Vandaag viert de Kerk het feest van de H. Lodewijk IX, de grootste onder de katholieke vorsten. Hij werd in 1214 te Poissy geboren, besteeg in 1226 de troon van Frankrijk en regeerde vierenveertig jaar. Hij onderscheidde zich door zijn diepe godsvrucht, zijn liefde voor de Kerk en zijn onvermoeibare zorg voor recht en vrede. Hij beschermde armen en zwakken, waakte over zijn ambtenaren, stichtte kerken, kloosters en hospitalen en liet als onderkomen voor de Doornenkroon en andere relieken van het Lijden van Christus, de Sainte-Chapelle in Parijs bouwen. Van 1248 tot 1254 ondernam hij een kruistocht naar het Heilige Land. Tijdens zijn tweede kruistocht stierf hij op 25 augustus 1270 bij Tunis. Reeds zevenentwintig jaar na zijn dood, in 1297, werd hij door paus Bonifatius VIII heilig verklaard.

Het was zijn christelijk geloof dat Lodewijk IX tot een zo groot vorst maakte. God was zijn einddoel en het geloof zijn leidsman. Daarin ligt het gehele geheim van zijn regering en van zijn heiligheid.
Als christen was hij een dienaar van Christus, als vorst was hij de plaatsbekleder van Christus. Het streven van de christen en dat van de vorst verdeelden zijn ziel niet. Deze eenheid was zijn kracht en is thans zijn heerlijkheid.
Nu regeert hij in de hemel met Christus, die alleen in hem en door hem op aarde heeft geregeerd. Gij dan, koningen der volkeren, indien gij behagen schept in tronen en scepters, bemint de wijsheid, opdat gij in eeuwigheid moogt regeren. (Dom Prosper Gueranger)
Uitgebreide vita van de H. Lodewijk
Het katholieke koningschap
De Doornenkroon en de Sainte-Chapelle
Onderricht aan zijn zoon
Het godvruchtig sterven van de H. Lodewijk
Heiligenleven
Lodewijk IX, koning van Frankrijk, verloor zijn vader toen hij twaalf jaar oud was en ontving van zijn moeder Blanca een zeer godvruchtige opvoeding. Nadat hij twintig jaar had geregeerd, werd hij door een ziekte getroffen, die hem ertoe bracht het voornemen op te vatten Jeruzalem te heroveren. Na zijn herstel ontving hij van de bisschop van Parijs het kruisvaandel, stak met een groot leger de zee over en dreef bij de eerste aanval de Saracenen op de vlucht. Toen de pest een groot aantal soldaten had weggenomen, werd hijzelf overwonnen en gevangengenomen.
Er werd met de Saracenen een verdrag gesloten, waarna de koning en zijn leger hun vrijheid herkregen. Lodewijk verbleef vijf jaar in het Oosten. Hij kocht vele christenen vrij, bracht talrijke ongelovigen tot het geloof van Christus en herstelde op eigen kosten verscheidene christelijke steden. Na de dood van zijn moeder keerde hij naar zijn rijk terug en wijdde hij zich aan alle werken van godsvrucht.
Hij bouwde vele kloosters en hospitalen voor de armen. Hij hielp de behoeftigen en bezocht de zieken. Hij voorzag uit eigen middelen in alles wat zij nodig hadden en diende hen bovendien met zijn eigen handen. Zijn kleding was eenvoudig. Door voortdurend vasten en het dragen van een boetekleed verstierf hij zijn lichaam.
Voor de tweede maal stak hij de zee over om tegen de Saracenen te strijden. Hij had zijn legerkamp tegenover hen opgeslagen toen hij door de pest werd getroffen. Hij stierf terwijl hij dit gebed uitsprak: Ik zal Uw huis binnengaan, mij neerwerpen voor Uw heilige tempel en Uw naam loven. Zijn lichaam werd naar Parijs overgebracht en eervol bijgezet in de beroemde kerk van Saint-Denis. Verheerlijkt door wonderen werd hij door paus Bonifatius VIII onder de heiligen opgenomen.
Het katholieke koningschap

