14 september – Feest Verheffing van het Heilig Kruis
Op 13 en 14 september werd te Jeruzalem de kerkwijding gevierd van de basilieken op de heilige plaatsen van Calvarië en het Heilig Graf. Het voornaamste gedeelte van deze plechtigheid bestond in het tonen van het Kruishout aan de gelovigen. De Kerk verheugt zich op deze dag over het heilig Kruis: Christus werd voor ons gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood aan het Kruis. Daarom heeft God Hem verheven en Hem een Naam gegeven, die boven alle namen is.

Het kruis
O kruise, dat daar staat,
och, of zij ’t allen wisten,
gij zijt het teeken en
de hoop van elken christen:
zoo Christus leefde en stierf,
in kruisen en verdriet,
zoo zult gij, of ge en volgt
in Zijn triomph hem niet!
Guido Gezelle, Het kruis, juni 1870.
Onze roem is het Kruis
De H. Cyrillus van Jeruzalem spreekt in zijn dertiende catechetische lezing over het Lijden en het Kruis van Christus. Iedere daad van Christus is een reden tot roem voor de katholieke Kerk, maar haar grootste roem is het Kruis. Dit wist Paulus, toen hij zei: Het zij verre van mij te roemen, tenzij in het Kruis van Christus. Wonderbaar was het dat de blindgeborene in Siloë het gezicht ontving, maar wat betekent dit vergeleken met de blinden van de gehele wereld? Groot en boven de natuur was het dat Lazarus op de vierde dag uit de doden opstond, maar deze genade gold hem alleen. Wat betekent dit vergeleken met hen die overal ter wereld dood waren door de zonden? Wonderbaar was het dat vijf broden voedsel voortbrachten voor vijfduizend mensen, maar wat betekent dit voor hen die over de gehele wereld verhongeren door gebrek aan kennis? Wonderbaar was het dat de vrouw werd bevrijd die achttien jaar door satan gebonden was geweest, maar wat betekent dit vergeleken met ons allen, die gebonden waren met de ketenen van onze zonden? Maar de heerlijkheid van het Kruis heeft hen die door onwetendheid blind waren tot het licht geleid, allen bevrijd die door de zonde gebonden waren en de gehele wereld verlost. Verwonder u er niet over dat de gehele wereld werd verlost, want het was geen gewoon mens die voor haar stierf, maar de eniggeboren Zoon van God. De zonde van één mens, Adam, was machtig genoeg om de dood over de wereld te brengen. Indien door de overtreding van één de dood over de wereld heerste, hoeveel te meer zal dan niet het leven heersen door de gerechtigheid van Eén? En indien zij door de boom waarvan gegeten werd uit het paradijs verdreven werden, zullen de gelovigen dan niet des te gemakkelijker door het hout van Jezus het paradijs binnengaan? Laat ons daarom niet beschaamd zijn over het Kruis van onze Verlosser, maar er veeleer in roemen. Want het woord van het Kruis is voor de Joden een ergernis en voor de heidenen dwaasheid, maar voor ons is het heil. Voor hen die verloren gaan is het dwaasheid, maar voor ons die gered worden is het de kracht van God. Want het was, zoals ik reeds zei, geen gewoon mens die voor ons stierf, maar de Zoon van God, God die mens geworden is. H. Cyrillus van Jeruzalem, Catechetische Lezing XIII, 1–3.
