H. Ignatius van Loyola

31 juli – H. Ignatius van Loyola, belijder † 1556

31 juli – De heilige Ignatius werd geboren te Loyola in Spanje. Na tijdens de verdediging van Pamplona zwaar gewond te zijn geraakt, werd hij door het lezen van de levens van Christus en de heiligen tot een geheel nieuw leven bewogen. Te Manresa legde hij de grondslag voor zijn Geestelijke Oefeningen. Later stichtte hij te Parijs met enkele gezellen de Sociëteit van Jezus, die door paus Paulus III werd goedgekeurd. Brandend van ijver voor de meerdere eer van God, Ad majorem Dei gloriam, en voor het heil der zielen, werd hij een van de voornaamste werktuigen waarvan de goddelijke Voorzienigheid zich bediende tot hervorming van het katholieke leven en ter verdediging van het geloof tegen de dwalingen van Luther en Calvijn. Door zijn leerlingen verbreidde hij het katholieke geloof in vele landen. Hij ontsliep te Rome op 31 juli 1556 en werd door paus Gregorius XV onder de heiligen opgenomen.

De heilige Ignatius van Loyola

Gebed tot de heilige Ignatius van Loyola

Heilige Ignatius, die Jezus Christus onze Koning zozeer hebt liefgehad en voor Hem zo krachtig hebt gestreden, leer ons onszelf te overwinnen; opdat wij onder uw leiding over wereld en duivel triomferen, kunnen arbeiden voor de heiliging der zielen, en naar ons beste vermogen de Kerk in haar strijd kunnen bijstaan, tot meerdere eer van God. Amen.

Het leven van de heilige Ignatius


Pater Franz Xaver Weninger behandelt het leven van de heilige Ignatius van Loyola in zijn Lives of the Saints uitzonderlijk uitvoerig:

Jeugd en krijgsdienst

De heilige Ignatius, de roemrijke stichter van de Sociëteit van Jezus en de onvermoeide arbeider voor de meerdere eer van God en het heil der zielen, werd geboren uit adellijke ouders in Biskaje, een provincie van Spanje, op het kasteel Loyola, waaraan hij zijn naam ontleende. Hij werd geboren in 1491, in dezelfde eeuw waarin Martin Luther, de welbekende ketter, ter wereld kwam, die samen met Calvijn, geboren in 1506, de Katholieke Kerk vervolgde en haar trachtte te vernietigen. God, Die volgens een pauselijke verklaring steeds waakt over Zijn heilige Kerk, wilde aan deze twee nieuwe ketters Ignatius tegenoverstellen, opdat door hem en door de door hem gestichte Sociëteit hun dwalingen grondig zouden worden weerlegd en het katholieke geloof krachtige verdedigers zou ontvangen, gelijk Hij vroeger Arius door de heilige Athanasius, Nestorius door de heilige Cyrillus, Pelagius door de heilige Augustinus en andere ketters door andere apostolische mannen had bestreden. Ignatius, door God uitverkoren voor een zo belangrijke taak, was begiftigd met grote natuurlijke gaven. Hij bezat een ruim verstand en gaf reeds vroeg blijk van buitengewone bekwaamheden en schranderheid, gepaard met een ongebruikelijke wijsheid en zielenkracht. Al zijn verlangens waren verheven, en niets wat laag of onedel was kon hem aantrekken. Toen zijn ouders zijn talenten opmerkten, zonden zij hem, nadat hij zorgvuldig in het katholieke geloof was onderwezen, naar het hof van koning Ferdinand van Castilië. Daar werd hij met de pages opgevoed en onderwezen in alles wat men voor zijn stand passend achtte. Toen hij volwassen was geworden, trad hij in het leger, hopende zich door zijn dapperheid een grote naam te verwerven.

De verwonding bij Pamplona

In 1521 bood zich een gelegenheid aan om zijn moed te bewijzen. De koning had hem belast met de verdediging van de stad Pamplona, die door de Fransen werd belegerd. Ignatius handelde met alle voorzichtigheid en beleid van een oud en ervaren krijgsman. Maar de goddelijke Voorzienigheid beschikte anders. De muur waarop Ignatius stond, terwijl hij de vesting heldhaftig verdedigde, werd door een kanonskogel getroffen. Een steenbrok verwondde een van zijn benen zwaar, terwijl de terugstuitende kogel tevens zijn voet zo ernstig kneusde, dat hij bewusteloos ter aarde zonk. Weldra waren de Fransen meester van de vesting, maar zij behandelden hun moedige gevangene met de grootste vriendelijkheid en lieten hem enkele dagen later op een draagbaar naar het kasteel van Loyola overbrengen. Daar werd Ignatius zo ernstig ziek, dat men het noodzakelijk achtte hem de laatste sacramenten toe te dienen. De draad waaraan zijn leven hing, was zo dun dat de geneesheren allen van oordeel waren dat er geen hoop meer voor hem bestond, indien zijn toestand vóór middernacht geen verandering onderging. De Allerhoogste wilde Ignatius echter nog niet uit dit leven wegnemen. Hij had hem slechts in deze toestand gebracht om hem afkeer van de wereld te doen krijgen en hem zo tot een heiliger strijd te voeren. Daarom zond God op de vooravond van het feest van de heilige Apostelen Petrus en Paulus de Vorst der Apostelen, tot wie Ignatius van zijn vroegste jeugd af een bijzondere godsvrucht had gekoesterd, om hem zijn gezondheid terug te geven. Terwijl Ignatius sliep, verscheen de heilige Petrus aan hem, zag hem liefdevol aan en raakte zijn wonden aan. Onmiddellijk nam hij alle pijn van hem weg en redde hem aldus uit levensgevaar.

