Vandaag viert de Kerk volgens de traditionele Romeinse kalender het feest van de H. aartsengel Rafaël. In het Boek Tobias verschijnt hij als de reisgenoot van de jonge Tobias, die hij veilig op zijn weg begeleidt. Hij bevrijdt Sara van de boze geest en geneest de oude Tobias van zijn blindheid. Pas bij zijn afscheid maakt hij bekend dat hij een van de zeven engelen is die voor de Heer staan en de gebeden van de gelovigen aan God aanbieden. Zijn naam betekent God geneest. Rafaël wordt vanouds vereerd als hemelse geneesheer en bijzondere beschermer van reizigers en zieken. Zijn verering bestond reeds eeuwenlang in verschillende plaatselijke Kerken. In 1921 schreef paus Benedictus XV zijn feest op 24 oktober voor de gehele Romeinse Kerk voor.
Vrede zij u, wees niet bang. Want toen ik bij u was, was ik daar volgens de wil van God. Loof Hem en zing Hem lof. Het leek alsof ik met u at en dronk, maar ik gebruik onzichtbaar voedsel en drank die mensen niet kunnen zien. Nu is het tijd dat ik terugkeer naar Hem die mij gezonden heeft. Loof God en verkondig al Zijn wonderbare werken.(Tobias 12, 17–20)
Gebed tot de H. aartsengel RaphaëlO caelestis medice et comes fidelissime
O hemelse geneesheer en allertrouwste reisgezel, heilige Rafaël, gij die aan de oude Tobias het gezichtsvermogen hebt teruggegeven en de jonge Tobias op zijn gehele reis hebt geleid en ongedeerd bewaard, wees de geneesheer van mijn ziel en lichaam. Verdrijf de duisternis van mijn onwetendheid en sta mij voortdurend bij op de gevaarvolle pelgrimstocht van dit leven, totdat gij mij naar het hemelse vaderland hebt geleid, waar ik met u eeuwig het aanschijn van God mag aanschouwen. Amen.
24 oktober – H. Rafaël, aartsengel Feestdag: 24 oktober Klasse: IIIe klasse volgens het Missaal van 1962 Liturgische kleur: wit Naam: uit het Hebreeuws, God geneest Heilige Schrift: het Boek Tobias Patroon: reizigers, pelgrims, zieken en blinden Algemene Romeinse kalender: 1921, door paus Benedictus XV
Een van de zeven engelen
Rafaël maakt zich in het Boek Tobias bekend als een van de zeven engelen die voor de Heer staan. Van deze zeven worden in de canonieke Heilige Schrift slechts drie bij naam genoemd: Michaël, Gabriël en Rafaël.
De onbekende reisgenoot
Rafaël verschijnt aan de jonge Tobias in menselijke gedaante en noemt zich Azarias, zoon van Ananias. Gedurende de gehele reis weet Tobias niet dat zijn metgezel een engel is. Pas na hun behouden terugkeer onthult Rafaël zijn ware identiteit.
Een engel die niet eet
Bij zijn afscheid verklaart Rafaël dat hij slechts de schijn heeft gewekt met Tobias en zijn familie te eten en te drinken. Hij was immers geen mens, maar een hemelse geest die op Gods bevel een menselijke gedaante had aangenomen.
Het hondje van Tobias
Een opmerkelijk detail uit het Boek Tobias is het hondje dat de reizigers vergezelt. Bij hun thuiskomst loopt het dier vooruit en kwispelt het van vreugde, alsof het de blijde aankomst wil aankondigen. Daarom verschijnt het hondje ook op veel oude voorstellingen van Rafaël en Tobias.
De vis als herkenningsteken
Rafaël wordt gewoonlijk afgebeeld met de jonge Tobias, die een vis draagt. Het hart en de lever van deze vis werden gebruikt bij de bevrijding van Sara van de boze geest, terwijl de gal diende om de blindheid van de oude Tobias te genezen.
