Josef Sarto, de latere paus Pius X werd in 1835 te Riese, een dorp bij Castelfranco Veneto, geboren. Hij kwam in Padua op het seminarie en werd priester gewijd. Daarna werd hij eerst in Tombolo kapelaan, vervolgens in Salatiani pastoor, tenslotte in Treviso kanunnik en kanselier van de bisschoppelijke curie. Al die tijd leefde hij uitzonderlijk heilig. Daarom stelde Pius IX hem aan het hoofd van de kerk van Mantua. Hem ontbrak geen enkele eigenschap van de goede herder. Hij gaf zich erg veel moeite om de jongens die door God tot het priesterschap waren geroepen, naar behoren op te leiden. Ook bevorderde hij de schoonheid van de eredienst en de groei van religieuze gemeenschappen. Zijn naastenliefde zorgde royaal voor de behoeften van de armen. Op aanbeveling van zoveel verdiensten werd hij onder de kardinalen opgenomen en tot patriarch van Venetië benoemd. Na de dood van Leo XIII verzette hij zich tevergeefs tegen zijn verkiezing tot paus; hij nam het pontificaat op zich als een kruis. Op de stoel van Petrus veranderde hij niets in zijn vroegere levenswijze. Vooral in nederigheid, eenvoud en armoede muntte hij uit. Hij was een krachtig bestuurder van de Kerk, die hij verrijkte met voortreffelijke instellingen. Zorgvuldig waakte hij over de zuiverheid van het geloof, en het modernisme, dat kort bestek van alle ketterijen, werd door hem veroordeeld en uitgeroeid. De vrijheid van de Kerk verdedigde hij energiek, en tegen ieder die daarop inbreuk probeerde te maken, bood hij manmoedig weerstand. Hij zorgde dat de priesterstudenten goed werden opgeleid; hij liet de kerkelijke wetten in één wetboek samenbrengen; en bevorderde ten zeerste de verering en het menigvuldig ontvangen van de Eucharistie. Door al deze arbeid raakte hij uitgeput, en het verdriet om het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gaf hem de genadeslag. Op 20 augustus 1914 ijlde hij naar het hemels vaderland. Paus Pius XII nam hem op onder het getal der heiligen. (Romeins brevier)
Pius X beschouwde het modernisme als een aanval op het geloof zelf en als een gevaar dat zich binnen de Kerk had genesteld. In Pascendi Dominici Gregis verklaarde hij dat de aanhangers ervan zich in de eigen schoot van de Kerk verborgen hielden, ook onder priesters. Zij kenden de Kerk van binnenuit en richtten hun aanval op de wortel zelf, namelijk op het geloof en zijn diepste vezels. Daarom trad Pius X met grote kracht tegen het modernisme op en maakte de bestrijding ervan tot een hoofdzaak van zijn pontificaat.
Op 8 september 1907 verscheen de encycliek Pascendi Dominici Gregis. Pius X onderzocht daarin de modernistische leerstellingen in hun onderlinge samenhang en hun gevolgen voor geloof, dogma, Heilige Schrift, Kerk en traditie. Hij beperkte zich niet tot een veroordeling, maar gaf tevens concrete voorschriften voor de seminaries, het katholieke onderwijs, de beoordeling van boeken en de waakzaamheid van de bisschoppen.
Uit Pascendi Dominici Gregis Zij beramen hun plannen tot verderf van de Kerk niet buiten haar, maar binnen haar. Daarom bevindt het gevaar zich als het ware in de aderen en ingewanden zelf van de Kerk, en is de schade des te zekerder naarmate zij de Kerk inniger kennen. Daarbij leggen zij de bijl niet aan de takken en twijgen, maar aan de wortel zelf, namelijk aan het geloof en zijn diepste vezels.
Misschien zal iemand menen dat wij te lang bij de uiteenzetting van de leer der modernisten zijn blijven stilstaan. Dit was echter noodzakelijk, zowel om hun gewone beschuldiging te weerleggen dat wij hun denkbeelden niet begrijpen, als om aan te tonen dat hun stelsel niet bestaat uit verspreide en onderling losstaande theorieën, maar uit één volmaakt geordend geheel, waarvan alle delen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat men er niet één kan aannemen zonder ze alle aan te nemen. Kan iemand, wanneer hij dit gehele stelsel overziet, zich er dan nog over verwonderen dat wij het modernisme de synthese van alle ketterijen noemen? Indien iemand alle dwalingen die ooit tegen het geloof zijn ingebracht bijeen wilde brengen en daarvan als het ware het merg en de kern wilde samenvoegen, zou hij daarin niet beter kunnen slagen dan de modernisten hebben gedaan.