Zijn bekering

Niettemin was het Gods wil dat Ignatius nog geruime tijd het bed zou houden om zijn krachten te herwinnen. Om de tijd door te brengen, vroeg hij om iets te lezen. Maar door een bijzondere beschikking van de goddelijke Voorzienigheid waren de ridderromans waarnaar hij verlangde nergens te vinden. In plaats daarvan bracht men hem twee stichtelijke boeken: het ene bevatte het Leven van Christus, het andere de Levens der Heiligen. Ignatius voelde aanvankelijk weinig neiging om ze te lezen en nam ze slechts bij gebrek aan iets anders ter hand. Eerst bladerde hij er slechts wat in, maar weldra werd hij door Gods genade er zo diep door geboeid dat hij, terwijl hij nadacht over de daden van Christus en van de heiligen, berouw kreeg over zijn vroegere ijdele leven en zich vast voornam voortaan hun voetstappen te volgen en God alleen te dienen. Gedurende de nacht stond hij op, wierp zich neer voor een afbeelding van de Allerzaligste Maagd en smeekte haar hem de genade te verlenen in haar dienst en in die van haar geliefde Zoon te mogen worden aangenomen en daarin te mogen volharden tot het einde van zijn leven. Nauwelijks had hij zijn gebed beëindigd, of plotseling werd een vreselijk geraas gehoord. Het huis schudde alsof het door een aardbeving werd getroffen en de vensters sprongen aan stukken. De heilige Ignatius beschouwde dit als een teken dat zijn gebed was verhoord en werd daardoor meer met vreugde dan met vrees vervuld. Hierop trachtte de Boze hem door duizend voorstellingen en angsten ertoe te brengen zijn voornemen op te geven en bestookte hem met de gevaarlijkste verzoekingen. Maar Ignatius zocht opnieuw zijn toevlucht bij de goddelijke Moeder en sprak haar aan met de woorden van de heilige Kerk: Toon U een Moeder. De goddelijke Moeder verscheen hem met haar hemels Kind. Zij bemoedigde hem om standvastig te volharden en verzekerde hem van haar bijstand. Na dit troostrijke visioen hielden al zijn verzoekingen op en werden al zijn gedachten gericht op de inrichting van zijn nieuwe leven.

De heilige Ignatius draagt zijn wapens op aan Onze-Lieve-Vrouw van Montserrat
De heilige Ignatius draagt zijn zwaard op aan Onze-Lieve-Vrouw van Montserrat als teken van zijn bekering. Cristóbal de Villalpando, ca. 1690.

Montserrat en Manresa

Zodra hij voldoende hersteld was, verliet hij onder een voorwendsel het huis van zijn vader en begaf zich naar Montserrat, waar een wonderdadig beeld van de Allerzaligste Maagd grote scharen pelgrims aantrok. Daar legde hij onder een vloed van tranen een algemene biecht af en ontving, met de grootste godsvrucht, het Allerheiligst Sacrament. Daarna schonk hij zijn paard aan het klooster en hing hij zijn zwaard bij het altaar van de Allerzaligste Maagd, als teken dat hij voortaan niet langer de wereld, maar alleen God zou dienen. Nadat hij zijn kostbare kleding aan een bedelaar had geschonken, kleedde hij zich als een arme pelgrim en bleef hij, als een pas aangeworven soldaat van de hoogste aller veldheren, de gehele nacht vóór het altaar van de Moeder van Barmhartigheid in vurig gebed doorbrengen. De volgende dag, het feest van de Aankondiging van Onze Lieve Vrouw, vertrok hij reeds vroeg en begaf zich naar Manresa, dat drie mijl van Montserrat ligt. Daar ging hij naar het ziekenhuis en verzorgde de zieken met de grootste liefde en toewijding. Zodra hij echter bemerkte dat men hem om zijn naastenliefde en andere vrome werken begon te waarderen, vertrok hij in het geheim en trok zich terug in een berggrot, vijf- of zeshonderd passen verderop, waar hij een uiterst streng en boetvaardig leven leidde.

Boeteleven te Manresa

Dagelijks bracht hij zeven uren geknield door in gebed en tranen om zijn zonden. Hij vastte voortdurend, behalve op de zondagen, wanneer hij zich voedde met het Brood der engelen. Water en het brood dat hij als aalmoes ontving, vormden zijn enige voedsel. Steeds droeg hij een haren boetekleed, dat met kleine kettingen om zijn lendenen was vastgemaakt. Driemaal per dag kastijdde hij zich met de gesel, dikwijls totdat het bloed vloeide. De naakte aarde was zijn bed en hij gunde zich nooit meer dan enkele uren rust. De overige uren van de nacht bracht hij door in overweging van de dood en van het lijden van Christus. Door deze langdurige gestrengheid werd zijn lichaam zo uitgeteerd en verzwakt dat men hem meer dan eens, op de weg naar Manresa, waarheen hij gewoon was te gaan om de heilige Mis bij te wonen, bijna levenloos aantrof. Enige vrienden raadden hem aan niet zo streng voor zichzelf te zijn, maar hij antwoordde: O, laat mij dit geringe lijden verdragen om mijn zaligheid veilig te stellen. Ook de satan trachtte hem van zijn gestrenge levenswijze af te brengen. Toen hij daarin niet slaagde, nam hij, met toelating van de Almachtige, de gedaante aan van een deugdzaam man en sprak tot de heilige boeteling dat het onmogelijk was zulke buitengewone verstervingen lang vol te houden en dat hij ze daarom enigszins moest matigen. Ongelukkige, zei hij, gij kunt nog wel zeventig jaar leven; hebt gij dan de moed om al die tijd in zulk een boetvaardigheid en gestrengheid door te brengen? Ignatius antwoordde: Kunt gij mij één enkele dag beloven van die vele jaren waarover gij spreekt? Met deze woorden bracht hij de geest der leugen te schande en dreef hem weg. God liet deze heilige boeteling bovendien gekweld worden door de hevigste gewetensangsten. Om deze te overwinnen nam hij zich voor zich geheel van eten en drinken te onthouden totdat hij ervan bevrijd zou zijn, omdat hij had gelezen dat een zekere heilige in een soortgelijk geval ditzelfde middel had aangewend. Zeven dagen bracht hij door zonder enige spijs of drank tot zich te nemen; maar zijn biechtvader, toen hij daarvan hoorde, beval hem weer zijn gewone voedsel te gebruiken. Ignatius gehoorzaamde, en van dat ogenblik af werd hij niet alleen van zijn gewetensangsten bevrijd, maar ontving hij bovendien van God een bijzondere gave om ook anderen daarvan te verlossen.

