H. Camillus van Lellis

18 juli – H. Camillus van Lellis, belijder † 1614

De heilige Camillus van Lellis werd in 1550 geboren te Bucchianico in het koninkrijk Napels. Na een jeugd als soldaat en een leven dat door speelzucht werd beheerst, kwam hij in 1575 tot bekering. Zijn eigen langdurige ziekte bracht hem in de hospitalen van Rome, waar hij zich geheel aan de verzorging van zieken en stervenden wijdde. In 1582 stichtte hij de congregatie van de Camillianen, de vaders van de zalige dood. Paus Gregorius XIV verhief haar in 1591 tot een religieuze orde. De leden legden naast de drie gewone geloften een vierde gelofte af, namelijk de zieken ook bij gevaar voor eigen leven te dienen. Camillus stierf te Rome op 14 juli 1614. De heilige Filippus Neri, die enige tijd zijn biechtvader was, zag in een visioen hoe engelen de religieuzen van Camillus bijstonden in hun zorg voor de stervenden. Daarom stelde paus Leo XIII de heilige Camillus aan tot hemelse patroon van hen die zich aan de verzorging van stervenden wijden en van allen die in doodsgevaar verkeren.

Gebed
Het leven van de heilige Camillus
Het rode kruis van de Camillianen
Zijn geestelijk testament

De heilige Camillus van Lellis, omgeven door een bloemenkrans
Bartolomé Pérez, De heilige Camillus van Lellis in een bloemenkrans, tweede helft van de zeventiende eeuw. Museo del Prado, Madrid.

God, die de heilige Camillus gesierd hebt met de bijzondere gave van liefde, om de zielen bij te staan die in doodsstrijd zijn, wij smeken U omwille van zijn verdiensten de geest van uw liefde in ons uit te storten, opdat wij in het uur van onze dood de vijand mogen overwinnen en tot de hemelse kroon geraken. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen. Collecte uit het Nederlands Volksmissaal, feest van de heilige Camillus van Lellis.

Het leven van de heilige Camillus van Lellis

De heilige Camillus van Lellis werd op 25 mei 1550 geboren te Bucchianico in de Abruzzen. Zijn vader, Giovanni de Lellis, was officier en bracht een groot deel van zijn leven in krijgsdienst door. Zijn moeder, Camilla de Compellis, was reeds op hoge leeftijd toen zij hem ter wereld bracht. Zij stierf toen Camillus nog jong was.

Camillus groeide op zonder veel onderricht. Hij was groot en sterk van gestalte, onstuimig van aard en weinig geneigd tot studie. Na de dood van zijn vader koos hij evenals deze voor de krijgsdienst. Hij nam deel aan verschillende krijgstochten en verkeerde daarbij meermalen in levensgevaar. In deze jaren raakte hij geheel in de macht van het dobbelspel. Hij verspeelde zijn geld, zijn uitrusting en ten slotte vrijwel alles wat hij bezat.

Reeds als jongeman had Camillus een pijnlijke wond aan zijn been gekregen. Deze wond zou hem gedurende zijn verdere leven blijven kwellen. Om behandeld te worden ging hij naar Rome, waar hij werd opgenomen in het Sint-Jacobshospitaal voor ongeneeslijk zieken. Hij werkte er enige tijd als ziekenknecht, maar werd wegens zijn ongeregelde gedrag en zijn speelzucht ontslagen.

Door zijn aanhoudende speelzucht had hij in 1574 vrijwel alles verloren en verkeerde hij in grote armoede. Hij vond werk bij de bouw van een kapucijnenklooster te Manfredonia. Een gesprek met een kapucijn bracht hem tot inkeer. Op 2 februari 1575, tijdens een reis over een eenzame weg, werd hij diep getroffen door het besef van zijn zonden. Hij wierp zich op de grond, beweende zijn vroegere leven en nam het vaste besluit God voortaan te dienen.

Camillus wilde bij de kapucijnen intreden. De wond aan zijn been ging echter telkens opnieuw open, zodat hij niet in hun orde kon blijven. Hij keerde daarom terug naar het Sint-Jacobshospitaal te Rome. Zijn leven was inmiddels geheel veranderd. Hij verzorgde de zieken met grote ijver en werd na verloop van tijd belast met het bestuur van het hospitaal.

Daar zag hij dagelijks hoe zieken werden verwaarloosd door knechten die hun arbeid slechts tegen betaling verrichtten. In 1582 vatte hij het plan op een gezelschap van godvruchtige mannen te vormen die de zieken uit liefde tot God zouden dienen. Enkele medewerkers sloten zich bij hem aan. Zij kwamen bijeen voor het gebed en hielpen de zieken bij hun lichamelijke verzorging en bij de voorbereiding op de sacramenten.

Camillus begreep dat hij als priester meer voor de zieken zou kunnen doen. Hoewel hij reeds ouder was en weinig onderwijs had genoten, begon hij Latijn en theologie te studeren. De heilige Filippus Neri was gedurende enige tijd zijn biechtvader en geestelijke leidsman. Camillus werd in 1584 tot priester gewijd.

