H. Jozef Calasanz

27 augustus – H. Jozef Calasanz, belijder † 1648

De heilige Jozef Calasanz werd te Peralta in Aragón uit een adellijk geslacht geboren. Reeds als kind muntte hij uit door naastenliefde en gebed en onderwees hij zijn schoolgenoten in de geheimen van het geloof. Na zijn priesterwijding verrichtte hij apostolisch werk in verschillende delen van Spanje. Vervolgens vertrok hij naar Rome, waar hij zich bijzonder toelegde op het godsdienstonderricht van arme kinderen. Voor hen stichtte hij de Arme Reguliere Geestelijken van de Vrome Scholen van de Moeder Gods, ook Piaristen genoemd. Daarnaast bezocht en ondersteunde hij zieken, armen en verlatenen. Hij verdroeg vele beproevingen met wonderbaarlijke standvastigheid en geduld. De heilige Jozef Calasanz stierf te Rome op 25 augustus 1648, tweeënnegentig jaar oud. Zijn feest werd in 1769 in het Romeins Brevier opgenomen.

De Piaristen, de Scholen der Vroomheid
Zijn grote beproeving en het herstel van zijn orde
Het habijt van de Allerheiligste Maagd
De H. Maagd verschijnt aan Calasanz
Patroonheilige van de christelijke scholen

De Piaristen, de Scholen der Vroomheid

Uit de school die de heilige Jozef Calasanz in 1597 in Rome voor arme kinderen opende, groeide een nieuwe religieuze gemeenschap. Zij kreeg de naam Scholae Piae, Scholen der Vroomheid, omdat onderwijs en godsdienstige vorming er samengingen. Van het Latijnse Piae komt de naam Piaristen. In 1617 erkende paus Paulus V de gemeenschap als de Congregatie van de Arme Moeder Gods van de Scholen der Vroomheid en in 1621 verhief paus Gregorius XV haar tot een religieuze orde. De volledige Latijnse naam luidt Ordo Clericorum Regularium Pauperum Matris Dei Scholarum Piarum. De Piaristen zijn clerici regulieren: priesters en broeders die volgens een religieuze regel in gemeenschap leven. Naast de gewone geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid verbonden zij zich in het bijzonder aan het onderwijs en de christelijke opvoeding van de jeugd, vooral van arme kinderen. Hun afkorting Sch.P. verwijst nog altijd naar de Scholae Piae van Calasanz.

De heilige Jozef Calasanz met een leerling
De H. Jozef Calasanz onderwijst een kind. Op het blad in zijn hand staan de letters van het alfabet, een verwijzing naar zijn levenswerk voor de christelijke opvoeding van de jeugd. Schilderij uit 1740, Slovak National Gallery.

Zijn grote beproeving en het herstel van zijn orde

De heilige Jozef Calasanz was een vurig vereerder van de martelaren en bezocht dagelijks de zeven hoofdkerken van Rome. Hoewel hij niet uit Rome afkomstig was, woonde hij er meer dan vijftig jaar en werd hij er geheel thuis. Daar stichtte hij de Scholae Piae en wijdde hij zich aan de christelijke opvoeding van de jeugd. Dit werk stond in de oude onderwijstaak van de Kerk, die reeds in de Middeleeuwen scholen had opgericht bij kerken, kloosters en kathedralen en er ook de studie van de klassieke letteren had bewaard. Toen in de zeventiende eeuw onderwijs niet langer vrijwel uitsluitend voor de meer gegoeden bestemd bleef, opende de Kerk kosteloze volksscholen. Calasanz behoorde tot de grote mannen door wie dit werk tot ontwikkeling kwam. Hij weigerde de kardinaalshoed en verlangde geen andere waardigheid dan zijn roeping te vervullen. Op bijna tachtigjarige leeftijd werd hij zwaar beproefd. Tijdens de vervolging van zijn stichting werd hij door de straten van Rome gevoerd en als een misdadiger voor het tribunaal van de Inquisitie gebracht. Hij werd uit zijn ambt van generaal-overste ontzet en moest zelfs de verachting van eigen leerlingen verdragen. Men handelde met hem alsof zijn hoge leeftijd zijn verstand had verzwakt, maar hij verdroeg alles met volkomen kalmte. Zijn beproeving duurde zo lang dat zij als een langdurig martelaarschap kon worden beschouwd. Toen hij op 25 augustus 1648, tweeënnegentig jaar oud, stierf, was de congregatie van de Scholae Piae vrijwel vernietigd. In zijn laatste ogenblikken voorspelde hij echter haar herstel, en de voorspelling ging in vervulling. Het werk waaraan hij zijn leven had gegeven bleef bestaan. Zijn bijzondere roeping lag in het onderrichten van kinderen in kennis en godsvrucht. In de kinderen zag de Kerk tevens de eigenschappen die het christelijk leven behoren te kenmerken: zuiverheid, nederigheid en belangeloze genegenheid. Vooral de nederigheid is de grondslag van deze geestelijke kindheid. Zij is geen gemakkelijke deugd, maar vraagt een werkelijke zelfverloochening. Ook de armoede van geest behoort daartoe en is in wezen dezelfde innerlijke gesteltenis van nederigheid. (Zalige Ildefonso Schuster O.S.B.)

