Vigilie van Maria Tenhemelopneming

14 augustus – De vigilie is de dag van voorbereiding die aan een groot kerkelijk feest voorafgaat. Vanouds werd deze voorbereiding gekenmerkt door gebed, vasten en in sommige gevallen een nachtelijke wake. Zo bereidt de Kerk zich op 14 augustus voor op het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming.

De vigilie van Maria Tenhemelopneming werd door paus Leo IV omstreeks het jaar 847 ingesteld. Tot in de dertiende eeuw trok in de nacht vóór het feest te Rome een plechtige processie van de Lateraan naar Santa Maria Maggiore. Kruisen en brandende kaarsen werden meegedragen en onder het zingen van antifonen en litanieën trok geestelijkheid en volk door de stad. In de vroege morgen werd in Santa Maria Maggiore de H. Mis van Maria Tenhemelopneming opgedragen.

O God, die U gewaardigd hebt de maagdelijke schoot van de zalige Maria uit te kiezen om daarin te wonen, geef, zo smeken wij U, dat wij, door haar bescherming beveiligd, met vreugde aan haar feest mogen deelnemen. Gij die leeft en heerst.

Preek van de H. Johannes Damascenus over het Ontslapen van Maria
De oude Romeinse processie van Maria Tenhemelopneming
De Dormitio in de middeleeuwse kunst

Het Ontslapen van de Moeder Gods
In het Oosten werd dit mysterie vanouds vooral aangeduid als de Dormitio, het Ontslapen van de Moeder Gods. Ook in de oude westerse traditie komen benamingen voor die naar haar heengaan en ontslapen verwijzen. Het gaat daarbij niet om een afzonderlijk feest naast Maria Tenhemelopneming, maar om verschillende aspecten van hetzelfde heilige gebeuren dat op 15 augustus wordt gevierd.

De Dormitio
Daarom past op deze vigilie bijzonder de tweede preek van de heilige Johannes Damascenus over het Ontslapen van de Allerheiligste Maagd Maria. Hij voert ons naar Sion, waar Maria volgens de oude overlevering haar laatste dagen doorbracht, naar de apostelen die zich rond haar verzamelden, naar haar heilig sterven en begrafenis, en tenslotte naar haar opneming in de hemelse heerlijkheid. Zo vormt deze preek een waardige voorbereiding op het feest van Maria Tenhemelopneming.

De heilige Johannes Damascenus
Johannes Damascenus, omstreeks 675 tot 749, was monnik, priester en theoloog in het klooster van de H. Sabas bij Jeruzalem. Hij wordt in de Kerk vereerd als Kerkleraar om zijn diepe kennis van de Heilige Schrift, zijn poëtische verkondiging van het geloof en zijn verdediging van de heilige iconen. Zijn preken over het Ontslapen van de Moeder Gods behoren tot de rijkste oude getuigenissen van de verering van Maria en verbinden haar dood en begrafenis rechtstreeks met haar lichamelijke opneming in de hemelse heerlijkheid.

Preek van de heilige Johannes Damascenus
Over het Ontslapen van de Allerheiligste Maagd Maria

Er bestaat niemand die in staat is de heilige dood van de Moeder Gods naar behoren te prijzen, zelfs al bezat hij duizend tongen en duizend monden. Zelfs wanneer alle welsprekendste tongen zich verenigden, zouden hun lofprijzingen niet toereikend zijn. Zij gaat alle lof te boven. Maar omdat God behagen schept in de inspanningen van liefdevolle ijver, en de Moeder Gods in hetgeen de dienst van haar Zoon betreft, staat mij toe opnieuw tot haar lof terug te keren. Ik doe dit in gehoorzaamheid aan uw bevel, voortreffelijke herders, zo dierbaar aan God, en wij roepen het Woord aan, dat uit haar vlees heeft aangenomen, opdat Hij ons te hulp kome. Hij geeft het woord aan iedere mond die zich voor Hem opent. Hij alleen is haar vreugde en haar sieraad. Wij weten dat wij door haar lof te verkondigen onze schuld voldoen, maar dat wij daardoor opnieuw haar schuldenaren worden, zodat onze schuld telkens opnieuw begint. Het betaamt ons haar te verheffen die boven alle geschapen dingen staat, daar zij de Moeder is van God, die hun Schepper, Heer en Meester is. Verdraagt mij, gij die met aandacht naar de goddelijke woorden luistert, en neemt mijn goede wil aan. Sterkt mijn verlangen en hebt geduld met de zwakheid van mijn woorden. Het is alsof iemand buiten het seizoen een koninklijk purperen viooltje, een geurige roos met veelkleurige knoppen of een rijke herfstvrucht zou aanbieden aan een machtige vorst die door God tot heerser over de mensen is aangesteld. Dagelijks zit deze aan een tafel die in de welriekende zalen van zijn paleis beladen is met alle denkbare spijzen. Toch ziet hij niet zozeer naar de geringheid of ongewoonheid van het geschenk als naar de goede gezindheid van degene die het aanbiedt, en terecht. Deze goede wil beloont hij met overvloedige gaven en gunsten. Zo brengen ook wij, midden in de winter van onze armoede, kransen aan onze Koningin en bereiden wij voor dit lofrijke feest een bloem van welsprekendheid. Wij breken de hardheid van ons verstand als met ijzer en persen als het ware onrijpe druiven uit. Mogen de woorden die uw verlangende en aandachtige oren bereiken steeds welwillender worden ontvangen. Wat zouden wij de Moeder van het Woord anders aanbieden dan woorden? Het gelijke verheugt zich in het gelijke en in hetgeen het bemint. Laat ik dan beginnen, de teugels van mijn rede loslaten en haar voortzenden als een paard dat toegerust is voor de wedloop. Maar Gij, Woord Gods, wees mijn helper en bijstand. Schenk wijsheid aan mijn onverstand, maak door uw woord mijn weg recht en leid mijn gang volgens uw welbehagen, dat het einde is van alle wijsheid en inzicht.