In de encycliek Immortale Dei uit 1885 zette paus Leo XIII de katholieke leer over de christelijke inrichting van de staat uiteen. Ieder wettig openbaar gezag komt van God en blijft aan Zijn wet onderworpen. Ook de koning is een dienaar van God. Hij draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven, voor het bestuur van zijn rijk en voor het volk dat hem is toevertrouwd. Jezus Christus, wiens Bloed de losprijs der wereld betaalde, is de bron van alle macht en van iedere ware gerechtigheid die een volk verheft.
God heeft het bestuur van de wereld aan twee machten toevertrouwd. De burgerlijke macht behartigt het tijdelijke welzijn van de mensen. De geestelijke macht voert hen naar de hemelse zaligheid waarvoor zij geschapen zijn. Iedere macht heeft haar eigen gebied en haar eigen taak. In zaken die tevens het eeuwige heil raken, behoort de tijdelijke macht zich te richten naar de geestelijke. Tussen beide moet een eendracht bestaan die vergeleken kan worden met de vereniging van ziel en lichaam in de mens.
De staatshoofden moeten in hun openbare ambt de naam van God heilig houden. Tot hun voornaamste plichten behoort de godsdienst met het gezag van de wetten te beschermen en niets vast te stellen of te bevelen wat haar ongeschondenheid aantast.
De H. Lodewijk vervulde zijn koninklijk ambt in deze geest. Hij beschermde de Kerk, handhaafde het recht, bestreed godslastering en ketterij en verdedigde de armen tegen de machtigen. Hij verlangde van zijn ambtenaren dat zij zonder aanzien des persoons recht deden aan armen en rijken, vreemdelingen en bekenden. In zijn testament droeg hij zijn zoon op God boven alles lief te hebben, de goede gewoonten van het rijk te bewaren en de paus als zijn geestelijke vader te eerbiedigen.

De Doornenkroon en de Sainte-Chapelle

In 1239 schonk Boudewijn II, de Latijnse keizer van Constantinopel, de H. Lodewijk uit dankbaarheid voor zijn grote giften aan de christenen in Palestina en andere delen van het Oosten de heilige doornenkroon, die vroeger in het keizerlijk paleis werd bewaard, maar toen aan de Venetianen in pand was gegeven voor een aanzienlijke geldlening, welke schuld door de heilige werd voldaan. Hij zond twee dominicanen om deze heilige schat naar Frankrijk te brengen en ging hem zelf, vergezeld van zijn gehele hofhouding en een talrijke geestelijkheid, vijf mijlen voorbij Sens tegemoet. Hij en zijn broer Robert droegen hem blootsvoets de stad binnen en vervolgens op dezelfde wijze naar Parijs, in een uiterst plechtige en godvruchtige processie, terwijl alle straten luisterrijk waren versierd. De koning plaatste hem in de oude kapel van de H. Nicolaas in zijn paleis te Parijs, maar schonk enige doornen ervan aan de kerk van Toledo, aan die der franciscanen te Sées en aan de abdij van de H. Eligius bij Atrecht. De abdij van Saint-Denis bezat reeds vóór die tijd enige doornen, zoals Rigord, geneesheer en geschiedschrijver van Filips Augustus, in zijn geschiedenis van diens regering getuigt. In 1241 ontving de H. Lodewijk uit Constantinopel, met andere kostbare relikwieën, een zeer groot gedeelte van het ware Kruis, waarschijnlijk hetzelfde dat de H. Helena vanuit Jeruzalem daarheen had gebracht. Het volgende jaar liet hij de kapel van de H. Nicolaas in zijn paleis afbreken en bouwde hij op dezelfde plaats de kapel die naar deze relikwieën thans de Sainte-Chapelle wordt genoemd. Zij wordt terecht bewonderd om de sierlijkheid, zuiverheid en kostbare voltooiing van haar bouwkunst. De bouw kostte veertigduizend livres, hetgeen volgens de waarschijnlijkste berekening in de tijd van pater Fontenai zou overeenkomen met achthonderdduizend livres, dat wil zeggen ongeveer veertigduizend pond sterling. De kapel werd met grote plechtigheid ingewijd. Wanneer de heilige koning te Parijs verbleef, bracht hij er gewoonlijk een aanzienlijk gedeelte van zijn tijd en soms gehele nachten in gebed door.
Onderricht aan zijn zoon
Kort voor zijn dood gaf de H. Lodewijk aan de erfgenaam van zijn kroon het onderricht dat hij gedurende zijn eigen leven steeds had onderhouden:
Bemint God de Almachtige boven alles.
Vliedt de zonde sneller dan een slang.
Verliest de moed niet in tegenspoed.
Verheft u niet in dagen van voorspoed.
Legt de wonden van uw ziel dikwijls bloot voor uw geestelijke geneesheer en weigert geen enkel middel, hoe bitter ook, dat ze kan genezen.
Bidt met ijver.
Weest barmhartig en mild voor de armen.
Omringt u met getrouwe en godvruchtige raadslieden en verwijdert de slechte.
Behoudt al wat goed is en verwerpt al wat kwaad is.
Luistert gaarne naar hen die over God spreken.
Dult tijdens uw regering niet dat zij die God en de heiligen lasteren ongestraft blijven.
Bemint en beschermt de rechtvaardigheid en veronachtzaamt de klachten van de behoeftigen niet.
Beschermt de geestelijkheid.
Tracht alle geschillen in goedheid te beëindigen.
Houdt nauwlettend toezicht op al uw ambtenaren.
Bewijst de paus steeds de verschuldigde eerbied.
Het godvruchtig sterven van de H. Lodewijk

