terwijl haar kinderen reeds in juli vereerd waren geworden. Zij werd begraven in de catacombe van Priscilla, samen met twee van haar zonen.
Perpetua, dit is die edele dame van Carthago. Daar haar naam onmiddellijk volgt op die van Felicitas, is dit een bijkomend bewijs dat hier zeker Felicitas van Rome wordt bedoeld en niet de Felicitas die samen met Perpetua in Carthago geleden heeft. Perpetua vertegenwoordigt hier ook haar gezellinnen en allen die samen met haar geleden hebben. Zij wordt bijzonder genoemd als de voornaamste onder hen, en omdat zij zelf gedeelten van haar martelaarschap beschreven heeft.
Agatha, Lucia, met Agatha en Lucia. Tot aan de tijd van de heilige Gregorius de Grote zei men: Perpetua, Agnes, Caecilia. Maar deze heilige paus, die Sicilië liefhad en er zelf zes kloosters had gesticht, voegde aan de Canon de namen toe van de twee Siciliaanse maagden: Agatha van Catania en Lucia van Syracuse. Uit hoffelijkheid jegens deze vreemdelingen gaf hij hun de voorrang boven de twee Romeinse maagden Agnes en Caecilia.
Waarom komt Agnes hier vóór Caecilia, hoewel Agnes eerst onder Diocletianus geleden heeft en Caecilia reeds onder Marcus Aurelius? Misschien is de welluidendheid van de zin de enige reden hiervoor.
Anastasia, zij is de edele Romeinse weduwe die onder Diocletianus het martelaarschap onderging en die te Rome zó beroemd was dat de paus vroeger de tweede Mis van Kerstmis in haar kerk opdroeg. Hoewel dit gebruik thans verdwenen is, wordt nog altijd een gedachtenis van deze grote heilige gemaakt in diezelfde Mis.
Intra quorum nos consortium, non aestimator meriti, sed veniae quaesumus, largitor admitte. Nadat de heiligen opnieuw genoemd zijn, smeekt de priester God ons onder hun gemeenschap te willen opnemen, niet wegens enige verdienste van onze kant, maar enkel krachtens Zijn goedheid, barmhartigheid en vergiffenis.
De priester besluit met de gewone slotformule: Per Christum Dominum nostrum.
Per quem haec omnia.
Vroeger werd hier een bepaalde plechtigheid verricht die thans verdwenen is. Men bracht en plaatste nabij het altaar brood, wijn, groenten en vruchten, terwijl de priester de volgende woorden uitsprak, die nog steeds onmiddellijk na het voorafgaande gebed worden gezegd: Per quem omnia, Domine, semper bona creas, sanctificas, vivificas, benedicis et praestas nobis.
Terwijl hij deze woorden uitsprak, gaf de priester, staande in de tegenwoordigheid van Onze Heer Zelf en in heel de verhevenheid van zijn sublieme bediening, de zegen over alles wat op dat ogenblik bij het altaar werd aangeboden.
Het verschil tussen de gebruiken van vroeger en die van onze tijd verklaart tegelijk zowel het bestaan van deze ceremonie in de eerste eeuwen als haar verdwijnen in latere tijden.
Vroeger bezat iedere kerk slechts één altaar, opgesteld volgens hetgeen de heilige Johannes beschrijft in de Apocalyps. In de uiterste diepte van de geheimvolle apsis bevond zich de troon van de Vader; daarvoor stond het altaar, met aan weerszijden de Oudsten en daarop het Lam.
Slechts één Mis werd opgedragen, en zelfs dat niet noodzakelijk iedere dag. Zij werd gevierd door de bisschop, terwijl alle priesters zich met hem verenigden en samen met hem consecreerden. Dan kwamen de gelovigen de vruchten der aarde en alles wat tot voedsel diende aanbieden, opdat de bisschop ze tijdens deze ene Mis zou zegenen.
Later, ongeveer vanaf de achtste eeuw, ontwikkelde zich door een verborgen werking van de Heilige Geest een volksdevotie voor de meer frequente viering van de heilige Mis. Het aantal altaren vermeerderde zich en het aantal Missen nam toe. Maar naarmate dit gebruik zich verbreidde, verdween geleidelijk het aanbieden van vruchten en groenten om gezegend te worden.
Wat moest de heilige Kerk dan doen met deze woorden van zegening? De priester heeft hun oorspronkelijke betekenis thans gewijzigd en past ze toe op het Lichaam van Onze Heer Jezus Christus, tegenwoordig op het altaar, door wie ons alle dingen worden geschonken.
Daarom maakt de priester ook het kruisteken over kelk en hostie bij de woorden: sanctificas, vivificas, benedicis. Misschien schijnt dit enigszins gezocht, maar het toont ons in ieder geval hoe groot de eerbied van de heilige Kerk is voor het verheven gebed van de Canon.
Om deze enkele woorden niet verloren te laten gaan, geeft zij er thans de toepassing aan op het Lichaam van Jezus Christus, dat geschapen werd en dat door de Mysteriën van Zijn lijden, Verrijzenis en Hemelvaart verwezenlijkt hetgeen door deze woorden wordt uitgedrukt: vivificas, benedicis; vervolgens: praestas nobis, want ditzelfde Lichaam wordt ons geschonken als voedsel.
Van deze oude ceremonie is in onze dagen nog slechts een overblijfsel behouden. Op het feest van de Gedaanteverandering worden op ditzelfde ogenblik druiven gezegend, hoewel men daarbij niet de woorden van de Canon gebruikt. Het gebed dat de Benedictijnen hiervoor gebruiken is ontleend aan het missaal van Cluny.
Eveneens zegent de bisschop op Witte Donderdag op ditzelfde ogenblik de olie der zieken.
De Canon nadert thans zijn einde. Hij zal besloten worden wanneer de priester opnieuw de stem verheft om de slotwoorden uit te spreken en het gebed des Heren te reciteren.
De Grieken noemen de Canon de Liturgie. In de loop der eeuwen werd de betekenis van dit woord uitgebreid zodat het het geheel van het goddelijk officie aanduidde. Oorspronkelijk echter verstond men er uitsluitend de Canon van de Mis onder, het werk bij uitnemendheid, zoals het Griekse woord zelf uitdrukt.
Eveneens vinden wij in het Latijnse missaal de uitdrukking infra actionem, om datgene aan te duiden wat geschiedt in de handeling van het Offer, dat wil zeggen: de Handeling bij uitnemendheid.
Ook het woord Canon zelf is een Grieks woord, zoals wij reeds eerder opmerkten. Daarin ligt niets verwonderlijks, want het is bekend hoe verbreid het gebruik van de Griekse taal was ten tijde van het ontstaan van de heilige Kerk.
Van de vier Evangeliën werden er zeker drie in het Grieks geschreven.
Vóór het einde van het grote gebed wordt een zeer plechtige rite verricht. Het is de laatste belijdenis van de heilige Kerk betreffende de identiteit tussen het Kruisoffer en het Offer van de Mis.