De Geestelijke Oefeningen en het Heilig Land

Nog vele andere bijzondere genaden schonk de Almachtige aan Ignatius gedurende het eerste jaar van zijn bekering, maar de ruimte laat ons niet toe deze alle te verhalen. Eén zaak mogen wij echter niet onvermeld laten. Tijdens zijn boetejaar te Manresa schreef Ignatius dat wonderbare boek der Geestelijke Oefeningen, dat door de meest geleerde en heiligste mannen is aanbevolen als de door de hemel zelf gewezen weg tot bekering, geestelijke volmaaktheid en heiligheid. De Apostolische Stoel heeft dit werk geprezen en bekrachtigd, en de geestelijke vruchten die eruit zijn voortgekomen en tot op de huidige dag daaruit voortkomen, zijn onuitsprekelijk groot. Aangezien vaststaat dat Ignatius, toen hij dit boek schreef, nog geen wetenschappelijke vorming bezat, moet men besluiten dat hij door God werd geïnspireerd om deze onderrichtingen te geven, waardoor hijzelf en later de zonen van zijn Orde op zovele plaatsen en in zovele zielen ware wonderen van bekering hebben bewerkt.

De heilige Ignatius schrijft de Geestelijke Oefeningen in de grot van Manresa
De heilige Ignatius schrijft de Geestelijke Oefeningen in de grot van Manresa.
(Schilderij van Gaston Hoffmann, 19e eeuw.)

Gedurende dit jaar van boetedoening werd het hart van Ignatius vervuld van een vurig verlangen het Heilig Land te bezoeken, niet alleen om de plaatsen te zien die door de tegenwoordigheid van onze Zaligmaker waren geheiligd, maar ook in de hoop de Mohammedanen tot bekering te brengen en zijn leven voor het ware geloof te geven in dat land waar onze beminde Verlosser het Zijne voor ons heil had gegeven. Deze reis ondernam hij in de grootste armoede en met diepe godsvrucht, terwijl hij de heilige plaatsen bezocht met een waarlijk vurige geest van eerbied en devotie.

Studie en vervolging

Omdat echter de geestelijken die daar verbleven hem afraadden er langdurig te blijven, en Ignatius zelf inzag dat hij, om het doel van zijn leven, namelijk de zaligheid der zielen te bevorderen, te kunnen bereiken, eerst wetenschap moest verwerven, keerde hij naar Europa terug. Te Barcelona begon hij, op drieëndertigjarige leeftijd, met jongens op de openbare school de eerste beginselen van de Latijnse grammatica te leren. Hij zette zijn studies op verschillende plaatsen voort en voltooide deze te Parijs, waar hij de graad van doctor in de godgeleerdheid behaalde. De beproevingen, gevaren, vervolgingen, vernederingen, beledigingen en laster die hij zowel op zijn reizen als gedurende zijn studiejaren moest verduren, zouden te uitvoerig zijn om hier te verhalen. Op zijn terugreis uit het Heilig Land werd hij door de Spanjaarden, die met Frankrijk in oorlog waren, gevangengenomen. Eerst hield men hem voor een spion en daarna voor een dwaas, zodat hij op de schandelijkste wijze werd behandeld. Met enkele woorden had hij zich tegen deze beledigingen kunnen verdedigen, maar hij zweeg en verdroeg alles geduldig uit liefde tot Christus, Die hem juist toen was verschenen. Op verschillende plaatsen waar hij studeerde of waardoor hij reisde, werd hij op bevel van de overheid gevangengenomen en in de kerker geworpen, zoals te Alcalá, Salamanca en Venetië. De enige oorzaak van deze wrede behandeling was dat de heilige man overal waar hij kwam bezorgd was voor het heil van anderen en velen bekeerde door zijn godvruchtige gesprekken, zijn uitleg van de christelijke leer en zijn Geestelijke Oefeningen. Velen wist hij ertoe te bewegen de wereld te verlaten, anderen bracht hij tot een stil en waarachtig christelijk leven. Daarom verdacht men hem ervan onder de schijn van godsvrucht valse leerstellingen te verspreiden en de mensen te misleiden. Maar telkens wanneer hij werd onderzocht, bleek hij onschuldig te zijn en werd hij zelfs aangespoord zijn ijver voort te zetten.

Vervolging en apostolische ijver

Te Parijs, waar hij vele jongemannen uit een ledig en zondig leven tot een beter en nuttiger bestaan had teruggebracht, werd besloten hem als een verderver van de jeugd in het openbaar te geselen. Toen echter de bestuurder van de school zijn onschuld had erkend, vroeg hij de heilige openlijk en op zijn knieën om vergeving en prees hij in de hoogste bewoordingen zijn ijver om de zielen op de weg van het heil te leiden. Over God en de hemelse dingen spreken was voor Ignatius als een tweede natuur geworden, zodat degenen die zijn naam niet kenden hem de man van het geestelijk gesprek of de man die voortdurend naar de hemel opzag noemden. Hij hervormde een klooster nabij Barcelona, waarvan de bewoonsters in een zeer slechte naam stonden. Dit wekte de wraak op van enkele personen die op zijn aandringen uit het klooster waren verwijderd. Op een dag legden zij een hinderlaag voor hem, sloegen hem op de wreedste wijze en dreigden hem nog erger te behandelen indien hij niet ophield in het klooster te prediken. Ignatius liet zich hierdoor echter in het geheel niet afschrikken. Daarop huurden zijn vijanden twee schurken om hem te doden. Zij vielen hem aan en mishandelden hem op de meest barbaarse wijze, terwijl de heilige, met de ogen ten hemel opgeheven, God bad hun vergiffenis te schenken. Zij lieten hem in zijn bloed liggen, in de veronderstelling dat hij gestorven was. Hij herstelde echter, en nauwelijks waren zijn wonden genezen, of hij ging opnieuw naar het klooster om de religieuzen te versterken in de volharding in de deugd. Toen iemand hem wegens het gevaar daarvan trachtte af te houden, antwoordde hij: Wat kan mij aangenamer zijn dan te sterven uit liefde tot Christus en mijn naaste?

De eerste gezellen

Niet tevreden met zijn persoonlijke arbeid voor het heil der zielen, besloot hij mannen te zoeken die zich met al hun krachten bij hem zouden aansluiten om voor hetzelfde doel te werken. Het gelukte hem negen studenten van de Universiteit van Parijs aan zich te verbinden, allen mannen van grote geleerdheid en uitmuntende begaafdheid. Onder hen bevond zich Franciscus Xaverius, die later zo beroemd zou worden als de Apostel van Indië. Door middel van zijn Geestelijke Oefeningen bracht Ignatius hen allen tot deugd en heiligheid en bezielde hij hen met het vurige verlangen zich geheel toe te wijden aan het heil der zielen en aan de eer van God.

