H. Thomas van Villanova

22 september – H. Thomas van Villanova, bisschop en belijder † 1555

De H. Thomas van Villanova (1488–1555), bekend als Vader der armen , was een Spaanse augustijn, prediker en aartsbisschop van Valencia. Hij leefde persoonlijk in grote eenvoud en besteedde het grootste deel van de inkomsten die hem als aartsbisschop ter beschikking stonden aan de armen. Als bisschop hervormde hij zijn bisdom, bezocht de parochies, bevorderde de tucht onder de geestelijkheid en stichtte een seminarie. Vanwege zijn grote liefdadigheid werd hij reeds tijdens zijn leven de vader van de armen genoemd. Hij stierf op 8 september 1555 en werd te Valencia begraven. Paus Paulus V verklaarde hem in 1618 zalig en paus Alexander VII in 1658 heilig. Zijn verering bleef in het bijzonder levend in Valencia en binnen de Augustijner Orde.

Patroonheilige

Het leven van de H. Thomas van Villanova

H. Thomas van Villanova, aartsbisschop van Valencia
De H. Thomas van Villanova, aartsbisschop van Valencia en bekend als Vader der armen, voorgesteld in bisschoppelijk gewaad met mijter en staf. Aan zijn arm draagt hij een aalmoesbuidel, een verwijzing naar zijn buitengewone milddadigheid. Hij leefde zelf in grote eenvoud en besteedde het grootste deel van de inkomsten die hem als aartsbisschop ter beschikking stonden aan de armen, omdat hij zich niet als eigenaar maar als beheerder van de goederen van de Kerk beschouwde.

Jeugd en studie

De H. Thomas, de roem van de Kerk van Spanje in deze latere eeuwen, werd in 1488 geboren te Fuenllana in Castilië, maar ontleende zijn naam aan Villanueva de los Infantes, een stad waar hij zijn opvoeding ontving, ongeveer twee mijl van zijn geboorteplaats gelegen. Zijn ouders, Alfonso Tomás García en Lucía Martínez, waren eveneens oorspronkelijk uit Villanueva afkomstig. Hun vermogen was niet groot, maar het voldeed aan al hun behoeften en door hun verstandige zuinigheid waren zij in staat de armen ruimhartig bij te staan. In plaats van het graan te verkopen dat zij niet nodig hadden voor het onderhoud van hun gezin, lieten zij er brood van bakken dat zij aan behoeftigen uitdeelden. Dezelfde regel volgden zij met betrekking tot hun vee en de overige opbrengsten van hun kleine landgoed. Deze liefde tot de armen vormde het kostbaarste deel van de erfenis van hun zoon en werd gedurende zijn gehele leven een van zijn meest kenmerkende deugden. Reeds toen hij zeven jaar oud was, bedacht hij dagelijks allerlei kleine middelen om voor arme mensen te doen wat binnen zijn vermogen lag. Dikwijls ontzegde hij zichzelf daarvoor een deel van zijn maaltijd en verzamelde hij thuis alle etensresten of andere zaken waarvan hij mocht aannemen dat zijn ouders ermee zouden instemmen dat hij ze weggaf. Zijn ouders keurden zijn handelwijze bij zulke gelegenheden niet alleen goed, maar gaven hem ook wat hij voor behoeftigen van hen vroeg. Deze deugd ging bij de heilige gepaard met voortdurende versterving, een bescheidenheid en zachtmoedigheid die iedereen voor hem innamen, een volmaakte liefde tot de zuiverheid die nooit werd bezoedeld, een overheersende liefde tot de waarheid die zelfs de schijn van een leugen verafschuwde, en een geregelde godsvrucht en toewijding waardoor hij reeds van zijn kinderjaren af urenlang met buitengewone vurigheid geknield in de kerk doorbracht. De eerste woorden die zijn ouders hem leerden uitspreken waren de namen van Jezus en Maria en gedurende zijn gehele leven bezat hij een zeer tedere godsvrucht tot de Moeder Gods. Zijn buitengewone verstandelijke begaafdheid begon reeds op de school van Villanueva zichtbaar te worden en op vijftienjarige leeftijd werd hij naar de universiteit van Alcalá gezonden, die kort tevoren was gesticht door kardinaal Ximenes, de grote beschermer van de wetenschap en de beroemde eerste minister onder Ferdinand en Karel V. De heilige zette daar zijn studie met zoveel succes voort dat hij aller aandacht trok en de kardinaal schonk hem uit waardering voor zijn verdiensten een plaats in het college van Sint-Ildefonsus. Door de regelmaat van zijn eigen levenswandel bracht hij vele van zijn medestudenten ertoe zich toe te leggen op de christelijke volmaaktheid. Hij verstierf zijn zinnen door onthouding en grote gestrengheid en verdeelde zijn gehele tijd tussen gebed, studie en werken van naastenliefde, zodat hem geen tijd overbleef voor vermaak en ontspanning. Na elf jaar in Alcalá te hebben doorgebracht behaalde hij de graad van meester in de vrije kunsten en werd hij, zesentwintig jaar oud, in die stad tot hoogleraar in de wijsbegeerte benoemd. Zijn vader had voor hem een huis laten bouwen voor wanneer hij na zijn studie naar huis zou terugkeren, maar de heilige veranderde dit huis, met toestemming van zijn moeder, in een ziekenhuis. Nadat hij twee jaar te Alcalá had gedoceerd, werd hij met de toezegging van een eervolle bezoldiging uitgenodigd hetzelfde ambt te Salamanca te vervullen, een stad die beroemd was om haar oude universiteit en om de vele grote mannen die er hadden gewerkt. De voornaamste redenen waarom de heilige deze uitnodiging aannam waren zijn verlangen de lof te ontvluchten die hem in Alcalá ten deel viel en zijn hoop enkele belemmeringen uit de weg te ruimen die daar van de zijde van zijn vrienden waren ontstaan en zijn vaste voornemen om de wereld te verlaten in de weg stonden. Twee jaar doceerde hij moraalfilosofie te Salamanca.