Heden wordt de heilige Maagd der maagden binnengeleid in de hemelse tempel. Haar maagdelijkheid was zo machtig als een verterend vuur. Bij iedere andere vrouw gaat de maagdelijkheid door het baren verloren, maar zij blijft altijd Maagd, vóór de geboorte, in de geboorte zelf en daarna. Heden neemt de heilige en levende Ark van de levende God, die haar eigen Schepper in zich heeft ontvangen, haar woning in de tempel Gods die niet door handen is gemaakt. David, haar voorvader, verheugt zich. Engelen en aartsengelen jubelen. Machten verheugen zich. Vorstendommen en heerschappijen, krachten en tronen zijn vol blijdschap. Cherubijnen en serafijnen verheerlijken God. Het is voor hen geen geringe lof wanneer hun lof terugkeert tot de Moeder der heerlijkheid. Heden heeft de heilige duif, die zuivere en argeloze ziel, geheiligd door de Heilige Geest, de ark van haar lichaam afgelegd, het levenbrengende vat van onze Heer. Zij heeft rust gevonden voor haar voeten, is naar de geestelijke wereld gevlogen en woont veilig in het land daarboven, waar geen zonde is. Heden ontvangt het Eden van de nieuwe Adam het ware paradijs, waarin de zonde wordt weggenomen, de boom des levens groeit en onze naaktheid wordt bedekt. Want wij zijn niet langer naakt en ontbloot en onbekwaam de luister van de goddelijke gelijkenis te verdragen. Gesterkt door de overvloedige genade van de Geest zullen wij onze naaktheid niet langer verraden. De slang, door wier bedrieglijke belofte wij ons aan de redeloze dieren gelijk maakten, is dit paradijs niet binnengegaan. De eniggeboren Zoon van God, zelf God en één in wezen met de Vader, heeft uit de zuivere Maagd zijn menselijke natuur aangenomen. Mens geworden heeft Hij het sterfelijke onsterfelijk gemaakt. Hij heeft zich met onze mensheid bekleed en, de vergankelijkheid terzijde stellend, haar met de onvergankelijkheid van de Godheid bekleed. Heden is de onbevlekte Maagd, onaangeroerd door aardse hartstochten en geheel hemels in haar gedachten, niet in de aarde ontbonden. Zij is waarlijk de hemel binnengegaan en woont in de hemelse verblijven. Wie zou haar ten onrechte hemel noemen? Of beter, wie zou niet naar waarheid zeggen dat zij door haar verheven waardigheid groter is dan de hemel? De Heer en Schepper van de hemel, de Bouwmeester van alles wat onder de aarde en boven de aarde is, van de zichtbare en onzichtbare schepping, Hij die door geen plaats wordt omsloten, heeft zichzelf zonder medewerking van een man in haar tot een Kind gemaakt. Hij heeft haar gemaakt tot de rijke schatkamer van zijn alles vervullende en alleen onbegrensde Godheid, geheel in haar tegenwoordig zonder verandering, geheel zichzelf blijvend en door niets omsloten.

Heden wordt de levenbrengende schatkamer en afgrond van liefde, ik weet nauwelijks hoe mijn lippen het durven uitspreken, verborgen in een onsterfelijke dood. Zonder vrees treedt zij de dood tegemoet die de Vernietiger van de dood heeft ontvangen, indien wij haar heilig en levenbrengend heengaan werkelijk dood mogen noemen. Want hoe zou zij die het Leven aan allen heeft geschonken onder de heerschappij van de dood kunnen staan? Toch gehoorzaamt zij aan de wet van haar eigen Zoon en ondergaat zij als dochter van de eerste Adam het vonnis dat op diens geslacht rustte, daar ook haar Zoon, die het Leven zelf is, de dood niet heeft geweigerd. Als Moeder van de levende God gaat zij door de dood heen tot Hem. Want indien God verhinderde dat de eerste mens na zijn overtreding zijn hand zou uitstrekken naar de boom des levens, daarvan zou eten en eeuwig zou leven, hoe zou dan zij die het Leven zelf heeft ontvangen, het Leven zonder begin, zonder einde en zonder begrenzing, niet eeuwig leven? Eertijds verdreef de Heer God onze eerste ouders uit de hof van Eden nadat zij door hun ongehoorzaamheid het oog van hun hart hadden verduisterd, het onderscheidingsvermogen van hun verstand hadden verzwakt en in een doodse ongevoeligheid waren gevallen. Maar zal nu het paradijs haar niet met vreugde ontvangen die iedere slavernij van de hartstochten heeft verbroken, het zaad van de gehoorzaamheid aan God de Vader heeft gezaaid en voor het gehele menselijke geslacht het begin van het leven is geworden? Zullen de hemelen hun poorten niet jubelend voor haar openen? Zeker. Eva luisterde naar de slang, nam haar raad aan, werd gevangen door het lokaas van een bedrieglijk en vals genot en werd veroordeeld tot smart en droefheid en tot het baren in pijn. Met Adam ontving zij het vonnis van de dood. Hoe zou dan de dood deze waarlijk gelukzalige als zijn prooi kunnen opeisen, zij die in nederigheid naar het woord van God luisterde, vervuld werd van de Geest, door de aartsengel de gave van de Vader ontving en zonder begeerlijkheid of medewerking van een man de Persoon van het goddelijke Woord, dat alles vervult, in haar schoot ontving? Zij bracht Hem zonder barensweeën ter wereld en was geheel met God verenigd. Hoe zou het dodenrijk zijn poorten voor haar kunnen openen? Hoe zou het verderf het levenbrengende lichaam kunnen aanraken? Zulke dingen zijn geheel vreemd aan ziel en lichaam van de Moeder Gods.

De dood beefde voor haar. Toen hij haar Zoon naderde, had hij door diens lijden geleerd wat hem te wachten stond en was hij wijzer geworden. Voor haar was er geen duistere afdaling naar het dodenrijk, maar een blijde, gemakkelijke en zoete overgang naar de hemel. Indien Christus, het Leven en de Waarheid, heeft gezegd dat zijn dienaar zal zijn waar Hij is, hoeveel te meer zal zijn Moeder dan niet bij Hem zijn? Zij heeft Hem zonder pijn gebaard en ook haar dood was zonder pijn. De dood van de zondaars is verschrikkelijk, want daarin wordt de zonde, die de oorzaak van de dood is, gestraft. Wat zullen wij dan van haar zeggen, tenzij dat zij het begin van het eeuwige leven is? Kostbaar voor de Heer, de God der heerscharen, is de dood van zijn heiligen. Meer dan kostbaar is het heengaan van de Moeder Gods. Laat nu de hemelen en de engelen zich verheugen. Laat de aarde en de mensen vervuld worden van blijdschap. Laat de lucht weerklinken van gezang en lofzang en laat de donkere nacht zijn somberheid afleggen en door de schittering der sterren wedijveren met de helderheid van de dag. De levende stad van de Heer God wordt uit Gods tempel, het zichtbare Sion, opgenomen, en koningen brengen zijn kostbaarste gave, hun Moeder, naar het hemelse Jeruzalem. Daarmee bedoel ik de apostelen, door Christus als vorsten over heel de aarde aangesteld, die de altijd maagdelijke Moeder Gods begeleiden.