Het habijt van de Allerheiligste Maagd

Clericus regularis van de Piaristen in het traditionele habijt
Clericus regularis van de Piaristen in het traditionele habijt, prent uit 1845.

De heilige Jozef Calasanz noemde het kleed van zijn religieuzen het habijt van de Allerheiligste Maagd. Op 11 december 1632 schreef hij aan pater Melchor Alacchi in Venetië dat hij verheugd was dat broeder Paul de Andres het habijt had ontvangen en dat hij graag wilde weten hoe deze het habijt van de Allerheiligste Maagd droeg. Het habijt zelf was reeds nauwkeurig vastgelegd in de Constituties van de Piaristen.

Het bestond uit een lange zwarte toog tot aan de voeten, met slechts een opening aan de borst die met houten knopen werd gesloten, en een mantel van dezelfde zwarte stof die tot aan de knieën reikte. De kleding moest uit de eenvoudigste en geringste stof worden vervaardigd. Pater Vincent Berro, een vroege Piarist en leerling van Calasanz, beschreef de oorspronkelijke stof zelfs als zo grof dat zij deed denken aan het materiaal waarvan pakzadels voor dieren werden gemaakt. Calasanz gebruikte in zijn Constituties niet alleen het woord vilis, gering of eenvoudig, maar verlangde de viliores, de geringste kleding die men kon verkrijgen. Het habijt moest daarmee de armoede en nederigheid van de religieuzen zichtbaar tot uitdrukking brengen.

Ook de overige kleding was aanvankelijk uiterst eenvoudig. De eerste Piaristen gingen blootsvoets en droegen open schoenen of apostolische sandalen. Aanvankelijk droegen zij geen hemd. Later werd op aanraden van artsen, vanwege de gebruikte kleurstoffen, een hemd van dik en ruw hennep toegestaan en vervolgens een wollen hemd. Een oude samenvatting van het instituut beschrijft de kleding van de eerste Piaristen daarom kort als een zwarte toog en mantel van de geringste stof, met een eenvoudig hemd, blote voeten en sandalen.

Calasanz ontving dit habijt uit handen van kardinaal Benedetto Giustiniani op 25 maart 1617, het feest van Maria Boodschap. De zwarte toog sloot aan bij de kleding van de clerici regulares, waartoe ook de nieuwe congregatie van Calasanz behoorde. Zij werd destijds ook het habijt van Sint-Petrus genoemd. De korte mantel week af van de lange mantels van oudere orden en vertoonde overeenkomst met die van de kapucijnen.

De benaming habijt van de Allerheiligste Maagd houdt verband met de oude devotie tot de mantel van Maria. Reeds in de Middeleeuwen werd de Moeder Gods voorgesteld terwijl zij de gelovigen onder haar mantel opnam en beschermde. Ook bij verschillende broederschappen kon het dragen van een bepaald habijt deze bescherming van Maria uitdrukken. Het Sub tuum praesidium, het oude gebed Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, heilige Moeder Gods, was Calasanz bijzonder dierbaar. Tegen deze achtergrond kreeg de naam die hij aan het Piaristenhabijt gaf een concrete betekenis: de religieuzen droegen hun eenvoudige kleed als het habijt van de Allerheiligste Maagd.

De H. Maagd verschijnt aan Calasanz

De H. Maagd met het Kind Jezus verschijnt aan de H. Jozef Calasanz
De H. Maagd met het Kind Jezus verschijnt aan de H. Jozef Calasanz, geknield te midden van zijn leerlingen.

Een bijzondere gunst schonk de hemel hem te San Pantaleo. Terwijl de heilige Jozef Calasanz zijn leerlingen onderwees, verscheen hem de Allerheiligste Maagd met het Kind Jezus. Calasanz knielde voor de Moeder Gods neer, omringd door zijn leerlingen, en ontving haar hemelse vertroosting en bescherming over het werk dat hij voor haar goddelijke Zoon verrichtte. Het tafereel werd een geliefd onderwerp in de kunst van de Piaristen. Maria verschijnt aan Calasanz, omringd door de kinderen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Voor Calasanz stond zijn gehele werk onder de bescherming van de H. Maagd. Hij was ervan overtuigd dat de genaden van zijn leven hem door haar waren geschonken en stelde ook zijn stichting uitdrukkelijk onder haar moederlijke bescherming.


Patroonheilige van de christelijke scholen

Hemelse patroon van alle christelijke volksscholen ter wereld. Door paus Pius XII als zodanig uitgeroepen in 1948.

H. Jozef Calasanz, O.P.N.