De priester ontbloot de kelk die het Bloed van Onze Heer bevat, en nadat hij een kniebuiging heeft gemaakt neemt hij met de rechterhand de heilige Hostie en met de linkerhand de kelk. Vervolgens maakt hij driemaal met de Hostie het kruisteken boven de kelk, van de ene rand van de kelk naar de andere, terwijl hij zegt: per ipsum, et cum ipso, et in ipso.
Daarna maakt hij met de heilige Hostie het kruisteken tussen de kelk en zijn eigen borst, zoals tevoren, en voegt eraan toe: est tibi Deo Patri omnipotenti, in unitate Spiritus Sancti.
Vervolgens plaatst hij de Hostie boven de kelk en verheft beide enigszins terwijl hij zegt: omnis honor et gloria. Daarna legt hij de Hostie weer neer en bedekt opnieuw de kelk.
Nadat dit geschied is zegt hij: Per omnia saecula saeculorum, waarop het volk antwoordt: Amen.
Wat betekent deze handeling van de priester? De heilige Kerk bezit haar Bruidegom in de staat van offerande en slachtoffering; en toch leeft Hij. Daarom wil zij hier op bijzondere wijze Zijn hoedanigheid als levende God doen uitkomen. Zij drukt dit uit door het Lichaam en Bloed des Heren opnieuw te verenigen en de Hostie onmiddellijk boven het Kostbaar Bloed te plaatsen om God eer te bewijzen.
Daarop laat zij de priester zeggen: per ipsum, door Hem wordt de Vader verheerlijkt; et cum ipso, met Hem wordt Hij verheerlijkt, omdat God de Vader geen heerlijkheid bezit die hoger is dan die van de Zoon of daarvan gescheiden zou zijn. Welk een majesteit ligt besloten in dit cum ipso. Vervolgens: in ipso, in Hem wordt de Vader verheerlijkt. De heerlijkheid die de Zoon aan de Vader brengt bevindt zich in de Zoon en niet buiten Hem: in ipso.
Zo worden door Hem, met Hem en in Hem alle eer en heerlijkheid aan God de Vader gebracht.
De priester maakt opnieuw tweemaal het kruisteken, maar nu tussen de kelk en zijn eigen borst. Waarom dit verschil? Omdat hij de woorden uitspreekt: est tibi Deo Patri omnipotenti, in unitate Spiritus Sancti. Daar noch de Vader noch de Heilige Geest geofferd zijn geworden, zou het ongepast zijn bij hun vermelding de Hostie boven het Bloed te houden dat uitsluitend aan de Zoon toebehoort, Hij alleen immers heeft onze menselijke natuur aangenomen en is voor ons geofferd.
Maar wanneer de priester vervolgens de woorden uitspreekt: omnis honor et gloria, houdt hij opnieuw de heilige Hostie boven de kelk. Daardoor drukt hij uit dat in de aderen van het goddelijk Slachtoffer dat hij opdraagt het Kostbaar Bloed voor eeuwig stroomt samen met de onsterfelijkheid.
Daarom kan de priester nu tot God zeggen: omnis honor et gloria. Deze offerande is de heerlijkste handeling die ooit tot Uw eer kan worden verricht, want wij bezitten de verrezen Christus, en Hijzelf is het die op dit altaar tot Uw eer wordt geofferd.
Neen, Hij die geofferd wordt is geen louter schepsel. Maar door Hem en met Hem, per ipsum et cum ipso, wordt alle eer en heerlijkheid aan God gebracht. Deze heerlijkheid stijgt rechtstreeks op tot God. Hij kan deze hulde niet afwijzen, daar zij gebracht wordt door Hem die geofferd wordt en toch leeft.
Het Offer dat hier waarlijk wordt opgedragen is dus de grootste daad die voor God kan worden verricht. Op Calvarië was de slachtoffering van Onze Heer een afschuwelijke en goddeloze misdaad. Maar hier is deze offerande alles wat God het meest verheerlijkt, en dat juist omdat Hij die geofferd wordt leeft.
Het is de levende God die wij offeren. Het is de levende Zoon die aan de levende God wordt opgedragen. Wat zou grootser en rechtvaardiger kunnen zijn dan deze gedachte uit te drukken door het Lichaam van Onze Heer rechtstreeks boven Zijn Bloed te plaatsen?
Ziehier hoe het Offer van de Mis de heerlijkste handeling is die voor God kan worden verricht, daar Hem op dit verheven ogenblik alle eer en alle heerlijkheid worden gebracht: per ipsum, et cum ipso, et in ipso.
Deze plechtige rite waarover wij spreken toont ons hoezeer God de wereld heeft liefgehad. Want wanneer wij overwegen dat Hij die de priester aldus in zijn handen houdt niet alleen Degene is door wie alle heerlijkheid aan God wordt gebracht, maar ook Degene die dezezelfde heerlijkheid met Hem deelt: per ipsum et in ipso.
Het is het Woord van de Vader dat toestaat zich in menselijke handen te laten opheffen en aanraken, omdat Hij verlangt dat alle eer aan God wordt gebracht: omnis honor et gloria. Hij wil dat tot God een hulde opstijgt die Hij niet kan afwijzen.
Wat zijn immers alle huldebetuigingen van de mensen vergeleken bij de aanbidding die Onze Heer Zelf aan Zijn Vader brengt?
Ja waarlijk, het heilig Offer van de Mis is de heerlijkste handeling die wij ooit voor God kunnen verrichten. Men kan een gebed opdragen of een daad van deugd stellen, maar daardoor wordt Gods aandacht niet noodzakelijk opgeëist. Terwijl Hij bij de Mis door al Zijn eigen oneindige volmaaktheden als het ware verplicht wordt acht te slaan op de eredienst die Hem daar gebracht wordt.
Laten wij nu nagaan of deze belangrijke rite reeds tot de eerste eeuwen kan worden teruggevoerd. Zij is zeker zeer oud. Zij moet in alle tijden hebben bestaan, want men vindt haar overal terug.
Men begrijpt onmiddellijk dat de heilige Kerk, terwijl zij haar Bruidegom aan God opdraagt, nooit zou kunnen zeggen dat Hij dood is. Zij heeft Hem wel geofferd, maar Hij die aldus geofferd wordt leeft, en dit moet zij noodzakelijk belijden.
Ziehier hoe nu de drie grote Mysteriën zijn vervuld: het lijden, de Verrijzenis en de Hemelvaart. Dat Christus waarlijk de onze is, wordt juist door deze drie Mysteriën uitgedrukt, en de heilige Kerk houdt dit voortdurend voor ogen.
Vóór deze vervuld waren, was er nog niet zulk een volheid van rijkdom, indien men zich zo mag uitdrukken. Hij werd geboren te Bethlehem, maar de Menswording alleen was volgens Gods raadsbesluit niet voldoende om ons te redden, hoewel zij daartoe op zichzelf overvloedig zou hebben volstaan indien God het zo gewild had.