Zijn gezellen gingen een zwart kleed dragen met een rood kruis op de borst. Paus Sixtus V keurde de gemeenschap in 1586 goed als Congregatie van de Dienaren der Zieken. In 1591 verhief paus Gregorius XIV haar tot een orde van reguliere clerici. Naast de gewone kloostergeloften legden de leden een vierde gelofte af. Zij beloofden de zieken te dienen, ook wanneer daarbij gevaar voor hun eigen leven bestond.

Camillus verlangde dat de zieken zorgvuldig, ordelijk en met grote eerbied werden behandeld. Hij lette op hun bedden, voedsel, kleding en geneesmiddelen. Hij zag erop toe dat stervenden niet alleen werden gelaten en tijdig de sacramenten ontvingen. Hij onderwees zijn gezellen zelf in de verzorging en berispte iedere hardheid, nalatigheid of onreinheid.

Bij besmettelijke ziekten, hongersnood en overstromingen ging Camillus met zijn gezellen naar de plaatsen waar de nood het grootst was. Zij verzorgden pestlijders, brachten zieken uit overstroomde huizen in veiligheid en begroeven de doden. Velen uit zijn orde verloren bij deze arbeid het leven.

Camillus bestuurde zijn orde vele jaren en reisde herhaaldelijk naar de verschillende huizen en hospitalen. Zijn beenwond bleef hem voortdurend pijn doen. Daarbij kwamen andere ziekten en de uitputting door zijn zware arbeid. Toch bleef hij, zolang zijn krachten het toelieten, zelf de zieken bezoeken en verzorgen.

In 1607 legde hij het bestuur van de orde neer. Hij wilde zijn laatste jaren als gewoon onderdaan doorbrengen en zich geheel aan de dienst van de zieken wijden. Ook toen zijn eigen gezondheid sterk achteruitging, bezocht hij nog de hospitalen en moedigde hij zijn religieuzen aan trouw te blijven aan het doel van hun stichting.

Camillus stierf te Rome op 14 juli 1614, in het huis van zijn orde bij de kerk van de heilige Maria Magdalena. Hij had de sacramenten ontvangen en zijn medebroeders zijn laatste vermaningen gegeven. Zijn lichaam werd in de kerk van de orde begraven.

Paus Benedictus XIV verklaarde hem in 1742 zalig en nam hem in 1746 onder de heiligen op. Zijn feest wordt in de traditionele Romeinse kalender gevierd op 18 juli.

Samengevat naar de levensbeschrijving door pater Sanzio Cicatelli, tijdgenoot en medebroeder van de heilige Camillus.

Het rode kruis van de Camillianen

De heilige Camillus van Lellis met het rode kruis van de Camillianen
Portret van de heilige Camillus van Lellis. Op zijn zwarte habijt draagt hij het grote rode kruis, het kenmerk van de Camillianen.

Het grote rode kruis op het zwarte habijt is het kenmerk van de orde die de heilige Camillus van Lellis heeft gesticht. Hij wilde dat zijn religieuzen in de hospitalen onmiddellijk herkenbaar waren als dienaren van Christus, die hun leven aan de verzorging van zieken en stervenden hadden toegewijd.

Tijdens pestepidemieën en op de slagvelden van Hongarije en Kroatië verzorgden de Camillianen zieken en gewonden, ook wanneer anderen uit angst voor besmetting waren gevlucht. Hun vierde gelofte verplichtte hen immers de zieken te dienen, zelfs met gevaar voor eigen leven. Het rode kruis werd zo het zichtbare teken van hun roeping en van de christelijke liefde die geen gevaar vreest.

Het kenteken werd door de paus goedgekeurd en wordt nog altijd door de Camillianen gedragen. Historisch is het bovendien opmerkelijk dat dit religieuze rode kruis ruim tweeënhalve eeuw ouder is dan het embleem van het Internationale Rode Kruis, dat pas in 1863 werd ingevoerd. Hoewel beide tekens met ziekenzorg verbonden zijn, bestaat er geen rechtstreeks historisch verband. Het Camilliaanse kruis is een christelijk symbool van naastenliefde, terwijl het moderne Rode Kruis een neutraal beschermteken is voor de geneeskundige hulpverlening in oorlogstijd.

Uit het geestelijk testament van de heilige Camillus

Kort vóór zijn dood, op 22 mei 1614, richtte de heilige Camillus een laatste brief aan de religieuzen van zijn orde. Daarin liet hij hun geen uitvoerige regels na, maar een vaderlijke aansporing om de liefde tot God, de gehoorzaamheid en vooral de zorg voor de zieken steeds voor ogen te houden. Deze woorden behoren tot zijn geestelijk testament.

Ik laat u geen andere erfenis na dan de heilige liefde tot God en de naaste, de getrouwe onderhouding van onze Regel en de bijzondere zorg voor de arme zieken, die onze kostbare schat zijn. Houdt onder elkaar de heilige eendracht en vrede in stand, opdat de Heer zijn zegen over de Congregatie blijve uitstorten.

Uit de testamentaire brief van de heilige Camillus van Lellis, 22 mei 1614.