Twaalfde zondag na Pinksteren

Vervolg van het H. EVANGELIE volgens de H. Lucas, 10: 23-37

IN DIE TIJD sprak Jezus tot zijn leerlingen: Zalig de ogen die zien wat u ziet. Want Ik zeg u: vele profeten en koningen hebben ernaar verlangd te zien wat u ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat u hoort, en zij hebben het niet gehoord. En zie, er stond een wetgeleerde op, die Hem op de proef wilde stellen door te vragen: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? En Hij sprak tot hem: Wat staat er geschreven in de Wet? Wat leest u daar? En de ander gaf ten antwoord: U zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met al uw krachten en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. En Hij zei hem: U hebt goed geantwoord. Doe dat, en u zult leven. De ander nu wilde zich rechtvaardigen en stelde daarom aan Jezus de vraag: Maar wie is dan mijn naaste? En Jezus hernam en zei: Een zeker iemand reisde van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers. Deze beroofden hem van alles en brachten hem vele wonden toe. Zo lieten zij hem halfdood liggen en gingen heen. Toevallig kwam een priester langs dezelfde weg. Hij zag hem, maar ging verder. Zo kwam er ook een leviet voorbij. Hij zag hem, maar ging verder. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam daar ook voorbij. Toen hij hem zag, kreeg hij medelijden. Hij ging naar hem toe en verbond zijn wonden, terwijl hij er olie en wijn op deed. Daarna zette hij hem op zijn lastdier, bracht hem naar een herberg en droeg zorg voor hem. De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze aan de waard en zei: Zorg goed voor hem. Wanneer u nog meer onkosten hebt, zal ik ze u vergoeden als ik terugkom. Wie van deze drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers gevallen was? En hij antwoordde: Degene die hem barmhartigheid heeft bewezen. Toen zei Jezus hem: Ga dan heen en doe u ook zo.

Christus als de Barmhartige Samaritaan, dertiende-eeuws handschrift uit Alençon
Christus als de Barmhartige Samaritaan
Dertiende-eeuwse miniatuur. Christus is herkenbaar aan de kruisnimbus. Hij buigt zich over de beroofde reiziger, wiens lichaam met wonden is bedekt, en verzorgt hem met olie en wijn. De Latijnse tekst naast de voorstelling begint met Samaritanus ille, die Samaritaan. De miniatuur geeft de oude uitleg van de gelijkenis weer die ook Origenes in zijn homilie over dit Evangelie overlevert: de gewonde mens verbeeldt de door zonde getroffen mens, terwijl de Samaritaan Christus is, die tot hem afdaalt, zijn wonden verzorgt en hem tot genezing brengt.

Origenes, Homilie XXXIV over de Barmhartige Samaritaan

Over hetgeen geschreven staat: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? tot aan de plaats waar Hij zegt: Ga heen en doe u ook zo.

Hoewel er in de Wet vele geboden zijn, heeft de Verlosser in het Evangelie alleen die geboden voorgehouden die hen die eraan gehoorzamen langs een korte weg naar het eeuwige voeren. Hierop immers heeft betrekking wat de wetgeleerde Hem vroeg: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Deze lezing uit Lucas is u vandaag voorgelezen. Hij antwoordde: Wat staat er in de Wet geschreven? Hoe leest u? U zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart en met al uw krachten en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. Vervolgens zei Hij: U hebt goed geantwoord. Doe dit en u zult leven. Er bestaat geen twijfel dat u door dit te doen het eeuwige leven zult ontvangen, waarnaar ook de wetgeleerde had gevraagd. Tegelijk wordt ons duidelijk geleerd dat het gebod van de Wet voorschrijft dat wij God liefhebben. In Deuteronomium staat geschreven: Hoor, Israël, de Heer uw God is één God. En u zult de Heer, uw God, beminnen uit geheel uw verstand, en wat daarop volgt, en uw naaste als uzelf. Ook de Verlosser heeft hiervan getuigd toen Hij zei: Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.

