Bedevaart van Nijmegen naar Kevelaer
Op zaterdag 12 en zondag 13 september 2026 vindt voor de derde maal de Nederlandse traditionele bedevaart van Nijmegen naar Kevelaer plaats.
De bedevaart begint op zaterdagochtend met de H. Mis in de oude Romeinse ritus, in de Nebokerk te Nijmegen. Vandaar trekken de pelgrims gedurende twee dagen ongeveer 66 kilometer te voet naar het heiligdom van Onze Lieve Vrouw van Kevelaer. Onderweg wordt gezamenlijk gebeden en gezongen, worden geestelijke voordrachten gehouden en is er gelegenheid om te biechten.
Na de overnachting in Heijen wordt de bedevaart op zondagochtend voortgezet. Bij Kevelaer sluiten de Nederlandse pelgrims zich aan bij de Duitse bedevaart uit Keulen. Samen trekken zij naar de basiliek, waar om 16.00 uur de H. Mis wordt opgedragen. Aansluitend wordt gebeden bij de Genadekapel van Onze Lieve Vrouw, Troosteres der Bedroefden.
Het thema van de bedevaart van dit jaar is Strijd om de heiligheid. Daarbij staat in het bijzonder de christelijke deugd van sterkte, fortitudo, centraal.
Wilt u nog aansluiten bij deze bedevaart? Dat kan. Kijk voor meer informatie op de website van de bedevaart of neem contact op met coördinator Jan Zoonen via info@nijmegenkevelaer.nl.
Zaterdag 12 en zondag 13 september 2026
Nijmegen naar Kevelaer
Ongeveer 66 km in twee dagen
Meer informatie op de website van de bedevaart

Het Pelgrimken van Kevelaer, 1655
Reeds kort na het ontstaan van de bedevaart naar Kevelaer verscheen een Nederlands gebeden en liederenboekje dat geheel voor de pelgrims naar het nieuwe Mariaheiligdom was bestemd. De jezuïet Adriaen Poirters gaf in 1655 Het pelgrimken van Kevelaer uit. Het bevat litanieën, hymnen, liederen en reisgebeden voor de processie naar Kevelaer. Er zijn gebeden voor het begin van de reis, gezangen voor onderweg en liederen voor het afscheid van Kevelaer. Het boekje ontving in Roermond op 8 juni 1655 de kerkelijke goedkeuring.
Een van de liederen draagt het opschrift Het Pelgrimken singht voor, en verweckt zyne Mede gesellen tot de Pelgrimagie. Het werd dus gezongen om de andere pelgrims aan te moedigen gezamenlijk de bedevaart te ondernemen. Opmerkelijk is hoe weinig er na meer dan drie en een halve eeuw aan het wezen van deze bedevaart is veranderd. De pelgrims worden opgeroepen moed te vatten, gezamenlijk te vertrekken en te voet naar Kevelaer te gaan.
Oud Kevelaers bedevaartslied
Komt Pelgrims komt volght my naer,
Wy sullen onse reys beginnen,
Wy sullen gaen groeten Kevelaer,
De soete Koninginne.
Komt volght my naer met kloecken moet,
En neemt van daegh een goey couragie,
Op dat wy altemael te voet,
Voldoen ons Pelgrimagie.
Wy zijn doch Pellegrims allegaer,
Wy hebben hier geen vaste Steden,
’t Is hier al droefheyt voor en naer,
Soo langh wy zyn beneden.
Dat is het leven van ons al,
Dan hier eens komen, en weer scheyden,
Den wegh loopt door het tranen dal,
Die ons naer huys sal leyden.
O Vaderlandt! ô Vaderlandt!
Wanneer sult gy my eens ontfangen,
Tot u is mijn herte brant,
En sucht met groot verlangen.
Wel aen dan Pelgrims kloeck met moet,
Sa altemael goede couragie,
Op dat wy al gelijck te voet,
Voeldoen ons Pelgrimagie.