De engel van Bethesda
Het Evangelie van zijn feestdag verhaalt over de engel die het water van de vijver van Bethesda in beweging bracht, waarna een zieke genezen kon worden. Volgens een oude verklaring zou deze engel Rafaël zijn geweest. Het Evangelie noemt zijn naam echter niet.
Rafaël in de Litanie van alle Heiligen
In de traditionele Litanie van alle Heiligen wordt Rafaël onmiddellijk na Michaël en Gabriël aangeroepen. Zijn naam stond reeds in oude litanieën, lang voordat zijn feest voor de gehele Romeinse Kerk werd voorgeschreven.
De bijzondere bescherming van reizigers
Het oude Rituale Romanum bevat een zegening voor pelgrims die naar heilige plaatsen vertrekken. Daarin wordt de volgende antifoon gebeden: Moge de almachtige en barmhartige Heer u leiden op de weg van vrede en voorspoed. Moge de engel Rafaël u op uw tocht vergezellen, opdat gij in vrede, gezondheid en vreugde naar uw eigen huis moogt terugkeren.
Rafaël bij het huwelijk
Ook in oude kerkelijke huwelijkszegeningen komt Rafaël voor. Reeds in vroegmiddeleeuwse liturgische boeken wordt zijn zending bij het huwelijk van Tobias en Sara herdacht. In een Engelse huwelijkszegen uit de tiende eeuw wordt God gevraagd het bruidspaar te beschermen, zoals Hij Rafaël zond om het huwelijk van Tobias en Sara voor te bereiden.
De voorspraak van de engelen
Rafaël openbaart aan de oude Tobias dat hij diens gebeden voor de Heer heeft gebracht. Daarbij noemt hij uitdrukkelijk de werken van barmhartigheid van Tobias, vooral het begraven van de doden. Zo leert het Boek Tobias dat de engelen de gebeden van de gelovigen voor Gods aanschijn aanbieden.
Een oude kerk in Venetië
In Venetië bevindt zich een kerk die vanouds aan de H. Rafaël is toegewijd. Volgens de plaatselijke overlevering werd zij reeds in de zevende eeuw gesticht door de H. Magnus, bisschop van Oderzo, nadat Rafaël hem de plaats had aangewezen. De huidige kerk is grotendeels van latere datum.
Een feest voor de gehele Kerk
De verering van Rafaël en zijn eigen feest bestonden reeds eeuwenlang in verschillende bisdommen. Op 26 oktober 1921 bepaalde paus Benedictus XV dat zijn feest op 24 oktober voortaan voor de gehele Romeinse Kerk zou worden gevierd. In het traditionele missaal van 1962 heeft het de rang van een feest van de derde klasse.
Het Boek Tobias was een geliefd onderwerp in de christelijke kunst. God zond Rafaël om de oude Tobias van zijn blindheid te genezen en Sara te bevrijden. De jonge Tobias nam de engel als reisgenoot mee, zonder te weten wie zijn gids werkelijk was.
H. Rafaël, aartsengel
Rafaël begeleidt de jonge Tobias, die de vis bij zich draagt die hij bij de Tigris had gevangen. Ook het hondje is afgebeeld dat hen volgens het Boek Tobias op hun reis vergezelde. Pas bij het afscheid openbaarde Rafaël dat hij een van de zeven engelen voor Gods troon was.