De wetgeleerde wilde echter zichzelf rechtvaardigen en aantonen dat niemand zijn naaste was. Daarom vroeg hij: Wie is mijn naaste? Toen vertelde de Heer de gelijkenis die begint met: Een zeker iemand daalde af van Jeruzalem naar Jericho, en wat daarop volgt. Hij leert dat niemand de naaste was van de man die afdaalde, behalve degene die de geboden wilde onderhouden en zich erop toelegde de naaste te zijn van iedere mens die hulp nodig heeft. Dit is immers hetgeen aan het einde, na de gelijkenis, wordt gezegd: Wie van deze drie is volgens u de naaste geweest van de man die in handen van de rovers viel? Noch de priester, noch de leviet waren zijn naaste, maar, zoals ook de wetgeleerde zelf antwoordde, degene die hem barmhartigheid bewees, was zijn naaste. Daarom zegt de Verlosser: Ga heen en doe u ook zo.

Een van de presbyters zei, toen hij de gelijkenis wilde verklaren, dat de man die afdaalde Adam was, Jeruzalem het paradijs, Jericho de wereld, de rovers de vijandige machten, de priester de Wet, de leviet de profeten en de Samaritaan Christus. De wonden duidde hij als de ongehoorzaamheid, het lastdier als het lichaam van de Heer en de herberg, dat wil zeggen de verblijfplaats die allen opneemt die willen binnengaan, als de Kerk. De twee denariën verstond hij als de Vader en de Zoon en de waard als het hoofd van de Kerk, aan wie het beheer is toevertrouwd. Dat de Samaritaan beloofde terug te keren, beeldde volgens hem de wederkomst van de Verlosser uit. Hoewel dit redelijk en schoon wordt gezegd, moet men toch niet menen dat het op iedere mens van toepassing is. Niet iedere mens daalt immers af van Jeruzalem naar Jericho en ook verblijven niet allen om die reden in deze wereld, hoewel Hij die gezonden is, gekomen is om de verloren schapen van het huis van Israël. De man die van Jeruzalem naar Jericho afdaalde, viel dus in handen van de rovers omdat hij zelf wilde afdalen.

De rovers zijn geen anderen dan degenen over wie de Verlosser zegt: Allen die vóór Mij gekomen zijn, waren dieven en rovers. Hij viel echter niet in handen van dieven, maar van rovers die veel erger zijn dan dieven. Toen hij, afdalend van Jeruzalem, in hun handen viel, beroofden zij hem en brachten hem slagen toe. Wat zijn die slagen? Wat zijn de wonden waarmee de mens gewond is? Ondeugden en zonden. Nadat de rovers hem hadden uitgekleed en verwond, bleven zij niet bij de naakte man zitten, maar brachten hem opnieuw wonden toe, lieten hem achter en gingen heen. Daarom staat er geschreven: Zij beroofden hem, brachten hem wonden toe en gingen heen, terwijl hij niet dood was, maar halfdood.

Nu gebeurde het dat langs dezelfde weg eerst een priester en vervolgens een leviet afdaalden. Misschien hadden zij aan andere mensen wel iets goeds gedaan, maar niet aan deze man die van Jeruzalem naar Jericho was afgedaald. De priester zag hem. Ik meen dat de Wet hem zag. De leviet zag hem. Naar mijn oordeel is dit het woord van de profeten. Toen zij hem gezien hadden, lieten zij hem achter en gingen voorbij. De Voorzienigheid bewaarde de halfdode immers voor Hem die sterker was dan de Wet en de Profeten, namelijk voor de Samaritaan, wiens naam wordt uitgelegd als Bewaker. Hij is het die niet sluimert noch slaapt, Hij die Israël bewaakt. Omwille van de halfdode ging deze Samaritaan op weg. Hij daalde niet van Jeruzalem naar Jericho af zoals de priester en de leviet. Of, indien Hij afdaalde, daalde Hij juist daarom af om de stervende te redden en te bewaren. Tot Hem zeiden de Joden: U bent een Samaritaan en hebt een duivel. Hoewel Hij ontkende dat Hij een duivel had, wilde Hij niet ontkennen dat Hij een Samaritaan was. Hij wist immers dat Hij de Bewaker was.