De gelofte op Montmartre

In 1534, op het feest van Maria Tenhemelopneming, begaven Ignatius en zijn metgezellen zich naar een kapel, toegewijd aan de Allerzaligste Maagd, op Montmartre, nabij Parijs. Nadat zij de heilige Communie hadden ontvangen, legden zij allen de gelofte af de wereld te verzaken en naar Jeruzalem te trekken om de heidenen te bekeren. Indien zij echter, na een jaar te hebben gewacht, Palestina niet konden bereiken, beloofden zij naar Rome te gaan, zich aan de voeten van de Heilige Vader neer te werpen en hem hun diensten aan te bieden voor al hetgeen hij het meest bevorderlijk zou achten voor het heil der zielen.

Het visioen van La Storta

Wegens de oorlog tussen de Turken en de Venetianen konden zij hun bedevaart naar Palestina niet volbrengen. Daarom gingen zij, overeenkomstig hun gelofte, naar Rome. Toen Ignatius en de twee metgezellen die zich bij hem bevonden de plaats La Storta, nabij Rome, hadden bereikt, ging de heilige een kapel binnen om te bidden. Zijn gebed was zo vurig dat hij in extase de hemelse Vader zag en naast Hem Zijn Zoon, Die het kruis droeg. Hij hoorde hoe de hemelse Vader hem met liefdevolle woorden aan Zijn Zoon aanbeval en hem met zijn metgezellen onder Diens bescherming stelde. De goddelijke Zoon toonde Zich welgevallig over dit bevel van de Vader en sprak, zich tot Ignatius wendend: Ik zal u te Rome gunstig gezind zijn. Daarna eindigde het visioen, maar de innerlijke troost die Ignatius en zijn metgezellen, aan wie hij het vertelde, daaruit ontvingen, week niet meer uit hun harten.

De Sociëteit van Jezus

Zodra Ignatius in Rome was aangekomen, wierp hij zich aan de voeten van de Heilige Vader neer en bood de diensten van zichzelf en zijn metgezellen aan voor zulk geestelijk werk als de paus hun ook, waar ter wereld ook, zou willen opdragen. De paus ontving hen met vreugde en, nadat hij voldoende bewijzen van hun deugd en geleerdheid had ontvangen, zond hij sommigen van hen naar de plaatsen waar zij naar zijn oordeel het meeste goed konden doen. Ignatius bleef met de overigen te Rome. Aanvankelijk onderwees hij jong en oud in de christelijke leer; later begon hij te prediken tot hervorming van de zeden en spoorde hij de gelovigen aan vaker de heilige Sacramenten te ontvangen. Het kan niet worden ontkend dat het onderricht van de kinderen in de christelijke leer en ook de veelvuldige ontvangst van de allerheiligste Eucharistie, die in die tijd sterk waren verwaarloosd, door de heilige Ignatius en zijn metgezellen opnieuw tot bloei werden gebracht, of althans aanzienlijk werden bevorderd. Om deze hervorming en deze weldaden ook voor de toekomst te bewaren en nog verder uit te breiden, besloot de heilige Ignatius een nieuwe Orde te stichten, waarvan de leden zich zouden wijden aan het geestelijk welzijn van de mensen. Hij maakte zijn voornemen aan de paus bekend en stelde, met diens toestemming, een aantal regels op, die hij ter goedkeuring aan Zijne Heiligheid voorlegde. Na vele moeilijkheden werden de heilige verlangens van Ignatius eindelijk vervuld en zo werd een nieuwe Orde gesticht, onder de naam van de Sociëteit van Jezus, die in het jaar 1540 voor het eerst door paus Paulus III werd goedgekeurd, vervolgens door verscheidene andere pausen werd bekrachtigd en ook door het Concilie van Trente werd bevestigd. Deze Orde verlangt van haar leden, naast de gewone drie geloften van altijddurende armoede, kuisheid en gehoorzaamheid, ook de gelofte zich aan de opvoeding en onderrichting van de jeugd te wijden. Van de geprofeste leden wordt bovendien een bijzondere gelofte van gehoorzaamheid aan de paus geëist, waardoor zij verplicht zijn, zelfs zonder geld, te gaan waarheen de paus hen ook zendt om voor het heil der zielen te arbeiden. Ignatius werd door de leden van de nieuwe Orde tot generaal gekozen, maar hij aanvaardde dit ambt eerst nadat zijn biechtvader hem daartoe had bevolen, nadat hij het lange tijd in het gebed aan God had voorgelegd. Hij vervulde zijn ambt met bewonderenswaardige wijsheid en zielenkracht en tot onmetelijk nut van de gehele christenheid, tot aan zijn dood. Hoewel hij te Rome bleef, zond hij zijn leerlingen uit naar andere steden en landen, nadat hij hen zorgvuldig had onderwezen in alles wat betrekking had op het heil der zielen en op de wijze waarop zij de mensen tot God moesten leiden. Bovenal hield hij hun de volkomen zelfverloochening voor, naar het voorbeeld van Christus, Die gezegd heeft: Wie Mij wil volgen, verloochene zichzelf. Daarom sprak hij dikwijls deze gewichtige woorden: Overwin uzelf. Toen men de heilige Franciscus Xaverius, die zich vaak van deze uitdrukking bediende, vroeg waarom hij dit deed, antwoordde hij: Omdat ik het van onze vader Ignatius heb geleerd. Voorts trachtte Ignatius zijn leerlingen te brengen tot de beoefening van de ware deugd, vooral tot een vurige liefde tot God en tot de naaste. Daarin was hij, evenals in alle andere deugden, voor hen allen een schitterend voorbeeld. Volgens het getuigenis van de Apostolische Stoel had hij de volmaaktste heerschappij over zijn neigingen verkregen.
Hij leerde de leden van de Orde ook een bijzondere zorg te dragen voor de reinheid en schoonheid van het huis Gods, voor de bekering van ketters en heidenen, voor de bevordering van de deugd onder de katholieken, voor het onderrichten van onwetenden, vooral van kinderen in de geheimen van het geloof, voor het veelvuldig ontvangen van de heilige Sacramenten, voor de vermeerdering van de verering van de Allerzaligste Maagd en, kortom, voor alles wat de eer van God en het heil der zielen kon bevorderen. De leden van de Orde gehoorzaamden zijn aanwijzingen getrouw. De faam van het grote goed dat deze heilige mannen verrichtten, bracht vele koningen en vorsten ertoe hen in hun landen uit te nodigen. Onder hen was koning Johannes III van Portugal de eerste. Door zijn gezanten te Rome verzocht hij om zeven paters van de Sociëteit van Jezus. Toen Ignatius dit verzoek hoorde, slaakte hij een diepe zucht en zei: Wanneer de koning zeven van mijn broeders verlangt, hoeveel zullen er dan voor de andere landen overblijven? Deze woorden tonen hoe vurig zijn ijver en zijn verlangen waren. Toen het aantal van zijn religieuzen toen nog gering was en hij bovendien niemand wilde uitzenden die niet grondig in wetenschap en deugd was gevormd, zond hij, in plaats van zeven, slechts twee; maar die twee verrichtten meer dan men van zeven had mogen verwachten. Het waren Simon Rodrigues en Franciscus Xaverius, van wie de laatste, doordat hij vele duizenden heidenen tot het geloof bekeerde en talrijke wonderen verrichtte, in de gehele christenheid bekend en vereerd is. Het goede dat door de heilige arbeid van deze beide mannen werd verricht, bracht de koning ertoe het eerste college van de Sociëteit van Jezus te stichten te Goa, de hoofdstad van Indië, en kort daarna een tweede te Coimbra in Portugal, dat in de loop der tijd vele plaatsen van apostolische arbeiders voorzag. Terwijl de leerlingen van de heilige Ignatius aldus onvermoeid arbeidden om zielen voor de hemel te winnen in Portugal, Indië en andere landen, zette de heilige vader degenen die bij hem in Rome waren gebleven even vruchtbaar aan het werk. Alles wat hij zijn metgezellen had geleerd over de versiering van het huis Gods, de bekering van ketters en het onderricht van de katholieken, zoals hierboven verhaald, bracht hij ook zelf in Rome in praktijk, zonder dat zijn ijver ooit verminderde. De wereld scheen hem te klein, zei paus Gregorius XV. Geen arbeid en geen gevaar kon hem afschrikken wanneer het heil van ook maar één enkele ziel op het spel stond. Al moest ik op één dag duizendmaal sterven, zei hij eens, ik zou het gaarne doen om één enkele ziel te redden. Op een andere keer hoorde men hem zeggen dat, indien hij mocht kiezen tussen onmiddellijk te sterven met de zekerheid van zijn zaligheid, of zonder die zekerheid te blijven leven maar nog de gelegenheid te hebben één ziel voor de hemel te winnen, hij liever op aarde zou blijven om die ene ziel te redden dan terstond te sterven en naar de hemel te gaan. Deze woorden tonen de liefde van de heilige Ignatius voor zijn naaste en zijn vurige ijver voor het geestelijk welzijn van de mensen. Niet minder bleek dit uit zijn werken. Waarlijk, men kan zeggen dat er geen mens was, van welke afkomst of stand ook, voor wiens heil hij zich niet persoonlijk of door de leden van zijn Orde heeft ingezet.