Nadat hij zijn zaken had geregeld en zich van zijn plichten jegens anderen had gekweten, verlangde hij dat men niet meer met hem over tijdelijke aangelegenheden zou spreken. Hij legde zich er geheel op toe alleen te denken aan de grote zaak die tussen hemzelf en God beslist moest worden. Hij sprak bijna niemand meer dan zijn biechtvader.
Hij loofde en dankte God dat Hij hem in deze toestand had geplaatst. Onder vele tranen bad hij dat God de ongelovigen en zondaars zou verlichten en hun barmhartigheid bewijzen. Ook bad hij dat zijn leger veilig naar het vaderland mocht terugkeren zonder in de handen van de vijand te vallen, opdat niemand uit zwakheid ertoe verleid zou worden Christus te verloochenen.
Zijn liefde, ijver, berouw, nederigheid en volkomen overgave namen in zijn laatste ogenblikken nog toe. In de vurige beoefening van deze deugden bereidde hij zijn ziel voor om zijn Rechter en Verlosser tegemoet te gaan. Op zondag 24 augustus ontving hij eerst het H. Oliesel, overeenkomstig de gebruiken van die tijd, en daarna het H. Viaticum.
Wanneer hij in goede gezondheid was en zolang hij daartoe tijdens zijn ziekte nog in staat was, kroop hij op zijn knieën van zijn plaats in de kerk naar het altaar wanneer hij de H. Communie ontving. Nu was hij daarvoor te zwak. Toch wilde hij opstaan en ontving hij het Allerheiligste geknield naast zijn bed. De rest van zijn tijd bracht hij door in vurig gebed, vooral in akten van liefde tot en lofprijzing van God.
De volgende dag verloor hij van negen uur tot twaalf uur het spraakvermogen. Toen hij weer kon spreken, sloeg hij zijn ogen ten hemel en herhaalde luid de woorden van de psalmist: Heer, ik zal Uw huis binnengaan, mij neerwerpen voor Uw heilige tempel en Uw naam verheerlijken. Om drie uur in de middag sprak hij opnieuw en zei slechts: In Uw handen beveel ik mijn ziel. Onmiddellijk daarna blies hij de laatste adem uit in zijn legerkamp, op 25 augustus van het jaar 1270.