Sion is de kroon der kerken, de rustplaats der leerlingen. Daar weerklonk de Heilige Geest, daar werd de gave der talen aan de apostelen geschonken en daalde Hij in vurige tongen over hen neer. Daar diende de heilige Johannes de Moeder Gods en droeg hij zorg voor haar. Sion is de moeder der kerken van de gehele wereld en bood de Moeder Gods een verblijfplaats nadat haar Zoon uit de doden was verrezen. Daar tenslotte werd de allerheiligste Maagd op een eenvoudig rustbed neergelegd. Toen ik in mijn rede tot dit punt gekomen was, kon ik mijn gevoelens niet langer bedwingen. Brandend van liefdevol verlangen vergoot ik eerbiedige maar vreugdevolle tranen. In gedachten omhelsde ik dat gelukzalige, gezegende en wonderbare bed, dat de levengevende tabernakel had ontvangen en zich verheugde door de aanraking van haar heiligheid. Het was mij alsof ik dat heilige en gewijde lichaam zelf, God waardig, in mijn armen nam en mijn ogen, lippen, voorhoofd, hoofd en wangen tegen haar aandrukte. Het scheen mij alsof zij werkelijk tegenwoordig was, hoewel mijn ogen niet konden aanschouwen wat ik zozeer verlangde te zien. Hoe werd zij dan in de hemelse verblijven opgenomen? Aldus.

Welke eer bewees God haar toen, Hij die ons gebiedt onze ouders te eren? Op goddelijk bevel bracht de wolk die Jeruzalem als met een net omsloot, de arenden uit de uiteinden der aarde bijeen, hen die over de wereld verspreid waren en door de vele en verschillende talen van de Geest mensen vingen. Met het net van het woord redden zij de mensen uit de afgrond van twijfel en brachten hen naar de geestelijke en hemelse tafel van het heilige en mystieke gastmaal, het volmaakte bruiloftsmaal van de goddelijke Bruidegom, dat de Vader voor zijn Zoon bereidt, die Hem gelijk en van dezelfde natuur is. Waar het lichaam is, daar zullen de arenden zich verzamelen. Hoewel wij deze woorden reeds hebben behandeld met betrekking tot zijn tweede, grote en heerlijke komst, is het niet ongepast ze hier opnieuw aan te halen. De ooggetuigen en dienaren van het Woord waren dus aanwezig om zijn Moeder de verschuldigde dienst te bewijzen en als het ware uit haar een rijke erfenis en een overvloedige stof tot lofprijzing te ontvangen. Want wie zou eraan twijfelen dat zij de bron van zegen en de oorsprong van alle goeds is? Ook hun leerlingen en opvolgers waren aanwezig en verenigden zich met hen in dienst en lofprijzing. Een gemeenschappelijke arbeid brengt gemeenschappelijke vruchten voort. Ook een uitgelezen schare uit Jeruzalem was aanwezig. Het betaamde dat ook de voornaamste mannen en profeten van het Oude Verbond, die tevoren de heilbrengende geboorte in de tijd van God het Woord uit haar hadden voorzegd, haar als een erewacht zouden omringen. Evenmin ontbraken de engelenkoren. Zij hadden de Koning van harte gehoorzaamd en waren daarom waardig bevonden Hem nabij te staan. Daarom kwam hun ook het recht toe de lijfwacht te vormen van zijn Moeder naar het vlees, de waarlijk gelukzalige en gezegende, verheven boven alle geslachten en boven de gehele schepping. Allen die schitterden van de glans van de Geest waren bij haar en hielden met geestelijke ogen hun blik op haar gevestigd, in eerbied, ontzag en zuiver verlangen. Men hoorde goddelijke en geïnspireerde woorden en geestelijke gezangen die bij het uur van afscheid pasten. Daarom betaamde het Gods grenzeloze goedheid te loven, zijn onmetelijke grootheid, zijn almacht, zijn vrijgevigheid jegens ons die iedere maat te boven gaat, de overvloedige rijkdom van zijn barmhartigheid en de afgrond van zijn liefde. Hij legde zijn grootheid als het ware af en daalde, met de medewerking van de Vader en de Heilige Geest, af tot onze geringheid. Hij die boven alle wezen verheven is, werd op bovennatuurlijke wijze gevormd in de maagdelijke schoot. God zijnde werd Hij mens en Hij bleef in deze vereniging volmaakt God en volmaakt mens. Hij legde de zelfstandigheid van zijn Godheid niet af en hield evenmin op hetzelfde vlees en bloed als wij te bezitten. Hij die alles vervult en met één woord het heelal bestuurt, nam zijn woning in een enge ruimte. Het stoffelijke lichaam van deze gelukzalige ontving het brandende vuur der Godheid en bleef, als zuiver goud, ongeschonden. Dit geschiedde omdat God het wilde, want zijn welbehagen maakt mogelijk wat zonder zijn wil onmogelijk zou zijn.

Toen ontstond als het ware een wedijver in lofprijzing, niet alsof ieder de ander wilde overtreffen, want dat zou ijdele roem zijn en God mishagen, maar omdat niemand iets ongedaan wilde laten tot heerlijkheid van God en tot eer van de Moeder Gods. Toen openden Adam en Eva, onze eerste ouders, hun lippen en riepen uit: Gezegende dochter van ons, gij hebt de straf van onze ongehoorzaamheid weggenomen. Van ons hebt gij een sterfelijk lichaam geërfd en voor ons hebt gij de onsterfelijkheid verworven. Van ons hebt gij het bestaan ontvangen en ons hebt gij het bestaan in de genade teruggegeven. Gij hebt de smart overwonnen en de boeien van de dood losgemaakt. Gij hebt ons in onze vroegere staat hersteld. Wij hadden de poort van het paradijs gesloten, gij hebt de toegang tot de boom des levens gevonden. Door ons kwam uit het goede de droefheid voort, door u kwam uit de droefheid het goede voort. Hoe zoudt gij, die geheel schoon zijt, de dood kunnen smaken? Gij zijt de poort des levens en de ladder naar de hemel. De dood is voor u de doorgang naar de onsterfelijkheid geworden. O waarlijk gelukzalige, wie anders dan het Woord zelf zou hebben kunnen dragen wat gij gedragen hebt? En heel de vergadering der heiligen riep uit: Gij hebt onze voorzeggingen vervuld. Gij hebt voor ons de vreugde verworven waarin wij nu delen. Door u hebben wij de ketenen van de dood verbroken. Kom tot ons, goddelijke en levengevende woning. Kom, ons verlangen, gij die voor ons hebt verworven wat wij verlangden. En de heiligen die bij haar stonden, voegden daar met niet minder vurigheid aan toe: Blijf bij ons, onze troost, onze enige vreugde in deze wereld. O Moeder, laat ons niet als wezen achter, wij die omwille van uw Zoon geleden hebben. Mogen wij u behouden als toevlucht en verkwikking in onze arbeid en vermoeidheid. Gij kunt bij ons blijven indien gij wilt, zoals gij ook van hier kunt heengaan. Indien gij heengaat, o woning van God, laat ons dan met u meegaan, indien wij door uw Zoon de uwen zijn. Gij zijt onze enige vertroosting op aarde. Zolang gij leeft, leven ook wij, en het is zalig met u te sterven. Waarom spreken wij van sterven? Voor u is de dood leven, en beter dan het leven, onvergelijkelijk verheven boven dit leven. Hoe kan ons leven nog leven zijn wanneer wij u moeten missen?