Zijn werken van naastenliefde en geloofsverdediging

Met de grootste liefde en zorg onderwees hij, zelfs toen hij generaal van de Orde was, de kinderen in de christelijke leer, en hij verplichtte al zijn religieuzen hetzelfde te doen. Op verschillende plaatsen stichtte hij openbare scholen waar de jeugd kosteloos in deugd en wetenschap werd onderwezen. Mensen van alle leeftijden en standen werden door zijn godvruchtige gesprekken en vooral door zijn Geestelijke Oefeningen aangespoord tot grotere ijver in de dienst van God en niet alleen tot berouw over hun zonden gebracht, maar ook tot de beoefening van de hoogste deugd. Voor het welzijn van wezen en van kinderen die door hun ouders waren verlaten, stichtte hij te Rome twee huizen waar zij werden verzorgd en onderwezen totdat zij in hun eigen onderhoud konden voorzien. Voor ongehuwde vrouwen die wegens hun armoede gevaar liepen tot zonde te vervallen, stichtte hij het Sint-Catharinagesticht, waar zij een onderkomen vonden totdat zij óf in een klooster traden óf van een bruidsschat waren voorzien. Een ander huis werd gesticht voor vrouwen die bereid waren hun zondig leven vaarwel te zeggen en boete te doen. Daar werden zij onderhouden en onderwezen. God alleen weet hoeveel zonden de heilige door de stichting van deze huizen heeft voorkomen en hoeveel goeds hij daardoor heeft bewerkt. Het kwam wel voor dat sommigen die tot een beter leven waren teruggebracht, opnieuw in hun vroegere zonden vervielen, en men zei de heilige dat hij zijn moeite niet aan zulke mensen moest verspillen. Maar hij antwoordde: Mij dunkt niet dat mijn zorg en arbeid verloren zijn, ook al keren zulke personen tot hun vroegere ondeugden terug. Het is al veel wanneer ik hen er slechts één enkele nacht van weerhoud God te beledigen. Zijn zorg strekte zich zelfs uit tot de verstokte Joden. Hun bekering ging hem zeer ter harte en God zegende zijn arbeid voor hen met zulk een opvallend succes dat hij in één jaar veertig van hen doopte. Hij stichtte ook een huis waar degenen die het jodendom hadden verlaten werden opgenomen en verzorgd totdat zij voldoende in de christelijke godsdienst waren onderwezen en het doopsel konden ontvangen. Ook mag de zorg niet worden vergeten die de heilige droeg voor Duitsland, dat in die tijd groot gevaar liep het ware geloof geheel te verlaten. Voor het heil van dat land droeg hij niet alleen vele gebeden, boetewerken en heilige Missen op, maar hij bepaalde ook dat alle priesters van de Sociëteit eenmaal per maand het heilig Misoffer voor deze intentie zouden opdragen, terwijl allen die geen priester waren bepaalde gebeden voor hetzelfde doel moesten verrichten. Deze bepaling wordt nog steeds onderhouden. Bovendien stichtte hij, te midden van ontelbare moeilijkheden, het Duits College te Rome, dat nog altijd bestaat en waar jonge Duitsers voor het priesterschap worden opgeleid en voor de missies worden voorbereid, opdat zij na voltooiing van hun opleiding naar hun vaderland zouden terugkeren om de katholieke godsdienst te verdedigen, ketters te bekeren en door hun goede voorbeeld allen tot een deugdzaam leven aan te sporen. Martin Chemnitz, de bekende lutheraan, schreef over dit college dat, indien de Sociëteit van Jezus niets anders had gedaan dan dit te stichten, zij reeds de vernietigster van de hervormde godsdienst genoemd kon worden. De heilige Ignatius gaf bovendien blijk van zijn medeleven met het beproefde Duitsland door verscheidene apostolische mannen naar Keulen, Mainz en andere steden te zenden. Daar traden zij moedig op tegen de ketters en bemoedigden zij de katholieken om trouw te blijven aan de Kerk. Melanchthon, de medewerker van Luther, verklaarde zelf dat door de werkzaamheid van deze mannen de verbreiding van het nieuwe evangelie in hoge mate werd tegengehouden. Toen hij zag dat het aantal leden van de Sociëteit dagelijks toenam, riep hij bedroefd uit: Ach, wee, wee! Wat zal er van het nieuwe evangelie worden? De hele wereld zal met jezuïeten worden vervuld!
De Boze, de stichter en beschermer van alle ketterijen, scheen hetzelfde te denken, want hij stelde alles in het werk om de heilige Ignatius in zijn allerheiligste arbeid te hinderen. Hij zette sommigen ertoe aan niet alleen de heilige, maar de gehele Sociëteit van de afschuwelijkste misdaden te beschuldigen en haar te vervolgen zodra zich daartoe ook maar de geringste gelegenheid voordeed. Er bestaat geen Orde die gedurende haar gehele bestaan zulke bittere vervolgingen heeft moeten verduren en door de ketters, en zelfs door sommigen die zich katholiek noemden, zo belasterd en zo onrechtvaardig behandeld is als de door de heilige Ignatius gestichte Orde. Toch zag men de heilige nooit terneergeslagen wegens de vervolgingen die hem persoonlijk troffen, en de aanvallen die tegen de gehele Orde waren gericht, verdroeg hij met grote blijmoedigheid, omdat hij daaruit afleidde dat, aangezien Satan er de bewerker van was, deze door de arbeid van de Sociëteit een zwaar verlies moest hebben geleden. Toen men hem daarentegen eens vertelde dat de leden van zijn Orde in een bepaald land niets te lijden hadden, werd hij zeer nadenkend en zei hij te vrezen dat zij nalatig waren in de vervulling van hun plicht, aangezien zij niet vervolgd werden. Hij voorspelde ook dat de Sociëteit van Jezus steeds de roem zou bezitten vervolgd te worden door de vijanden van Christus en van de heilige Kerk. Dikwijls herinnerde hij aan de woorden van Christus: Indien zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen. Hoe groter en veelvuldiger de vervolgingen waren, des te meer nam de Sociëteit in aantal toe en des te verder strekte haar werkzaamheid zich uit onder de gelovigen, de ketters en de heidenen, tot onbeschrijfelijke vertroosting van haar stichter. Paus Marcellus II zei dat hij sinds de dagen van de Apostelen nooit had gelezen van iemand wiens arbeid God reeds tijdens diens leven met zulke overvloedige vruchten had gezegend als die van de heilige Ignatius. De heilige stichter leefde lang genoeg om zijn Orde over alle delen van de wereld verbreid te zien, verdeeld in twaalf provincies, met meer dan honderd colleges en huizen. Hij vernam hoe door de onvermoeide arbeid van de paters gehele volkeren van hun afgoderij tot het ware geloof werden bekeerd, ontelbare ketters tot de Kerk werden teruggebracht en overal de katholieken werden versterkt in dat geloof zonder hetwelk er geen zaligheid is. Hij hoorde en zag zelf hoe de jeugd zorgvuldig werd onderwezen in de katholieke godsdienst, in de vreze Gods en in alle takken van wetenschap, en hoe het volk in het algemeen werd aangespoord tot grotere godsvrucht, tot een veelvuldiger gebruik van de heilige Sacramenten en tot alle christelijke deugden. Hij vernam van de vele wonderen die de heilige Franciscus Xaverius en andere apostolische mannen verrichtten tot bevestiging van het ware geloof. Hij had het geluk te horen dat sommige leden van zijn Orde heldhaftig hun bloed voor het geloof van Christus hadden gegeven, en uit ieder land ontving hij berichten over het goede dat zijn kinderen onophoudelijk verrichtten ter ere van God en het heil der zielen. Dit alles vervulde het hart van de heilige met een onuitsprekelijke vreugde, want niets verlangde hij vuriger dan dat de Almachtige door alle mensen gekend en geëerd zou worden. Men hoorde hem dikwijls uitroepen: O God, mochten toch alle mensen U kennen en liefhebben!