Vervolgens onderging Christus Zijn bitter lijden, maar ook dat was nog niet genoeg. Er moest Zijn overwinning op de dood komen, Zijn Verrijzenis. En zelfs dan moest er nog iets meer geschieden. Christus moest de hemel openen. Hij moest Zijn Hemelvaart volbrengen.
Het was noodzakelijk dat onze menselijke natuur, welke Hij waardig achtte aan te nemen, waarin Hij geleden heeft en waardoor Hij Zich aan de dood onderwierp, juist die menselijke natuur verheven zou worden op de troon van de hemel. Daarom was Zijn Hemelvaart een ware noodzaak.
Zo is Hij die wij in onze handen houden waarlijk de Heer Zelf: Hij die geleden heeft, Hij die gestorven is, Hij die verrezen is, Hij die ten hemel is opgevaren.
Ziehier waarom wij Onze Heer grote dank verschuldigd zijn dat Hij ons heeft laten geboren worden ná de voltooiing van al deze verheven Mysteriën.
Want degenen die gestorven zijn tussen de Verrijzenis en de Hemelvaart waren wel gelukkiger dan zij die hun voorafgingen, maar toch zijn wij nog veel meer bevoorrecht dan zij, omdat Christus in hun dagen nog niet volledig was in Zijn Mysteriën.
Degenen die stierven tussen de dood van Onze Heer en Zijn Verrijzenis waren minder gelukkig dan dezen. En wat betreft hen die vóór de komst van de Verlosser gestorven zijn: zij bezaten slechts de hoop en moesten dit leven verlaten vóór zij deze hoop verwezenlijkt zagen.
O hoeveel meer begunstigd zijn wij dan allen die ons zijn voorafgegaan. Daarom zeggen wij: unde et memores Domine, nos servi tui, sed et plebs tua sancta ejusdem Christi Filii tui Domini nostri tam beatae Passionis, necnon et ab inferis Resurrectionis, sed et in coelos gloriosae Ascensionis.
Welk een kracht ligt in deze woorden. Maar bovendien, welk een diepe eerbied en liefde behoren wij niet te hebben voor één enkele Mis, daar zij het grootste werk is dat Onze Heer Zelf heeft verricht.
Ja, zij omvat alles wat Hij kan doen. Zij is datgene wat Hij eeuwig zal blijven doen, want het priesterschap van Onze Heer houdt nooit op. Priester is Hij en Priester zal Hij eeuwig blijven: tu es sacerdos in aeternum.
Het is de Vader Zelf die de eeuwigheid van Zijn priesterschap verkondigt: Juravit Dominus et non paenitebit eum: tu es Sacerdos in aeternum secundum Ordinem Melchisedech. De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech.
De Heer voegt dit eraan toe omdat Jezus Christus Zijn priesterschap zal uitoefenen door middel van brood en wijn, die ook de stof vormden van het offer van Melchisedech.
Priester is Hij dus voor eeuwig, Zichzelf voortdurend voor ons offerend, eeuwig levend. En dit alles, zoals de heilige Paulus zegt, om voor ons ten beste te spreken: Semper vivens ad interpellandum pro nobis. Toch behoudt Hij voor eeuwig de tekenen van Zijn lijden, opdat zij voortdurend getuigen van het Offer en Hij deze Zijn Wonden aan Zijn Vader voor ons kan tonen.
Daarom zegt de heilige Kerk met vertrouwen tot God: Jube haec perferri per manus Sancti Angeli tui in sublime altare tuum, in conspectu divinae Majestatis tuae. Dat wil zeggen: gebied dat deze offergaven die wij hier opdragen geheel één worden met dat altaar daarboven in de hemel, aangezien zij daartoe waarlijk waardig zijn.
Want zowel op het altaar der aarde als op het altaar des hemels is het altijd en overal Jezus Christus die offert, daar Hij Priester is in eeuwigheid, en tevens het Slachtoffer dat wordt opgedragen.
Ja, zelfs wanneer de wereld niet meer zal bestaan, zal Onze Heer voortgaan God dezelfde eredienst te brengen in Zijn hoedanigheid van Priester: Sacerdos in aeternum, omdat het passend is dat God eeuwig geëerd wordt.
Toch zullen dan de twee doeleinden van het Offer die betrekking hebben op verzoening en smeekbede niet langer bestaan. Jezus Christus, Sacerdos in aeternum, zal dan alleen nog aanbidden en danken.
Het is goed hier op te merken dat het offer van lof de heilige Mis omgeeft, waardoor het eerstgenoemde zijn ware leven ontvangt. De heilige Kerk heeft het uur van Terts vastgesteld voor het opdragen van het heilig Misoffer. Dit was immers het uur waarop de Heilige Geest neerdaalde over de Kerk. Daarom laat de Kerk ons aan het begin van dit uur in het officie bidden: Nunc Sancte nobis Spiritus …
De Kerk roept deze goddelijke Geest aan, die door Zijn tegenwoordigheid haar liefde verwarmt en haar voorbereidt om het grote Offer op te dragen. Sinds de Metten is het gehele officie reeds verlicht door de stralen van dit verheven Offer, en deze invloed duurt voort tot aan de Completen, die het offer van lof besluiten.
Vroeger, zoals wij reeds hebben gezegd, vond de elevatie plaats aan het einde van de Canon. De Grieken hebben dit gebruik behouden. Het geschiedt daar op de volgende wijze. Nadat de priester de hostie boven de kelk heeft gehouden en de woorden Omnis honor et gloria heeft uitgesproken, wendt hij zich tot de verzamelde gelovigen terwijl hij het Lichaam en Bloed van Onze Heer toont. Tegelijk roept de diaken luid: Sancta Sanctis, het heilige voor de heiligen.
Nadat het grote gebed van de Canon is beëindigd, verbreekt de priester de stilte die in de heilige vergadering heerst door uit te roepen: Per omnia saecula saeculorum. En het volk antwoordt: Amen, als teken van instemming met hetgeen zojuist is verricht en van vereniging met de offerande die aan God werd opgedragen.
Het gebed des Heren
Onze Heer heeft gezegd: Wanneer gij bidt, zegt dan: Onze Vader die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw Naam, enzovoort. Welk geschikter ogenblik zou er kunnen zijn dan dit om dit gebed tot God op te zenden? Daarom laat de priester ons nu het Pater noster horen.
Zoals in onze dagen, zo heeft het gebed des Heren ook in alle vroegere eeuwen een plaats gehad in het heilig Offer, want wij vinden het terug in iedere liturgie en in iedere Canon van de Mis. Bovendien gebruikt de Kerk het bij alle plechtige gelegenheden. Het is onze steun en het onderpand dat Onze Heer ons heeft gegeven toen Hij sprak: Wanneer gij bidt, zegt dan: Pater noster.
De heilige Kerk laat aan dit gebed deze verheven woorden voorafgaan: Praeceptis salutaribus moniti, et divina institutione formati, audemus dicere. Ja, indien wij durven spreken en de volgende beden durven uitspreken, dan is het omdat wij steunen op het gebod zelf dat wij ontvangen hebben aldus te bidden, een gebod dat ons door onze grote Meester tot ons heil werd gegeven.