Deze heilige aartsengel, die door de Almachtige naar Tobias werd gezonden, maakte zelf bekend wie hij was met de woorden: Ik ben de engel Rafaël, een van de zeven die voor de Heer staan. Verschillende schrijvers menen dat hij behoort tot de hemelse geesten van het eerste en hoogste koor, de serafijnen. Gewoonlijk wordt hij echter aartsengel genoemd, evenals de H. Michaël en de H. Gabriël. Wat wij over hem weten, is ontleend aan het Boek Tobias, waarvan de geschiedenis als volgt verloopt. Tobias, een van de Joden die in gevangenschap naar Nineve waren gevoerd, was een goede en trouwe dienaar van God. Toen hij oud en blind was geworden, herinnerde hij zich dat hij een geldbedrag had uitgeleend aan een familielid, Gabelus, die in de stad Rages in Medië woonde. Hij wilde zijn zoon, de jonge Tobias, daarheen sturen om het geld op te halen. Omdat hij hem niet alleen op reis wilde laten gaan, droeg hij hem op een reisgenoot te zoeken die hem veilig naar zijn bestemming en weer naar huis zou begeleiden. Nauwelijks was de jongeman de straten van Nineve ingegaan om iemand te zoeken, of hij zag een knappe jonge man, gekleed alsof hij op het punt stond op reis te gaan. Deze jongeman was, zoals later zou blijken, de H. Rafaël. Tobias vroeg hem wie hij was en of hij de weg naar Rages kende. Rafaël antwoordde dat hij de zoon was van de voorname Ananias, dat hij de weg naar Rages goed kende en dat hij bij Gabelus, een inwoner van die stad, had verbleven. Tobias was verheugd en vertelde het aan zijn ouders. Zij lieten de jongeman bij zich komen en vroegen of hij bereid was hun zoon tegen een behoorlijke vergoeding naar Rages en terug te begeleiden. Rafaël stemde toe en beloofde te doen wat zij verlangden. De twee jongemannen gingen vervolgens op reis. Na de eerste dagtocht rustte Tobias uit aan de oever van de rivier de Tigris. Toen hij zijn voeten in de rivier wilde wassen, kwam plotseling een enorme vis tevoorschijn die hem dreigde te verslinden. Tobias riep zijn metgezel om hulp. Rafaël zei hem dat hij de vis moedig moest vastgrijpen en aan land trekken. Tobias deed dit, waarna Rafaël hem opdroeg de vis open te snijden, de ingewanden eruit te halen en het hart, de lever en de gal te bewaren als geneesmiddelen. Zij vervolgden hun reis en vonden onderdak in het huis van Raguël, die tot dezelfde stam behoorde als Tobias en een enige dochter had, Sara genaamd. Rafaël raadde Tobias aan haar tot vrouw te nemen. Tobias aarzelde, omdat hij had gehoord dat Sara al met zeven mannen getrouwd was geweest, die allen door de duivel waren gedood. Rafaël zei echter: Luister naar mij en ik zal u zeggen over wie de duivel macht kan krijgen. Het zijn degenen die het huwelijk zo aangaan dat zij God uit hun hart en hun gedachten weren. Tobias volgde nauwkeurig de aanwijzingen van zijn heilige metgezel en bleef ongedeerd. Hoeveel kwaad zou mensen die op het punt staan te trouwen bespaard blijven, als zij tevoren geschikte onderrichtingen van hun priesters ontvingen en deze ook opvolgden. De priesters vervullen tegenover hen immers de taak van Rafaël, wanneer zij hun duidelijk maken hoe zij zich op waardige wijze op het heilige huwelijk moeten voorbereiden. Zij behoren hun hart door een goede algemene biecht te zuiveren en niet, zoals de heidenen, in het donker van de nacht te trouwen, maar tijdens de Heilige Mis, waarbij zij aan het altaar de zegen van de priester ontvangen. Na hun huwelijk behoren zij te leven overeenkomstig de verplichtingen van de huwelijkse staat, trouw aan de vermaning van de H. Paulus, elkaar te heiligen en ervoor te zorgen dat hun kinderen zonder uitstel door het doopsel kinderen van God worden. Hoezeer moeten de engelbewaarders van pasgeboren