Het lied plaatst de tocht naar Kevelaer tegelijk in het grotere verband van de christelijke pelgrimage. De gelovige is zelf pelgrim op aarde en heeft hier geen blijvende stad. De weg naar het Mariaheiligdom wordt zo verbonden met de reis naar het hemelse vaderland. Juist daarom is het slot zo treffend voor de pelgrims die ook tegenwoordig vanuit Nijmegen te voet naar Kevelaer trekken.
Geschiedenis van het Mariabedevaartsoord Kevelaer
Oorsprong van het heiligdom
Het genadeprentje uit Luxemburg
1 juni 1642 en het begin van de bedevaart
De Genadekapel en de Oratorianen
De Kaarsenkapel en eeuwen van bedevaart
De basiliek en de Nederlandse bedevaarten
Onze Lieve Vrouw wordt sinds 1642 in Kevelaer vereerd onder haar oude titel Consolatrix Afflictorum, Troosteres der Bedroefden.De oorsprong van het Mariaheiligdom ligt in de winter van 1641, tijdens de Dertigjarige Oorlog. Hendrick Busman, een eenvoudige en weinig vermogende handelsman, reisde voor zijn kleine handel geregeld over de weg van Weeze naar Geldern. Nabij Kevelaer stond op de heide, bij een kruising van oude wegen, een zogenaamd hagelkruis (een veldkruis waarbij om bescherming van de akkers en de oogst tegen hagel werd gebeden). Busman hield daar stil om te bidden. Omstreeks Kerstmis 1641 hoorde hij op deze plaats een stem die hem opdroeg daar een kapelletje te bouwen. Hij keek om zich heen, maar zag niemand en vervolgde zijn weg. Zeven of acht dagen later hoorde hij op dezelfde plaats opnieuw dezelfde woorden. Een derde maal herhaalde zich de oproep. Hoewel Busman arm was, begon hij geld opzij te leggen om aan de opdracht gevolg te geven. Van deze gebeurtenissen bezitten wij een vroeg en belangrijk getuigenis. Busman legde in februari 1647 onder ede een verklaring af voor de kerkelijke vergadering te Venlo. Twintig geestelijken en vier geneesheren namen daar deel aan het onderzoek naar de gebeurtenissen te Kevelaer. Nog datzelfde jaar verkreeg Kevelaer de kerkelijke goedkeuring als bedevaartplaats.
Het kleine prentje uit Luxemburg
Terwijl Busman over de bouw van het kapelletje nadacht, deed zich iets voor dat beslissend zou worden voor de verdere geschiedenis van Kevelaer. Zijn vrouw Mechel Schrouse zag volgens haar verklaring in de nacht een groot licht en daarin een heiligenhuisje met een afbeelding van Onze Lieve Vrouw. Zij herkende de voorstelling. Twee soldaten hadden enige tijd tevoren kleine devotieprentjes van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg bij zich gehad en hadden geprobeerd haar er een te verkopen. Zij had dit toen geweigerd omdat zij de prijs te hoog vond. Busman zag hierin een bevestiging van hetgeen hem was opgedragen. Mechel ging op zoek naar het prentje. De soldaten hadden het inmiddels aan hun luitenant gegeven, die gevangen had gezeten in Kempen. Na diens vrijlating wist zij een exemplaar te verkrijgen.
Het genadebeeld van Kevelaer is dus geen beeldhouwwerk of schilderij, maar een zeer klein devotieprentje uit 1640, ongeveer 11 bij 7,5 centimeter groot. Het is een kopergravure, dat wil zeggen een afdruk die met behulp van een gegraveerde koperen plaat werd vervaardigd. Het prentje zelf is op perkament gedrukt en werd vermoedelijk in Antwerpen vervaardigd. Het stelt de reeds in Luxemburg vereerde Moeder Gods voor als Consolatrix Afflictorum, Troosteres der Bedroefden.Maria draagt een wijde mantel en houdt het gekroonde Christuskind op haar linkerarm. Het Kind draagt de rijksappel, de met een kruis bekroonde bol die de wereld onder de heerschappij van Christus voorstelt. In haar rechterhand draagt Maria een scepter. Op de achtergrond is links de stad Luxemburg afgebeeld en rechts het oorspronkelijke Luxemburgse Mariaheiligdom buiten de stadsmuren. Boven Maria staat de bede Consolatrix Afflictorum, ora pro nobis, Troosteres der Bedroefden, bid voor ons.