Zo zijn wij onderwezen door Zijn eigen goddelijke mond, en daarom durven wij zeggen: audemus dicere: Pater noster.
De priester gaat nu achtereenvolgens de zeven beden van het gebed des Heren aan God aanbieden. De eerste drie hebben betrekking op God Zelf en betreffen daarom de liefde van welwillendheid. Zo voert Onze Heer ons binnen in de zuiverste liefde.
Pater noster qui es in coelis, sanctificetur nomen tuum. Geheiligd zij Uw Naam, dat wil zeggen: moge aan Uw Naam alle eer en verering worden gebracht die Hem toekomt, omdat dit Uw recht is.
Adveniat regnum tuum. Uw rijk kome, dat wil zeggen: wij smeken dat Uw heerschappij gevestigd worde in allen en over allen, want Gij zijt waarlijk Koning.
Fiat voluntas tua sicut in coelo et in terra. Uw wil geschiede op aarde, dat wil zeggen door de mensen, zoals hij geschiedt in de hemel door de engelen en de zaligen.
Nadat wij aldus volgens de leer van Onze Heer Zelf gebeden hebben dat Gods rijk kome en Zijn heerlijkheid in heel de schepping verwezenlijkt worde, voegt de priester de vier overige beden toe, die betrekking hebben op hetgeen wijzelf nodig hebben.
Panem nostrum quotidianum da nobis hodie. Hier vragen wij om ons dagelijks brood. God verstaat het zo, en Onze Heer leert ons door slechts dagelijks brood te vragen dat het nutteloos is zich zonder reden over de toekomst te bekommeren, aangezien wij niet eens weten of wij morgen nog zullen leven.
Maar wij vragen niet alleen brood voor het lichaam, doch ook voor de ziel, die eveneens voedsel nodig heeft. Daarom luidt het bij een der Evangelisten: Panem nostrum supersubstantialem da nobis hodie. Ziehier dit Brood op het altaar. Dáár is het om onze zielen te voeden, en dit is het ogenblik om het van God af te smeken.
Daar wij zondaars zijn, moeten wij vervolgens om vergiffenis vragen: Et dimitte nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostris. Ja, vergeef ons al hetgeen wij tegen U misdaan hebben. En wijzelf bepalen als het ware de maat van deze vergiffenis door God te smeken ons te vergeven zoals wij vergeven aan hen die tegen ons misdaan hebben.
Et ne nos inducas in tentationem. Leid ons niet in bekoring, dat wil zeggen: bescherm en verdedig ons wanneer de verzoeking ons aanvalt. Hoewel het tot Gods raadsbesluit behoort dat wij beproefd worden opdat wij verdiensten verwerven, mogen wij Hem toch smeken ons daarin te sparen, want wij zijn zwak en kunnen zo gemakkelijk vallen.
Sed libera nos a malo. Maar verlos ons van het kwaad. Hier moeten twee zaken worden verstaan. Wij vragen verlost te worden van het kwaad en van de boze, dat is de duivel, die voortdurend tracht ons tot het kwaad te brengen. En indien wij reeds in het kwaad gevallen zijn, smeken wij God ons barmhartig uit zijn macht te bevrijden.
Libera nos, quaesumus
Hier begint een nieuw gedeelte van de Mis, dat voortduurt tot aan het tweede gebed vóór de Communie. De Communie is het middel waardoor Onze Heer alle mensen met elkaar wil verenigen om van hen één geheel te maken.
Wanneer de heilige Kerk daarom één van haar leden uit haar schoot verwijdert omdat hij zich onwaardig heeft gemaakt, excommuniceert zij hem. Hij heeft dan geen deel meer aan deze gemeenschap der gelovigen.
Om deze eenheid uit te drukken verlangt de heilige Kerk dat de vrede, die voortvloeit uit de liefde welke onder de gelovigen heerst, op bijzondere wijze in ere gehouden wordt. Daarom gaat zij nu in het volgende gebed om deze vrede smeken, waarna weldra de vredeskus onder de gelovigen zal worden uitgewisseld als uitdrukking van hun onderlinge liefde.
Onze Heer heeft gezegd: indien gij uw gave naar het altaar brengt en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave vóór het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom daarna uw offer opdragen.
De heilige Kerk, die geheel doordrongen is van deze gedachte van haar Heer, houdt zich op dit plechtige ogenblik bezig met het bewaren van vrede en liefde onder al haar leden.
In dodenmissen wordt deze vredeskus niet gegeven. Ook hierin bewaart de Kerk steeds het besef dat de overledenen niet langer onder de macht van de sleutels der Kerk staan, zodat zij hun deze vrede niet meer kan geven. Onze verhouding tot hen is daardoor geheel veranderd.
De priester zegt daarom, als een verdere uitwerking van de laatste bede van het gebed des Heren: Libera nos, quaesumus, Domine, ab omnibus malis praeteritis, praesentibus et futuris.
Ja Heer, versterk ons, want onze vroegere zonden hebben ons geestelijk verzwakt en wij zijn nog slechts herstellenden. Verlos ons van de bekoringen die ons thans bestoken en van de andere verdrukkingen die op ons drukken, evenals van de zonden waaraan wij ons nog schuldig zouden kunnen maken. Bewaar ons tenslotte ook voor de kwaden die ons in de toekomst zouden kunnen bedreigen.
Et intercedente beata et gloriosa semper Virgine Dei Genitrice Maria, cum beatis Apostolis tuis Petro et Paulo, atque Andrea et omnibus sanctis. De heilige Kerk, die voorsprekers nodig heeft, neemt haar toevlucht tot de allerzaligste Maagd, evenals tot de heilige Apostelen Petrus en Paulus. Maar waarom wordt hier alleen de heilige Andreas nog toegevoegd? Eenvoudig omdat de heilige Roomse Kerk altijd een bijzondere devotie tot deze Apostel heeft gekoesterd.
Da propitius pacem in diebus nostris, ut ope misericordiae tuae adjuti, et a peccato simus semper liberi, et ab omni perturbatione securi. Geef ons, Heer, vrede in onze dagen, opdat wij, ondersteund door de hulp van Uw barmhartigheid, allereerst van alle zonde bevrijd mogen blijven en vervolgens veilig mogen zijn voor alle aanvallen van het kwaad die ons onverwachts zouden kunnen overvallen.
Zulk is dit verheven gebed om vrede dat de heilige Kerk gebruikt bij dit bijzondere Mysterie van de heilige Mis. Midden in dit gebed, juist wanneer de priester zegt: et omnibus Sanctis, maakt hij met de pateen, die hij sinds het begin in zijn rechterhand houdt, het kruisteken. Vervolgens kust hij haar als teken van eerbied voor het heilige vaatwerk waarop weldra het Lichaam des Heren zal rusten, want het is nooit geoorloofd de Hostie zelf te kussen.
Nadat het gebed geëindigd is plaatst de priester de pateen onder de Hostie. Hij ontbloot de kelk, neemt de Hostie op en houdt haar boven de kelk terwijl hij haar in het midden breekt, onder het uitspreken van deze woorden: Per eumdem Dominum nostrum Jesum Christum Filium tuum.