De H. Helena en de vinding van het Heilig Kruis
Rufinus van Aquileia verhaalt in zijn Kerkgeschiedenis hoe de H. Helena naar Jeruzalem reisde en daar het Kruis van Christus liet zoeken. Helena, de moeder van Constantijn, een vrouw van een geloof en godsvrucht die haar zoon waardig waren, en wier voortreffelijkheid door haar werken en vrijgevigheid bekend was, werd door goddelijke visioenen aangespoord naar Jeruzalem te gaan. Daar onderzocht zij bij de inwoners waar de plaats was waar het heilige lichaam van Christus aan het kruis had gehangen. Het vinden van die plaats was moeilijk geworden, omdat de vervolgers er een beeld van Venus hadden opgericht, opdat de christenen die daar Christus wilden aanbidden, de schijn zouden wekken Venus te vereren. Daarom was de plaats lange tijd niet bezocht en bijna aan de vergetelheid prijsgegeven. Toen de godvruchtige vrouw zich naar de plaats had begeven die haar door hemelse tekenen was aangewezen, liet zij alles wat daar ontwijdend en onrein was omverhalen en verwijderen. Nadat de grond diep was uitgegraven, werden drie kruisen door elkaar gevonden. Maar de vreugde over deze vondst werd verminderd doordat men niet kon onderscheiden welk van de drie het Kruis van de Heer was. Ook werd het opschrift gevonden dat Pilatus had laten aanbrengen, waarop in Griekse, Latijnse en Hebreeuwse letters geschreven stond dat Jezus van Nazareth, de Koning der Joden, gekruisigd was. Toch kon daardoor nog niet met zekerheid worden vastgesteld welk Kruis dat van de Heer was. Toen kwam Macarius, de bisschop van die Kerk, op een wijze gedachte. Er was in die stad een voorname vrouw die door een zware ziekte was aangetast en reeds de dood nabij was. Hij zei dat, wanneer ieder van de drie kruisen bij haar gebracht werd, God door een teken zou openbaren welk het Kruis van Christus was. Hij trad met de koningin en allen die aanwezig waren het huis van de zieke binnen. Daar knielde hij neer en bad tot God dat Hij, die door Zijn eniggeboren Zoon het heil aan het menselijk geslacht had geschonken en die deze godvruchtige vrouw had ingegeven het heilige hout te zoeken waaraan ons heil had gehangen, door een duidelijk teken zou openbaren welk Kruis tot heerlijkheid van de Heer had gediend en welke de kruisen van de dienaren waren geweest. Toen hij zijn gebed had beëindigd, werd het eerste kruis bij de vrouw gebracht, maar het bracht geen verandering. Ook het tweede vermocht niets. Zodra echter het derde Kruis haar aanraakte, opende de vrouw terstond haar ogen. Zij stond van haar bed op en kreeg onmiddellijk haar krachten terug. Zij liep door het gehele huis en verheerlijkte de macht van de Heer. Nadat de koningin aldus de vervulling van haar verlangen had verkregen, liet zij op de plaats waar het Kruis gevonden was met koninklijke pracht een schitterende kerk bouwen. De nagelen waarmee het lichaam van de Heer aan het Kruis was gehecht, bracht zij eveneens naar haar zoon. Van het heilbrengende hout zelf zond zij een deel aan haar zoon. Het overige liet zij achter in zilveren schrijnen. Daar wordt het tot op de huidige dag bewaard en met onveranderlijke godsvrucht vereerd.

De inwijding van de heilige kerken te Jeruzalem
De pelgrim Egeria beschrijft aan het einde van de vierde eeuw de grote jaarlijkse viering te Jeruzalem, waarin de inwijding van de kerken op Golgotha en bij het Heilig Graf verbonden werd met de vinding van het Kruis des Heren. De dagen der kerkwijding worden zo genoemd omdat de heilige kerk die op Golgotha staat en die zij het Martyrium noemen, aan God werd toegewijd. Ook de heilige kerk bij de Anastasis, dat wil zeggen op de plaats waar de Heer na Zijn Lijden verrezen is, werd op diezelfde dag aan God toegewijd. Daarom wordt de kerkwijding van deze heilige kerken met de hoogste eer gevierd, omdat op diezelfde dag het Kruis des Heren werd gevonden. En daarom werd bepaald dat, toen de hierboven genoemde heilige kerken voor het eerst werden ingewijd, dit zou geschieden op de dag waarop het Kruis des Heren gevonden was, opdat beide plechtigheden samen en met alle vreugde op dezelfde dag zouden worden gevierd. Bovendien blijkt uit de Heilige Schrift dat dit eveneens de dag van de kerkwijding is waarop de heilige Salomo, nadat hij het huis Gods dat hij gebouwd had voltooid, voor het altaar Gods stond en bad, zoals geschreven staat in de boeken der Kronieken. Wanneer dan deze dagen der kerkwijding gekomen zijn, worden zij gedurende acht dagen gevierd. Reeds vele dagen tevoren beginnen van alle kanten grote menigten samen te