Toen zij zagen dat de Moeder Gods haar einde naderde en ernaar verlangde, werden zij door goddelijke genade bewogen afscheidsgezangen te zingen. Als buiten zichzelf verlangden zij de stervende Moeder Gods te volgen en door de hevigheid van hun verlangen liepen zij als het ware op hun eigen dood vooruit. Toen allen hun plicht van liefdevolle eerbied hadden vervuld en voor haar een rijke kroon van gezangen hadden gevlochten, spraken zij over haar, als over een door God geschonken schat, hun laatste zegen en afscheidswoorden uit. Naar ik meen wezen deze woorden op de vergankelijkheid van dit leven en op de verborgen geheimen van de toekomstige goederen waartoe het ons voert. Zo, dunkt mij, hebben zij eensgezind gehandeld. De Koning was daar om de heilige, onbevlekte en smetteloze ziel van zijn Moeder bij haar thuiskomst in zijn goddelijke omhelzing te ontvangen. En zij sprak, zoals wij met reden mogen aannemen: In uw handen, mijn Zoon, beveel ik mijn geest. Ontvang mijn ziel, die U dierbaar is en die Gij onbevlekt hebt bewaard. Mijn lichaam geef ik aan U en niet aan de aarde. Bewaar datgene waarin Gij hebt willen wonen en dat Gij in maagdelijkheid hebt bewaard. Neem mij tot U, opdat waar Gij zijt, de vrucht van mijn schoot, ook ik moge zijn. Tot U word ik getrokken, Gij die tot mij zijt afgedaald. Wees Gij de vertroosting van mijn dierbaarste kinderen, die Gij hebt willen aanvaarden als uw broeders, wanneer mijn dood hen in eenzaamheid achterlaat. Zegen hen opnieuw door mijn handen. Toen strekte zij, naar wij mogen geloven, haar handen uit en zegende allen die aanwezig waren. Vervolgens hoorde zij de woorden: Kom, mijn geliefde Moeder, tot uw rust. Sta op en kom, meest geliefde onder de vrouwen. De winter is voorbij en verdwenen, de tijd van de oogst is gekomen. Gij zijt schoon, mijn geliefde, en er is geen smet in u. Uw geur is zoeter dan alle welriekende balsems. Met deze woorden in haar oren gaf de Heilige haar geest over in de handen van haar Zoon.

Toen zij dit hoorde, gaf de Heilige haar geest over in de handen van haar Zoon. Wat gebeurde er toen? Ik denk dat de elementen bewogen en veranderd werden en dat stemmen, gedruis en geraas gehoord werden, zoals passend was, en dat de engelen met waardige lofzangen de heilige ziel begeleidden. Sommigen omringden het heilige en onbevlekte lichaam en bereidden alles voor wat tot de begrafenis van de Moeder Gods behoorde, anderen gingen voor de heilige en onbevlekte ziel uit en begeleidden haar naar de hemel. Haar aangezicht straalde van licht en haar lichaam verspreidde een zoete geur, terwijl het door eerbiedige handen werd verzorgd. Toen werd het heilige lichaam gewassen, niet omdat het reiniging nodig had, maar volgens het gebruik, en vervolgens in zuivere linnen doeken gewikkeld. En wederom brandden de lampen, wederom werden welriekende kruiden ontstoken en weerklonken de gezangen der engelen. De apostelen en de gehele vergadering der Kerk zongen goddelijke lofzangen. Toen werd de Ark des Heren van de berg Sion gedragen op de geheiligde schouders der apostelen en naar het graf gebracht. De stoet trok door de stad en kwam vervolgens in Gethsemane aan, terwijl engelen haar voorafgingen, haar volgden en haar geheel omringden, en met hen de gehele vergadering der Kerk. Toen geschiedde hetgeen men vertelt van die Hebreeër die in zijn onbeschaamdheid en vijandigheid tegen het goddelijke het heilige rustbed waarop het levengevende lichaam lag, wilde omwerpen. Zijn handen werden plotseling afgesneden en bleven aan het rustbed hangen. Zo stond hij daar als een levende boom waarvan de vruchten waren afgeslagen, totdat geloof en berouw hem genazen. Want toen hij tot geloof kwam en berouw toonde, werden zijn handen door de genade van de Moeder Gods opnieuw met zijn lichaam verenigd. Toen zij Gethsemane bereikten, werd het heilige lichaam in het allerheiligste graf neergelegd. Daarna werd het op de derde dag opgenomen in de hemelse woningen. Het betaamde immers dat zij die haar maagdelijkheid bij het baren ongeschonden had bewaard, ook na haar dood haar lichaam vrij van alle verderf zou bewaren. Het betaamde dat zij die de Schepper als Kind in haar schoot had gedragen, zou wonen in de goddelijke tabernakelen. Het betaamde dat de Bruid die de Vader voor zichzelf had uitverkoren, in de hemelse bruidsvertrekken zou wonen. Het betaamde dat zij die haar eigen Zoon aan het kruis had aanschouwd en in haar hart het zwaard van smart had ontvangen waarvan zij bij zijn geboorte verschoond was gebleven, Hem zou aanschouwen gezeten naast de Vader. Het betaamde dat de Moeder Gods zou bezitten wat haar Zoon bezit en dat zij door ieder schepsel geëerd zou worden als de Moeder en dienstmaagd van God. Want de erfenis gaat steeds van de ouders op de kinderen over, maar hier, zoals een wijze gezegd heeft, keren de stromen van de heilige rivier naar hun bron terug, want de Zoon heeft de gehele schepping aan zijn Moeder onderworpen.

Komt dan, laat ook ons heden haar heengaan vieren. Niet met fluiten of luidruchtige feesten, niet met de razernij van hen die de moeder der zogenaamde goden vereren, die hun dwaasheid de moeder van vele kinderen noemen en die zij door hun fabels tegelijk kinderloos voorstellen. Zulke goden zijn demonen en ijdele schimmen, die zich voordoen als wat zij niet zijn en door dwaze mensen worden gediend. Wij echter, die de ware God vereren, vereren niet haar dood maar haar ontslapen, haar overgang en haar verblijf bij God. Wij vieren haar niet met uitbundige wereldse feesten, maar met goddelijke gezangen, met heilige lofzangen en met de zuivere vreugde van de geest. Laat ons het graf naderen. Laat ons ons rond het heilige rustbed scharen. Laat ons met geheel ons hart de Moeder Gods toezingen en tot haar zeggen: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Gezegend zijt gij van geslacht tot geslacht, gij alleen die waardig zijt gelukzalig genoemd te worden. Zie, alle geslachten noemen u zalig, zoals gijzelf hebt voorzegd. De dochters van Jeruzalem, dat wil zeggen van de Kerk, zagen u en noemden u zalig, en de koninginnen, dat zijn de zielen der rechtvaardigen, zullen u prijzen in alle eeuwen. Wij zullen u niet dood noemen. Uw heilige ziel heeft zich immers niet van uw onbevlekte lichaam gescheiden om in de duisternis van het dodenrijk te blijven. Uw lichaam werd evenmin aan het verderf prijsgegeven. Het werd ongeschonden bewaard en overgebracht naar een betere en goddelijker woning, waar geen dood is, geen droefheid, geen zuchten, geen tranen, maar eeuwige vreugde met uw Zoon en Koning en God.