Daarna legt hij het deel van de Hostie dat zich in zijn rechterhand bevindt op de pateen terug en breekt van de andere helft, die hij in zijn linkerhand houdt, een klein deeltje af terwijl hij zegt: qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritus Sancti Deus.
Vervolgens legt hij ook het deel dat hij in zijn linkerhand houdt op de pateen, terwijl hij het kleine deeltje boven de kelk houdt. Dan zegt hij met verheven stem: Per omnia saecula saeculorum. Het volk antwoordt: Amen, als teken dat het instemt met deze bede en haar samen met de priester tot de zijne maakt.
Daarna maakt de priester driemaal met het kleine deeltje het kruisteken boven de kelk terwijl hij luid zegt: Pax + Domini sit + semper vobis + cum. Waarop geantwoord wordt: Et cum spiritu tuo.
De heilige Kerk verliest nooit de vrede uit het oog waarvoor zij zojuist heeft gebeden, en juist op dit ogenblik brengt zij haar opnieuw in herinnering.
De priester laat vervolgens het kleine deeltje dat hij in de hand houdt in de kelk vallen, waardoor het Lichaam en Bloed des Heren worden verenigd. Tegelijk zegt hij: Haec commixtio et consecratio Corporis et Sanguinis Domini nostri Jesu Christi, fiat accipientibus nobis in vitam aeternam. Amen.
Wat betekent deze rite? Wat wordt aangeduid door deze vermenging van het deeltje met het Bloed dat zich in de kelk bevindt? Deze rite behoort niet tot de alleroudste, hoewel zij toch reeds ongeveer duizend jaar bestaat.
Haar bedoeling is te tonen dat op het ogenblik van de Verrijzenis van Onze Heer Zijn Bloed opnieuw met Zijn Lichaam werd verenigd door wederom door Zijn aderen te stromen zoals tevoren. Het zou niet voldoende geweest zijn indien alleen Zijn ziel opnieuw met Zijn Lichaam verenigd was geworden. Ook Zijn Bloed moest noodzakelijk terugkeren, opdat de Heer geheel en volkomen zou zijn.
Onze Verlosser heeft dus bij Zijn Verrijzenis Zijn Bloed teruggenomen dat tevoren vergoten was op Calvarië, in het pretorium en in de hof van Olijven.
Wij kunnen hier een gebruik van de Oosterse Kerken vermelden dat eerst na hun scheiding van de Kerk werd ingevoerd, een zeer eigenaardige en gewaagde gewoonte die slechts uit de veertiende eeuw dateert. Na de Consecratie plaatst men een vuurpot op het altaar waarop kokend water warm gehouden wordt. Daaruit neemt men op verschillende ogenblikken kleine hoeveelheden die met het Kostbaar Bloed worden vermengd, echter zonder de heilige Gedaanten te veranderen.
In het gebed dat de priester uitspreekt terwijl hij het deeltje van de Hostie met het Kostbaar Bloed vermengt, mag het woord consecratio niet verstaan worden in de betekenis van sacramentele consecratie, maar eenvoudig als aanduiding van de hereniging van heilige dingen.
Agnus Dei
Na deze vermenging buigt de priester zich voor het allerheiligste Sacrament, voegt de handen samen en herneemt de woorden van de heilige Johannes de Doper: Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons.
Deze woorden konden nauwelijks op een geschikter ogenblik worden ingevoerd dan nu. Zo zoekt de heilige Kerk overal het schoonste bijeen om het samen te voegen tot één harmonisch geheel in de grote handeling van het heilig Offer.
Daarom neemt zij het gezang over dat de engelen zingen in de hemel en roept ook zij: Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dominus Deus Sabaoth. Vervolgens voegt zij de vreugdekreet van de Hebreeuwse kinderen toe: Benedictus qui venit in nomine Domini. Maar nu zingt zij samen met de Voorloper: Agnus Dei.
Ja waarlijk, op dit ogenblik is de Heer werkelijk zelf het geofferde Lam, en daarom smeekt de Kerk Hem tweemaal, Hij die onze zonden op Zich genomen heeft, zich over ons te ontfermen: miserere nobis.
De derde maal voegt zij eraan toe: Dona nobis pacem, geef ons vrede, omdat de Eucharistie, zoals wij reeds hebben gezegd, het Sacrament van de vrede is, waardoor alle gelovigen onderling verenigd worden.
In dodenmissen zegt men in plaats van miserere nobis: dona eis requiem, en de derde maal voegt men eraan toe: sempiternam. Daardoor wordt zeer duidelijk het karakter uitgedrukt van de bede die wij voor de overleden gelovigen doen. Wij vragen voor hen niet langer, zoals vroeger, de vrede van de onderlinge gemeenschap, maar de rust in de eeuwige vrede.
Gebeden vóór de Communie
Nu volgt het gebed om vrede: Domine Jesu Christe, qui dixisti Apostolis tuis, pacem relinquo vobis, pacem meam do vobis, ne respicias peccata mea, sed fidem Ecclesiae tuae, eamque secundum voluntatem tuam pacificare et coadunare digneris. Qui vivis et regnas Deus, per omnia saecula saeculorum. Amen.
Dit is de formule waarmee de priester om vrede en eenheid onder de gelovigen bidt op het ogenblik dat zij op het punt staan deel te nemen aan de heilige Mysteriën. Dit gebed wordt niet gezegd in dodenmissen.
Nadat het geëindigd is geeft de celebrerende priester de vrede aan de diaken, die haar doorgeeft aan de subdiaken, waarna zij op dezelfde wijze aan het koor wordt overgebracht.
Indien de celebrant een bisschop is, geeft hij de vrede aan de assisterende priester, die haar op zijn beurt aan het koor doorgeeft, terwijl diaken en subdiaken de vrede rechtstreeks van de prelaat ontvangen.
Wat de celebrant zelf betreft: hij ontvangt de vrede door het altaar te kussen vóór de heilige Hostie. Zo is het Onze Heer Zelf die hem de vrede schenkt.
Men kan voor het geven van de vrede een plaat van edelmetaal gebruiken, die daarom instrumentum pacis genoemd wordt. In dat geval kust de celebrant deze plaat nadat hij het altaar heeft gekust.
Indien vorsten, prinsessen of andere hooggeplaatste personen aanwezig zijn aan wie men deze eer wil bewijzen, wordt het instrumentum pacis ook aan hen aangeboden om het op hun beurt te kussen.
Wij hebben reeds opgemerkt dat de vredeskus niet gegeven wordt in dodenmissen. Hetzelfde gebruik wordt onderhouden op Witte Donderdag, als een stil protest tegen de kus van Judas waarmee hij Onze Verlosser verried en aan Zijn vijanden overleverde.
Ook op Paaszaterdag wordt de vredeskus niet gegeven. Hiermee bewaart de Kerk het oude gebruik dat eigen was aan deze dag, toen de plechtigheden gedurende de nacht werden gevierd, omdat het grote aantal neofieten gemakkelijk verwarring had kunnen veroorzaken.