In 1910 schreef Pius X met het motu proprio Sacrorum Antistitum bovendien de antimodernisteneed voor. Daarin werden de voornaamste modernistische dwalingen uitdrukkelijk verworpen en werd trouw beleden aan het onveranderlijke geloof dat door de Apostelen aan de Kerk is overgeleverd. De volledige Nederlandse tekst is hier te lezen: De antimodernisteneed van Pius X.
De Mariadevotie van de H. Pius X
De H. Pius X koesterde zijn leven lang een diepe godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd. Een bijzondere plaats daarin had de Madonna delle Cendrole, vereerd in het oude Mariaheiligdom bij Riese, zijn geboorteplaats.
Reeds als jongen ging Giuseppe Sarto naar Cendrole om er tot Maria te bidden. In een uitgave uit Riese van 1951 wordt herinnerd hoe de jonge Bepi soms zijn spel met de andere jongens onderbrak en met enkele kameraden naar het heiligdom liep. Vóór zijn priesterwijding bad hij er en als jonge priester droeg hij er een van zijn eerste Missen op. De herinnering aan Cendrole bleef hem zijn gehele leven bij. Als bisschop van Mantua schreef hij in 1892 aan Margherita Parolin, die hem een zilveren tabaksdoos met de afbeelding van de Madonna delle Cendrole had geschonken: Gij had mij niets kunnen geven dat mij dierbaarder was, want het herinnert mij aan een heiligdom, een altaar en een gezegend beeld, die ik vanaf mijn jeugd steeds voor ogen heb gehad. Moge de Heer mijn verlangen verhoren haar ook op mijn oude dag nog te zien, wanneer ik in die dierbare kerk kom bidden. Na zijn verkiezing tot paus in 1903 kon Pius X niet meer naar Cendrole terugkeren. Sinds de inname van Rome door het koninkrijk Italië in 1870 verlieten de pausen het Vaticaan niet meer. Zij erkenden de annexatie van Rome en de Pauselijke Staat niet en beschouwden zich als gevangenen van het Vaticaan. Deze toestand duurde tot de Lateraanse Verdragen van 1929. Vanuit Rome bleef Pius X daarom met verlangen aan Cendrole denken. In 1913 schreef hij aan bisschop Andrea Giacinto Longhin: Dank voor de gebeden die gij voor mij hebt verricht en laten verrichten, vooral te Cendrole, waarheen ik mij in pijnlijke ogenblikken in gedachten verplaats. Ik zie alles alsof ik er zelf aanwezig was en vind troost in mijn groet aan de Allerheiligste Maagd. Als paus bleef hij ook daadwerkelijk voor het heiligdom zorgen. Hij liet de kerk restaureren, schonk het vereerde Mariabeeld een gouden kroon en schreef zelf een geschiedenis van het heiligdom, die in 1910 bij de Vaticaanse drukkerij verscheen.
De Madonna delle Cendrole in het gelijknamige heiligdom bij Riese. De H. Pius X vereerde dit Mariabeeld vanaf zijn jeugd en schonk het als paus een gouden kroon.
Wat deze godsvrucht voor Pius X betekende, zette hij zelf uiteen in de encycliek Ad diem illum laetissimum van 2 februari 1904, geschreven bij het vijftigjarig jubileum van de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis.
Uit Ad diem illum laetissimum, 2 februari 1904
Geen eer is Maria aangenamer, geen eer haar dierbaarder, dan dat wij Jezus naar behoren kennen en beminnen. Laat er dan vieringen van de gelovigen in de kerken zijn, laat er feestelijke luister zijn en vreugde in de steden. Dit alles draagt niet weinig bij tot het bevorderen van de godsvrucht. Maar indien daarbij de gezindheid van het hart ontbreekt, zullen wij slechts vormen hebben die niet meer dan de schijn van godsdienst vertonen. Wanneer de Maagd dit ziet, zal zij ons terecht met de woorden van Christus berispen: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is verre van mij. Want eerst dan is de verering van de Moeder Gods waarachtig, wanneer zij uit het hart voortkomt. Geen uiterlijke handeling heeft hier waarde of nut wanneer zij gescheiden is van de innerlijke gezindheid. En deze gezindheid moet noodzakelijk hierop gericht zijn dat wij de geboden van de goddelijke Zoon van Maria volkomen gehoorzamen. Want indien alleen die liefde waarachtig is die de wil verenigt, dan moet onze wil geheel overeenstemmen met die van de Allerheiligste Moeder, namelijk Christus de Heer te dienen. Wat de allerverstandigste Maagd tot de dienaren op de bruiloft van Kana zei, zegt zij ook tot ons: Doet alles wat Hij u zeggen zal. Het woord van Christus luidt echter: Indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden. Daarom moet ieder hiervan overtuigd zijn: indien de godsvrucht die hij jegens de Allerheiligste Maagd belijdt hem niet van de zonde afhoudt en hem niet het voornemen ingeeft zijn slechte levenswijze te verbeteren, dan is die godsvrucht vals en bedrieglijk, omdat zij haar eigen en natuurlijke vrucht mist.
