Evangelie van de zondag (Lucas 16, 1-9)
IN DIE TIJD hield Jezus zijn leerlingen de volgende gelijkenis voor: Er was eens een rijk man, die een rentmeester had, en deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn goederen verkwistte. En hij liet hem roepen en zei tot hem: Wat hoor Ik daar van u? Gij hebt verantwoording te doen van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven. Toen dacht de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik beginnen, nu mijn meester mij het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en bedelen, daarvoor schaam ik mij. Maar ik weet al, wat ik zal doen, opdat zij mij in huis zullen opnemen, wanneer ik als rentmeester ben afgezet. Hij liet dan de schuldenaars van zijn heer een voor een bij zich komen. En hij vroeg aan de eerste: Hoeveel zijt gij aan mijn heer schuldig? En deze antwoordde: Honderd vat olie. En hij sprak tot hem: Hier, neem uw schuldbekentenis, ga gauw zitten, en maak er vijftig van. Vervolgens vroeg hij aan een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En deze antwoordde: Honderd mud tarwe. Hij sprak tot hem: Hier, neem uw schuldbekentenis, en maak er tachtig van. En de eigenaar prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij met overleg te werk was gegaan. Want inderdaad, de kinderen van deze wereld gaan onder elkaar met meer overleg te werk dan de kinderen van het licht. Ook Ik zeg tot u: Maakt u vrienden door middel van de mammon, zo vol ongerechtigheid, opdat zij u bij uw sterven opnemen in de eeuwige woontenten.

De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester
Nadat Christus in de drie voorafgaande gelijkenissen de Farizeeën had bestraft omdat zij morden over de bekering van zondaars, voegt Hij nu een nieuwe gelijkenis toe over het juiste gebruik van aardse goederen. De Farizeeën wilden niet alleen geen barmhartigheid bewijzen aan berouwvolle zondaars, maar ook geen hulp bieden aan de armen. Daarom leert Christus dat rijkdom niet is gegeven om haar voor zichzelf te bewaren, maar om haar trouw te beheren tot eer van God en tot welzijn van de naaste.
De rijke man uit de gelijkenis stelt God voor. De rentmeester is iedere mens aan wie God zijn gaven heeft toevertrouwd. Zoals een rentmeester het bezit van zijn heer beheert, zo beheert de mens alles wat hij ontvangen heeft. De heilige Ambrosius en Theophylactus merken daarom op dat wij geen eigenaars zijn van onze bezittingen, maar slechts rentmeesters van hetgeen aan een Ander toebehoort.
Ten opzichte van de mensen mogen wij wettige eigenaars van onze goederen zijn, maar tegenover God zijn wij slechts beheerders. Alles wat wij bezitten, is ons door Hem gegeven voor een matig gebruik en opdat wij onze behoeftige medemens zouden helpen. Daarom zal op de dag van het oordeel van ieder een nauwkeurige rekenschap worden gevraagd van zijn rentmeesterschap.
Alles wat wij bezitten is ons door God toevertrouwd. Wij zijn geen eigenaars, maar rentmeesters.
De heilige Paulus leert hetzelfde wanneer hij schrijft: Zo beschouwe men ons als dienaren van Christus en beheerders van Gods geheimen. Van beheerders wordt vóór alles verlangd dat zij trouw worden bevonden. Wat voor de apostelen geldt, geldt in zekere zin voor iedere christen. Al onze gaven zijn ons geschonken door God. Verstand, wijsheid, geheugen, welsprekendheid, rijkdom en invloed zijn niet ons eigendom. Zij behoren Hem toe, en daarom moeten zij worden gebruikt overeenkomstig zijn wil en tot zijn eer.
De heilige Johannes Chrysostomus waarschuwt tegen de dwaling te menen dat wij heer en meester zijn over onze bezittingen. Wij zijn slechts gasten op aarde en beheerders van de weldaden van een Ander. Daarom past ons niet de hoogmoed van een eigenaar, maar de nederigheid en trouw van een rentmeester, die weet dat hij eenmaal rekenschap zal moeten afleggen van alles wat hem werd toevertrouwd.