Er bestaat bovendien nog een andere reden voor het weglaten van de vredeskus op Paaszaterdag. Eerst op de avond van Paaszondag richtte de verrezen Heer zich tot de verzamelde leerlingen met de woorden: Pax vobis.
Uit eerbied voor zelfs de kleinste bijzonderheden uit het leven van haar goddelijke Bruidegom laat de Kerk daarom om dezelfde reden in de Mis van Paaszaterdag zowel het Agnus Dei, waarin de woorden dona nobis pacem voorkomen, als de ceremonie van de vredeskus achterwege. Zij hervat deze pas opnieuw in de Mis van Paaszondag.
De priester heeft vóór de Communie nog twee andere gebeden te reciteren. De gebeden die thans in het missaal voorkomen zijn niet zeer oud, hoewel zij toch minstens duizend jaar teruggaan.
Vroeger werd op dit ogenblik gebeden volgens de overlevering, evenals dit het geval was met de gebeden van het Offertorium. Daarom vindt men deze gebeden niet terug in het Sacramentarium van de heilige Gregorius, dat slechts de prefaties, de Canon en de collecten, secreten en postcommunies bevat. Al het overige werd door de Overlevering doorgegeven en verschilde van kerk tot kerk.
De twee gebeden die nu in het missaal zijn vastgelegd werden gekozen uit de verscheidenheid van deze overgeleverde gebeden. Zij worden altijd gebeden, ook wanneer het vredesgebed wordt weggelaten.
Het eerste van deze gebeden begint aldus: Domine Jesu Christe, Fili Dei vivi, qui ex voluntate Patris, cooperante Spiritu Sancto, per mortem tuam mundum vivificasti …
Ziehier hoe bij de dood van Onze Heer de gehele allerheiligste Drievuldigheid werkzaam is. De Vader wil het, de Heilige Geest werkt mede en ondersteunt de heilige mensheid van Onze Heer in de vrijwillige offerande die Hij van Zichzelf brengt.
Maar laten wij het gebed vervolgen: libera me per hoc Sacrosanctum Corpus et Sanguinem tuum, ab omnibus iniquitatibus meis, et universis malis. Het eerste wat wij behoren te verlangen wanneer wij naderen tot de heilige Communie, is dat onze zonden verdwijnen. En omdat wij niet alleen aan het huidige ogenblik denken, smeken wij bovendien bevrijd te worden van alle kwaad, terwijl wij deze bede voor de toekomst toevoegen:
et fac me tuis semper inhaerere mandatis et a Te numquam separari permittas. Qui cum eodem Deo Patre et Spiritu Sancto vivis et regnas Deus in saecula saeculorum. Amen.
Hier vragen wij drie dingen aan de God die tot ons komt in de heilige Communie: ten eerste dat wij bevrijd mogen worden van onze zonden; vervolgens dat wij altijd nauw verbonden mogen blijven met Zijn geboden; en tenslotte dat Hij nooit zal toelaten dat wij van Hem gescheiden worden.
Vervolgens komen wij tot het derde gebed: Perceptio Corporis tui, Domine Jesu Christe, quod ego indignus sumere praesumo, non mihi proveniat in judicium et condemnationem. Dit verwijst naar de woorden van de heilige Paulus over de heilige Communie, wanneer hij in zijn eerste brief aan de Corinthiërs zegt: qui enim manducat et bibit indigne, judicium sibi manducat et bibit.
Het gebed eindigt met de woorden: sed pro tua pietate prosit mihi ad tutamentum mentis et corporis, et ad medelam percipiendam. Qui vivis et regnas.
Hier blijkt duidelijk een onoplettendheid van de liturgisten die dit gebed hebben samengesteld. In alle andere gebeden wordt zowel het Lichaam als het Bloed van Onze Heer vermeld, terwijl hier alleen het Lichaam genoemd wordt.
Dit gebed zou bijna overbodig kunnen schijnen, ware het niet wegens het bijzondere gebruik ervan in de liturgie van Goede Vrijdag. Op die dag ontvangt de priester immers werkelijk slechts onder de gedaante van het Brood alleen, maar hij draagt dan het heilig Offer niet op. Voor de slachtoffering van het Offer zouden beide gedaanten, brood en wijn, noodzakelijk zijn.
Op Goede Vrijdag echter houdt de gedachtenis aan het grote Offer van Calvarië de aandacht van de heilige Kerk zó volledig in beslag, dat zij ervoor terugdeinst het op het altaar te vernieuwen. Zij beperkt zich ertoe deel te nemen aan het heilig Mysterie door de Communie. Daarom gebruikt zij op die dag uitsluitend dit derde gebed en laat zij het voorafgaande weg, waarin uitdrukkelijk van het Offer sprake is.
Dit gebed kan zeer passend ook door de gelovigen gebruikt worden wanneer zij zich voorbereiden op de heilige Communie.
Nadat deze gebeden beëindigd zijn zegt de priester de volgende woorden, die een vrije weergave vormen van Psalm cxv: Panem coelestem accipiam, et nomen Domini invocabo. De heilige Kerk laat nooit een gelegenheid voorbijgaan om uit de Psalmen te putten, omdat zij daarin de ware bron, het model en het voorbeeld van het gebed vindt.
Nadat hij deze woorden heeft uitgesproken neemt de priester met de linkerhand de beide delen van de Hostie op, terwijl hij er de pateen onder houdt. Vervolgens slaat hij driemaal op de borst en zegt: Domine, non sum dignus ut intres sub tectum meum; sed tantum dic verbo, et sanabitur anima mea.
Dit zijn de woorden die de honderdman tot Onze Heer sprak toen deze kwam om zijn knecht te genezen. Opnieuw zien wij hoe de heilige Kerk het gelukkige geheim bezit om de schoonste passages van de heilige Schrift te kiezen en ze als kostbare edelstenen in de heilige Mis in te voegen.
Ook wij zeggen: Domine non sum dignus … In ons geval vragen wij geen genezing voor een knecht, maar smeekt onze eigen arme ziel om hulp en gebruikt zij deze woorden als een laatste beroep op God.
Wij hebben inderdaad dringend genezing nodig, en hoe dichter wij naderen tot de Heer die alleen ons genezen kan, des te groter moet ons vertrouwen zijn wanneer wij Hem smeken.
Zeker, niets is zo duidelijk als onze onwaardigheid. Maar anderzijds, wie is machtiger dan de Heer? Ons rest niets anders dan ons tot Hem te wenden en in ware nederigheid te smeken: sed tantum dic verbo, et sanabitur anima mea. Ja, spreek slechts één woord en mijn ziel zal genezen worden.
Communie
Na deze daad van nederigheid bereidt de priester zich voor op zijn Communie. Terwijl hij zich met de Hostie, die hij in zijn rechterhand houdt, in de vorm van een kruis tekent, zegt hij: Corpus Domini nostri Jesu Christi custodiat animam meam in vitam aeternam. Amen.