Reeds kort na het begin van zijn pontificaat gaf Pius X in dit gebed uitdrukking aan zijn verering voor de Onbevlekte Maagd. Op 8 september 1903 verbond hij aan het eenmaal daags bidden ervan een aflaat van 300 dagen.
Gebed van de H. Pius X tot Maria Onbevlekt Ontvangen
Onbevlekte Maagd, die aan de Heer behaagd hebt en Zijn Moeder mocht worden, onbevlekt in lichaam en ziel, in geloof en liefde; zie welwillend neer op de ongelukkige kinderen, die uw machtige bescherming afsmeken.
De helse slang over wie reeds in het paradijs de eerste vloek werd uitgesproken, zet, helaas, zijn strijd voort en blijft de arme kinderen van Eva belagen. Gij, die onze gezegende Moeder zijt, onze Koningin en Voorspreekster, die de kop van de vijand verpletterd hebt vanaf het ogenblik van uw Ontvangenis, neem onze gebeden aan, en draag ze voor de troon van God. Wij zijn met U, één van hart en één van ziel.
Sta ons bij dat we ons nooit laten bedriegen en ons in de valstrikken laten lokken, die ons worden gelegd, en dat we allen eenmaal de haven van het eeuwige heil mogen bereiken. Dat te midden van zoveel gevaren, de Kerk en de christelijke maatschappij opnieuw de lofzang moge aanheffen, van bevrijding, zege en vrede. Amen.
De H. Pius X, herder van de kudde van Christus
De H. Pius X werd op 3 juni 1951 door Pius XII zalig verklaard en op 29 mei 1954, nog geen veertig jaar na zijn dood, door dezelfde paus heilig verklaard. In zijn toespraak na de canonisatie zei Pius XII dat God deze verheffing als het ware had bespoedigd en noemde hij Pius X de heilige die door de Voorzienigheid aan onze tijd was gegeven.
De H. paus Pius X draagt de H. Mis op aan het pauselijk altaar in de Sint-Pietersbasiliek te Rome, boven het graf van de H. apostel Petrus.
Paus Pius XII, 31 mei 1954, na de heiligverklaring van de H. Pius X
Eerbiedwaardige Broeders, Indien gij Mij liefhebt, weid dan. Wat de grondslag van de apostolische arbeid is, het hoogtepunt van de deugd en de oorsprong en bron van verdiensten, wordt voortreffelijk geleerd door deze vermaning van de goddelijke Verlosser tot de apostel Petrus, waarmee het Eucharistisch Offer ter ere van een of meer Opperherders wordt aangevangen. In de voetsporen van Jezus Christus, de eeuwige Hogepriester en Herder, die voor ons grote dingen heeft geleerd, wonderbare dingen heeft gedaan en harde dingen heeft verdragen, heeft de Romeinse Opperherder Pius X, die wij met grote vreugde onder de heiligen hebben mogen opnemen, dit uit de mond van Christus voortgekomen gebod krachtig vervuld: door te weiden beminde hij, en door te beminnen weidde hij. Hij beminde Christus en weidde de kudde van Christus. Uit de hemelse rijkdommen die de allergoedertierenste Verlosser op aarde heeft gebracht, putte hij niet spaarzaam hetgeen hij mild aan de kudde uitdeelde: het voedsel van de waarheid, de hemelse geheimen, de allervoortreffelijkste genade van het Offer en Sacrament van de goddelijke Eucharistie, de zoetheid van de liefde, de voortdurende zorg voor haar welzijn en de kracht van zijn bescherming. Hij gaf zichzelf geheel en alles wat de Schepper en Gever van alle goed hem had geschonken. Gij zijt naar Rome gekomen, Eerbiedwaardige Broeders, als een kroon op onze vreugde, om deel te nemen aan deze plechtige vieringen en samen met Ons hulde van bewondering en eerbied te brengen aan deze Opperherder van de Kerk van Rome, wiens roemrijk leven de gehele Kerk met zijn glans verlichtte, en om God dank te brengen, die door deze Opperherder hen die Hij naar het verkrijgen van het eeuwige heil leidt, in zijn vaderlijke barmhartigheid met een grote overvloed van weldaden heeft overgoten.