Wanneer de heer zegt: Geef rekenschap van uw beheer., richt Christus deze woorden uiteindelijk tot iedere mens in het uur van zijn dood. Dan zal God rekenschap vragen van ons leven, van onze bezittingen en van onze talenten. Hij zal vragen hoe wij hebben geleefd, hoe wij zijn gaven hebben gebruikt en of wij daarmee zijn eer hebben bevorderd en hebben meegewerkt aan het heil van onszelf en van onze naaste.
Johannes Climacus verhaalt van een monnik die in de eerste nacht na zijn intrede in het klooster droomde dat hij rekenschap moest afleggen van een zware schuld. Deze droom vervulde hem met zo’n heilige vrees, dat hij zich jarenlang met grote ijver toelegde op gehoorzaamheid, versterving en boetvaardigheid. Eerst werd hem te kennen gegeven dat een deel van zijn schuld was kwijtgescholden, en na nog vele jaren van trouw werd hem geopenbaard dat zij geheel was vergeven. Daartegenover vertelt dezelfde schrijver over een heilige abt, die na een lang leven van vasten en gebed op de vooravond van zijn dood in een geestvervoering scheen te verschijnen voor de goddelijke Rechter. Men hoorde hem zich tegen sommige beschuldigingen verdedigen, andere erkennen en om barmhartigheid smeken. Zo ernstig zal het oordeel zijn, waaraan ieder mens eenmaal wordt onderworpen.
De rentmeester erkent de rechtvaardigheid van het vonnis dat over hem wordt uitgesproken. Hij weet dat hij zijn meesters goederen heeft verkwist en dat zijn rentmeesterschap ten einde loopt. Werken wil hij niet en bedelen schaamt hij zich. In zijn nood zoekt hij een middel waardoor hij na zijn ontslag toch nog ontvangen zal worden. Volgens de Glossa leert dit ons dat na dit leven geen tijd meer overblijft om door boetvaardigheid de verwaarloosde deugden als het ware opnieuw op te graven, terwijl het, zoals de dwaze maagden ondervonden, te laat is om dan nog om hulp te vragen.
De heer prijst de rentmeester niet om zijn oneerlijkheid, maar om zijn voorzichtigheid. Hij bewondert niet het bedrog, maar het overleg waarmee deze, toen hij zijn naderende ontslag inzag, nog zorg droeg voor zijn toekomst. Juist hierin ligt de les van de gelijkenis. De kinderen van deze wereld handelen vaak met meer ijver en vooruitziende blik voor vergankelijke voordelen dan de kinderen van het licht voor de eeuwige goederen.
In aardse zaken zijn wij scherpziend als de lynx, maar voor de hemelse dingen vaak blind als de mol.
Daarom merkt de heilige Augustinus op dat de mensen van de wereld dikwijls verstandiger zorgen voor hun tijdelijke toekomst dan de gelovigen voor hun eeuwig heil. De begeerte naar aardse goederen is krachtig, terwijl het verlangen naar de hemelse schatten dikwijls zwak en lauw is. Christus roept zijn leerlingen daarom op de voorzichtigheid van de wereld niet na te volgen in haar onrecht, maar wel in haar ijver en vooruitziende zorg voor hetgeen blijvend is.
Christus stelt de onrechtvaardige rentmeester niet ten voorbeeld vanwege zijn bedrog, maar vanwege zijn vooruitziende zorg. Zoals deze met grote ijver dacht aan zijn toekomst, zo behoren ook wij met nog grotere ernst te zorgen voor het leven dat geen einde kent. De kinderen van deze wereld zijn vaak ijveriger in het najagen van vergankelijke goederen dan de kinderen van het licht in het zoeken van de eeuwige zaligheid. Dat komt, zegt Augustinus, omdat de begeerte naar aardse dingen de mens van nature krachtig voortdrijft, terwijl de liefde tot het onzichtbare gemakkelijk verzwakt door de zwakheid van het vlees en de gehechtheid aan de wereld.
De gelijkenis is daarom vooral gericht tegen de hebzucht van de Farizeeën. Christus leert dat rijkdom niet gegeven is om onszelf te dienen, maar om God te verheerlijken en de nood van onze naaste te lenigen. Wij zijn slechts rentmeesters van Gods gaven en zullen eenmaal rekenschap moeten afleggen van alles wat ons werd toevertrouwd. Daarom wordt de onrechtvaardige rentmeester niet geprezen om zijn onrechtvaardigheid, maar omdat hij met wijs overleg handelde.