Laat ons daarom ook heden een plechtig feest vieren ter ere van het vreugdevolle heengaan van de Moeder Gods, niet met fluiten, niet met de razernij van de Corybanten, niet met de losbandige plechtigheden van Cybele, de zogenaamde moeder der valse goden, die dwaze mensen een vruchtbare moeder van kinderen noemen, terwijl zij in waarheid geen moeder is. Dit zijn demonen en bedrieglijke voorstellingen. Zij eigenen zich toe wat zij van nature niet zijn, om de dwaasheid der mensen te misleiden. Want hoe zou hetgeen onlichamelijk is een gehuwd leven kunnen leiden? Hoe kan iets god zijn dat tevoren niet bestond en eerst door geboorte tot bestaan kwam? Dat de demonen onlichamelijk zijn, is voor allen duidelijk, zelfs voor hen die naar het verstand blind zijn. Ook Homerus getuigt ergens van de toestand der goden die hij vereert: Zij eten geen brood en drinken geen fonkelende wijn, daarom hebben zij geen bloed en worden zij onsterfelijk genoemd. Terecht zegt hij dat zij onsterfelijk genoemd worden. Zij worden zo genoemd, maar zij zijn niet hetgeen zij genoemd worden. Zij zijn gestorven door de dood der goddeloosheid. Wij echter aanbidden God, niet een god die een begin van bestaan heeft, maar Hem die altijd was en is, verheven boven iedere oorzaak en iedere gedachte en boven iedere geschapen geest en natuur. Wij eren en vereren de Moeder Gods, zonder haar de eeuwige geboorte van zijn Godheid toe te schrijven. Want de geboorte van God het Woord is niet in de tijd geschied, maar is eeuwig met de Vader. Wij belijden een tweede geboorte, toen Hij vrijwillig het vlees aannam, en wij kennen en erkennen daarvan de oorzaak. Hij die zonder begin en zonder lichaam is, neemt omwille van ons het vlees aan en wordt één van ons. Uit deze heilige Maagd neemt Hij het vlees aan en wordt Hij zonder man geboren, terwijl Hij volmaakt God blijft en volmaakt mens wordt, volmaakt God in het vlees en volmaakt mens in zijn Godheid. Zo erkennen wij in deze Maagd de Moeder Gods en vieren wij haar Ontslapen. Wij verkondigen haar niet als een godin, verre van ons zulke heidense verzinsels, want wij verkondigen ook haar dood, maar wij erkennen haar als de Moeder van de mensgeworden God.

O volk van Christus, laat ons haar heden met heilige gezangen verheerlijken, ons eigen geluk erkennen en het verkondigen. Laat ons haar eren met nachtelijke wake. Laat ons ons verheugen over haar zuiverheid van ziel en lichaam, want na God overtreft zij allen in zuiverheid. Het is natuurlijk dat het gelijke zich in het gelijke verheugt. Laat ons onze liefde voor haar tonen door medelijden en barmhartigheid jegens de armen. Want indien barmhartigheid de beste eredienst van God is, wie zal dan weigeren zijn verering voor zijn Moeder op dezelfde wijze te tonen? Zij heeft voor ons de onuitsprekelijke afgrond van Gods liefde geopend. Door haar is de oude vijandschap tegen de Schepper vernietigd. Door haar is onze verzoening met Hem bevestigd. Vrede en genade zijn ons geschonken. Mensen zijn metgezellen van de engelen geworden en wij, die in oneer verkeerden, zijn kinderen Gods geworden. Van haar hebben wij de vrucht des levens geplukt. Van haar hebben wij het zaad der onsterfelijkheid ontvangen. Zij is voor ons het kanaal van alle goederen. In haar werd God mens en werd de mensheid met God verenigd. Wat is wonderbaarlijker of zaliger? Ik nader dit onderwerp met vrees en beven. Laat ons met Maria, de profetes, o jeugdige zielen, onze muziekinstrumenten doen klinken door onze ledematen die op aarde zijn te versterven, want dit is geestelijke muziek. Laat onze zielen zich verheugen in de Ark Gods en de muren van Jericho zullen bezwijken, daarmee bedoel ik de vestingen van de vijand. Laat ons in de geest dansen met David, want heden is de Ark Gods tot rust gekomen. Laat ons met Gabriël, de grote aartsengel, uitroepen: Wees gegroet, vol van genade, de Heer is met u. Wees gegroet, onuitputtelijke zee van genade. Wees gegroet, enige toevlucht in droefheid. Wees gegroet, genezing der harten. Wees gegroet, gij door wie de dood verdreven en het leven gevestigd is.

En tot u zal ik spreken alsof gij leefdet, o allerheiligste der graven, na het levengevende graf van onze Heer, dat de bron der verrijzenis is. Waar is het zuivere goud dat de handen der apostelen u hebben toevertrouwd? Waar is de onuitputtelijke schat? Waar is het kostbare vat van God? Waar is de levende tafel? Waar is het nieuwe boek waarin het onbegrijpelijke Woord Gods zonder handen werd geschreven? Waar is de afgrond van genade en de oceaan van genezing? Waar is de levengevende bron? Waar is het zoete en beminde lichaam van de Moeder Gods? Waarom zoekt gij in het graf haar die in de hemelse verblijven is opgenomen? Waarom stelt gij mij verantwoordelijk omdat ik haar niet heb kunnen bewaren? Ik was niet bij machte de goddelijke bevelen te weerstaan. Dat heilige en gewijde lichaam heeft de lijkwade achtergelaten, heeft mij met zoete geur vervuld, mij door zijn aanraking geheiligd, het goddelijke raadsbesluit volbracht en is daarna opgenomen, terwijl engelen en aartsengelen en alle hemelse machten het begeleidden. Nu omringen engelen mij en goddelijke genade is overvloedig in mij. Ik ben de geneesheer der zieken geworden. Ik ben een voortdurende bron van genezing en een verschrikking voor de demonen. Ik ben een toevluchtsoord voor vluchtelingen. Nadert met geloof en gij zult een zee van genaden ontvangen. Komt, gij kleingelovigen. Allen die dorst hebt, komt tot de wateren, overeenkomstig het bevel van Isaias, en gij die geen geld hebt, komt en koopt zonder betaling. Ik roep allen met de uitnodiging van het Evangelie. Wie verlangt naar genezing van lichaam of ziel, naar vergeving van zonden, bevrijding uit tegenspoed of het bezit van de hemel, nadere tot mij met geloof en putte hieruit een krachtige en rijke stroom van genade.