komen, niet alleen monniken en asceten uit verschillende provincies, uit Mesopotamië en Syrië, uit Egypte en de Thebaïs, waar zeer vele monniken zijn, maar ook uit allerlei andere plaatsen en provincies. Want er is niemand die op die dag niet naar Jeruzalem trekt omwille van zulk een vreugde en zulke grote feestdagen. Ook leken, mannen zowel als vrouwen, komen met gelovige gezindheid uit alle provincies gedurende die dagen in Jeruzalem bijeen omwille van deze heilige dag. En de bisschoppen zijn op die dagen, zelfs wanneer hun aantal gering is, met veertig of vijftig te Jeruzalem aanwezig, en met hen zeer vele geestelijken. Maar waarom zou ik meer zeggen. Wie op deze dagen niet bij zulk een grote plechtigheid aanwezig is geweest, meent een zeer grote tekortkoming te hebben begaan, tenzij enige noodzaak hem verhinderd heeft zijn goede voornemen uit te voeren. Gedurende deze dagen der kerkwijding is de versiering van alle kerken dezelfde als met Pasen en Epifanie, en iedere dag trekt men eveneens naar de verschillende heilige plaatsen, zoals met Pasen en Epifanie. Op de eerste en de tweede dag gaat men naar de grote kerk, die het Martyrium wordt genoemd. Op de derde dag gaat men naar Eleona, dat wil zeggen naar de kerk op de berg vanwaar de Heer na Zijn Lijden ten hemel is opgevaren. In deze kerk bevindt zich de grot waarin de Heer Zijn apostelen op de Olijfberg onderwees. Op de vierde dag…

Het Heilig Kruis wordt uit Jeruzalem weggevoerd
Chosroës II, de zeer wrede en trouweloze koning van Perzië, maakte gebruik van de zwakheid van de regering van de wrede en hebzuchtige overweldiger Phocas en verbrak de vrede met het keizerrijk, onder het voorwendsel de moord op keizer Mauritius en zijn familie te willen wreken, die Phocas op onmenselijke wijze had laten ombrengen. Maar uit het gedrag van deze barbaar bleek hoezeer zijn bedoelingen verschilden van die van de openbare gerechtigheid en dat zijn doel slechts was zijn eerzucht en zijn onverzoenlijke haat tegen de christelijke en Romeinse naam te bevredigen. De Perzen, die geen tegenstand ontmoetten, plunderden Mesopotamië en een deel van Syrië. Heraclius, prefect van Afrika, werd door de voornaamste staatslieden en senatoren dringend verzocht het keizerlijk purper aan te nemen en het rijk van de overweldiger te bevrijden. Hij trok met zijn strijdkrachten over zee naar Constantinopel, nam na een succesvolle veldslag Phocas gevangen en liet hem en zijn kinderen in het jaar 611 ter dood brengen, nadat de tiran acht jaar en vier maanden had geregeerd. De nieuwe keizer smeekte Chosroës om vrede en bood hem een jaarlijkse schatting aan, maar de hoogmoedige barbaar zond zijn gezanten weg zonder hen zelfs te ontvangen. In het eerste jaar van de regering van Heraclius namen de Perzen Edessa en Apamea in en rukten zij op tot Antiochië. In het tweede jaar namen zij Caesarea in Cappadocië in, in het vierde Damascus en in het vijfde, het jaar 614, maakten zij zich in de maand juni meester van Jeruzalem, waarbij zij de stad vervulden met gruwelen die men niet zonder afschuw kan noemen. Vele duizenden geestelijken, monniken, nonnen en maagden werden wreed omgebracht. Negentigduizend christenen werden als slaven aan de Joden verkocht en velen van hen werden daarna gefolterd en gedood. De kerken, zelfs die van het Heilig Graf, werden verbrand en alle kostbare goederen werden weggevoerd, waaronder een ontelbare menigte gewijde vaten, vele kostbare relieken en dat gedeelte van het hout van het Ware Kruis dat daar door de H. Helena was achtergelaten. De patriciër Nicetas vond met behulp van een vriend van Sarbazara, de Perzische veldheer, een middel om twee heilige relieken te redden, namelijk de spons waarmee de soldaten onze Verlosser azijn te drinken hadden gegeven en de lans waarmee Zijn zijde was doorboord. Beide zond hij naar Constantinopel. De heilige spons werd nog in hetzelfde jaar op het feest van de Verheffing van het Kruis, op 14 september, in de grote kerk aan het volk getoond. De heilige lans werd daarheen gebracht op zaterdag 26 oktober en werd de daaropvolgende dinsdag en woensdag in de grote kerk openlijk door de mannen vereerd en op donderdag en vrijdag door de vrouwen. Patriarch Zacharias werd met een grote menigte andere personen als gevangene naar Perzië weggevoerd. Tijdens zijn afwezigheid droeg abt Modestus zorg voor de stad Jeruzalem en begon hij verscheidene kerken en kloosters die verwoest waren opnieuw op te bouwen. Het volgende jaar namen de Perzen Alexandrië in en plunderden geheel Egypte, en in het daaropvolgende jaar veroverden zij Carthago. Deze verliezen en rampen dwongen Heraclius opnieuw de overwinnende tiran nederig om vrede te smeken. Deze lachte om zijn verzoek en verklaarde godslasterlijk: Ik zal deze mensen nooit met rust laten zolang zij Hem aanbidden die door andere mensen gekruisigd werd en weigeren de zon te aanbidden. Heraclius stelde al zijn vertrouwen op de Verlosser der wereld, wiens heerlijkheid hij zou verdedigen. In de uiterste armoede waarin het rijk verkeerde, leende hij het goud en zilver dat zich in de kerken bevond en liet daarvan geld slaan om een leger op de been te brengen ter bescherming van zijn onderdanen. Saez, opperbevelhebber van de Perzische koning, nam Ancyra in, plunderde geheel Galatië en rukte op tot Chalcedon, waar hij aanbood over vrede te onderhandelen. Heraclius zond hem zeventig aanzienlijke edellieden om met hem te onderhandelen, maar de trouweloze ongelovige liet hen allen in ketenen slaan en voerde hen naar Perzië. Toen hij daar aankwam, liet zijn meester hem levend villen omdat hij Heraclius zelf niet had meegebracht, die hij eens had gezien en van wie hij geschenken had ontvangen. Eindelijk besloot de keizer de oorlog naar Perzië zelf over te brengen, om de ongelovigen te dwingen naar huis terug te keren ter verdediging van hun eigen land. Om geen vijanden achter zich te laten, sloot hij vrede met de khan van de Avaren, die hem vanuit Thracië had aangevallen, en in het jaar 622, het twaalfde jaar van zijn regering, begon hij onmiddellijk na Pasen zijn veldtocht tegen Perzië. Uit Alban Butler, Lives of the Fathers, Martyrs, and Other Principal Saints, 14 september.
Heraclius herwint het Heilig Kruis
Heraclius begon zijn veldtocht met gebed en vertrouwen op God. Hij liet voor zijn leger een afbeelding van Christus dragen en bezielde zijn soldaten met moed om voor het christelijk geloof en voor hun vaderland te strijden. Hij trok door Armenië en drong het Perzische rijk binnen. Chosroës zond zijn veldheren tegen hem uit, maar Heraclius behaalde achtereenvolgens grote overwinningen en drong steeds verder door in het gebied van zijn vijand. In het jaar 627 leverde hij bij de ruïnen van Ninive een grote veldslag tegen het Perzische leger. De strijd duurde van de morgen tot de avond. De Perzen werden verslagen en hun veldheer viel in de strijd. Heraclius trok daarna verder en maakte zich meester van de koninklijke verblijfplaatsen en de schatten van Chosroës. De Perzische koning vluchtte en werd weldra door zijn eigen zoon Siroës van de troon gestoten en gevangen gezet. Siroës sloot vrede met Heraclius, liet alle Romeinse gevangenen vrij, onder wie Zacharias, de patriarch van Jeruzalem, gaf de veroverde provincies terug en gaf ook het Ware Kruis terug, dat veertien jaar tevoren uit Jeruzalem naar Perzië was weggevoerd. Heraclius bracht deze kostbare reliek eerst naar Constantinopel, waar hij met grote luister zijn triomfantelijke intocht hield. In het begin van de daaropvolgende lente begaf hij zich naar Jeruzalem om het Heilig Kruis op zijn oude plaats terug te brengen en God voor zijn overwinningen dank te zeggen. De keizer wilde de heilige reliek met grote pracht op zijn eigen schouders de stad binnendragen, maar toen hij de poort naderde waardoor de Verlosser Zijn Kruis naar Golgotha had gedragen, werd hij plotseling tegengehouden en kon hij geen stap verder gaan. De patriarch Zacharias, die naast hem liep, sprak tot hem: Zie toe, o keizer, of gij in deze triomfantelijke tooi voldoende de armoede en nederigheid van Jezus Christus navolgt toen Hij Zijn Kruis droeg. Hij droeg geen kroon van edelstenen, maar een kroon van doornen. Hij was niet gekleed in keizerlijk purper, maar werd bespot en met een eenvoudig kleed bedekt. Hij droeg geen kostbaar schoeisel, maar ging barrevoets. Heraclius legde daarop zijn keizerlijke gewaden en zijn kroon af, trok eenvoudige kleding aan en ging barrevoets verder. Toen kon hij zonder enige moeilijkheid het Heilig Kruis naar Golgotha dragen. Het Kruis bevond zich nog in de zilveren schrijn waarin het door de Perzen was weggevoerd. De patriarch en de geestelijkheid onderzochten de zegels en bevonden dat deze ongeschonden waren. Zij openden de schrijn met de sleutel, vereerden het Heilig Kruis en toonden het aan het volk. De terugkeer van deze heilige reliek werd met de grootste vreugde en dankzegging gevierd en God verheerlijkte haar door wonderbare genezingen. Uit Alban Butler, Lives of the Fathers, Martyrs, and Other Principal Saints, 14 september.