kinderen bedroefd zijn wanneer zij zien dat deze kinderen door de nalatigheid van hun ouders niet tijdig worden gedoopt en daardoor in de macht van de duivel, in de erfzonde en in gevaar van eeuwige verlorenheid blijven. Terwijl Tobias in het huis van Raguël verbleef, ging zijn hemelse metgezel naar Rages, waar hij het uitgeleende geld zonder moeilijkheden van Gabelus terugvroeg en ontving. Daarna keerde hij naar Raguël terug en na daar nog korte tijd te hebben verbleven, begeleidde hij Tobias op de terugreis naar Nineve. Anna, de moeder van Tobias, had intussen veel verdriet gehad over de lange afwezigheid van haar zoon. Iedere dag ging zij naar een hoge berg en keek in de verte of haar zoon al in aantocht was. Toen zij hem op de dag van zijn terugkeer van verre zag, snelde zij naar haar man om hem te vertellen dat hun zoon eraan kwam. Omdat Tobias blind was, liet hij zich door een bediende aan de hand leiden om zijn zoon tegemoet te gaan. Anna ging eveneens naar hem toe. Beiden vielen hem om de hals, kusten hem en huilden van vreugde. Toen zij allen weer thuis waren, aanbaden zij de Almachtige en dankten Hem voor de goede afloop van de reis. De jonge Tobias nam vervolgens wat van de gal van de vis en bestreek daarmee de ogen van zijn vader, zoals de engel Rafaël hem vóór hun thuiskomst had opgedragen. Onmiddellijk kreeg zijn blinde vader het gezichtsvermogen terug. Onbeschrijfelijk groot was de vreugde van de vader, de moeder, het hele huisgezin en de buren. Nadat zij God nederig voor deze nieuwe genade hadden gedankt, vertelde Tobias zijn ouders hoeveel weldaden hij van zijn reisgenoot had ontvangen. Hij heeft mij begeleid en veilig teruggebracht, zei hij. Hij heeft het geld van Gabelus ontvangen, ervoor gezorgd dat ik mijn vrouw kreeg, de boze geesten van haar verdreven en haar ouders verblijd. Hij heeft mij gered van de vis die mij dreigde te verslinden. Ook u, vader, heeft hij het licht van de hemel doen terugzien en door hem zijn wij met allerlei goederen overladen. Wat kunnen wij hem geven als passende beloning voor dit alles? Nog voordat zijn vader kon antwoorden, stelde Tobias voor om hun trouwe metgezel als beloning de helft te geven van alles wat zij hadden meegebracht. Zijn vader ging onmiddellijk met dit voorstel akkoord. Zij riepen de engel bij zich en verzochten hem beiden de helft van alles wat zij hadden meegebracht als vergoeding voor zijn diensten aan te nemen. Maar de engel sprak tot hen: Loof de God des hemels en verheerlijk Hem voor het aanschijn van alle levenden, omdat Hij u Zijn barmhartigheid heeft betoond. Het is goed het geheim van een koning te bewaren, maar het is eervol de werken van God bekend te maken en te verkondigen. Het gebed, gepaard met vasten en aalmoezen, is beter dan het verzamelen van schatten van goud. Want aalmoezen redden van de dood, reinigen van zonden en doen de mens barmhartigheid en het eeuwige leven vinden. Maar wie zonde en ongerechtigheid bedrijven, zijn vijanden van hun eigen ziel. Toen gij onder tranen badt, de doden begroef, uw maaltijd liet staan, overdag de doden in uw huis verborg en hen ’s nachts begroef, heb ik uw gebeden aan de Heer aangeboden. En omdat gij welgevallig waart aan God, was het noodzakelijk dat gij door beproevingen op de proef werd gesteld. Nu heeft de Heer mij gezonden om u te genezen en Sara, de vrouw van uw zoon, van de duivel te bevrijden. Want ik ben de engel Rafaël, een van de zeven die voor de Heer staan. Nadat de heilige aartsengel aldus had gesproken, zweeg hij. Tobias en zijn zoon werden door vrees bevangen en vielen bevend met hun gezicht ter aarde. Maar de engel stelde hen gerust met de woorden: Vrede zij u, vrees niet. Want toen ik bij u was, was dit