Later in dezelfde rede verklaarde Pius XII: Dezelfde noodzakelijke verbondenheid met de geest en de leer van de Kerk heeft de H. Pius X telkens opnieuw en met zeer ernstige woorden benadrukt in zijn belangrijke documenten, die u allen zeer goed bekend zijn.
Anekdotes over de H. Pius X
Pius X stond bij tijdgenoten bekend om zijn eenvoud, scherpe opmerkingsgave en geestigheid. Filippo Crispolti, die hem persoonlijk kende, herinnerde zich later zijn doordringende blik, zijn snelle oordeel over mensen en vooral zijn geestigheid, die zijn gesprekken dikwijls een onverwachte en geheel eigen wending gaf. Veel kleine herinneringen aan hem werden kort na zijn heiligverklaring vastgelegd in het Italiaanse tijdschrift Ignis Ardens, dat vanaf 1954 in zijn geboorteplaats Riese verscheen. De oudste jaargangen bewaren herinneringen van mensen die hem zelf nog hadden gekend en verwijzen geregeld naar oudere getuigenissen en levensbeschrijvingen.
De H. paus Pius X aan het werk in zijn privéwerkkamer in het Vaticaan, december 1904, terwijl de Nederlandse schilder Antoon van Welie zijn portret schildert. Op zijn schrijftafel staat een beeld van de H. Jean-Marie Vianney, de Pastoor van Ars, die Pius X kort daarna, op 8 januari 1905, zalig verklaarde. Het beeldje is bewaard gebleven en bevindt zich tegenwoordig in het seminarie van Treviso. De foto werd gemaakt door de Vaticaanse fotograaf Giuseppe Felici.
Een kleine versterving Op een hete zomermiddag kreeg Pius X dorst. Zijn neef wilde iemand roepen om water te laten brengen. De paus wees hem erop hoeveel personeel daarvoor weer in beweging moest komen en besloot eenvoudig dat zij dan maar een kleine versterving zouden doen tot het avondeten. Er werd tot die tijd niet meer over water gesproken.
Nieuwe familieleden Een arts vroeg Pius X eens of een jonge priester die bij hem was familie van hem was en informeerde vervolgens hoeveel familieleden de paus eigenlijk had. Pius X antwoordde dat zij zo talrijk waren als de nakomelingen van Abraham. Sinds zijn verkiezing tot paus waren er bovendien allerlei nieuwe familieleden bijgekomen die hij voordien nooit had gekend.
Een gouden rozenkrans voor een tegenstander Een Venetiaan die Sarto vroeger als patriarch fel had tegengewerkt, kwam later met een bedevaart naar Rome. Toen Pius X hoorde dat hij onder de pelgrims was, liet hij een bijzonder mooie gouden rozenkrans halen en gaf die aan de man mee voor diens moeder, met zijn zegen. De vroegere tegenstander verliet de audiëntie diep ontroerd.
Streng en mild tegelijk Als patriarch van Venetië had Sarto verboden dat bij uitvaarten van leken ongeoorloofde lofredes werden gehouden. Toen een priester het verbod overtrad, schorste hij hem en trok de straf niet in. Omdat de priester echter van zijn misstipendia leefde, gaf Sarto hem gedurende de schorsing uit eigen middelen genoeg om van te leven.
Het kruis op het hart Toen iemand bisschop Sarto in Mantua eens zonder borstkruis, ring en kalot aantrof en opmerkte dat men zo nauwelijks kon zien dat hij bisschop was, wees Sarto naar zijn hart en antwoordde dat het kruis daar zat. Zijn ring en borstkruis bleken tussen de papieren op zijn bureau te liggen.
De schoenen van Bepi Als jongen liep Giuseppe Sarto dagelijks van Riese naar school in Castelfranco. Om zijn schoenen te sparen trok hij ze buiten het dorp uit en droeg ze aan de veters met zich mee. Pas wanneer hij de stad naderde, trok hij ze weer aan.
Te veel luxe Een rijke Amerikaan schonk de zusters van Pius X een automobiel. Toen zij hun broer daarvan vertelden, merkte hij droog op dat het mooi zou zijn de zusters Sarto per automobiel door de straten van Rome te zien rijden. Enkele dagen later werd de auto op gezag van Pius X verkocht.
De koster of de atheïst Pius X zag eens in de Sint-Pietersbasiliek een man langs het tabernakel gaan zonder te knielen. De paus merkte droog op dat de man óf de koster óf een atheïst moest zijn.