Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Lucas, 14, 1–11
IN DIE TIJD kwam Jezus op een sabbat in het huis van een van de voornaamste farizeeën om de maaltijd te gebruiken en zij letten zeer scherp op Hem. En zie, daar stond voor Hem een man die aan waterzucht leed. En Jezus richtte zich tot de wetgeleerden en farizeeën met de vraag: Mag men op de sabbat iemand genezen of niet? Maar zij zwegen. Toen legde Hij zijn hand op hem, genas hem en liet hem heengaan. Maar tot de anderen sprak Hij: Wie van u zal niet zijn ezel of zijn os, die in een put valt, terstond eruit halen, al is het sabbatdag? En zij wisten niets daartegen in te brengen. Ook hield Hij aan de gasten een gelijkenis voor, omdat Hij bemerkte hoe zij de eerste plaatsen uitzochten, en Hij sprak tot hen: Als u ter bruiloft wordt genodigd, neem dan niet de eerste plaats in, want misschien is er iemand genodigd die voornamer is dan u en dan zou hij die u en hem heeft uitgenodigd, u komen zeggen: Maak plaats voor deze. Dan zou u met schaamte de laatste plaats moeten innemen. Maar als u genodigd bent, neem dan de laatste plaats. Wanneer dan uw gastheer binnenkomt, zal hij tot u zeggen: Vriend, ga hogerop! Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al de disgenoten. Want al wie zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verheven worden.

Commentaar op het Evangelie volgens de H. Lucas 14, 7–11
Nooit houdt de Verlosser op iets te doen dat rijk is aan heil. Door vermaningen en raadgevingen leidt Hij allen die tot Hem naderen tot een juiste levenswandel en leert Hij hun de ingetogenheid die de heiligen betaamt, opdat, zoals Paulus zegt, de mens Gods volmaakt zij, toegerust tot ieder goed werk. Daarom grijpt Hij iedere gelegenheid aan, hoe gering ook, om tot ons te spreken en weeft Hij daaruit vermaningen die onze volle aandacht waard zijn. Daarin gelijkt Hij op een ijverige landman. Want alles wat berispelijk en afkeurenswaardig is en degenen die zich eraan schuldig maken met schande bedekt, snijdt Hij uit onze geest weg en Hij plant er als het ware iedere vrucht van de deugd. Want, zoals de Schrift zegt, wij zijn Gods akker. Welk nut Hij ook hier voor ons heeft gevonden, leren wij uit het gedeelte dat zojuist gelezen is. Hij gebruikte op de sabbat de maaltijd bij een van de farizeeën, op diens uitdrukkelijk verzoek. Met welk doel Hij dit deed en wat daarvan de reden was, hebben wij u bij onze vorige samenkomst uiteengezet. Maar omdat Hij zag dat sommigen van de genodigden dwaas genoeg de voornaamste plaatsen innamen alsof dit iets belangrijks en begerenswaardigs was en dat zij naar ijdele roem verlangden, richt Hij tot hun nut en tot het onze een dringende waarschuwing en zegt: Wanneer gij door iemand genodigd zijt, ga dan niet op de voornaamste plaats zitten, opdat niet iemand die aanzienlijker is dan gij door hem genodigd is en hij die u en hem heeft uitgenodigd tot u komt en zegt: Maak plaats voor deze. Dan zult gij beschaamd de laatste plaats moeten innemen. Zulke dingen kunnen sommigen misschien gering en nauwelijks de aandacht waard toeschijnen. Maar wanneer iemand er het oog van zijn geest op richt, zal hij daaruit leren van welke blaam zij een mens bevrijden en hoezeer zij hem tot een ordelijke levenswandel brengen. Want in de eerste plaats toont het haastig najagen van eer die ons niet past en ons niet toekomt, dat wij dwaas, onbeschaafd en hoogmoedig zijn. Wij grijpen naar hetgeen ons niet past, maar veeleer toekomt aan anderen die groter en aanzienlijker zijn dan wij. Wie zo handelt, maakt zich gehaat en wordt dikwijls ook een voorwerp van spot wanneer hij aan anderen, vaak tegen zijn wil, de eer moet teruggeven die hem in geen enkel opzicht toekomt. Want wanneer, zegt Hij, iemand komt die aanzienlijker is dan gij, zal hij die u en hem heeft uitgenodigd zeggen: Maak plaats voor deze. O, welk een grote schande ligt daarin. Het is als het ware een diefstal en het teruggeven van gestolen goederen. Hij moet teruggeven wat hij zich heeft toegeëigend, want hij had geen recht het te nemen. Maar de bescheiden en prijzenswaardige mens, die zonder vrees voor verwijt aanspraak had kunnen maken op de waardigheid om onder de voornaamsten te zitten, zoekt die niet, maar staat aan anderen af wat