25 juli – H. Jacobus de Meerdere, apostel † 44
25 juli – Jacobus, zoon van Zebedeüs en broer van de apostel Johannes, was een van de eersten die door de Heer tot het apostelschap werden geroepen. Met Petrus en Johannes was hij getuige van de opwekking van de dochter van Jaïrus, de Gedaanteverandering van de Heer en Zijn doodsstrijd in de Hof van Olijven.
Na de Hemelvaart verkondigde hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vervolgens trok hij naar Spanje, waar hij slechts weinigen bekeerde, en keerde daarna terug naar Jeruzalem. Daar verrichtte hij vele wonderen en bracht hij velen tot het geloof. Onder koning Herodes Agrippa werd hij omstreeks het jaar 44 met het zwaard ter dood gebracht en werd zo de eerste van de apostelen die voor Christus zijn bloed vergoot.
Volgens de oude overlevering werd zijn lichaam na zijn marteldood wonderbaarlijk naar Galicië overgebracht en te Compostela begraven. De translatie van zijn relieken, de vele wonderen die op zijn voorspraak werden verricht en zijn bijstand aan pelgrims en in de strijd tegen de Saracenen maakten hem tot een van de meest geliefde heiligen van de christenheid.
℟. Dit zijn degenen die, toen zij in het lichaam leefden, de Kerk met hun bloed hebben geplant. De kelk des Heren hebben zij gedronken en zij werden vrienden van God. ℣. Over heel de wereld klonk hun stem en tot aan de grenzen der aarde hun woord.
De heilige apostel Jacobus
Onze-Lieve-Vrouw van Pilar
De strijd tegen de Saracenen
De martelaarskroon in Jeruzalem
Het graf te Compostela
Pelgrims naar Compostela
Overleveringen en wonderverhalen

De heilige apostel Jacobus de Meerdere
De heilige Jacobus, bijgenaamd de Meerdere ter onderscheiding van de andere Apostel met dezelfde naam, was de zoon van Zebedeüs en Salomé en de oudere broer van de heilige Johannes, de Evangelist. Zij leefden als vissers aan het Meer van Galilea. Toen zij met hun vader de netten herstelden, kwam Jezus voorbij en sprak: Volgt Mij. Terstond verlieten zij hun boot en hun vader en volgden Hem. Van dat ogenblik af behoorde Jacobus tot de trouwste leerlingen van de goddelijke Meester.
Samen met Petrus en Johannes werd hij uitgekozen om getuige te zijn van enkele van de grootste geheimen uit het leven van Christus. Hij was aanwezig toen de dochter van Jaïrus uit de dood werd opgewekt, hij aanschouwde de heerlijkheid van de Verlosser op de berg Thabor en hij was met Hem in de hof van Gethsémani tijdens Zijn doodsstrijd. Geen andere Apostelen werden zo dikwijls tot deze bijzondere nabijheid van de Heer toegelaten.
Christus gaf aan Jacobus en Johannes de naam Boanerges, dat is zonen van de donder (Marcus 3, 17). Deze naam wees op hun vurige ijver en op de kracht waarmee zij het Evangelie zouden verkondigen. Hun ijver moest echter nog worden gelouterd. Toen de Samaritanen weigerden Christus te ontvangen, vroegen zij: Heer, wilt Gij dat wij bevelen vuur uit de hemel te doen neerdalen en hen te verteren? De Heer berispte hen en leerde hun dat de Mensenzoon niet gekomen was om de zielen te verderven, maar om ze te behouden (Lucas 9, 52–56).
Ook hun verlangen naar de voornaamste plaatsen in het Koninkrijk moest worden gezuiverd. Toen hun moeder voor hen de ereplaatsen aan Zijn rechter- en linkerhand vroeg, antwoordde de Zaligmaker: Gij weet niet wat gij vraagt. Kunt gij de kelk drinken die Ik zal drinken? Zij antwoordden: Ja, dat kunnen wij. Christus voorzegde hun daarop dat zij inderdaad Zijn kelk zouden drinken (Mattheüs 20, 20–23). Voor Jacobus ging deze voorspelling spoedig in vervulling.
Na de nederdaling van de Heilige Geest verkondigde Jacobus het Evangelie te Jeruzalem, in Judea en volgens de oude overlevering ook in Spanje. Zijn arbeid scheen daar aanvankelijk slechts weinig vrucht te dragen. Toch zou juist dit land zijn naam later met bijzondere liefde vereren.