Zoals één en hetzelfde water verschillend werkt op aarde, lucht en zon, overeenkomstig de aard van ieder ding, en wijn voortbrengt in de wijnstok en olie in de olijfboom, zo strekt één en dezelfde genade ieder tot voordeel overeenkomstig zijn behoeften. Ik bezit deze genade niet uit mijzelf. Een graf dat van nature aan het verderf is prijsgegeven, een voorwerp van droefheid en neerslachtigheid, ontvangt een kostbare balsem, wordt ermee doordrongen en wordt door deze zoete geur veranderd zolang hij erin aanwezig blijft. Waarlijk, de goddelijke genaden vloeien waarheen zij willen. Ik heb de bron der vreugde in mij opgenomen en ben rijk geworden door haar altijd stromende fontein. Wat zullen wij het graf antwoorden? Gij bezit waarlijk een rijke en blijvende genade, maar de goddelijke macht wordt niet door een plaats begrensd, en evenmin de werkzaamheid van de Moeder Gods. Indien deze slechts tot het graf beperkt bleef, zouden slechts weinigen daardoor rijker worden. Nu wordt zij vrijelijk over alle delen van de wereld uitgedeeld. Laat ons daarom onze herinnering tot een schatkamer van de Moeder Gods maken. Hoe zullen wij dat doen? Zij is Maagd en bemint de maagdelijkheid. Zij is rein en bemint de reinheid. Indien wij geest en lichaam reinigen, zullen wij haar genade bezitten. Zij vlucht voor iedere onreinheid en voor onreine hartstochten. Zij verafschuwt onmatigheid en heeft een bijzondere afkeer van ontucht. Zij wendt zich van haar verlokkingen af als van het gebroed van slangen. Zij beschouwt iedere zonde als iets dat de dood voortbrengt en verheugt zich in al wat goed is. Tegengestelden worden door tegengestelden genezen. Zij verheugt zich in vasten en onthouding en in geestelijke gezangen, in reinheid, maagdelijkheid en wijsheid. Met deze leeft zij altijd in vrede en zij sluit ze aan haar hart. Vrede en zachtmoedigheid, liefde, barmhartigheid en nederigheid omhelst zij als haar kinderen. In één woord, zij treurt over iedere zonde en verheugt zich over al het goede alsof het haar eigen goed was. Indien wij ons dan met alle ernst van onze vroegere zonden afkeren, het goede met geheel ons hart liefhebben en het tot onze voortdurende metgezel maken, zal zij haar dienaren dikwijls bezoeken en alle zegeningen met zich meebrengen, Christus haar Zoon, de Koning en Heer, die in onze harten regeert. Hem zij heerlijkheid, lof, eer, macht en majesteit, met de eeuwige Vader en de Heilige Geest, nu en altijd en in alle eeuwigheid. Amen.

