11 augustus – H. Tiburtius, martelaar † 286
Tiburtius, een zoon van de Romeinse prefect Chromatius, ontving tegelijk met zijn vader het heilig Doopsel. Hij trachtte niet alleen zelf een christelijk leven te leiden, maar ook anderen tot de kennis van het ware geloof te brengen. Op zekere dag, toen hij door een straat liep, viel een jongen van het dak van een huis op de straatstenen en raakte zo zwaar gewond dat men meende dat ieder ogenblik zijn laatste kon zijn. Tiburtius ging naar hem toe, maakte het kruisteken over hem en gebood hem in de naam van Jezus Christus op te staan en het heidendom te verlaten. De jongen stond onmiddellijk op, werd christen en bracht velen die getuige waren geweest van het wonder ertoe hetzelfde te doen. Een andere keer ging Tiburtius naar een jongeman, Torquatus genaamd, die, hoewel hij gedoopt was en zich christen noemde, niet leefde volgens de voorschriften van de Kerk. Zijn kleding was te weelderig. Hij bracht te veel tijd door in ledigheid, spel, dans en andere vermaken. In zijn gesprekken en gedrag was hij ongeremd en losbandig. Hij bad zelden, maar verkeerde dikwijls in gevaarlijk gezelschap. Tiburtius vermaande hem met grote ernst zijn onchristelijke levenswijze te veranderen. Torquatus deed alsof hij vastbesloten was zijn raad op te volgen, maar ging heimelijk naar de rechter Fabianus en maakte hem bekend dat Tiburtius een christen was. Dit deed hij uit wraak voor de terechtwijzingen die Tiburtius hem had gegeven. Om echter niet als de aanklager bekend te worden, verzocht hij tegelijk met Tiburtius voor de rechter te worden gebracht. Toen dit gebeurd was, vroeg de rechter Torquatus wie hij was. Ik ben een christen, antwoordde hij, en deze man, Tiburtius, heeft mij tot het ware geloof bekeerd. Maar Tiburtius zei: Ik heb u nooit als christen erkend, want uw leven is niet dat van een christen geweest. Zich weelderig kleden, de vastendagen niet onderhouden, onverschillig zijn tegenover het gebed, de dag in ledigheid doorbrengen, omgang zoeken met het andere geslacht en losbandig zijn in zijn woorden, zijn geen kenmerken van een christen. Christus erkent zulke mensen niet als zijn volgelingen. Fabianus wilde naar deze terechtwijzingen niet luisteren. Hij liet de grond met gloeiende kolen bedekken en zei tot de heilige: Gij hebt de keuze: óf wierook op deze kolen te werpen en aldus aan de goden te offeren, óf er blootsvoets overheen te lopen. Tiburtius aarzelde geen ogenblik, trok zijn schoenen uit, stapte moedig op de kolen en liep er heen en weer overheen zonder enig teken van pijn. Zich tot de rechter wendend zei hij: Zie en erken dat de God der christenen de enige God is, aan Wie alle schepselen gehoorzamen. Uw gloeiende kolen schijnen mij slechts lieflijke bloemen toe. De rechter, buiten zichzelf van woede, riep uit: Ik wist reeds lang dat uw Christus zijn volgelingen in de toverkunst onderrichtte. Ik zal er echter geen acht op slaan. De heilige martelaar berispte deze godslastering. Toen Fabianus zag dat de heidenen de God der christenen begonnen te bewonderen, beval hij Tiburtius te onthoofden en schonk hem aldus de kroon van het martelaarschap.