Onze-Lieve-Vrouw van Pilar
Volgens de Spaanse traditie verscheen de allerheiligste Maagd Maria, terwijl zij nog op aarde leefde, aan de Apostel bij Zaragoza. Zij bemoedigde hem in zijn apostolische arbeid en droeg hem op op die plaats een kerk te bouwen. Als teken van haar bescherming liet zij een zuil achter. Rond deze zuil verrees later het beroemde heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van de Pilar.

Volgens de traditie verscheen de Heilige Maagd, terwijl zij nog op aarde leefde, aan de heilige Jacobus de Meerdere te Zaragoza. Zij bemoedigde hem in zijn apostolische arbeid en liet een zuil achter als blijvend teken van haar bescherming. Rond deze zuil verrees later het beroemde heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van de Pilar.
De strijd tegen de Saracenen
Nadat de Saracenen in de achtste eeuw een groot deel van Spanje hadden veroverd, voerden de christelijke koninkrijken gedurende vele eeuwen strijd om het land voor Christus terug te winnen. Tijdens deze Reconquista riepen zij de heilige Jacobus aan als hun bijzondere patroon en beschermer. Volgens de oude Spaanse overlevering verscheen de Apostel bij de strijd op een wit paard, met het zwaard in de hand, om de christelijke legers de overwinning te schenken.
Sindsdien werd de heilige Jacobus in Spanje vereerd als Santiago Matamoros. Zijn naam klonk als strijdkreet op de slagvelden en zijn afbeelding sierde vaandels, kerken en altaarstukken. Zo bleef hij niet alleen de Apostel van Christus en de patroon van de pelgrims, maar ook het grote symbool van het christelijke Spanje dat zijn geloof en vrijheid verdedigde tegen de Saracenen.

De martelaarskroon in Jeruzalem
Hoewel de heilige Jacobus in Spanje onvermoeibaar het Evangelie verkondigde, waren de bekeringen aanvankelijk gering. Na enkele jaren keerde hij daarom met verscheidene leerlingen naar Jeruzalem terug. Een aantal van hen werd later opnieuw naar Spanje gezonden om de begonnen arbeid voort te zetten.
In Jeruzalem zette Jacobus zijn apostolische arbeid voort. Zijn prediking bracht velen tot het geloof, maar wekte ook de haat van de vijanden van Christus. Koning Herodes Agrippa I liet hem gevangennemen en ter dood veroordelen.
Volgens een oude overlevering werd Josias, die aan zijn gevangenneming had meegewerkt, diep getroffen door de standvastigheid van de Apostel. Hij beleed openlijk het geloof in Christus en wierp zich aan de voeten van Jacobus om vergiffenis te vragen. De Apostel omhelsde hem en sprak: Vrede zij met u. Josias werd daarop eveneens ter dood veroordeeld.
Jacobus onderging zijn vonnis met vreugde, omdat hij zijn leven voor Christus mocht geven. Omstreeks het jaar 44 werd hij met het zwaard onthoofd. Hij was de eerste van de twaalf Apostelen die de martelaarskroon ontving en de enige van wie de Heilige Schrift uitdrukkelijk de marteldood vermeldt.
Het graf van de heilige Jacobus te Compostela
Na zijn marteldood namen de leerlingen van de heilige Jacobus volgens de oude overlevering zijn lichaam mee naar Spanje, waar hij het Evangelie had verkondigd. Zij brachten het naar Galicië en legden het daar in een graf. In de loop der eeuwen raakte de plaats echter vergeten.
Omstreeks het jaar 813 zag een kluizenaar gedurende verscheidene nachten een wonderbaar licht boven een verlaten veld. Bisschop Theodemirus liet de plaats onderzoeken en daar werd het graf van de Apostel teruggevonden. Het veld werd Campus Stellae genoemd, het veld van de ster. Op deze heilige plaats verrees een kerk, die later uitgroeide tot de grote kathedraal van Santiago de Compostela.
Pelgrims naar het graf van de heilige Jacobus
Spoedig kwamen de pelgrims. Uit Frankrijk, Vlaanderen, Duitsland, Italië en uit alle delen van Spanje trokken zij langs oude wegen naar het graf van de Apostel. Sommigen reisden te paard, maar velen legden de lange weg te voet af, met staf en reistas, biddend bij kerken, kloosters en wegkruisen. Zo ontstond de grote pelgrimsweg naar Santiago, die later bekend werd als de Camino de Santiago.