Busman liet het prentje op een houten plaat bevestigen en plaatste het in het kleine heiligenhuisje dat hij op de aangewezen plaats had laten bouwen. Hetzelfde prentje wordt daar nog altijd vereerd. Het is door ouderdom sterk verbleekt en tegenwoordig opgenomen in een kostbare zilveren en vergulde omlijsting. Ook de plaats ervan is in wezen dezelfde gebleven. Toen in 1654 de huidige Genadekapel werd gebouwd, werd het oorspronkelijke heiligenhuisje niet afgebroken. De zeshoekige kapel werd eromheen gebouwd en omsluit het oude heiligdom nog altijd.


1 juni 1642 en het begin van de bedevaart
Het prentje werd aanvankelijk in Geldern bewaard. De kapucijnen en de gelovigen wilden het in plechtige processie naar Kevelaer brengen. Dat gebeurde echter niet. De pastoor van Kevelaer haalde het op de laatste zaterdagavond van mei 1642 in stilte op. De volgende dag, zondag 1 juni, plaatste hij het in het door Busman gebouwde heiligenhuisje. Nog op diezelfde dag kwamen volgens Busmans beëdigde verklaring grote aantallen mensen uit Geldern en andere plaatsen naar de nieuwe gebedsplaats. Ook werden reeds wonderbare gebeurtenissen opgetekend. De eenvoudige plaats langs de weg werd vrijwel onmiddellijk een bedevaartsoord. Busman en zijn vrouw lieten in de sokkel van het heiligenhuisje een inscriptie aanbrengen die aan hun stichting herinnerde en die bewaard is gebleven.
Reeds in 1643 kwam vanuit Rees de eerste georganiseerde processie naar Kevelaer. Daarmee begon een traditie die eeuwenlang het karakter van het heiligdom zou bepalen. Steden, parochies en broederschappen kwamen voortaan in vaste processies naar de Troosteres der Bedroefden. Ook de berichten over wonderbare genezingen werden door de kerkelijke overheid onderzocht. Tijdens het kerkelijke onderzoek te Venlo in 1647, toen Kevelaer nog tot het bisdom Roermond behoorde, werden acht genezingen als authentiek erkend. Uit hetzelfde jaar is bovendien een Kevelaers mirakelboek bekend waarin wonderbare genezingen werden opgetekend.
De snelle groei van de bedevaart maakte reeds enkele jaren na de plaatsing van het genadebeeld de bouw van een grotere kerk noodzakelijk. Tussen 1643 en 1645 werd, midden in de Dertigjarige Oorlog, de huidige Kaarsenkapel gebouwd door Hendrick van Arssen. Zij werd op 2 mei 1649 plechtig gewijd. De kerk kreeg geen grote toren omdat daarvoor de middelen ontbraken. In de eenvoudige dakruiter hangen nog altijd twee klokken waarmee aankomende en vertrekkende pelgrimsgroepen worden begroet. Hendrick Busman maakte nog mee dat grote aantallen pelgrims naar de plaats kwamen en dat de eerste bedevaartkerk werd gebouwd. Op 14 maart 1649 werd hij begraven. Zijn naam leeft in Kevelaer nog voort in de Busmannstraße en de Busmannplatz.
De Genadekapel en de Oratorianen
Het oorspronkelijke heiligenhuisje van Busman bleef bestaan. Om het te beschermen werd in 1654 de huidige zeshoekige Genadekapel eromheen gebouwd, naar het voorbeeld van het beroemde Mariaheiligdom van Scherpenheuvel in Brabant. De bisschop van Roermond wijdde het altaar in 1663. Zo ontstond de aanleg die Kevelaer nog altijd kenmerkt. Niet de grote basiliek vormt het eigenlijke middelpunt van de bedevaart, maar de kleine Genadekapel. Daar bevindt zich nog steeds hetzelfde kleine prentje dat op 1 juni 1642 in Busmans heiligenhuisje werd geplaatst.