volgens de wil van God. Loof Hem en zing Hem lof. Het is nu tijd dat ik terugkeer naar Hem die mij gezonden heeft. Maar loof God en verkondig al Zijn wonderbare werken. Nadat hij dit gezegd had, verdween hij uit hun gezicht. Zij bleven echter nog drie uur lang ter aarde liggen, deels uit vrees en deels uit verwondering over de grote goedheid van God, die een zo verheven vorst van de hemel had gezonden om hen te beschermen, te troosten en te helpen. Toen zij eindelijk hun ontzag hadden overwonnen, dankten zij God opnieuw en maakten overal de weldaden bekend die Hij hun had bewezen. De prachtige lofzang die Tobias bij deze gelegenheid heeft gemaakt, is in de Heilige Schrift te vinden. Uit deze gebeurtenis, die even waarachtig als wonderbaar is, leiden verschillende geschiedschrijvers, en niet zonder reden, af dat men de voorspraak van de H. Rafaël behoort in te roepen wanneer men door de duivel wordt gekweld of bekoord, wanneer men blind is of aan andere ziekten lijdt, of wanneer men op reis gaat. De naam Rafaël betekent geneesmiddel van God of geneesheer van God. Deze naam duidt erop dat deze heilige engel in het bijzonder bijstand verleent aan hen die naar ziel of lichaam ziek zijn. De ware Kerk leert degenen die op reis willen gaan te bidden: Moge de engel Rafaël ons op onze weg begeleiden! Hieruit mogen wij afleiden dat hij de bijzondere patroon is van allen die reizen. (Weninger)
Preek van de H. Bonaventura over de H. aartsengel Rafaël
In zijn preek over de heilige engelen behandelt de H. Bonaventura (1221–1274) eerst de negen engelenkoren en vervolgens hun diensten aan de mensen. In het gedeelte over de H. Rafaël verklaart hij diens zending als hemelse geneesheer.
De H. Rafaël wordt hier afgebeeld met reisstaf en vis. Volgens het Boek Tobias liet hij het hart en de lever van de vis bewaren om de boze geest van Sara te verdrijven, en de gal om de blindheid van de oude Tobias te genezen.
… De zalige engelen worden in de tweede plaats geprezen om hun verdienstelijke werken, wanneer de psalm zegt: Opdat zij u bewaren op al uw wegen.
Wat betekent dit? Wanneer ik naar de kerk ga, moet mijn engel mij toch zeker bewaren. Maar wanneer gij uitgaat om te roven of overspel te bedrijven, bewaart hij u dan ook? Het lijkt veeleer dat hij van u wegvlucht.
Wanneer de engelen ons bewaren en begeleiden, waarom worden er dan in de Heilige Schrift slechts drie engelen met name genoemd, namelijk Rafaël, Gabriël en Michaël? En waarom viert de Kerk alleen het feest van de H. Michaël en niet dat van Gabriël of Rafaël?
Om dit te begrijpen, moeten wij bedenken dat hier niet de lichamelijke wegen bedoeld worden, hoewel de engelen ons ook daarop bijstaan, maar de geestelijke wegen waarlangs wij tot God gaan.
Er zijn drie wegen om tot God te komen, waaraan niets kan worden toegevoegd. De eerste is de verwijdering van het kwaad, de tweede de voortgang in het goede en de derde de toenadering tot het hoogste Goed.
Op de eerste weg bevrijden de engelen ons, op de tweede leiden zij ons voort en op de derde brengen zij ons tot onze bestemming.
Ik zeg dus dat zij ons allereerst bevrijden. Zo hebben zij het volk Israël uit Egypte geleid, dat wil zeggen de gelovigen uit de zonde.
Voor zover zij ons bevrijden, zijn zij onze geneesheren. Voor zover zij ons verder leiden, zijn zij onze leermeesters. Voor zover zij ons tot onze bestemming brengen, zijn zij onze begeleiders naar de hemelse Bruidegom.
Daarom noemt de Heilige Schrift drie engelen: Rafaël, wiens naam geneesmiddel van God betekent, Gabriël, wiens naam kracht van God betekent en aan wie het toekomt ons te onderrichten en te leiden, en Michaël, wiens naam betekent wie is als God, die ons tot de Heer binnenleidt.