Middeleeuws pelgrimsinsigne
van de heilige Jacobus.
Het herkenningsteken van de pelgrim werd de Sint-Jakobsschelp. Aan de kusten van Galicië namen de pelgrims haar mee als bewijs dat zij Santiago hadden bereikt. Zij droegen de schelp op hun hoed, mantel of reistas. Zo werd zij niet alleen het teken van de volbrachte bedevaart, maar ook het vaste attribuut van de heilige Jacobus zelf. Sindsdien wordt hij dikwijls afgebeeld als pelgrim, met staf, reismantel en schelp.

Deze verfijnde miniatuur van de heilige Jacobus de Meerdere ontstond omstreeks 1440–1450 in Brugge en wordt toegeschreven aan de Meester van de Gouden Rollen, de benaming voor een groep verwante verluchters en ateliers die in de vijftiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden werkzaam waren. Zij maakte oorspronkelijk deel uit van een rijk verlucht getijdenboek en is uitgevoerd in inkt, tempera en bladgoud op perkament.
De Apostel is afgebeeld als pelgrim. In zijn rechterhand draagt hij de pelgrimsstaf en in zijn linkerhand een boek, het teken van zijn apostolische verkondiging. Zijn reismantel, de eenvoudige houding en het bergachtige landschap tonen hem als iemand die onderweg is. Deze iconografie raakte vanaf de twaalfde eeuw in geheel West-Europa verbreid. Zij herinnert aan de bedevaarten naar zijn graf te Santiago de Compostela en toont hem niet alleen als een van de twaalf Apostelen, maar ook als de grote patroon van de pelgrims. Tot zijn vaste attributen behoren de pelgrimsstaf en de reismantel. In latere voorstellingen worden daaraan vaak de breedgerande hoed, de reistas en de Sint-Jakobsschelp toegevoegd.
Onder de voorstelling begint de Latijnse tekst met De sancto Iacobo, over de heilige Jacobus. Vervolgens wordt hij bezongen als Lux Hispaniae, het licht van Spanje. Deze eretitel verwijst naar de bijzondere plaats die de Apostel in de Spaanse christenheid inneemt. Volgens de oude overlevering verkondigde hij er het Evangelie en werd zijn graf te Compostela later een van de drie grote bedevaartsoorden van de christenheid, naast Jeruzalem en Rome.
De wegen naar Compostela werden wegen van gebed, boete en bekering. Langs de route verrezen kerken, hospitalen en kloosters om de reizigers te ontvangen. Eeuw na eeuw bleven de pelgrims naar het graf van de Apostel trekken. De schelp wijst hun de weg en herinnert hen eraan dat het christelijke leven een pelgrimstocht is naar het hemelse vaderland.
VITA HOMINIS PEREGRINATIO
Overleveringen rond de heilige Jacobus
Rond de heilige Jacobus is in de loop der eeuwen een rijke overlevering ontstaan. Naast de gegevens uit de Heilige Schrift en de oude kerkelijke traditie bestaan er vele verhalen over zijn prediking, de overbrenging van zijn lichaam naar Galicië, de ontdekking van zijn graf en de wonderen die aan zijn voorspraak werden toegeschreven. Een groot aantal van deze verhalen werd in de middeleeuwen verzameld en doorgegeven, onder meer in de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine. Zij behoren tot de eeuwenoude verering van de apostel.
De overbrenging van het lichaam van de heilige Jacobus

Volgens de oude overlevering brachten de leerlingen van de heilige Jacobus na zijn marteldood het lichaam van hun meester in de nacht heimelijk uit Jeruzalem weg. Zij legden het aan boord van een schip en vertrouwden zich zonder stuurman toe aan de goddelijke Voorzienigheid. Door een engel van de Heer geleid bereikte het schip veilig de kust van Galicië.
Daar droegen zij het lichaam aan land en legden het op een grote steen. Terstond werd deze steen wonderbaarlijk zacht als was en vormde zich tot een sarcofaag waarin het lichaam van de Apostel rustte.