Laat ons letten op de woorden: in vitam aeternam, tot het eeuwige leven. De priester spreekt alsof hij slechts eenmaal in zijn leven zou communiceren. Eén enkele Communie zou reeds voldoende zijn om onze ziel te bewaren voor het eeuwige leven, zó groot is de innerlijke kracht van dit goddelijk Sacrament dat God voor onze noden heeft ingesteld.
Van deze waarheid heeft Onze Heer soms voorbeelden willen geven, onder andere in de heilige Maria van Egypte. Toen zij bevolen werd zich voor te bereiden op de heilige Communie ontving zij deze uit de handen van de heilige abt Zosimus. En deze ene Communie alleen heeft haar ziel werkelijk bewaard tot het eeuwige leven.
Merk bovendien op dat dit goddelijk Sacrament niet alleen een onderpand van eeuwig leven voor de ziel is, maar eveneens een onderpand van de toekomstige verrijzenis van het lichaam.
Daarom zegt de bisschop, wanneer hij aan nieuwgewijde priesters de Communie uitreikt, tot ieder afzonderlijk: Corpus Domini nostri Jesu Christi custodiat te in vitam aeternam.
Nadat de priester gecommuniceerd heeft blijft hij een ogenblik in stille ingetogenheid. Vervolgens ontbloot hij de kelk en legt daarin de kleine deeltjes van de Hostie die mogelijk op het corporale of de pateen zijn achtergebleven. Terwijl hij dit doet zegt hij deze woorden:
Quid retribuam Domino pro omnibus quae retribuit mihi? Calicem salutaris accipiam, et nomen Domini invocabo.
Wat zal ik de Heer vergelden voor al hetgeen Hij mij geschonken heeft? Ik zal de kelk van het heil opnemen en de naam des Heren aanroepen.
Deze woorden zijn genomen uit Psalm cxv. Wanneer David hier spreekt van de kelk, Calicem salutaris, denkt hij niet aan een gewone drank. De profetische betekenis treedt hier duidelijk naar voren. Reeds ziet men de mens gered worden door een drank waarmee geen andere vergeleken kan worden, een drank die niets anders is dan het Bloed van zijn Verlosser.
Daarna voegt de priester eraan toe: Laudans invocabo Dominum, et ab inimicis meis salvus ero. Nu zal ik de Heer loven, want mijn tong is nu geschikt geworden om Zijn lof te verkondigen door de gaven die Hij mij geschonken heeft. En verlost van mijn vijanden zal ik niets meer te vrezen hebben.
Vervolgens neemt hij de kelk in zijn rechterhand en maakt met de kelk zelf het kruisteken terwijl hij zegt: Sanguis Domini nostri Jesu Christi custodiat animam meam in vitam aeternam. Amen.
Daarna nuttigt hij het Kostbaar Bloed, samen met het kleine deeltje dat hij daarin had laten vallen op het ogenblik dat hij het vredesgebed tot het volk richtte.
Nu is het eigenlijke ogenblik aangebroken waarop de gelovigen communiceren, indien er zijn die tot de heilige Communie naderen. Indien niemand nadert, zuivert de priester onmiddellijk de kelk.
De misdienaar giet een weinig wijn in de kelk die hem door de priester wordt aangeboden. Terwijl dit geschiedt zegt de priester: Quod ore sumpsimus, Domine, pura mente capiamus. Et de munere temporali fiat nobis remedium sempiternum.
Deze woorden zijn zeer oud, hetgeen reeds blijkt uit het Latijn zelf, dat bijzonder schoon en haast klassiek genoemd mag worden. Let op de uitdrukking: munere temporali. Dit wordt gezegd omdat de Communie tot de tijd behoort. God is weliswaar eeuwig en Hij geeft Zichzelf in de Communie, maar deze Communie vindt toch plaats op een bepaalde dag en op een vastgesteld uur en ogenblik. Daarom is zij werkelijk een tijdelijke gave.
Maar door juist deze gave bewerkt Onze Heer de vereniging van de ziel met Hemzelf. En omdat Hij de kracht zelf is, maakt Hij van deze unieke handeling een geneesmiddel waarvan de werking eeuwig moet voortduren, zodat de ziel genezen wordt.
Daarna laat de priester voor de tweede maal wijn in de kelk gieten, maar nu wordt er tevens water bij gevoegd. Op dit ogenblik zuivert hij zijn vingers, waarna hij ze niet langer samengevoegd hoeft te houden.
Terwijl dit geschiedt zegt de priester: Corpus tuum Domine, quod sumpsi, et sanguis quem potavi adhaereat visceribus meis, et praesta: ut in me non remaneat scelerum macula, quem pura et sancta refecerunt sacramenta. Qui vivis et regnas in saecula saeculorum. Amen.
Ook dit gebed is, evenals het voorgaande, bijzonder schoon en zeer oud. Beide gebeden, evenals het vredesgebed, moeten inderdaad tot de eerste eeuwen worden teruggevoerd.
Bij de eerste ablutie giet de priester uitsluitend wijn in de kelk, uit eerbied voor het Kostbaar Bloed waarmee de kelk nog bevochtigd is en waarvan mogelijk nog iets aanwezig blijft. Daarom schrijven de rubrieken voor dat, indien deze wijn zou worden gemorst, men hem met dezelfde eerbied moet behandelen als het Kostbaar Bloed zelf, en alles wat ermee in aanraking is gekomen moet worden gezuiverd.
De rubricisten raden de priester aan deze wijn langs de gehele binnenzijde van de kelk rond te bewegen om iedere mogelijke druppel van het Kostbaar Bloed die nog aanwezig zou kunnen zijn zorgvuldig op te nemen.
Bij de tweede ablutie wordt water met de wijn vermengd, omdat het Bloed van Onze Heer dan niet meer aanwezig is.
De priester moet steeds van dezelfde zijde van de kelk drinken. Daarom is op de voet van de kelk gewoonlijk een klein kruis gegraveerd. Zonder deze voorzorg zou de priester, indien hij niet zeer aandachtig was, met het purificatorium het Kostbaar Bloed kunnen afwissen dat nog vochtig is aan de rand van de kelk.
Postcommunio
Nadat dit alles voltooid is reciteert de priester, na het Dominus vobiscum, het laatste gebed dat thans de naam Postcommunio draagt, maar dat in het Sacramentarium van de heilige Gregorius werd aangeduid als: Oratio ad complendum.
Daar wordt geen melding gemaakt van de communio-antifoon die door de priester gezegd zou moeten worden, omdat deze tot de gezongen gedeelten behoort en daarom geen plaats had in het Sacramentarium. Zij was immers slechts de antifoon van een psalm die tijdens de Communie gezongen werd.
Van dit oude gebruik is nog een overblijfsel behouden in de dodenmis. Hetzelfde gold ook voor het Introitusgezang, dat oorspronkelijk werd gezongen vanaf het ogenblik waarop de priester de sacristie verliet totdat hij het altaar bereikte.
Dit gebed dat Postcommunio genoemd wordt is een belangrijk gebed. Daarin wordt steeds melding gemaakt van de Communie die zojuist ontvangen werd.