H. Johannes Damascenus, tweede preek over het Ontslapen van de Allerheiligste Maagd Maria

Het feest van Maria Tenhemelopneming in de oude Romeinse liturgie

Het feest van het Ontslapen of van de Tenhemelopneming van de Moeder Gods is waarschijnlijk het oudste van alle Mariafeesten, aangezien het reeds lang vóór de concilies van Chalcedon en Efeze algemeen en wijdverbreid schijnt te zijn gevierd, niet alleen onder de katholieken, maar ook onder de schismatieke sekten en in zeer oude nationale Kerken, zoals de Armeense en de Ethiopische. Het is waarschijnlijk dat zelfs de wijding te Rome van de Basilica maior van de Heilige Maagd op de Esquilijn, op 5 augustus, ten tijde van paus Liberius, 352 tot 366, of ten tijde van Sixtus III, enig verband hield met het feest van de Tenhemelopneming. Hoewel dit feest in de Gallicaanse ritus op 18 januari en bij de Kopten op 16 januari werd gevierd, werd het door de Byzantijnen reeds in het midden van augustus gevierd, zeker ten tijde van keizer Mauritius, die deze datum definitief vaststelde. Wat ook de oorsprong van de invoering ervan moge zijn geweest, zeker is dat het feest te Rome reeds lang vóór het pontificaat van paus Sergius werd gevierd. Deze paus bepaalde, om het feest met grotere luister te omgeven, dat ieder jaar bij deze gelegenheid een plechtige processie zou plaatsvinden, die begon bij de basiliek van de heilige Adrianus op het Forum en voortging naar Santa Maria Maggiore, waar de paus de statiemis celebreerde. Hij bepaalde tevens dat dezelfde plechtigheid zou plaatsvinden op de feesten van de Zuivering, de Geboorte en de Aankondiging van de Moeder Gods. Daarin werd hij waarschijnlijk beïnvloed door het gebruik van de Byzantijnen, die deze feesten reeds verscheidene eeuwen vierden. Leo IV bepaalde omstreeks het jaar 847 dat het feest van de Tenhemelopneming te Rome zou worden voorafgegaan door een plechtige vigilie, die door de geestelijkheid en het volk in de basiliek van Santa Maria Maggiore moest worden gehouden. Tevens bepaalde hij dat op de dag van het octaaf de statie zou worden gevierd buiten de Porta Tiburtina, in de Basilica Maior die aan de Heilige Maagd was toegewijd en die door paus Sixtus III vóór de apsis van de Constantijnse kerk van de heilige Laurentius was gebouwd. De orde van de plechtige statieprocessie, die ten tijde van Sergius I werd ingevoerd, is ons nog bekend. Vroeg in de morgen trok het volk, met brandende kaarsen en onder het zingen van antifonen en plechtige litanieën, in processie naar de kerk van de heilige Adrianus. Daar wachtte men de komst van de paus af. Zodra deze was aangekomen, te paard vanuit de Lateraan, verwisselden zowel hij als zijn zeven diakens hun gewone gewaden voor donkere boetekazuifels, waarna de processie zich in beweging zette. Voorop gingen zeven kruisdragers met hun kruisen. Het volk volgde, terwijl het hardop bad. Daarna kwam de aan het pauselijk paleis verbonden geestelijkheid, met de paus, die werd begeleid door twee acolieten met kandelaars en brandende fakkels, overeenkomstig het oude Romeinse keizerlijke gebruik. Vervolgens kwam een subdiaken, die een wierookvat met wierook zwaaide. Daarna volgden nog twee kruisdragers, de een achter de ander, die ieder een kostbaar statiekruis droegen. Ten slotte werd de processie gesloten door de schola van het koor, bestaande uit de jongens van het weeshuis, die beurtelings met de geestelijkheid de voor deze gelegenheid bestemde antifonen en litanieën zongen. Toen deze eindeloze processie bij het aanbreken van de dag eindelijk Santa Maria Maggiore bereikte, trok de paus zich met zijn diakens terug in het secretarium om van gewaden te wisselen en zich voor te bereiden op de viering van de Mis. De overige geestelijkheid en het volk wierpen zich intussen nederig ter aarde voor het altaar en zongen, zoals ook op Stille Zaterdag gebruikelijk was, voor de derde maal de Litany ternaria van de heiligen, dat wil zeggen dat iedere aanroeping driemaal werd herhaald. In de loop der tijd ontwikkelde deze vigilieviering, met haar nachtelijke processies, kruisen, kaarsen en antifonen, zich zeer sterk. Zij verschilde zozeer van de gebruikelijke Romeinse pannychis dat zij daardoor onmiddellijk haar oosterse oorsprong verraadt, en zij werd een van de meest karakteristieke plechtigheden van het middeleeuwse Rome. In de tiende eeuw begaf de paus zich op de morgen van de Vigilie van Maria Tenhemelopneming, samen met het College van Kardinalen en blootsvoets, naar het oratorium van San Lorenzo in de Lateraan, dat tegenwoordig Sancta Sanctorum wordt genoemd. Daar werd, naast andere relieken, een oude afbeelding van de Verlosser bewaard, waarvan gezegd werd dat zij vroeger te Constantinopel aan de woede van de beeldenstormers was ontkomen. Deze afbeelding werd te Rome zeer vereerd. Voordat de paus de deuren opende van het tabernakel waarin zij werd bewaard, maakte hij daarom zeven kniebuigingen voor haar, evenals alle aanwezigen. Zodra de heilige beeltenis tevoorschijn kwam, werd overeenkomstig een voorschrift van de heilige Leo IV het Te Deum aangeheven. Vervolgens besteeg de paus het platform dat voor deze gelegenheid was opgericht. Eerst kuste hij de voeten van de Verlosser en daarna legde hij de afbeelding zelf op het altaar. In de namiddag begaf de gehele hogere geestelijkheid van het Lateraans patriarchaat zich samen met de paus naar Santa Maria Maggiore om de vespers te vieren. Daarna zette men zich aan een sobere maaltijd, de enige maaltijd die op deze dag van strenge vasten was toegestaan. Deze karige maaltijd eindigde bij zonsondergang, waarna de geestelijkheid van het pauselijk paleis zich terugtrok om enige tijd te rusten in de vertrekken van het aangrenzende paleis. Bij het kraaien van de haan waren de paus en zijn geestelijkheid alweer op de been. Zij keerden terug naar de basiliek, die schitterend was verlicht en met kostbare stoffen was versierd, om daar in aanwezigheid van een ontzaglijke menigte gelovigen het officie van de vigilie te vieren. Het officie bestond, zoals bij de grote feesten gebruikelijk was, uit de Metten, gevolgd door de gebruikelijke lofpsalmen die bij het aanbreken van de dag moesten worden gezongen. Het heilig Misoffer besloot deze langdurige plechtigheid. In de elfde eeuw had deze ritus enige veranderingen ondergaan. Het waren toen de kardinalen die, wanneer het op 14 augustus donker begon te worden, de beeltenis van de Verlosser uit de kapel van de heilige Laurentius in het Sancta Sanctorum gingen halen en haar in triomf begeleidden over het grote plein dat zich in die dagen vóór het paleis van het Lateraans patriarchaat uitstrekte. Twaalf ostiarii met brandende kaarsen vergezelden de heilige beeltenis. Daarachter volgde de subdiaken van de regio met het statiekruis. Vervolgens kwamen de aan het paleis verbonden geestelijkheid, de Primicerius met de schola van de koorzangers, de prefect van de stad met een afvaardiging van twaalf leden van het stadsbestuur en ten slotte een ontelbare menigte mensen, die in die nacht de straten van de stad verlieten en naar de Lateraan stroomden. Vandaar trok de processie naar de basiliek van Santa Maria Nuova, bij de Via Sacra op het Forum, waar eveneens het titelfeest van de kerk werd gevierd. Het moet waarlijk een schouwspel zijn geweest, de Eeuwige Stad waardig, toen op die stralende augustusmorgen de opgaande zon de Albanese heuvels verguldde en de triomfprocessie van de Verlosser en Zijn Kerk voorttrok over dezelfde weg, onder dezelfde triomfbogen en langs die portieken en oude amfitheaters die de namen droegen van Titus, Domitianus en Vespasianus en die de herinnering opriepen aan drie eeuwen van vervolging en aan het bloed dat edelmoedig was vergoten voor de belijdenis van Christus. De hoogvereerde beeltenis van de goddelijke Verlosser werd tijdelijk onder de portiek van Santa Maria Nuova geplaatst, waar de geestelijkheid als eerbetoon de voeten van de Verlosser besprenkelde met welriekende stoffen, bereid uit basilicum. Daarna ging de schola van de koorzangers de kerk binnen en begon het morgengebed. De gelovigen wachtten echter niet werkeloos totdat het zingen van de psalmen beëindigd was. Zij namen voor enige tijd bezit van de heilige beeltenis, droegen haar in hun armen weg en brachten haar, onder het zingen van psalmen en dankhymnen, naar de nabijgelegen basiliek van de heilige Adrianus. Daar werd de plechtigheid waarbij de voeten van de Verlosser met welriekende stoffen werden gewassen, herhaald. Na het einde van de Metten werd de processie opnieuw gevormd om ditmaal naar de basiliek van Santa Maria Maggiore te trekken, waar de statiemis van de Tenhemelopneming van de Heilige Maagd Maria werd gevierd. In de tiende eeuw was de geschiedenis van het keizerlijke Rome door de volksverbeelding op merkwaardige wijze vervormd. In al die majestueuze marmeren overblijfselen van oude monumenten, die toen het Capitool en de omgeving van het Forum van de keizers vulden, zag de verbeelding van het volk slechts de angstaanjagende verblijfplaatsen van basilisken en draken, die eens reeds door hun giftige adem degenen zouden hebben vergiftigd die zo vermetel waren er slechts langs te gaan. Het levendige geloof van de middeleeuwen gevoelde daarom de noodzaak zich krachtig te doen gelden tegenover deze gedenktekenen, die herinnerden aan de duivelse heerschappij van de afgoderij van het keizerlijke Rome. Daarom schreven de Romeinse ritualen van de elfde en twaalfde eeuw voor dat de processie langs de zogenoemde boog van Latona en langs de domus Orphei zou trekken, de oude fontein die versierd was met het beeld van de Thracische dichter, uitdrukkelijk opdat het Romeinse volk door de smeekbeden van zoveel gelovigen en door de voorspraak van de grote Moeder Gods van de kwellingen van Satan zou worden bevrijd. Toen de processie na een nacht vol van zulke aangrijpende indrukken eindelijk Santa Maria Maggiore had bereikt, celebreerde de paus de statiemis en gaf hij zijn zegen aan het volk, dat inmiddels uitgeput was door vasten en waken. Dit was de reden waarom volgens de oude Romeinse ritus op de middag van plechtige feesten, met uitzondering van Pasen, geen tweede vespers werden gebeden. Deze werden uitsluitend overgelaten aan de godsvrucht van de monniken in hun kloosters. Pas later, toen de nachtelijke vigilies in onbruik waren geraakt, nam de Romeinse ritus uiteindelijk het bidden van de tweede vespers over. Zelfs toen nam de paus er in de regel niet aan deel. Om dit beeld van Maria Tenhemelopneming in het middeleeuwse Rome te voltooien, wordt vervolgens een hymne uit het begin van de elfde eeuw gegeven, waarin de plechtige vigilie van de Romeinen ter ere van de Tenhemelopneming van de Heilige Maagd wordt beschreven.

