Veertiende zondag na Pinksteren

Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Mattheüs, 6, 24-33

IN DIE TIJD sprak Jezus tot zijn leerlingen: Niemand kan twee heren dienen; want hij zal of den een haten en den ander beminnen, of den een op de handen dragen en den ander verwaarlozen. Gij kunt niet tegelijk God dienen en den mammon. Daarom zeg Ik u: weest niet angstig bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten, of voor uw lichaam, waarmee gij u zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam niet meer dan de kleding? Ziet naar de vogelen des hemels; zij zaaien niet, en zij maaien niet en verzamelen niet in schuren; en toch, uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij niet veel meer waard dan zij? En wie uwer kan met al zijn denken aan zijn lengte één el toevoegen? En wat maakt gij u angstig bezorgd over kleding? Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet. Maar Ik zeg u, dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als een van deze. Als God nu het gras op het veld, dat heden staat en morgen in de oven wordt geworpen, zo kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? Weest dus niet angstig bezorgd en zegt niet: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar dit alles vragen de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers, dat gij dit alles nodig hebt. Zoekt dus eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u worden geschonken als toegift.

Christus-onderricht-het-volk-over-de-lelien-des-velds
Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien. (Mattheüs 6, 28)
H. Antonius van Padua over de leliën des velds

Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet. Maar Ik zeg u, dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als een van deze. (Mattheüs 6, 28-29) Hier zegt de Glossa: Welk purper van koningen, welk weefsel van wevers kan met de bloemen worden vergeleken? De kleur zelf wordt het kleed van de bloemen genoemd, zoals wij zeggen dat iemand met een blos wordt bedekt. Salomon, die boven alle anderen schitterde, was in al zijn heerlijkheid niet gekleed als een van deze bloemen. Hij kon zich immers niet met een sneeuwwitte kleur bekleden zoals de lelie bekleed is, noch met een rozenkleur zoals de roos, en zo ook met de overige kleuren. In zedelijke zin. Merk op dat in de lelie drie dingen zijn: geneeskracht, blankheid en geur. De geneeskracht bevindt zich in de wortel, de blankheid en de geur in de bloem. Zij betekenen de boetelingen, de armen van geest, die hun ledematen met hun ondeugden en begeerlijkheden kruisigen. Zij bezitten de nederigheid in het hart, die de zwelling van de hoogmoed bedwingt, de blankheid van de kuisheid in het lichaam en de geur van een goede naam. Zij worden leliën des velds genoemd, niet leliën van de woestijn en niet van de tuin. In het veld worden twee zaken aangeduid: de standvastigheid van de heiligheid en de volmaaktheid van de liefde. Het veld is de wereld. (Mattheüs 13, 38) Hoe moeilijk het is daarin als bloem stand te houden, zo heerlijk is het. In de woestijn bloeien de kluizenaars, die zich voor de omgang met mensen behoeden. In de besloten tuin bloeien de kloosterlingen, die door menselijke bewaking worden beschermd. Maar heerlijker is het voor de boetelingen te bloeien in het veld, dat wil zeggen in de wereld, waar de dubbele genade van de bloem gemakkelijk verloren gaat, namelijk de schoonheid van een goede levenswandel en de geur van een goede naam. Daarom roemt Christus dat Hij de bloem van het veld is, wanneer Hij in het Hooglied zegt: Ik ben een bloem van het veld. (Hooglied 2, 1) Zo kan ook de zalige Maria, zijn Moeder, roemen, die in de wereld haar bloem niet verloor, hoewel zij noch afgezonderd leefde noch kloosterlinge was, en het heerlijker achtte in de wereld te bloeien dan in de tuin of in de woestijn. Hoewel het, zoals Augustinus zegt, gevaarlijker is dit te beproeven, is het geluk groter wanneer men ertoe in staat is. Op het veld immers worden gewoonlijk gevechten geleverd en in de wereld is de strijd voortdurend, die ons wordt aangedaan door het vlees, de wereld en de demonen. Daar is de standvastigheid van de heiligheid noodzakelijk, die bij alle gevaren ongeschokt moet blijven. Wie ten strijde wil trekken op het veld, moet eerst beproeven of hij in zo wrede een strijd stand kan houden. Het is beter in de tuin of in de woestijn te bloeien dan op het veld te verwelken. Veel beter is het daar stand te houden dan hier te bezwijken. Ook daarin dat zij leliën des velds worden genoemd, wordt de volmaaktheid van de liefde getoond, waardoor zij zich beschikbaar stellen voor ieder die hen wil plukken. Geeft aan ieder die u vraagt, zegt de Heer, namelijk een goede wil indien gij niet de middelen bezit, en indien gij beide bezit, des te volmaakter. Beschouwt dus de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet. Let op deze drie dingen: zij groeien, zij arbeiden niet en zij spinnen niet. Daarom groeien de rechtvaardigen van deugd tot deugd, omdat zij niet arbeiden en niet spinnen, dat wil zeggen geen draden ineendraaien. Zij arbeiden niet aan de tichelstenen van Egypte, dat wil zeggen aan de genoegens van het vlees. Zij spinnen niet, dat wil zeggen zij draaien niet de verschillende draden van hun gedachten om de tijdelijke dingen. Wilt gij groeien? Zwoeg dan niet voor uzelf en spin niet voor de wereld, en zo zult gij arm zijn. Daarom zegt Jozef in Genesis: God heeft mij doen groeien in het land van mijn armoede. (Genesis 41, 52) In het land van de armoede, dat wil zeggen in de nederigheid van het hart, groeit de rechtvaardige. Wanneer hij in zichzelf kleiner wordt, groeit God in hem. Daarom zegt Johannes de Doper: Ik moet kleiner worden, Hij echter groter. (Johannes 3, 30) Wanneer gij uzelf kleiner maakt, groeit God in u. Daarom zegt Isaias: De kleinste zal tot duizend worden en de geringste tot een zeer sterk volk. (Isaias 60, 22) Dit geschiedt wanneer degene die in zijn eigen ogen nederig is, verheven wordt in de volmaaktheid van geest en werk. Daarom staat er in de Psalm: De mens zal naderen tot een diep hart en God zal verheerlijkt worden. (Psalm 63, 8) Diep kan zowel van boven als van beneden gezegd worden, zoals de diepe hemel en de diepe zee. Wanneer gij dus nadert tot het diepe hart, dat wil zeggen tot de diepte van het hart, namelijk de nederigheid, dan wordt God in u verheerlijkt, omdat Hij u verheft boven alles waarin ijdelheid en kwelling van de geest is. (Prediker 1, 14) Beschouwt daarom, gij tijdelijke mensen, gij vluchtige minnaars van de tijd, gij die arbeidt en belast zijt (Mattheüs 11, 28), gij die eindeloze draden spint, hoe de leliën des velds groeien.

Bron: H. Antonius van Padua, Preek bij de zondag.