De toestroom van pelgrims was zo groot dat de bisschop van Roermond reeds in 1646, in overeenstemming met de aartsbisschop van Mechelen, Oratorianen naar Kevelaer liet komen om de zielzorg voor de bedevaart op zich te nemen. Tegenover de Genadekapel werd tussen 1647 en 1650 een klooster voor hen gebouwd, het huidige Priesterhaus, tegenwoordig het oudste stenen gebouw van Kevelaer. Vanaf 1664 werd de parochie steeds door een Oratoriaan bestuurd. Dat bleef zo totdat het klooster in 1802 ten gevolge van de omwentelingen van de Franse tijd werd opgeheven. De laatste Kevelaerse Oratoriaan stierf in 1817 en werd, evenals zijn voorgangers, in de grafkelder van de bedevaartkerk begraven.

Het uiterst kleine en eenvoudige genadeprentje kreeg in de loop der eeuwen een steeds kostbaarder omlijsting. In 1664 werd het voor het eerst voorzien van een verguld zilveren raam. Zeventien jaar later schonk de keizerlijke kamerheer en rijksgraaf van Oettingen een grote, kunstig bewerkte zilveren plaat waarin het genadebeeld werd opgenomen. Bij het 250 jarig jubileum van de bedevaart in 1892 volgde een bijzondere eer. In opdracht van het kapittel van de Sint Pieter te Rome werd het genadebeeld met een gouden erekroon gekroond. Gelovigen schonken daarvoor parels, briljanten, diamanten en andere edelstenen, maar ook armbanden en ringen die in de kroon werden verwerkt. Luxemburg, vanwaar het oorspronkelijke prentje afkomstig was, schonk bij hetzelfde jubileum twee zilveren, sterk vergulde rozentakken. Zij werden naast het genadebeeld aangebracht als teken van de oude band tussen het Luxemburgse moederheiligdom en Kevelaer. Tot op heden worden bij het genadebeeld votiefgaven achtergelaten uit dank voor verkregen gunsten.
De Kaarsenkapel en eeuwen van bedevaart
Wie de Kaarsenkapel binnengaat, ervaart een groot getuigenis van eeuwen bedevaartsgeschiedenis. De processies die van oudsher naar Kevelaer trekken, hebben er hun grote bedevaartskaarsen en wapenschilden. De ereplaats in het midden behoort aan Rees, vanwaar in 1643 de eerste georganiseerde processie kwam. Langs de wanden hangen herinneringen aan ontelbare bedevaarten uit Duitsland, Nederland, Vlaanderen en Brabant. Sommige processies verdwenen door oorlogen en andere omstandigheden, maar hun oude wapenschilden bleven in de kapel hangen. Onder de oude nog bestaande processies bevindt zich die uit Amsterdam. Ook Gennep, de Liemersche Processie en verschillende oude bedevaarten uit Vlaanderen en Brabant zijn er vertegenwoordigd.
De veertien gebrandschilderde ramen, voor een belangrijk deel uit het jubileumjaar 1892, vormen als het ware een kaart van de historische bedevaart naar Kevelaer. Men vindt er onder andere de wapens van Luxemburg, Roermond, Aken, Paderborn en Trier. Ook het wapen van paus Leo XIII is er aangebracht. Deze paus verleende in 1884 aan de pastoor van Kevelaer het voorrecht om op vier grote Mariafeesten de pauselijke zegen te verlenen.