Ildefonso Schuster, Liber Sacramentorum

De Dormitio in de middeleeuwse kunst

Het Ontslapen van de allerheiligste Maagd Maria door Hans Holbein de Oudere
Het Ontslapen van de allerheiligste Maagd
Hans Holbein de Oudere, omstreeks 1490. Maria op haar sterfbed, omringd door de apostelen, terwijl boven haar de hemelse heerlijkheid zich opent.

Hans Holbein de Oudere stelt het Ontslapen van Maria voor als een plechtige heilige sterfbedscène. Maria bevindt zich in het midden, opgericht op haar rustbed, met neergeslagen ogen en gevouwen handen. De apostelen hebben zich rondom haar verzameld. Zij staan er niet slechts als bedroefde getuigen, maar nemen ieder deel aan het gebed en de dienst rond het sterfbed. Een van hen leest uit een geopend boek, een ander knielt met wijwateremmer en kwast bij het bed en elders wordt het wierookvat gehanteerd. Boeken, wijwater, wierook en de gebedshoudingen geven het tafereel het karakter van de kerkelijke gebeden rond een stervende. Het heengaan van de Moeder Gods wordt zo voorgesteld binnen de vertrouwde heilige plechtigheden van de Kerk.

Bij het sterfbed bevindt zich ook de palmtak. Deze behoort tot de oude overlevering omtrent de laatste dagen van Maria. Een hemelse bode kondigt haar het naderende einde van haar aardse leven aan en brengt haar een palm uit het paradijs, die bij haar uitvaart wordt meegedragen. Holbein heeft deze palm vlak bij Maria een opvallende plaats gegeven. Rondom haar zijn de apostelen geheel op hun dienst gericht. Het tafereel is daardoor niet alleen een afscheid, maar ook een vigilie: de Kerk waakt en bidt rondom het rustbed van de Moeder Gods.

Beneden waakt en bidt de Kerk, boven haar opent zich reeds de hemel.

Boven het aardse gebeuren verschijnt de hemelse heerlijkheid. Engelen dalen naar Maria af en brengen reeds de heerlijkheid van de hemel binnen in de sterfkamer. Het sterfbed vormt daarmee niet het einde van het tafereel, maar de overgang van het aardse leven naar de hemelse heerlijkheid. Daarin ligt ook de betekenis van de oude naam Dormitio, het Ontslapen. Maria’s dood wordt niet losgemaakt van hetgeen erop volgt. Haar heengaan, haar begrafenis en haar opneming in de hemel behoren tot het ene heilige gebeuren dat de Kerk op het feest van Maria Tenhemelopneming viert.

Juist daardoor sluit het schilderij zo nauw aan bij de oude overlevering die de heilige Johannes Damascenus verkondigt. Rond het rustbed bevinden zich de apostelen, op aarde worden de laatste eerbewijzen gebracht en boven Maria opent zich reeds de hemelse wereld. Het aardse afscheid en de hemelse ontvangst staan niet tegenover elkaar, maar worden in één voorstelling samengebracht.

Het beeld van de Verlosser in de nacht van Maria Tenhemelopneming

De Acheiropoietos van de Verlosser
Het beeld dat in de oude Romeinse vigilie van Maria Tenhemelopneming werd meegedragen, is de beroemde Acheiropoietos van de Allerheiligste Verlosser. Het werd bewaard in het oratorium van de heilige Laurentius in het pauselijke paleis van de Lateraan, het latere Sancta Sanctorum. Acheiropoietos betekent niet door mensenhanden gemaakt. Het beeld gold vanouds als een wonderdadige beeltenis van Christus en behoorde tot de kostbaarste heiligdommen van Rome. Het wordt reeds in de achtste eeuw in het Liber Pontificalis vermeld. Oorspronkelijk was Christus ten voeten uit afgebeeld, gezeten op een troon. De schildering was op doek aangebracht en op een houten paneel bevestigd. In latere eeuwen werd de beeltenis grotendeels met zilver bekleed. Van de oude schildering is tegenwoordig vooral het gelaat van Christus zichtbaar.

Het Sancta Sanctorum in de Lateraan te Rome
Het Sancta Sanctorum in de Lateraan
De oude pauselijke kapel van de heilige Laurentius met boven het altaar de Acheiropoietos van de Verlosser. Boven het heiligdom staat Non est in toto sanctior orbe locus: nergens ter wereld is een heiliger plaats.
Gelaat van de Allerheiligste Verlosser in het Sancta Sanctorum
De Allerheiligste Verlosser in het Sancta Sanctorum
Achttiende-eeuwse gravure van de oude Acheiropoietos van de Verlosser, die in de nacht van Maria Tenhemelopneming vanuit de Lateraan in processie door Rome werd gedragen.

De Goddelijke Zoon gaat Zijn Moeder tegemoet
De betekenis van de oude Romeinse vigilie wordt zichtbaar in de twee heilige beeltenissen die haar omlijsten. Vanuit de Lateraan werd de beeltenis van Christus de Verlosser naar Santa Maria Maggiore gedragen, waar de oude en hoogvereerde beeltenis van de Moeder Gods werd vereerd die wij kennen als de Salus Populi Romani. De tocht maakte voor het Romeinse volk zichtbaar wat in het Ontslapen en de Tenhemelopneming van Maria wordt gevierd: de Moeder Gods voltooit haar aardse leven en wordt door haar goddelijke Zoon ontvangen en opgenomen in de hemelse heerlijkheid.

De Salus Populi Romani
De Salus Populi Romani stelt de Moeder Gods voor met het goddelijk Kind op haar arm en werd door de oude overlevering aan de heilige evangelist Lucas toegeschreven. Zij behoorde tot de voornaamste heiligdommen van het christelijke Rome en was innig verbonden met de godsvrucht van het Romeinse volk. Zo stonden in deze heilige nacht twee van de kostbaarste beelden van Rome centraal: de Acheiropoietos van de Verlosser uit de Lateraan en de Salus Populi Romani uit Santa Maria Maggiore.

Salus Populi Romani in de basiliek van Santa Maria Maggiore
Salus Populi Romani
De aloude beeltenis van de Moeder Gods met het goddelijk Kind, vereerd in de basiliek van Santa Maria Maggiore te Rome.