Zijn heilige dood

Intussen brandde zijn eigen ziel van verlangen om de God, Die hij als zijn hoogste Goed beminde, van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Dit verlangen nam zó toe dat reeds de gedachte aan de dood of slechts een blik naar de hemel hem tranen in de ogen bracht en hem een diepe afkeer van de wereld deed gevoelen. Dikwijls, wanneer hij zijn blik ten hemel richtte, riep hij uit: O, hoe veracht ik de wereld wanneer ik naar de hemel opzie! Hij smeekte God zijn ziel van de banden van het sterfelijke leven te verlossen. God verhoorde zijn gebed. Een koorts overviel hem en hoewel de geneesheren verklaarden dat de ziekte niet gevaarlijk was, wist Ignatius dat zij de bode was die hem zou komen halen. Hij vroeg om de laatste Sacramenten en ontving deze met grote godsvrucht. Toen de avond viel, riep hij een van de oudste paters van de Orde bij zich en zond hem naar de Heilige Vader om diens laatste zegen en een volle aflaat te vragen. De nacht bracht hij bijna voortdurend in verrukking door, totdat hij, een uur na zonsopgang, met de ogen ten hemel gericht en de heilige namen van Jezus en Maria op de lippen, op 31 juli 1556, in het vierenzestigste jaar van zijn leven, zijn ziel aan God teruggaf. Op hetzelfde ogenblik waarop dit geschiedde, verscheen de heilige, omstraald door een helder en schitterend licht, aan een godvruchtige weduwe, Margaretha Gigli, te Bologna en maakte haar zijn overlijden bekend. De onverwachte dood van de grote stichter vervulde Rome met droefheid en overal hoorde men de klacht: De heilige man is gestorven. Velen aarzelden niet hem reeds onmiddellijk als een heilige te vereren en zijn voorspraak bij de Almachtige in te roepen. De rustplaats van zijn heilige relieken werd tweemaal verplaatst. Bij de eerste bijzetting hoorde een uitmuntende dienaar van God gedurende twee dagen hemelse muziek; bij de tweede zagen velen heldere sterren boven zijn graf. Heilige mannen en vrouwen die in de tijd van de heilige Ignatius leefden, bewonderden en prezen zowel de heilige zelf als de door hem gestichte Sociëteit. De heilige Philippus Neri, die te Rome woonde, verklaarde dat hij het gelaat van Ignatius meermalen had gezien, stralend van hemels licht. In al zijn twijfels en zorgen nam hij zijn toevlucht tot de heilige Ignatius om raad en vertroosting. Toen hij op een dag twee leden van de Sociëteit ontmoette, zei hij tot hen: Gij zijt zonen van een grote vader, aan wie ik veel te danken heb; hij heeft mij de wetenschap van het gebed geleerd. Na de dood van de heilige zond Philippus dikwijls zijn gebeden naar diens graf en, naar zijn eigen getuigenis, ontving hij daardoor wonderbare vertroosting en hulp. De heilige Franciscus Xaverius had tijdens het leven van Ignatius zulk een hoge achting voor hem dat hij hem de geliefde vader van zijn ziel en een heilige noemde. Uit een brief die hij van hem had ontvangen, sneed hij de naam van de heilige Ignatius uit, plaatste die in een reliekhouder en droeg deze steeds bij zich. Daardoor verrichtte hij vele wonderen. Uit grote eerbied schreef hij Ignatius steeds geknield en ook diens brieven las hij op zijn knieën. Ik moet voorbijgaan aan de lof die andere heiligen aan de heilige Ignatius hebben toegezwaaid, zoals de heilige Franciscus van Sales, de heilige Carolus Borromeüs, de heilige Cajetanus, de heilige Andreas Avellinus, de heilige Thomas van Villanova, de heilige Teresia, de heilige Maria Magdalena de’ Pazzi en vele anderen. Ook de godvruchtige Lodewijk van Granada, een dominicaan, die leefde in de tijd waarin de heilige Ignatius en zijn Orde bitter werden vervolgd, toonde zich tot aan zijn dood een warm vriend, krachtig verdediger en bewonderaar van beiden.

Evenmin zal ik hier vermelden wat vele pausen, bisschoppen en andere hoge waardigheidsbekleders van de Kerk tot lof van de Sociëteit van Jezus hebben gezegd, noch de hoge waardering herhalen die zij ontving van gekroonde hoofden en grote staatslieden, al zou dit de roem van haar heilige stichter nog aanzienlijk kunnen vergroten. Laten wij slechts wat aandachtiger stilstaan bij de woorden van de Romeinse Heiligenkalender. Daarin wordt gezegd dat de heilige uitmuntte door heiligheid en wonderen. In deze weinige woorden ligt veel besloten. Ignatius muntte uit door zijn heiligheid. Daarvan getuigen de heldhaftige deugden die in hem zo schitterend straalden: zijn sterke en levendige geloof, zijn onwankelbaar vertrouwen op God, zijn vurige liefde tot de Zaligmaker en tot de naaste, zijn tedere verering voor het lijden en sterven van Christus, zijn kinderlijke