De heilige Augustinus vat de les van de gelijkenis kernachtig samen. Als deze rentmeester met zoveel overleg wist te zorgen voor zijn tijdelijk bestaan, hoeveel meer behoren wij dan zorg te dragen voor het eeuwige leven. En als een onrechtvaardige rentmeester nog lof ontving om zijn voorzichtigheid, hoeveel aangenamer zullen zij God zijn die door hun barmhartigheid velen weldoen zonder iemand tekort te doen.
Uit deze gelijkenis trekt Lapide drie belangrijke lessen. Ten eerste zijn wij slechts rentmeesters van alles wat God ons heeft geschonken, of het nu rijkdom, gezondheid, verstand of andere gaven zijn. Ten tweede moeten al deze gaven worden gebruikt tot eer van God en tot welzijn van onze medemens. Ten derde zal op de dag van het oordeel niet alleen rekenschap worden gevraagd van het kwaad dat wij hebben gedaan, maar ook van het goede dat wij hebben nagelaten.
Daarom zegt Christus: Maakt u vrienden door middel van de mammon van ongerechtigheid. Zoals de rentmeester zich vrienden maakte onder de schuldenaars van zijn heer, zo moeten ook wij onze aardse goederen gebruiken om de armen wel te doen, opdat zij ons eenmaal mogen ontvangen in de eeuwige woningen.
Lapide merkt op dat de uitdrukking mammon van ongerechtigheid niet betekent dat iedere rijkdom onrechtmatig verkregen is. Zij wordt zo genoemd omdat rijkdom dikwijls door onrecht wordt verzameld, omdat hij onzeker en bedrieglijk is, omdat hij de mens gemakkelijk tot zonde verleidt en omdat goddeloze mensen hem hoger achten dan de hemelse schatten. Juist daarom moeten aardse goederen niet worden bemind om zichzelf, maar gebruikt worden als middelen om God te dienen en de naaste lief te hebben.
De heilige Augustinus merkt op dat Christus als het ware zegt: Gij, rijke en hebzuchtige mensen, hebt de rijkdom tot uw god gemaakt. Weet echter dat deze mammon bedrieglijk en vergankelijk is. Vernietig daarom deze afgod door uw rijkdom met de armen te delen, en God zal u belonen met een schat die nooit vergaat.
Wanneer Christus zegt: opdat zij u opnemen in de eeuwige woningen., doelt Hij op de armen die door uw liefdadigheid uw vrienden zijn geworden. Indien zij heilig leven, zullen zij door hun gebeden en voorspraak bijdragen tot uw zaligheid. En zelfs wanneer zij deze heerlijkheid niet bereiken, blijft uw aalmoes God welgevallig, want wat aan de armen wordt gegeven, beschouwt Christus als aan Hemzelf geschonken.
Hier spreekt de Heer vooral over de armen die rijk zijn in geloof en deugd. Laat de rijken daarom niet menen dat zij slechts weldoeners zijn. Integendeel, zij ontvangen een veel grotere weldaad dan zij geven. Zij schenken vergankelijk goud en ontvangen daarvoor een eeuwige beloning.
Daarom zegt de heilige Gregorius de Grote dat aalmoezen niet slechts dienen om de nood van de armen te verlichten, maar dat zij gaven zijn aan hen die ons eenmaal zullen ontvangen in de eeuwige woningen. In zekere zin zijn de armen de poortwachters van de hemel, want tot hen heeft Christus gezegd: Zalig de armen van geest, want hun behoort het Koninkrijk der hemelen. Toch ontvangen zij niemand uit eigen recht, maar alleen door de barmhartigheid van God, die Zichzelf vereenzelvigt met de geringsten van zijn broeders.
Ook Theophylactus leert dat de eeuwige woningen voor de armen zijn bereid, opdat zij daarin hen mogen ontvangen die hun uit liefde tot God overvloedig hebben geschonken van hetgeen hun slechts in rentmeesterschap was toevertrouwd.
Daarom noemt de heilige Johannes Chrysostomus de aalmoes de edelste van alle kunsten. Zij bouwt geen aardse woning, maar bereidt voor de christen een eeuwige woning in de hemel.
Bron: Cornelius a Lapide, commentaar op Lucas 16, 1–9. Nederlandse vertaling naar de Engelse uitgave.