De leerlingen vroegen vervolgens aan koningin Lupa een plaats om hun meester te begraven. Zij ontving hen met vriendelijke woorden, maar zond hen in werkelijkheid met slinkse bedoelingen naar de plaatselijke vorst. Deze liet hen gevangennemen, doch een engel van de Heer opende in de nacht de kerker en bevrijdde hen. De soldaten die hen achtervolgden kwamen om toen een brug onder hen instortte.
Daarop gaf Lupa hun opdracht een span ossen te halen, terwijl zij wist dat het in werkelijkheid ontembare wilde stieren waren. Nog vóór zij de dieren bereikten, stormde een vuurspuwende draak op hen af. De leerlingen hielden hem het kruisteken voor, waarop het monster ter aarde stortte. Vervolgens maakten zij ook over de wilde stieren het teken van het heilig kruis. Onmiddellijk werden zij zo mak als lammeren.
De stieren trokken de wagen met het lichaam van de Apostel zonder voerman recht naar het paleis van Lupa. Toen de koningin dit wonder zag, geloofde zij in Christus, ontving het heilig doopsel en schonk haar paleis voor de bouw van een kerk ter ere van de heilige Jacobus.
De trouwe reisgenoot
Dertig mannen uit Lotharingen waren omstreeks het jaar des Heren 1070 op bedevaart naar Santiago. Allen, op één na, hadden elkaar hun erewoord gegeven dat zij elkaar zouden bijstaan. Toen een van hen ziek werd, wachtten zijn reisgenoten vijftien dagen, maar uiteindelijk lieten allen hem achter. Alleen degene die zijn erewoord niet had gegeven, bleef bij hem waken aan de voet van de berg van Saint-Michel.
Tegen de avond stierf de zieke. De levende werd bevangen door angst vanwege de verlatenheid van de plaats, de aanwezigheid van de dode, de invallende duisternis en de woestheid van de inheemse bevolking. Toen verscheen hem de heilige Jacobus in de gedaante van een ridder. Hij troostte hem, nam de dode achter zich op zijn paard en liet de pelgrim eveneens opstijgen.
Nog vóór zonsopgang legden zij zo een reis van vijftien dagen af, totdat zij bij de Berg van de Vreugde kwamen, vanwaar men Santiago op een afstand van ongeveer een halve mijl kon zien. Daar zette de heilige Jacobus beiden van zijn paard. Hij droeg de levende op de kanunniken van de Sint-Jacobskerk te roepen om de gestorven pelgrim te begraven. Tegen zijn reisgenoten moest hij zeggen dat hun pelgrimstocht waardeloos was geworden, omdat zij hun erewoord hadden gebroken.
De pelgrim deed wat hem was opgedragen en vertelde zijn reisgenoten, die versteld stonden van zijn relaas, wat de heilige Jacobus had gezegd.
De onschuldig gehangen pelgrim
Een Duitser was, zo vertelt paus Calixtus, omstreeks het jaar des Heren 1090 met zijn zoon op weg naar Santiago. In Toulouse namen zij hun intrek in een herberg om er te overnachten. De herbergier voerde de vader dronken en verborg een zilveren beker in zijn reiszak.
Toen vader en zoon de volgende morgen vertrokken, ging de herbergier hen achterna alsof zij dieven waren. Hij liet hen terughalen en beschuldigde hen ervan zijn zilveren beker te hebben gestolen. Zij antwoordden dat hij hen mocht straffen wanneer hij de beker bij hen kon vinden. De reiszak werd geopend en de beker werd inderdaad aangetroffen.
Zij werden onmiddellijk voor de rechter gebracht. Alles wat zij bezaten werd aan de herbergier gegeven en een van hen werd tot de galg veroordeeld. De vader wilde voor zijn zoon sterven en de zoon voor zijn vader. Uiteindelijk werd de zoon gehangen en vervolgde de vader diep bedroefd zijn bedevaart naar Santiago.
Zesendertig dagen later kwam de vader op de terugreis opnieuw langs de plaats waar zijn zoon hing. Hij begaf zich naar het lichaam en beweende hem met smartelijke kreten. Maar zijn zoon sprak hem troostend toe. Hij vroeg zijn vader niet te huilen, want hij had het nog nooit zo goed gehad. Tot op dat ogenblik had de heilige Jacobus hem ondersteund en met hemelse zoetheid gesterkt.
Toen de vader dit hoorde, snelde hij naar de stad. De mensen kwamen toegelopen, haalden de zoon ongedeerd van de galg en knoopten de bedrieglijke herbergier op.