Negende zondag na Pinksteren

IN DIE TIJD, toen Jezus in de nabijheid van Jeruzalem kwam en de stad daar voor Zich zag liggen, weende Hij over haar en sprak: Ach, mocht ook gij, tenminste op deze uw dag, nog inzien wat u tot vrede strekt! Maar thans is dat voor uw ogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden u met een stormwal zullen omringen, u zullen omsingelen en van alle kanten in het nauw brengen; en zij zullen u en uw kinderen binnen uw muren ter aarde neerslaan; en zij zullen bij u geen steen op de andere laten, omdat gij uw tijd van genade niet hebt erkend. En Hij ging de tempel binnen en begon de kopers en verkopers die daar waren, uit te drijven met de woorden: Er staat geschreven: Mijn huis is een huis van gebed; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt! En iedere dag gaf Hij onderricht in de tempel.

Christus weent over Jeruzalem
Toen Hij dichterbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Lucas 19, 41

Christus weent over Jeruzalem

Toen de Heer de stad naderde en haar zag, weende Hij over haar. Kort tevoren was Hij onder gejubel als Messias in Jeruzalem ontvangen (Lucas 19, 35–40). Hij was tot Zijn volk gezonden als de beloofde Messias en Zaligmaker, maar Jeruzalem wilde Hem niet erkennen. Terwijl rondom Hem het Hosanna klonk en allen zich over Zijn plechtige intocht verheugden, zag Hij het oordeel dat over de stad zou komen.

Zijn tranen hadden drie oorzaken. Vooreerst weende Hij over de verblinding, de hardnekkigheid en de ondankbaarheid van het volk. Jeruzalem bezat de Wet en de profeten, had Zijn prediking gehoord en Zijn wonderen gezien, maar erkende haar Messias niet. Vervolgens weende Hij over de straf die de stad en het volk zou treffen: de belegering, de hongersnood en de verwoesting die door Titus over Jeruzalem zouden komen. Ten slotte weende Hij omdat Hij zag dat Zijn arbeid voor velen zonder vrucht zou blijven. Hij had onderwezen, gewaarschuwd, genezen en wonderen verricht, maar velen zouden Zijn genade verwerpen en in hun ongeloof volharden. Deze drie oorzaken brachten Hem tot tranen. Zijn droefheid kwam voort uit de hevigheid van Zijn liefde. Origenes merkt op dat Christus Zelf de zaligsprekingen heeft vervuld. Hij had de treurenden zalig genoemd en heeft daarom ook Zelf geweend.

Had ook gij toch erkend

Vervolgens richt de Heer Zijn klacht tot Jeruzalem. Hij spreekt als haar Messias, Die gekomen is om haar het heil te brengen. Had zij Hem erkend, dan zou zij naar Hem hebben geluisterd, in Hem hebben geloofd en niet zijn ondergegaan. De woorden van Christus blijven onvoltooid. De hevigheid van Zijn droefheid breekt de zin af. Jeruzalem had niet alleen moeten erkennen Wie Hij was, maar ook wat haar tot vrede en zaligheid diende. Deze vrede omvat alle goed en alle veiligheid, voor lichaam en ziel, en bovenal de vrede met God en het eeuwige heil.

In deze woorden klaagt Christus over de ondankbaarheid van Jeruzalem. Om haar was Hij uit de hemel neergedaald en geboren. Drie jaren lang had Hij in haar steden en dorpen onderwezen en gepredikt. Hij had haar melaatsen gereinigd, haar zieken genezen, haar bezetenen bevrijd en haar doden opgewekt. Toch keerde zij zich van Hem af en verwierp zij haar Messias. De dag zou komen waarop Jeruzalem haar verblinding zou erkennen, maar dan zouden de dagen van Gods bezoeking voorbij zijn en zou het oordeel over de stad komen.

Naar Cornelius a Lapide, commentaar op Lucas 19, 41 en 42.

De reiniging van de tempel
Mijn huis is een huis van gebed. Maar gij hebt er een rovershol van gemaakt. Lucas 19, 46

De reiniging van de tempel

Nadat Christus over Jeruzalem had geweend, ging Hij de tempel binnen en dreef Hij de kopers en verkopers uit. Zo begon Hij Zijn koninklijk gezag te tonen. Het is verwonderlijk dat niemand zich tegen Hem verzette, terwijl Hij de handel verstoorde en de winst van de priesters aantastte. De heilige Hiëronymus noemt dit een van de grootste wonderen van Christus. Alleen, gewapend met een gesel, verdreef Hij een grote menigte, wierp de tafels der geldwisselaars om en stootte de banken van de duivenverkopers omver. Uit Zijn ogen straalde een goddelijke majesteit, zodat allen voor Hem terugweken.

Het is verwonderlijk dat niemand weerstand bood aan één arme Man, terwijl Hij de winst van de priesters tenietdeed. De heilige Hiëronymus acht dit een van de grootste wonderen van Christus. Hij alleen verdreef met één gesel zo’n grote menigte, wierp de tafels om en verbrak de zitplaatsen, hetgeen een groot leger nauwelijks had kunnen volbrengen. Iets vurigs en schitterends straalde uit Zijn ogen en de majesteit van de Godheid blonk op Zijn gelaat.

Met de tempel wordt hier het buitenste voorhof bedoeld, waar het volk bijeenkwam om te bidden en de offers bij te wonen. Daar werden schapen, runderen, lammeren en duiven verkocht voor de offerdienst en wisselden de geldwisselaars vreemd geld tegen de tempelmunt. Op zichzelf waren deze zaken voor de eredienst noodzakelijk, maar zij behoorden niet plaats te vinden binnen de heilige voorhoven van de tempel. Bovendien gingen zij gepaard met hebzucht en winstbejag. Daarom noemt Christus hen een rovershol. Onder het voorwendsel van de godsdienst zochten zij hun eigen voordeel.

Daarom dreef Christus zowel de verkopers als de kopers uit en sprak: Mijn huis is een huis van gebed, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt. Daarmee vervulde Hij tevens het woord van de psalmist: De ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd. De heilige Beda merkt op: Wat zou de Heer doen wanneer Hij in Zijn tempel mensen aantrof die twistten, naar ijdele verhalen luisterden, lachten of zich aan andere onbetamelijkheden overgaven, terwijl Hij reeds degenen verdreef die dieren verkochten welke voor Zijn eigen offers waren bestemd?

Met een rovershol bedoelt Christus hen die de godsdienst gebruiken om er voordeel uit te behalen. Zoals rovers zich in een spelonk verschuilen om vandaar uit te plunderen, zo verborgen deze handelaars hun hebzucht onder de schijn van de tempeldienst. Daarom zuiverde Christus het huis van Zijn Vader van alles wat met zijn heilige bestemming strijdig was.

Naar Cornelius a Lapide, commentaar op Lucas 19, 45–46 en Mattheüs 21, 12–13.