Wij moeten nu opmerken dat de bevrijding van het kwaad plaatsvindt door drie weldaden die Rafaël ons als geneesheer schenkt.
Want het kwaad van de zonde omvat drie dingen: de smet, de gevolgen en de belediging van God.
De smet brengt slavernij voort, de gevolgen veroorzaken de zwakheid van de ziel en de belediging brengt ons in strijd met God. Of liever gezegd: de smet veroorzaakt de zwakheid van de ziel, de gevolgen brengen de slavernij van de duivel voort en het derde blijft hetzelfde.
Rafaël, de geneesheer, bevrijdt ons dus allereerst van de zwakheid van de ziel door ons te brengen tot de bitterheid van het berouw.
Daarom sprak Rafaël in het Boek Tobias: Wanneer gij uw huis binnengaat, bestrijk dan zijn ogen met de gal.
Zo deed Tobias en zijn vader werd ziende.
Waarom kon Rafaël dit niet zelf doen? Omdat een engel het berouw niet schenkt, maar de weg ernaartoe aanwijst.
Onder de gal verstaan wij de bitterheid van het berouw, die de innerlijke ogen van de ziel geneest.
De psalm zegt: Hij geneest de gebrokenen van hart.
Dit is een voortreffelijke oogzalf.
In het tweede hoofdstuk van het Boek Rechters wordt verteld dat de engel opging naar de plaats der wenenden en tot het volk sprak: Ik heb u uit het land Egypte geleid en u zoveel en zulke grote weldaden bewezen.
En heel het volk begon te wenen, zodat die plaats de plaats der wenenden werd genoemd.
Dierbaarste broeders, de engelen spreken ons de gehele dag over de weldaden van God en brengen deze voortdurend in onze herinnering.
Wie heeft u geschapen? Wie heeft u verlost? Wat hebt gij gedaan? Wie hebt gij beledigd?
Wanneer gij dit aandachtig overweegt, zult gij geen ander geneesmiddel vinden dan de tranen.
Met deze gal heeft Petrus zijn ogen bestreken, namelijk met de bitterheid van het berouw, toen hij, zoals Lucas in het tweeëntwintigste hoofdstuk verhaalt, naar buiten ging en bitter weende.
Met deze gal waren ook de ogen van Maria Magdalena bestreken, die zeer bitter weende, en die van de zalige Franciscus, die zoveel weende dat hij het gezicht verloor.
Laten ook wij onze ogen met deze oogzalf bestrijken, opdat wij mogen zien.
Ten tweede bevrijdt Rafaël ons uit de slavernij van de duivel door ons aan te sporen het lijden van Christus in herinnering te houden.
Als voorafbeelding hiervan wordt in het zesde hoofdstuk van Tobias gezegd: Wanneer gij een deel van zijn hart op gloeiende kolen legt, zal de rook ervan alle soorten duivelen verdrijven.
In het achtste hoofdstuk van Tobias wordt verteld dat Tobias een deel van het hart op de kolen legde en dat Rafaël de duivel vastbond in de woestijn van Opper-Egypte.
Wat betekent dit?
Kon Rafaël de duivel dan niet vastbinden zonder dat het hart op de kolen werd gelegd? Gaf het hart van een vis de engel soms zo grote macht?
Geenszins. Het zou niets hebben kunnen uitrichten indien hierin geen verborgenheid besloten lag.
Hierdoor wordt ons namelijk te verstaan gegeven dat niets ons zozeer uit de slavernij van de duivel bevrijdt als het lijden van Christus, dat voortkomt uit de wortel van Zijn Hart, dat wil zeggen uit Zijn liefde.
Want het hart is de bron van de warmte van het gehele leven.
Wanneer gij dus het Hart van Christus, dat wil zeggen Zijn lijden, dat voortkomt uit de wortel van de liefde en uit de bron van haar gloed, op de kolen legt, dat wil zeggen in een vurige herinnering bewaart, dan zal de duivel terstond worden gebonden, zodat hij u geen kwaad kan doen.