Onmiddellijk daarna volgt de gewone wens van de priester tot het volk: Dominus vobiscum. Vervolgens wendt de diaken zich tot de verzamelde gelovigen en zingt de volgende woorden:
Ite, missa est
Deze woorden worden gewoonlijk aldus vertaald: Gaat heen, de Mis is geëindigd. Toch moeten wij opmerken dat dit niet hun eigenlijke betekenis is.
Deze formule, door de Kerk overgenomen, was bij de Romeinen algemeen gebruikelijk in openbare vergaderingen om het einde van de bijeenkomst aan te kondigen. De woorden Ite, concio missa est betekenden: gaat heen, de vergadering is ontbonden.
In de eerste eeuwen werd het heilig Offer nooit aangeduid met ons woord Mis. Wanneer het Offer voltooid was, werden de verzamelde gelovigen door de diaken ontslagen met de formule die ook bij andere openbare bijeenkomsten gebruikelijk was.
Later werd het woord missa geleidelijk als naam voor het Offer zelf gebruikt. Daardoor ontstond de verwarring waardoor men de formule Ite missa est ging verstaan als: gaat heen, de Mis is gezegd.
In boetetijden, bijvoorbeeld gedurende de Veertigdagentijd, zegt de diaken in plaats van Ite missa est: Benedicamus Domino. De gelovigen worden dan niet onmiddellijk ontslagen, omdat verondersteld wordt dat zij in deze dagen van boete langer in gebed wensen te blijven.
Het Ite missa est is dus een teken van vreugde, en daarom wordt het niet gebruikt in dodenmissen. Een vreugdevolle uitroep zou immers niet passen bij een Mis die geheel het karakter draagt van droefheid en smeking.
Nadat het Ite missa est gezegd is, wendt de priester zich opnieuw tot het altaar. Licht voorovergebogen en met samengevoegde handen zegt hij:
Placeat tibi Sancta Trinitas obsequium servitutis meae, et praesta ut Sacrificium, quod oculis tuae majestatis indignus obtuli, tibi sit acceptabile, mihique et omnibus, pro quibus illud obtuli, sit, te miserante, propitiabile. Per Christum Dominum nostrum. Amen.
Dit gebed vormt als het ware een samenvatting waarin de priester de allerheiligste Drievuldigheid herinnert aan alles wat hij zojuist heeft verricht. Hij smeekt dat dit Offer welgevallig moge zijn aan God en heilzaam voor allen voor wie hij het heeft opgedragen.
De zegen
Na dit gebed kust de priester het altaar, heft de ogen ten hemel op, strekt de handen uit en buigt vervolgens voor het kruis terwijl hij zegt: Benedicat vos omnipotens Deus.
Daarna keert hij zich naar het volk en voegt eraan toe terwijl hij de zegen geeft: Pater, et Filius, et Spiritus Sanctus. Waarop het volk antwoordt: Amen.
Een gewone priester behoort de zegen slechts eenmaal te geven, zelfs in een plechtige Mis. Bisschoppen daarentegen geven uit onderscheiding de zegen driemaal. Ook prelaten geven de drievoudige zegen wanneer zij pontificaal celebreren.
Sommigen van hen mogen dit zelfs doen in een gelezen Mis, maar alleen krachtens een bijzonder privilege.
In een dodenmis wordt de zegen niet gegeven, omdat zij een teken van vreugde is dat niet zou passen bij het droeve karakter dat deze plechtigheid doordringt.
Het laatste Evangelie
Nadat de zegen is gegeven begeeft de priester zich naar de evangeliezijde van het altaar en leest daar het begin van het Evangelie volgens de heilige Johannes.
Vroeger, toen de priester geen boek vóór zich had, maakte hij eerst het kruisteken op het altaar alvorens zich te tekenen. De kaarten waarop de gebeden van het Ordinarium van de Mis geschreven staan, met uitzondering van de Canon, en die wij toch altaarkanons noemen, zijn van vrij recente oorsprong.
Sinds hun invoering is het gebruik ontstaan om op deze kaarten het kruisteken te maken. Toch blijft het de priester toegestaan dit op het altaar zelf te doen, dat het beeld is van Christus die voor ons aan het Kruis gestorven is en waarvan dit Evangelie de dubbele geboorte verhaalt.
Maar waarom wordt dit Evangelie gelezen? Dit gebruik vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwen. In die tijd, evenals reeds vroeger, hadden de gelovigen een grote devotie om een gedeelte van het Evangelie over zich te laten lezen, en vooral het begin van het Evangelie van Johannes genoot bijzondere voorkeur.
De verzoeken namen echter zó toe dat het aantal priesters ontoereikend werd om allen afzonderlijk tevreden te stellen. Daarom besloot men het Evangelie aan het einde van de Mis over allen gezamenlijk uit te spreken. Deze toevoeging vindt dus haar oorsprong uitsluitend in de devotie van de gelovigen.
Wanneer een heiligenfeest op een zondag valt, of op een feria die een eigen Evangelie bezit, leest de priester dit Evangelie in plaats van dat van Johannes. Ook dit is slechts een gevolg van het gebruik om aan het einde van de Mis een Evangelie te lezen, en het dateert pas uit de tijd van de heilige Pius V.
Het Pontificale heeft deze wijziging van het oude gebruik echter niet overgenomen. Daarom reciteert een pontificerend bisschop nog steeds het Evangelie van Johannes terwijl hij van het altaar afdaalt.
Laat ons hier opmerken dat de Latijnse Kerk in deze woorden uit het Evangelie van Johannes: Omnia per ipsum facta sunt, tot aan de tijd van de heilige Pius V een andere interpunctie volgde dan de Grieken.
De heilige Augustinus en alle Latijnse Vaders, evenals de heilige Thomas, lazen aldus: Sine ipso factum est nihil. Quod factum est, in ipso vita erat, et vita erat lux hominum.
Daarentegen lazen de heilige Johannes Chrysostomus en in het algemeen de Griekse Vaders: sine ipso factum est nihil quod factum est. In ipso vita erat, et vita erat lux hominum.
Aangezien de handschriften geen punten of komma’s bevatten, die immers pas veel later in gebruik kwamen, ontstond dit verschil. De heilige Pius V behield in zijn uitgave van het missaal de Latijnse interpunctie voor deze passage. Kort na hem werd echter in het Westen de gewoonte ingevoerd deze tekst volgens de Griekse lezing uit te spreken.
Wanneer de priester komt tot de woorden: Et Verbum caro factum est, maakt hij een kniebuiging uit eerbied voor de vernedering van het Woord dat vlees geworden is en Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een dienstknecht aan te nemen.
Nadat het Evangelie geëindigd is daalt de priester van het altaar af, na voor het kruis gebogen te hebben. Terwijl hij zich verwijdert reciteert hij het gezang Benedicite, samen met de andere dankgebeden die in het missaal zijn voorgeschreven.
VERTALING EN UITGAVE · KATHOLIEKE KLASSIEKEN