godsvrucht tot de Maagdelijke Moeder, zijn voortdurende zelfverloochening, zijn volkomen overgave aan de goddelijke Wil, zijn onoverwinnelijk geduld, zijn bewonderenswaardige zachtmoedigheid, zijn diepe nederigheid en zijn onverzadigbare ijver om voor de eer van de Allerhoogste te arbeiden en zielen voor de hemel te winnen. Bijzondere voorbeelden van al deze deugden zijn te vinden in het boek dat handelt over de devotie van de Tien Woensdagen ter ere van de heilige Ignatius. Ignatius muntte ook uit door zijn wonderen. Reeds tijdens zijn leven verrichtte God vele wonderen door hem. Een van zijn leerlingen, die levensgevaarlijk ziek was, werd genezen toen hij de heilige omhelsde; een ander werd van vallende ziekte bevrijd. Hij verloste een adellijke vrouw, die reeds vier jaar door de boze geest bezeten was, en genas verscheidene anderen van verschillende ziekten. Zelfs gaf hij te Barcelona het leven terug aan een jongeman die zich in wanhoop had opgehangen en door allen die hem zagen voor dood werd gehouden. Na zijn dood werkte God nog veel meer wonderen op de voorspraak van Zijn trouwe dienaar. In het proces van zijn heiligverklaring worden tweehonderd wonderen vermeld, die door de kerkelijke overheid zorgvuldig werden onderzocht en gegrond bevonden op het getuigenis van onbetwistbare getuigen. Na de heiligverklaring nam hun aantal nog verder toe. Reeds tijdens zijn leven schonk God hem bovendien vele andere gaven en genaden, zoals de gave der tranen, de gave om de harten van anderen te doorzien en een geest van gebed in zulk een buitengewone mate dat hij dikwijls in verrukkingen geraakte die verscheidene dagen duurden. Ten slotte bezat hij ook de gave van profetie en van bovennatuurlijke openbaringen. Het is bekend dat hij te Barcelona tot een jongeman, die hem wilde volgen en in armoede leven, zei: Gij zult in de wereld blijven, rechtsgeleerde worden en vader van verscheidene kinderen. Eén van hen zal in uw plaats intreden in de Orde die God door mij, Zijn onwaardige dienaar, zal stichten. Te Antwerpen zei hij tot een koopman: Er zal een tijd komen waarin gij in uw land een college zult stichten voor de leden van de Orde die God door mij, Zijn onwaardige dienaar, zal oprichten. Alles geschiedde precies zoals hij had voorzegd. Het aantal openbaringen en visioenen waarmee hij werd begunstigd, is zeer groot. Behalve de verschijningen van de heilige Petrus, de Allerzaligste Maagd en onze Heer, die hierboven zijn vermeld, is bekend dat Christus hem meermalen verscheen te Manresa gedurende zijn jaar van boetedoening en ook later tijdens zijn heilig leven. Eveneens verscheen de Allerzaligste Maagd hem verschillende malen, vooral toen hij zijn boek der Geestelijke Oefeningen schreef. Het Romeins Brevier verklaart dat hij door de genade Gods zó overvloedig werd verlicht, dat hij placht te zeggen dat, indien er geen Evangelie bestond, hij bereid zou zijn voor zijn geloof te sterven op grond van hetgeen de Almachtige hem te Manresa had geopenbaard. Tijdens een van zijn verrukkingen werd hem zoveel geopenbaard over het onbegrijpelijke geheim van de Allerheiligste Drie-eenheid, dat hij daarover een boek schreef, hetwelk bij alle geleerde mannen de diepste bewondering wekte. Op een andere keer werd hem de zalige dood van twee van zijn medebroeders geopenbaard. De eerste openbaring ontving hij terwijl hij zich te Monte Cassino bevond. Tijdens zijn gebed zag hij de ziel van pater Hozes, omgeven door hemelse glans, door engelen naar de hemel worden gedragen. De tweede maal was toen hij op weg was naar de Sint-Pieterskerk te Rome om de heilige Mis op te dragen voor een zieke medebroeder. Plotseling bleef hij staan, richtte zijn blik onafgebroken naar de hemel en keerde vervolgens om. Laten wij naar huis teruggaan, zei hij, want onze pater Coduri is heengegaan. Hieruit besloot men dat hij de ziel van de overledene naar de hemel had zien opstijgen. Aan deze visioenen van de heilige Ignatius wil ik nog één visioen toevoegen dat een ander van hem had. Te Keulen woonde Leonard Kessel, een priester van de Sociëteit van Jezus, die een vurig verlangen koesterde de heilige Ignatius, die toen te Rome verbleef, te zien. Hij vroeg toestemming om daarom naar Rome te reizen, maar deze werd hem geweigerd. Terwijl hij op een dag in zijn kamer bad, stond zijn heilige vader Ignatius plotseling voor hem en nadat hij enige tijd vriendelijk met hem had gesproken, verdween hij even plotseling als hij was verschenen. Dit alles bewijst dat Ignatius inderdaad uitmuntte door heiligheid, wonderen en andere goddelijke gaven.