Toen Hij dan bij de halfdode gekomen was en hem in zijn eigen bloed zag liggen, kreeg Hij medelijden en ging naar hem toe om zijn naaste te worden. Hij verbond zijn wonden en goot er olie, met wijn vermengd, in. Hij zei niet wat bij de profeet geschreven staat: Er is geen geneesmiddel om erop te leggen, geen olie en geen verband. Dit is de Samaritaan aan wiens zorg en hulp allen die er slecht aan toe zijn behoefte hebben. Vooral de man die van Jeruzalem afdaalde, in handen van de rovers viel, door hen gewond en halfdood achtergelaten werd, had de hulp van deze Samaritaan nodig. Opdat u weet dat deze Samaritaan volgens de Voorzienigheid van God afdaalde om degene te genezen die in handen van de rovers was gevallen, blijkt duidelijk dat Hij verbanden, olie en wijn bij zich had.

Ik meen dat de Samaritaan deze niet alleen voor deze ene halfdode bij zich droeg, maar ook voor anderen die om verschillende redenen gewond waren geraakt en verbanden, olie en wijn nodig hadden. Hij had de olie bij zich waarvan geschreven staat: Opdat het aangezicht door olie wordt verblijd. Zonder twijfel werden door deze olie ook de zwellingen van de wonden van degene die verzorgd werd tot bedaren gebracht. Met de wijn reinigt Hij bovendien de wonden, waarbij Hij iets scherps toevoegt. Vervolgens zette Hij de gewonde op zijn lastdier, dat wil zeggen op zijn eigen lichaam, overeenkomstig het feit dat Hij zich gewaardigd heeft de mens aan te nemen. Deze Samaritaan draagt onze zonden en lijdt voor ons. Hij draagt de halfdode en brengt hem naar de herberg, dat wil zeggen naar de Kerk, die allen opneemt en niemand haar hulp weigert. Tot haar nodigt Jezus allen uit wanneer Hij zegt: Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u verkwikken.

Nadat Hij hem naar binnen heeft gebracht, vertrekt Hij niet onmiddellijk, maar blijft Hij één dag met de halfdode in de herberg en verzorgt zijn wonden, niet alleen overdag, maar ook gedurende de nacht, waarbij Hij hem al zijn verdere zorg en inspanning schenkt. Wanneer Hij de volgende morgen zijn reis wil voortzetten, neemt Hij uit zijn beproefde zilver, uit zijn beproefde geld, twee denariën en belast daarmee de waard, zonder twijfel de engel van de Kerk, aan wie Hij opdraagt hem zorgvuldig te verzorgen en hem geheel tot gezondheid te brengen, nadat Hij hem wegens de korte tijd ook zelf verzorgd had. De twee denariën schijnen mij de kennis van de Vader en de Zoon te zijn en de kennis van het mysterie hoe de Vader in de Zoon is en de Zoon in de Vader. Deze worden als loon aan de engel gegeven, opdat hij de hem toevertrouwde mens des te zorgvuldiger verzorgt. Hem wordt beloofd dat alles wat hij uit het zijne voor de genezing van de halfdode zal uitgeven, onmiddellijk zal worden terugbetaald.

Waarlijk, deze Bewaker van de Wet en de profetie, deze Bewaker van de zielen, is de naaste geworden van degene die in handen van de rovers viel. Hij heeft hem barmhartigheid bewezen en is zijn naaste gebleken, niet zozeer door woorden als wel door zijn werken. Omdat het ons dus mogelijk is, overeenkomstig hetgeen hierna volgt, Christus na te volgen en ons te ontfermen over degenen die in handen van rovers zijn gevallen, naar hen toe te gaan, hun wonden te verbinden, er olie en wijn in te gieten, hen op ons eigen lastdier te zetten en hun lasten te dragen, spoort de Zoon van God ons hiertoe aan. Daarom spreekt Hij niet zozeer tot de wetgeleerde als wel tot ons allen: Ga heen en doe u ook zo. Wanneer wij dit eveneens doen, zullen wij het eeuwige leven verkrijgen in Christus Jezus, aan wie heerlijkheid en heerschappij zij in de eeuwen der eeuwen. Amen.