men het zijne zou kunnen noemen, opdat hij zelfs niet de schijn wekke door ijdele roem overwonnen te zijn. Zo iemand zal de hem toekomende eer ontvangen. Want hij zal, zo zegt Hij, degene die hem heeft uitgenodigd horen zeggen: Kom hogerop. Een bescheiden gezindheid is daarom een groot en voortreffelijk goed. Zij bevrijdt degenen die haar bezitten van blaam en verachting en van het verwijt van ijdele roem. Maar, zegt de liefhebber van ijdele roem, ik wil beroemd en aanzienlijk zijn en niet veracht en vergeten worden en onder de onbekenden gerekend worden. Indien gij echter naar deze vergankelijke en menselijke roem verlangt, dwaalt gij af van de rechte weg waarlangs gij werkelijk aanzienlijk zoudt kunnen worden en een lof verwerven die waard is nagestreefd te worden. Want er staat geschreven: Alle vlees is gras en alle heerlijkheid van de mens als de bloem van het gras. Ook de profeet David berispt hen die de tijdelijke eer beminnen. Over hen zegt hij: Laat hen zijn als het gras op de daken, dat verdort voordat het wordt uitgetrokken. Want zoals het gras dat op de daken opschiet geen diepe en vaste wortel heeft en daarom gemakkelijk verdort, zo zinkt ook degene die wereldse eer hoogacht, nadat hij korte tijd heeft uitgeblonken en als het ware in bloei heeft gestaan, ten slotte weg in het niets. Wanneer iemand daarom boven anderen verheven wil worden, laat hij dit dan verkrijgen door het oordeel van de hemel en gekroond worden met de eer die God schenkt. Laat hij velen overtreffen doordat heerlijke deugden voor hem getuigen. Maar de regel van de deugd is een nederige gezindheid die het roemen niet bemint. Ja, het is de nederigheid. Ook de zalige Paulus achtte haar alle hoogachting waard. Want aan hen die met ijver naar een heilig leven streven schrijft hij: Bemint de nederigheid. En de leerling van Christus prijst haar wanneer hij schrijft: Laat de arme broeder roemen op zijn verheffing en de rijke op zijn vernedering, want als de bloem van het gras gaat hij voorbij. Want de gematigde en beteugelde geest wordt bij God verheven. Want God, zo staat er geschreven, zal een berouwvol en vernederd hart niet verachten. Maar wie grote gedachten over zichzelf koestert, hooghartig is en verheven van geest en zich beroemt op een ijdele grootheid, wordt verworpen en vervloekt. Hij volgt een weg die tegengesteld is aan die van Christus, Die gezegd heeft: Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Want de Heer, zo staat er geschreven, weerstaat de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. Ook de wijze Salomo toont op vele plaatsen hoe veilig een nederige gezindheid is. De ene keer zegt hij: Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt. Een andere keer verklaart hij hetzelfde in beeldspraak: Wie zijn huis hoog bouwt, zoekt zijn ondergang. Zo iemand is gehaat bij God, en zeer terecht, omdat hij zichzelf verkeerd heeft beoordeeld en dwaas heeft gestreefd boven de grenzen van zijn natuur. Op welke grond, vraag ik u, denkt de mens op aarde dan grote dingen van zichzelf? Zijn geest is immers zwak en wordt gemakkelijk tot lage genoegens meegesleept. Zijn lichaam staat onder de heerschappij van vergankelijkheid en dood en de duur van zijn leven is kort en begrensd. En dat is nog niet alles. Naakt zijn wij geboren. Rijkdom, bezit en wereldse eer komen daarom van buitenaf tot ons en zijn niet werkelijk van ons, want zij behoren niet tot de eigenschappen van onze natuur. Waarom wordt de geest van de mens dan opgeblazen? Wat bezit hij dat hem tot hooghartigheid en roem zou kunnen verheffen? Indien iemand zijn toestand slechts met verstandige ogen beschouwde, zou hij worden als Abraham, die zich omtrent zijn natuur niet vergiste en zichzelf stof en as noemde. En als een ander die zegt: Laat af van de mens, die verrotting is, en van de mensenzoon, die een worm is. Maar hij die een worm en verrotting is, dit stof en deze as, dit volstrekte niets, wordt groot, bewonderenswaardig en eerwaardig voor God doordat hij zichzelf kent. Want zo wordt hij door God met eer en lof gekroond. De Verlosser en Heer van allen schenkt immers genade aan de nederigen. Door Hem en met Hem zij aan God de Vader lof en heerschappij, met de Heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen.