9 juli — HH. Martelaren van Gorcum, martelaren † 1572
In het jaar 1572 werd de Nederlandse Kerk zwaar getroffen door de opstand tegen Filips II en zijn landvoogd Alva. De strijd werd gevoerd onder de naam van vrijheid. Volgens de bedoeling van Willem van Oranje zou die vrijheid alle gezindten omvatten en een einde maken aan de gewetensdwang. In Holland werd aan deze opzet door zijn geuzenluitenants, vooral Willem van Lumey en Dirk Sonoy, hardhandig een einde gemaakt.
Op 1 april 1572 viel Den Briel in handen van de Watergeuzen onder Lumey. Kerkroof, beeldenstorm en schending van het heilige waren aan de orde van de dag; de uitoefening van de katholieke godsdienst werd goeddeels onmogelijk gemaakt. In Den Briel, Alkmaar, Gouda en Schoonhoven werden priesters en kloosterlingen vervolgd en gedood. Aan het einde van datzelfde jaar stierf ook Cornelis Musius, rector van het Delftse Agnietenklooster, na zware martelingen.
De meest bekende slachtoffers van dit jaar zijn de negentien Martelaren van Gorcum. Zestien geestelijken werden te Gorcum gevangengenomen en opgesloten in de Blauwe Toren, waar zij werden ondervraagd en mishandeld. Drie anderen werden later bij hun lijdensweg gevoegd. Daarna werden zij naar Brielle afgevoerd.
Daar bleven zij, ondanks folteringen en bedreigingen, standvastig in het katholieke geloof. Men eiste van hen dat zij de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligst Sacrament en het primaat van de paus zouden verloochenen. Zij weigerden. Na een lijdensweg van dertien dagen werden zij in de nacht van 8 op 9 juli 1572 bij Den Briel opgehangen.
Hun veroordeling, uitsluitend om hun trouw aan de Eucharistie en het pauselijk gezag, vormt het dramatische hoogtepunt van de geloofsvervolging in het jaar 1572. Zij werden op 24 november 1675 zalig verklaard door paus Clemens X en op 29 juni 1867 door paus Pius IX plechtig onder de heiligen van de Kerk opgenomen.
Lees hier het volledige relaas van hun martelaarschap.
O God, die uw heilige Martelaren, Leonardus en zijn gezellen, om de glorievollen strijd voor het geloof, met de zegekroon der eeuwigheid gesierd hebt, verleen ons door hun verdiensten de genade, naar hun verheven voorbeeld, zó te mogen strijden op aarde, dat wij met hen verdienen gekroond te worden in de hemel. Door Christus, onze Heer. Amen.

Dit monumentale schilderij werd vervaardigd door de Italiaanse kunstschilder Cesare Fracassini voor de Vaticaanse Musea. Het stelt de marteldood voor van de negentien Martelaren van Gorcum, die in de vroege morgen van 9 juli 1572 te Brielle de dood vonden om hun trouw aan het katholieke geloof.
Het werk ontstond ter gelegenheid van hun heiligverklaring door paus Pius IX op 29 juni 1867. Fracassini beeldt niet alleen het ogenblik van de terechtstelling uit, maar vooral de standvastigheid, onderlinge liefde en bovennatuurlijke vrede waarmee de Martelaren hun laatste getuigenis voor Christus aflegden.
D. de Lange, De H. Martelaren van Gorcum, 1954.
Een woord vooraf
Op 9 juli viert de Katholieke Kerk van Nederland het feest van haar negentien bloedgetuigen, die in het jaar 1572 te Brielle aan de woede der Geuzen ten offer vielen. Ook van hen geldt jammer genoeg nog te veel: onbekend — onbemind. Veel te weinig nog is ons katholieke volk — uitzonderingen daargelaten — op de hoogte van het lijden en strijden van deze heldenschaar. Hoe beter wij Christus en zijn Kerk leren kennen, hoe meer wij beiden kunnen liefhebben. Of dat „kunnen” ook een „zullen” wordt, hangt natuurlijk van nog andere factoren af. Bovendien, in tijden als de onze, waarin van de kinderen der Kerk een meer dan gewone trouw en offervaardigheid wordt gevraagd, moge het heldenvoorbeeld der Gorcumse Martelaren ons allen moed en sterkte geven om met Gods genade het Erfdeel der Vaderen te handhaven. Ook daarom moeten onze vaderlandse Heiligen steeds beter gekend en vereerd worden.
De H. Nicolaas Pieck, O.F.M.
Het merendeel der Gorcumse Martelaren, elf van de negentien, behoorde tot de roemrijke Orde van Sint Franciscus. Zij vormden in hoofdzaak de communiteit van het Minderbroederklooster „Bethlehem” te Gorcum. Hun gardiaan, de overste, was de H. Nicolaas Pieck, die een heel bijzonder op de voorgrond tredende figuur is onder de heldenschaar der negentien. Over hem daarom vooraf enige bijzonderheden.
Nicolaas Pieck, die in de volle bloei van zijn jaren — op bijna 38-jarige leeftijd — de martelkroon zou winnen, behoorde tot een aanzienlijk Gorcums geslacht. Zijn vader, Jan Pieck, deed zich in de hachelijke tijd van de veldwinnende Reformatie kennen als man van vurige geloofsijver.
Zijn eerste studies deed Nicolaas Pieck te ‘s-Hertogenbosch bij de „Broeders des Gemenen Levens”. In dezelfde stad trad hij daarna in de Orde van Sint Franciscus. Zijn meer dan gewone aanleg bewoog de oversten hem naar de Leuvense Hogeschool te zenden. In 1558 ontving Nicolaas Pieck de H. Priesterwijding. Om zijn hoge deugd en grondige kennis vertrouwden zijn oversten hem de leiding toe van het Minderbroederklooster „Bethlehem” in zijn geboortestad Gorcum. Het telde in het tragische jaar 1572 achttien religieuzen: twaalf paters en zes broeders. Elf van hen behoren tot de negentien Martelaren, die de H. Kerk op 9 juli herdenkt. Het kleine convent had in die dagen van kerkelijk verval — zoals de meeste Franciscanerkloosters — de goede geest bewaard. In het jaar 1572 telde Gorcum ongeveer vijfduizend inwoners. De dwaling had er reeds vaste voet. Toch behoorde nog tweederde van de inwoners tot de Katholieke Kerk. Wat men ook moge zeggen van de schuld van een onwetende en verslapte geestelijkheid in de zestiende eeuw, aan de zielzorg van het kleine Gorcum heeft het waarlijk niet gelegen! Want naast de heilige gardiaan waren ook de beide pastoors der stad, St. Leonardus van Vechel en St. Nicolaas Poppel, mannen van grondige wetenschap en hoge priesterdeugd. En evenals deze laatsten droeg ook de gardiaan met zijn paters zijn apostelvuur uit onder de gewone gelovigen.
De Geus voor Gorcum
Op 25 juni 1572 lag Marinus Brandt met zijn geuzenschepen op de Merwede voor Gorcum. Een gestolen processievaan hing zoals gewoonlijk ter bespotting aan een der masten en vanaf de stadswal kon men de Geuzen wijn zien drinken uit gestolen kelken en cibories, die zij schimpend toonden aan de toeschouwende Gorcummers, terwijl zij zichzelf met de kerkelijke gewaden getooid hadden. Spoediger dan men meende, maar toch niet onverwacht, kwam het onheil over de stad. Sombere geruchten van foltering en moord door de woeste Geuzen gepleegd, waren vooral na Dordrechts val tot Gorcum doorgedrongen. De schanddaden tegen priesters en ijverige katholieke leken gepleegd, waren gruwelijk genoeg om indruk te maken op het gemoed van Nicolaas Pieck. Wat bij hem echter de doorslag gaf om toch te blijven, was de dure plicht om in deze moeilijke dagen het volk een voorbeeld te geven van trouw aan de wettige overheid en aan de Godsdienst. De vlucht der Franciscanen zou ontmoedigend werken op de verdediging der stad. En dat Gorcum tot elke prijs voor de Koning moest behouden blijven, daarover dacht de gardiaan precies als de beide pastoors, die langs de wallen gingen om de wachters aan te sporen moedig hun plicht te doen en op de markt het schuttersgilde toespraken met de krachtigste woorden vermanend tot trouw aan Koning en Godsdienst. Intussen was St. Nicolaas Pieck zich wel degelijk bewust van de vaderplichten, die hij als overste had tegenover zijn broeders. Reeds op 25 juni riep hij allen om zich, zette hun de toestand uiteen en gaf hun verlof uit de stad te wijken. Hij zelf, zo eindigde hij, zou met enigen in Gorcum blijven. Maar het was niet nodig dat allen dit voorbeeld volgden. Twee paters maakten van het verlof gebruik en vertrokken nog dezelfde dag naar Den Bosch. De volgende dag — 26 juni — lagen de dertien Geuzenschepen nog dichter bij de stad, zowel boven- als benedenstrooms. Het gevaar werd nu met het uur dreigender en opnieuw gaf de gardiaan zijn broeders de vrijheid om te gaan waarheen zij wilden. Nu trachtten enkelen nog een goed heenkomen te zoeken, maar zij vonden de poorten gesloten en reeds in de macht der kwaadwilligen. Men liet hen niet meer uit. Met het oog op de kritieke toestand trok Nicolaas Pieck zich met zijn convent terug in de „Blauwe Toren”, een kleine, maar sterke burcht aan de rivier, waarheen hij ook reeds de bibliotheek, de kerkelijke gewaden, kelken enz. had doen overbrengen. Hier zou de dappere drost, Caspar Turck, een Gelders edelman en ridderlijk als vurig katholiek, zo lang mogelijk standhouden — hij beschikte slechts over een twintigtal gewapenden! — tot er ontzet kwam. Hier ook hadden de beide pastoors na hun mislukt pogen om de burgerij tot moedige weerstand te brengen zich teruggetrokken, evenals een paar andere geestelijken en verschillende voorname burgers. Van de Franciscanen bleven drie lekebroeders vrijwillig achter in het klooster.
De Geus in Gorcum
In de middag van 26 juni bezette Marinus Brandt met zijn bende de markt. Caspar Turck gaf door twee waarschuwingsschoten vanuit de Blauwe Toren te kennen, dat de Geus hem als vijand had te beschouwen. De eis tot overgave, door een der achtergebleven Franciscaner broeders op bevel van Brandt overgebracht, wees hij plichtgetrouw af, hoezeer hij ook het hachelijke van zijn toestand inzag. Maar de wanhoop der niet-strijdenden werkte verlammend op de onbeduidend kleine bezetting; enkelen gingen er zelfs heimelijk vandoor. Toen Caspar Turck onverzettelijk bleef zelfs voor de smekingen van zijn eigen vrouw en dochter, drongen enkele burgers bij hem op tijdige overgave aan. Maar Nicolaas Pieck was van een ander gevoelen en merkte op, doelend op de Geuzen: Hecht geen geloof aan hun woord, ook al bezweren zij het, want zij die hun woord aan God hebben gebroken, zullen ook hun belofte aan de mensen niet houden. En meteen begon hij zo goed mogelijk aan de versterkingen mee te werken en moedigde ook zijn gezellen daartoe aan. De drost begreep evenwel, dat hij alleen de toren niet kon houden. Na nog een korte woedende verdediging, die Brandt genoegen maakte eervolle voorwaarden toe te staan — de strijd kon hem te veel mannen kosten! — werd de sterkte overgegeven onder uitdrukkelijke en door Brandt bezworen conditie, dat allen die er zich bevonden, geestelijken zowel als leken, vrij mochten heengaan, met achterlating van hun goederen. Tijdens de onderhandelingen trokken de gardiaan en zijn broeders hun bruin habijt weer aan. Zij spraken bij elkaar de biecht; de meeste anderen volgden dit voorbeeld en daarna ontvingen zij uit de handen van de H. Nicolaas van Poppel de H. Communie. Even later verscheen Brandt met zijn Geuzen en herhaalde tegenover Hessel Estius, de zwager van de gardiaan, onder ede zijn beloften. Zij werden op Geuzenmanier even spoedig gebroken. De leken liet hij vrij, doch tegen losgeld. Drie van hen echter bleven gevangen: Caspar Turck, die eerst veel later vrijkwam, en de burgers Bommer en De Coninck, die na enkele dagen werden opgehangen. Toen een der gevangenen hem herinnerde aan het verdrag, verklaarde Brandt: Als ik mijn zin mocht doen, liet ik terstond allen vrij, maar omdat ik dat niet kan, moet ge afwachten wat er zal gebeuren.
De hel breekt los in de Blauwe Toren
Direct al bij de eerste ontmoeting vielen de Geuzen als roofdieren aan op de gevangenen, die op de binnenplaats bijeen waren gedreven om hun kleren te doorzoeken. Hierbij had St. Hieronymus van Weert al veel te lijden. Daarop werden ze enige tijd in een zaal bijeen gedreven, waar Geuzen en afvallige Gorcummers hun hart ophaalden aan het bespotten der geestelijken. Een hele dag hadden de ongelukkigen aldus, onder voortdurende doodsangst, zonder voedsel doorgebracht. Nu, op de late avond werd hun vleesspijs voorgezet, hoewel het vrijdag was en er genoeg ander eten in de burcht aanwezig was. De bedoeling was duidelijk… en werd begrepen! Liever dan de schijn van plichtsverzaking op zich te laden, bleven zij hongeren. Al te gemakkelijk kon immers de laster worden uitgestrooid, dat zij reeds begonnen af te vallen. Intussen hadden de Geuzen niet gevast en midden in de nacht kwamen zij dronken en opgewonden naar de gevangenis om nog eens hun hart op te halen. Ze hadden elkaar wijs gemaakt, dat de geestelijken schatten verstopt hadden in de citadel. Eerst moesten de wereldpriesters naar voren komen. Gewillig gaven zij het weinige af dat zij bij zich hadden, maar schatten, die niet bestonden, konden zij niet wijzen. Vooral Nicolaas van Poppel, die om zijn apostolische ijver bijzonder bij de afvalligen onder de Gorcummers gehaat was, moest het ontgelden. Ze sloegen hem het koord van een der Minderbroeders om de hals en trokken hem op en neer langs de deur van de kerker, die op een kier stond. Halfdood lieten ze hem ten slotte liggen. Nu is het de beurt aan de Franciscanen. Een voor een, te beginnen met de jongeren, worden zij onder slagen en mishandelingen opgevorderd de „schat” te wijzen. Een van hen laat zich ontvallen, dat in het klooster alleen de gardiaan met zulke zaken te maken had… Wie is dat? De woestelingen grijpen de vicaris pater Hieronymus van Weert aan; zijn eerbiedwaardig voorkomen doet hen denken, dat hij wel de overste zal zijn. Ze zetten hem een dolk op de keel. Hieronymus zwijgt. Maar dan treedt Nicolaas Pieck naar voren: Ik ben de gardiaan, laat mijn broeder met rust! Vuistslagen beuken zijn lichaam, maar schatten kon hij ook niet wijzen.
Dan maar hetzelfde spel herhaald als zo-even met de pastoor! Ze grijpen zijn koord, gooien het over de deur, hijsen hem op en neer en laten hem neerploffen op de vloer. Als dat zo’n poos geduurd heeft, wordt het koord aan een haak vastgemaakt en de gepijnigde blijft hangen, hulpeloos, de prooi van zijn smart. Het koord breekt… de gardiaan bonst neer… blijft roerloos liggen, als dood.
De onmensen zetten hem tegen de muur; ze willen weten of hij werkelijk dood is. Ze steken een kaars aan en laten de vlam branden in de wangen en oren en in de neusgaten; de mond wordt opengebroken, tong en gehemelte verschroeid. Slachtoffer geeft geen teken van leven meer… Dan schoppen ze het lichaam weg met de woorden: ’t Is maar een monnik, wie zal er naar vragen! En ze gaan heen…
Maar dood was de gardiaan niet, enkel bewusteloos. En terwijl allen om hem lagen neergeknield en met huivering en eerbied dat zwart geblakerde gezicht beschouwden, die opgezwollen loodkleurige hals met de bloedstreep rondom het koord… komt hij langzaam weer bij. Zijn lotgenoten willen hem hun liefdevolste zorgen geven, maar wat kunnen ze doen?… Nog tien volle dagen zou de heilige, bij alles wat hij met de anderen meeleed, de schrijnende pijn dragen van deze gruwelijke mishandeling.
Tegen het einde van de nacht kwamen ze terug met bijlen om het lijk in stukken te houwen en die aan de poorten te spijkeren. Begrijpelijk is het, dat ze een ogenblik van hun stuk raakten, toen ze de gardiaan daar levend zagen zitten te midden van zijn medebroeders. Een ogenblik maar! Dan breekt hun teleurgestelde woede los: dan schoppen ze weer de arme lijder met hun gelaarsde voeten en trappen hem op de buik en in de zijden, met de woorden: Leeft de monnik nog? Leeft hij nog?!… Zo bleven nog ruim een week lang de bloedgetuigen blootgesteld aan dagelijkse bespottingen en mishandelingen. Soms knielde deze of gene Geus spottend neer bij een der priesters om zijn „biecht” te spreken, die dan eindigde met wilde vuistslagen in het gezicht van het slachtoffer. Deo gratias! antwoordde hij iedere slag, die hij bij zulke heiligschennis ontving, de oude, negentigjarige pater Willehad, een Deen, door de ketters achtereenvolgens verjaagd uit Holstein, Engeland en Schotland, die, nadat hij het Hollands machtig was, een zeer gezocht biechtvader werd in Gorcum. Toen een der Geuzen hem na zo’n „biecht” vroeg wat hij er nu wel van dacht, antwoordde de heilige eenvoudig: Ik zal de Heer God voor u bidden. Als dank werd heel zijn lichaam gekneusd met schoppen en vuiststompen.
Brandt, de karakterloze
Zag de burgerij van Gorcum dit alles nu maar werkeloos aan? Er heerste ontevredenheid genoeg, maar wat kon men doen tegen een gewapende troep! Toch merkte Brandt heel goed, dat er wat broeide en hij besloot daarom wat toe te geven. Hij stond St. Leonardus van Vechel toe om de beide ter dood veroordeelde burgers, Bommer en De Coninck, in hun laatste ogenblikken bij te staan. Toen men de pastoor na de moord op deze trouwe katholieken weer naar de kerker terugvoerde, kwam er een volksoploop en zag Brandt zich genoodzaakt Leonardus op vrije voeten te laten, mits hij niet zonder paspoort de stad verliet. Die vrijheid zou overigens kort van duur zijn. De pastoor kreeg bevel om op Onze Lieve Vrouw Visitatie in het openbaar te prediken. Die preek werd een laatste en roerende hulde aan de H. Maagd met een vurige opwekking tot standvastigheid in het H. Geloof. Ze maakte op allen een diepe blijvende indruk. Toen echter na deze preek Leonardus’ zuster uit Den Bosch overkwam met de tijding, dat zijn moeder daar op sterven lag en hem bad over te komen en de pastoor met een door Brandt zelf getekend paspoort Gorcum verliet, werd hij achtervolgd en te Werkendam door de Geuzen ingehaald. Zijn paspoort werd voor zijn ogen in stukken gescheurd en hij zelf weer teruggevoerd naar de kerker. Met leugen en laster werd nu het volk bewerkt. En Brandt, die met één woord de zaak had kunnen ophelderen, liet alles begaan en werkte zelfs mee aan de verdachtmaking van de heilige… Voor de gardiaan waren zijn moeder, drie broers en twee zusters ijverig in de weer; ze boden een hoog losgeld. Maar St. Nicolaas Pieck wilde in geen geval zonder zijn medebroeders de kerker verlaten. Vergeefs drong daarop de familie op aller loslating aan. Brandt was niet te bewegen zijn woord gestand te doen.
Een afschuwelijke figuur verschijnt op het toneel
Intussen was onder de burgerij opnieuw de algemene ontevredenheid teruggekeerd over de trouweloosheid der Geuzen. Openlijk werd er schande van gesproken. In de Raad der stad verweet men Brandt ronduit zijn meineed en toen deze zich dekte met een beroep op bevelen van hogerhand, besloot men met algemene stemmen zich tot de Prins van Oranje te wenden. Vóór echter diens antwoord — dat overigens totaal onvoldoende zou blijken — in Gorcum werd ontvangen, was daar een man op het toneel verschenen, tienmaal erger dan Brandt. Die booswicht was de afvallige Luikse kanunnik Jan van Omal. Hij was door Lumey gezonden en de bloeddorstigste van de bende die Den Briel had bezet. Hij zag spoedig, dat — wilde men de actie der burgerij nutteloos maken — er haast gemaakt diende te worden met de overvoering der Martelaren naar Den Briel. In het holle van de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 juli dreef Jan van Omal de gevangenen naar de oever van de Merwede, waar een schuit klaar lag. Hij koos deze tijd uit vrees voor de burgerij. Reeds eerder had de stadsbeul verscheidene der kloosterlingen van hun kap en habijt beroofd. Nu werd ook de anderen hun bovenkleding ontnomen en zo, blootgesteld aan de kilheid van de nacht, werden ze in de schuit geladen. Dan stak het vaartuig van wal. Onderweg moesten ze overstappen in een mosselschuit, waar ze in het veel te kleine ruim bijna stikten van de stank. Na nog eens overgeladen te zijn op een vrachtschip, kwam men zondagochtend 6 juli te Dordrecht aan. Urenlang bleven de gevangenen hier blootgesteld aan belediging van de kant van al wat Geus was. De wachthebbenden op het schip, de anderen waren met Jan van Omal in de stad gaan eten, spanden een zeil uit en nu werden de nieuwsgierigen voor een oortje, een klein geldstukje, bij de papen toegelaten om hun wrede spotlust bot te vieren. De volgende morgen kwamen de Martelaren uitgeput van honger voor Den Briel aan. Opnieuw herhaalden zich de lage tonelen van Dordrecht in afwachting van de komst van Lumey, de wreedaard, die op 1 april bij verrassing Den Briel had bemachtigd en van de stad een moordhol had gemaakt, waar hij zijn priesterhaat botvierde.
In de klauwen van Lumey
Op het aangename bericht, dat een schuit met een volle lading papen voor de stad lag, vloog de Geuzenaanvoerder zijn bed uit, wierp zich in de kleren, sprong te paard en reed met de andere bendeleiders de gevangenen tegemoet. Aan het havenhoofd gekomen, waar dezen weer, twee aan twee gebonden, gereed waren in optocht naar de stad te trekken, zag Lumey hen enige ogenblikken met wreed genot aan. Dan liet hij zijn slachtoffers voor zich neerknielen op de oever, zag spottend op hen neer en beval daarop sarcastisch-vriendelijk: Surgite Domini!… staat op, Heren! Bij het havenhoofd stond een galg. Hier moesten de gevangenen in processie, twee aan twee, omheen trekken; voorop een jonge Franciscaner broeder, die men een geroofd kerkvaandel in de hand had geduwd. Intussen luisterden Lumey en zijn trawanten het schouwspel op met spottend gejoel en dreigementen. Tot verhoging van de pret moesten de Martelaren nóg eens om de galg trekken, maar nu achteruitlopend!
Daarna dwong men ze in een kring rondom de galg neer te knielen en het Salve Regina met andere gezangen ter ere der H. Maagd te zingen. Het was van de kant der Geuzen bedoeld als akelige spot, dat ze hun gewijde gevangenen dwongen liturgische lofzangen te zingen. Maar hierin vergisten ze zich! Geheel tegen de bedoeling in is dit nog de enige dienst geweest, die ze hun hebben bewezen. Voor de Martelaren ontstond onverwacht de gelegenheid tot een gezamenlijke geloofsbelijdenis. Eindelijk beval Lumey stadwaarts te trekken. Naast de stoet reden twee Geuzen, die met wilgentakken de gevangenen sloegen, zodat hoofd en schouders bij menigen spoedig bloedige striemen toonden. Lumey, op een zwart paard gezeten, deed voortdurend de karwats neerdalen op zijn slachtoffers. En het gepeupel jouwde en wierp met slijk en vuil. Een treffend toneel speelde zich af op de markt vóór het stadhuis. Ook daar stond een galg. Weer moesten de Martelaren er omheen trekken in processie onder het zingen der Litanie van alle Heiligen en dan geknield enige lofzangen zingen ter ere der H. Maagd. Als het slotakkoord was weggestorven eisten de omstanders ook de zang van het gebed. De Martelaren zwegen; niemand achtte zich gerechtigd, als de waardigste, het Oremus aan te heffen. Maar dan klinkt een stem zacht, maar vast, in de stilte op… Het is de grijze St. Godefridus van Duynen, rector van het gevluchte Zusterklooster te Gorcum, die voor kinds gold, maar heel de lange lijdensweg tot zijn heilige dood een wonderlijke helderheid van geest toonde. Hij zingt het Interveniat, de oratie van het in Holland zo geliefde feest der Moeder van Smarten: Wij bidden U, Heer God, dat nu en in de ure van onze dood bij Uw oneindige goedertierenheid onze Voorspreekster moge zijn de glorierijke Maagd Maria, Uw Moeder, wier allerheiligste ziel in het uur van Uw gezegend lijden en bittere dood met een zwaard van droefheid doorboord is. Die leeft en heerst in alle eeuwen der eeuwen… Het was stil onder de menigte, terwijl dit hartroerend en zo verheven-schoon gekozen gebed opsteeg… één ogenblik althans werd de hel het zwijgen opgelegd en plechtig klonk het Amen der dodelijk vermoeide en door honger uitgeputte Martelaren over de Brielse markt. Reeds op dat ogenblik verhoorde God hun bede. De broers van St. Nicolaas Pieck, die naar Den Briel waren gegaan om bij Lumey de bevrijding van de gardiaan te kopen en dit toneel hadden bijgewoond, verklaarden later dat zij zelden gezien hadden die goede heren rondom de galg gaande, kerkelijke lofzangen zingende en hoe dat zij na alle tormenten en versmaadheden, die hun aangedaan waren, nog heel vrolijk waren, zodat men de vrolijkheid uit hun aangezicht kon speuren.
De Martelaren voor hun rechters
Het getal der geestelijken was nu met vier priesters vermeerderd, die men in de omgeving van Den Briel had gevangen. Het waren twee Norbertijnen, een wereldgeestelijke en de pastoor van Maasdam. Deze laatste zou spoedig afvallen en op rampzalige wijze zijn leven eindigen kort na de glorierijke dood der bloedgetuigen. Nog steeds waren de gevangenen uitgeput door honger en mishandeling. In zo’n toestand moesten zij nu het verhoor ondergaan. ’t Liep enkel over hun geloofsovertuiging. Theorie en praktijk waren wel in schrijnende tegenspraak bij de strijders voor gewetensvrijheid. Dat bleek al direct, toen St. Leonardus van Vechel met zijn gewone moed voor zijn overtuiging uitkwam. Door twee Geuzen werd hij met hellebaard en krijgshamer zo bewerkt, dat het bloed hem uit het achterhoofd gutste.
Na dit eerste verhoor werden de gevangenen weer opgesloten. Nu pas kregen zij — voor het eerst na hun vertrek uit Gorcum — water en wat brood. Intussen waren de broers van de gardiaan druk in de weer. Nog vóór de Martelaren waren ze al in Den Briel aangekomen en hadden bij Lumey met geld en goede woorden aangedrongen op vrijlating van Nicolaas Pieck. Het schijnt, dat vooral Blois de Treslong, een der voornaamste Geuzenhoofden, wel genegen was voor een hoog losgeld de gardiaan maar vrij te laten. Het bleek echter, dat de vader zich niet liet scheiden van zijn kinderen en zo verkreeg men van Lumey enkel, dat al de Minderbroeders konden gered worden, maar door afzwering van de Paus. De goedmenende, maar in het geloof geheel verslapte broers van de H. Nicolaas hoopten nog enkel uitkomst van een tweede verhoor. De volgende dag, 8 juli, had dit plaats. De beide pastoors van Gorcum, de gardiaan, de vicaris Hieronymus van Weert, pater Godefridus van Melveren en twee der Norbertijnen werden nu voorgeleid. Kon men dit zevental tot afval brengen, dan zouden de anderen wel volgen, hoopte men. Ten aanhoren van Lumey met enkelen van zijn geuzenkapiteins en van de gebroeders Pieck moesten zij nu hun geloof verdedigen tegen de aanval van twee predikanten, die al heel weinig geschikt waren, de zeven priesters te overreden, waarvan er minstens vier schitterende studies hadden gedaan aan de Leuvense Hogeschool! Een der predikanten was de afgevallen pastoor van Den Briel; de ander een gewezen schipper uit Gorcum, die geen woord Latijn verstond, maar des te beter kon drinken en schelden. ’t Eerst werd de gardiaan opgevorderd om Paus en Kerk te verzaken. In naam der anderen antwoordde de heilige met een nobele en besliste verklaring op krachtige toon uitgesproken: de liefde tot dit armzalig leven zou hen geen verraders maken jegens God en Zijn Plaatsbekleder op aarde. Ieder mens moet vroeg of laat sterven. Het zou hun een vreugde zijn, zonder aarzelen hun leven te geven om hun geloof te bewaren en met hun bloed het geringste zijner voorschriften te bezegelen! Toen werd de H. Leonardus van Vechel voorgeroepen, daarna de anderen; zij brachten in de woordenstrijd, die vooral liep over het gezag van de Paus en de Werkelijke Tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament, hun tegenstanders zó deerlijk in het nauw, dat het dispuut eindigde met woedend schelden en razen der Geuzen. Volgens het getuigenis van de schout Jan van Duvenvoorde, die mede voorzat, was de strijd glansrijk door de Martelaren gewonnen. Lumey liet de overwinnaars weer kerkeren….
Het drama nadert zijn ontknoping
Het bestuur van de stad Gorcum had zich tot Willem van Oranje gewend om door zijn tussenkomst de Martelaren te redden. De prins zond nu een schrijven aan de overheden der Hollandse steden, met het bevel de geestelijken met rust te laten. De Gorcumse geestelijken, voor wie het juist moest dienen, werden niet met name genoemd. Tegenover een man als Lumey was de toon van het schrijven ook te schuchter. Marinus Brandt stuurde een afschrift van deze brief naar Lumey. Als deze ziet, dat het niet de brief zelf, maar slechts een kopie is, wordt hij woedend op Brandt en roept de provoost-geweldige, de beul. Deze verschijnt: Terstond al de papen en monniken, die gevangen zijn, ophangen tot de laatste toe! Geen van allen om enig geld of goed loslaten. Jan van Omal moet zorgen voor de uitvoering!… Weer worden ze twee aan twee gebonden en omdat Den Briel voor 21 slachtoffers geen galgen genoeg had, voerde men hen in de nacht de stad uit. Een kwartier buiten de Zuidpoort lagen de ruïnes van het pas verwoeste klooster St. Elisabeth ter Rugge. Alleen een turfschuur bij de visvijver stond nog overeind en daarin waren twee balken, die de Geuzen geschikt leken voor hun doel.
Door lijden en dood tot de glorie
’t Was er donker in die sombere schuur en spookachtig gleden de schaduwen der beulen langs de zwarte wanden, waarop de vlam der toortsen en het weifelend schijnsel van lantaarns een rosse gloed wierpen. Voor men de gevangenen ging ophangen, werden ze nog bijna geheel van hun laatste kleren beroofd. De gardiaan werd uitverkoren om alle anderen voor te gaan in de dood. Een voor een omhelsde hij zijn gezellen en spoorde hen aan sterk te blijven tot het laatste ogenblik: In broederlijke liefde zijn wij altijd één geweest in het geloof; laten wij in één geest verbonden blijven. Op deze wijze de zijnen bemoedigend, klom hij moedig de ladder op en bleef spreken tot de strop hem de keel toesnoerde. Dan namen de vicaris St. Hieronymus van Weert, St. Nicasius van Hees en de beide pastoors St. Leonardus van Vechel en St. Nicolaas van Poppel zijn taak over. St. Nicasius hield niet op zijn jongere ordebroeders te waarschuwen toch geen antwoord te geven op de listige taal van een calvinistisch predikant, die hen op het laatste ogenblik nog de martelkroon wilde ontroven. Antwoordt niet, spreekt geen woord tot die ketters; belijdt eenvoudig uw geloof.