Waarom hij zo wordt afgebeeld

De heilige Ignatius van Loyola tussen engelen met het IHS-monogram
De heilige Ignatius van Loyola tussen engelen met het monogram IHS, symbool van de Sociëteit van Jezus. Spaanse School, 17e eeuw.

Ten slotte wil ik verklaren waarom de heilige Ignatius gewoonlijk wordt afgebeeld in priesterlijke gewaden, met de allerheiligste Naam van Jezus op zijn borst en een boek in zijn hand. Zijn priesterlijke gewaden betekenen dat hij in zijn tijd een sieraad van het priesterschap was en deze waardigheid op uitnemende wijze heeft geheiligd. Zij herinneren tevens aan de grote godsvrucht waarmee de heilige de heilige Mis opdroeg. Hij droeg voor het eerst het heilig Misoffer op in de Kerstnacht te Rome, vóór de kribbe van onze Heer, nadat hij zich achttien maanden daarop had voorbereid. Bij die gelegenheid en ook vele malen daarna werd hij tijdens de heilige Mis door stralende lichtglansen omgeven, van de grond opgeheven en vloeiden tranen van godsvrucht over zijn gelaat. Om zijn vurige liefde des te meer te bevredigen, droeg hij de heilige Mis gewoonlijk op in de kapel van het huis. Alleen de Mis duurde ongeveer een uur, waarin hij dikwijls in verrukking geraakte en de genade ontving Christus zichtbaar in de heilige Hostie te aanschouwen. Zijn vervoering was soms zo hevig dat men vreesde dat zijn aderen zouden barsten, en meer dan eens moest men hem geheel uitgeput naar zijn kamer dragen. Wanneer zijn werkzaamheden het toelieten, bracht hij bovendien twee uren in gebed door vóór en twee uren ná de heilige Mis. De Naam van Jezus op zijn borst is een teken van de grote liefde die hij voor de Zaligmaker koesterde. Geen andere naam wilde hij aan zijn Orde geven, opdat haar leden nooit zouden vergeten hoe Christus heeft gewerkt en geleden en daardoor zouden worden aangespoord voor de Allerhoogste geen enkele arbeid te schuwen en voor geen gevaar, geen vervolging en zelfs de dood terug te deinzen, wanneer het de vervulling van hun heilige plicht betrof. De heilige placht te zeggen dat niets ons meer moed schenkt om alles te verdragen dan de herinnering aan deze heilige Naam. Het boek dat hij in zijn hand houdt, duidt op de Regel die hij voor zijn Sociëteit schreef en die door bevoegde beoordelaars is geprezen als een meesterwerk van menselijke wijsheid. Terwijl hij dit boek opstelde, verscheen de Allerzaligste Maagd hem verscheidene malen en gaf zij hem als het ware in wat hij moest schrijven. Het Concilie van Trente noemde deze Regel een godvruchtige instelling, door de Apostolische Stoel goedgekeurd, waarin niets veranderd behoefde te worden. Paus Julius III verklaarde in een bul dat er in de constituties van de Sociëteit van Jezus niets was dat niet godvruchtig en heilig was. Paus Paulus III, die als eerste de Sociëteit goedkeurde en bevestigde, riep uit toen hij hoorde van de prijzenswaardige werken die haar leden overeenkomstig deze Regel verrichtten: Hier is de vinger Gods! De woorden Tot meerdere eer van God, die in het boek zijn te lezen, waren de woorden die de heilige Ignatius steeds placht te gebruiken. Zij drukken het gehele doel van zijn Regel uit, dat geen ander is dan de bevordering van de eer van God en het heil der zielen.