Tussen al deze katholieke herinneringen bevindt zich een opmerkelijke bijzonderheid. De protestantse koning Frederik Willem I van Pruisen bezocht Kevelaer in 1714. In 1728 liet hij een kaars van vijftig pond en zijn wapenschild naar het heiligdom brengen. Tien jaar later bezocht hij Kevelaer opnieuw, ditmaal vergezeld door zijn zoon, de latere koning Frederik II. Zijn wapenschild kreeg een vooraanstaande plaats tussen de oude processieschilden in de Kaarsenkapel en bevindt zich daar nog altijd. Achter in de kerk bevinden zich bovendien naast dankbordjes oude krukken die als votiefgave werden achtergelaten. In vitrines wordt votiefzilver bewaard dat pelgrims door de eeuwen heen aan Onze Lieve Vrouw schonken. Daaronder bevinden zich zilveren harten en ledematen, sieraden, kruisen, kleine figuren, rozenkransen, parelkettingen, munten en hangers. Sommige stukken dateren reeds uit de zeventiende eeuw. Het zijn tastbare resten van eeuwen gebed, smeekbeden waarmee pelgrims naar Kevelaer kwamen en dankgaven die zij achterlieten voor verkregen gunsten.
De basiliek en de Nederlandse bedevaarten
Door de steeds groeiende aantallen pelgrims werd in de negentiende eeuw een veel grotere kerk noodzakelijk. De huidige Mariakerk werd tussen 1858 en 1864 gebouwd om de grote bedevaartsgroepen te kunnen ontvangen. Later verrees de hoge toren. Het interieur kreeg vanaf het einde van de negentiende eeuw zijn buitengewoon rijke beschildering door Friedrich Stummel en zijn medewerkers. Het programma grijpt terug op de middeleeuwse Biblia Pauperum. Gebeurtenissen uit het Oude en Nieuwe Testament worden met elkaar verbonden en de schilderingen lopen uiteindelijk uit op de kroning van Maria in de apsis. In 1923 werd de kerk tot basilica minor verheven. Toch heeft deze grote kerk de kleine Genadekapel nooit vervangen. De basiliek dient de grote liturgie en de talrijke pelgrims. Het eigenlijke doel van de bedevaart bleef het kleine genadebeeld in de kapel op de Kapellenplatz.
Kevelaer is vanaf zijn ontstaan nauw met de Nederlanden verbonden geweest. Toen de bedevaart ontstond, behoorde Kevelaer kerkelijk tot het bisdom Roermond. De Oratorianen die de zielzorg op zich namen, kwamen uit Scherpenheuvel. Het genadebeeld zelf was een afdruk van een voorstelling van het Luxemburgse heiligdom. Vanuit Nederlandse plaatsen trokken vervolgens generaties pelgrims naar Kevelaer. Dat Nederlandse verleden is nog steeds zichtbaar in de Kaarsenkapel, waar oude wapens en processiekaarsen herinneren aan de bedevaarten uit Amsterdam, Gennep, de Liemers en andere plaatsen. Ook de ligging van Busmans oorspronkelijke heiligenhuisje is veelzeggend. Het stond bij de oude handelsweg die Keulen via Nijmegen met Amsterdam verbond. Over dezelfde wegen waar kooplieden, soldaten en reizigers trokken, begonnen vanaf 1642 ook pelgrims naar de kleine afbeelding van de Troosteres der Bedroefden te komen.

Rondom het oorspronkelijke heiligenhuisje verrezen in de loop der eeuwen een Genadekapel, een Kaarsenkapel, een priesterhuis en een grote basiliek. Processies kwamen en verdwenen, kerken werden versierd, duizenden kaarsen werden geofferd en generaties pelgrims kwamen te voet uit Duitsland en de Nederlanden. In het midden bevindt zich echter nog altijd hetzelfde kleine, op perkament gedrukte genadeprentje van ongeveer 11 bij 7,5 centimeter dat op 1 juni 1642 in het eenvoudige heiligenhuisje van Hendrick Busman werd geplaatst. Daarheen trekt ook nu de bedevaart vanuit Nijmegen.
Consolatrix Afflictorum, ora pro nobis.
Troosteres der Bedroefden, bid voor ons.