En bij elke nieuwe verleiding tot afval antwoordde Nicasius voor hen: Neen, dat willen ze niet; dat doen ze niet; dat zullen zij nimmer doen. Zij hebben besloten met ons te leven en te sterven.
Toen was het, dat een jonge novice van 18 jaar, broeder Hendrik, bezweek. Hij werd losgemaakt en weggevoerd. Later is hij berouwvol in de Orde teruggekeerd. Droevige smart voor medebroeders! Zo moedig had de jongeling tot dan toe volgehouden. Op de weg van Den Briel naar Ten Rugge was hij de eerste geweest, die nog eens onder het voortlopen bij zijn gezel zijn biecht had gesproken, met de marteldood voor ogen… Juist besteeg St. Hieronymus, biddend de ladder. Houd toch op, Maria en Petrus aan te roepen! vermaande hem de predikant. Maar als Hieronymus, die als vicaris na de dood van de gardiaan de verantwoordelijkheid droeg voor zijn broeders, de verleider van de arme novice voor zich ziet, grijpt heilige toorn hem aan: Weg ellendeling, duivelstuig!… en meteen schopt hij hem tegen de buik, zodat de man achterover tuimelt, terwijl Hieronymus voortgaat hem te verwijten, een eenvoudige en onervaren novice verleid te hebben.
Houd op schurk! schreeuwden de Geuzen en ze klommen naar boven en korfden hem met hun messen in het gezicht en sneden hem het Jeruzalem-kruis, dat hij naar oud gebruik sinds zijn bedevaart op de borst en de rechterarm droeg, met het vlees uit het lichaam. Hij bleef echter moedig zijn gezellen vermanen, tot het koord ook hem deed zwijgen. Even later volgde de tweede afvallige onder de 21 gevangenen. ’t Was pater Willem, een Franciscaan, die zich reeds in Gorcum als religieus minder stichtend had gedragen. Wel had hij tot bij de galg het lijden met de anderen meegemaakt, maar zonder de heilige overgave van zijn gezellen. Hij kocht zich met zijn afval het leven om dit drie maanden later onboetvaardig toch aan de galg te eindigen, wijl hij Lumey bestolen had…. Intussen ging het beulenwerk voort. Achttien Martelaren hingen nu dood of worstelend met het einde in de strop. Alleen de oude kindse rector, St. Godefridus van Duynen, die heel de marteltijd een zeldzame helderheid van geest toonde, was nog over. Uit eigen beweging besteeg hij de ladder, ziende, dat het zijn beurt was. Toen kreeg de eerbiedwaardige grijsaard voor de tweede maal de kans om zonder afval van het geloof zijn leven te redden. Sommige Geuzen zeiden onder elkaar: Ach, laat deze mens niet hangen; want hij is gans onnozel en weet niet wel wijs. Maar Godefridus, bang, dat hem op het laatste ogenblik nog de kroon der overwinning zou ontvallen, riep: Haast u toch! Help mij bij mijn medebroeders, want ik zie de hemelen open. En dan vroeg de diepnederige man zijn beulen: Heb ik tegen iemand iets misdaan, dan bid ik om de liefde Gods, dat hij het mij vergeeft. Ook hij kreeg nu zijn plaats tussen de gardiaan en broeder Cornelius.
Het was 4 uur in de morgen van 9 juli 1572 toen de beulen hun werk volbracht hadden en rust gingen nemen. De Kerk van Nederland had een glorievol getal van negentien Martelaren gewonnen, als zoenoffer voor de afval van zovelen. De namen der negentien Heiligen zijn:
H. Leonardus van Vechel, pastoor van Gorcum.
H. Nicolaas van Poppel, tweede pastoor van Gorcum.
H. Nicolaas Pieck, O.F.M., gardiaan.
H. Hieronymus van Weert, O.F.M., vicaris.
H. Theodorus van der Eem, O.F.M.
H. Nicasius Jansen, O.F.M.
H. Willehad van Denemarken, O.F.M.
H. Godefridus van Mervel, O.F.M.
H. Antonius van Weert, O.F.M.
H. Antonius van Hoornaer, O.F.M.
H. Franciscus de Roye, O.F.M.
H. Petrus van Assche, O.F.M., lekebroeder.
H. Cornelius van Wijk bij Duurstede, O.F.M., lekebroeder.
H. Godefridus van Duynen, rector te Gorcum.
H. Joannes van Oisterwijk, augustijn.
H. Joannes van Keulen, dominicaan.
H. Jacobus Lacops, norbertijn.
H. Adrianus van Hilvarenbeek, norbertijn.
H. Andreas Wouters, wereldgeestelijke.