Daarom staat in het twaalfde hoofdstuk van Exodus geschreven dat de Joden het bloed van het lam moesten strijken aan de bovendorpel en aan beide deurposten.
Daarin lag een voorafbeelding van het Kruis. Wanneer de verderfengelen dit zagen, durfden zij daar niet binnen te treden.
Christus had de duivelen zeker ook zonder bloed kunnen verdrijven, maar Hij had besloten ons door Zijn lijden en Zijn bloed te verlossen.
Want door de staf van Christus worden de duivelen verdreven. Zo staat bij Jesaja, in het dertigste hoofdstuk: Voor Zijn stem zal Assur sidderen, wanneer hij met de staf wordt geslagen.
Hiervan vinden wij een voorbeeld in het leven van de H. Edmund, of van Hamo van Pontigny.
Hij was zeer gewoon aan het gebed en placht iedere dag het lijden des Heren met godsvrucht in zijn herinnering te brengen.
Nu gebeurde het op zekere dag dat hij dit naliet en vergat.
Toen hij die nacht op zijn bed lag, kwam de duivel tot hem en drukte hem zo zwaar neer dat hij zich niet kon bewegen en zelfs geen kruisteken kon maken.
Ten slotte begon hij met godsvrucht aan het lijden van Christus te denken. Onmiddellijk werd de duivel onderworpen, zodat hij hem onder de voet kon treden.
Toen sprak de heilige tot hem: Ik bezweer u bij de besprenkeling met het bloed van onze Heer Jezus Christus, dat gij mij zegt waardoor gij het gemakkelijkst verdreven en overwonnen kunt worden, wanneer gij tot mij of tot een ander komt.
De duivel antwoordde: Door niets kan ik gemakkelijker verdreven of overwonnen worden dan door datgene waardoor gij mij overwonnen hebt: de godvruchtige herinnering aan het lijden van Christus.
Ook de zalige Franciscus hield het lijden van Christus voortdurend zo levendig in zijn herinnering, dat het hem toescheen alsof hij de Gekruisigde zelf voor ogen zag.
Ten derde bevrijdt Rafaël ons uit de toestand van vijandschap met God, waarin wij door de belediging van God zijn geraakt. Dit doet hij door ons aan te sporen tot aanhoudend gebed.
Daarop hebben de woorden betrekking die de engel Rafaël in het twaalfde hoofdstuk van Tobias sprak: Toen gij met tranen badt, heb ik uw gebed aan de Heer opgedragen.
Want de engelen verzoenen ons met God, voor zover dit in hun vermogen ligt.
Onze aanklagers voor God zijn de duivelen. De engelen daarentegen treden voor ons op wanneer zij onze gebeden aanbieden, tot het godvruchtig verrichten waarvan zij ons aansporen.
In het achtste hoofdstuk van de Openbaring staat: De rook van de wierook steeg uit de hand van de engel op voor het aanschijn van de Heer.
Deze welriekende wierook is het gebed van de heiligen.
Wilt gij God verzoenen, die gij beledigd hebt? Bid dan met godsvrucht.
De engelen dragen uw gebed aan God op, opdat Hij u met Zich verzoene.
In het Evangelie volgens Lucas lezen wij dat Christus, toen Hij in doodsangst verkeerde, des te vuriger bad en dat een engel des Heren aan Hem verscheen om Hem te versterken.
Dit alles is omwille van ons geschied, want Christus had de versterking door de engel niet nodig.
Het gebeurde opdat ons zou worden getoond dat de engelen gaarne hen bijstaan die met godsvrucht bidden, dat zij hen gaarne helpen en versterken en hun gebeden aan God opdragen.
Laten wij daarom God bidden dat wij door de voorspraak van de engelen zozeer over onze zonden mogen wenen en berouw hebben, zozeer het lijden des Heren in onze herinnering mogen bewaren en zo volhardend aan het gebed mogen vasthouden, dat wij voor eeuwig met onze Schepper verzoend mogen worden.
Moge Christus ons dit verlenen. Amen.