terug naar inhoud

Augustijn en prediker

In die tijd overwoog hij welke religieuze staat hij zou kiezen. Na zeer rijp beraad, waarbij hij de regels van verschillende orden onderzocht en de geest van hun stichters overwoog, besloot hij zich aan te sluiten bij de Eremieten van de H. Augustinus (tegenwoordig de Orde van Sint Augustinus)

. In 1518 ontving hij het habijt in een zeer streng en voorbeeldig huis van deze orde te Salamanca, omstreeks dezelfde tijd waarin Luther in Duitsland van dezelfde orde afviel. Zijn gedrag tijdens het noviciaat toonde dat hij reeds lang gewend was aan versterving, aan de verzaking van zijn eigen wil en aan de beoefening van de heilige beschouwing. De eenvoud van zijn gehele optreden bekoorde zijn medebroeders en deed hen zich erover verwonderen hoe volkomen hij scheen te zijn vergeten dat hij hoogleraar aan een beroemde universiteit was geweest. Kort na het einde van zijn noviciaat werd hij in 1520 tot priester gewijd en belast met de prediking van het woord Gods en de bediening van het sacrament van boete. Hij vervulde deze taken met zoveel waardigheid en vrucht dat hij de apostel van Spanje werd genoemd. Ook toen hij met buitengewone bijval in de openbare school van de augustijnen te Salamanca een cursus theologie gaf, onderbrak hij deze werkzaamheden niet en stond hij zichzelf geen enkele verslapping toe in de naleving van zijn kloosterregel en verstervingen. Later was hij achtereenvolgens prior te Salamanca, Burgos en Valladolid, tweemaal provinciaal van Andalusië en eenmaal van Castilië. In al deze ambten gedroeg hij zich met een zachtmoedigheid en ijver die zijn medebroeders zowel stichtten als hun harten wonnen, zodat hij hen meer bestuurde door het voorbeeld van zijn allerheiligste leven dan door het gezag van zijn ambt. Zijn naastenliefde maakte hem toegankelijk voor allen die zijn hulp, raad of troost nodig hadden. De voorzichtigheid, kennis en geestelijke verlichting waarmee hij geneesmiddelen toepaste op de verschillende kwalen van de menselijke ziel, maakten duidelijk welk een grote weldaad God aan een volk schenkt wanneer Hij het geestelijke leidslieden geeft die bezield zijn door Zijn goddelijke Geest en door Hemzelf worden verlicht. De heilige vond deze hemelse bijstand in de voortdurende innige vereniging van zijn ziel met God. Tijdens zijn gebeden, vooral gedurende de Mis, geraakte hij dikwijls in vervoering en hoewel hij deze genaden en gunsten trachtte te verbergen, slaagde hij daarin niet. Na het heilig Offer straalde zijn gelaat als dat van Mozes en soms werden de ogen van degenen die hem aanschouwden erdoor verblind. Toen hij eens in de kathedraal van Burgos preekte en met ijver de ondeugden en ondankbaarheid van de zondaars berispte, hield hij een crucifix in zijn hand en riep met gebroken stem uit de grond van zijn hart: O christen, zie hier, o christen. Toen hij dit gezegd had, kon hij niet verder spreken, omdat hij in extase geraakte. Toen hij eveneens te Valladolid op Witte Donderdag voor keizer Karel V preekte en de woorden van de H. Petrus tot Onze Heer bij de voetwassing verklaarde, herhaalde hij: Heer, wast Gij mijn voeten? Gij, Heer van alle schepselen, Gij, Schepper der engelen, Gij, God van oneindige majesteit, wast mijn voeten? De opperste Koning die van een nietig schepsel, de Meester die van Zijn dienaar, de Onschuldige de voeten van een zondaar? Hier geraakte hij in vervoering, brak zijn preek af en bleef enige tijd met zijn ogen ten hemel geheven staan, terwijl hij overvloedig tranen stortte. De keizer koos hem tot een van zijn predikers, maakte hem later tot een van zijn raadslieden, nam zijn raad aan als een uitspraak uit de hemel en schreef hem soms wanneer hij ver weg was. Als bewijs van het grote gezag dat onze heilige bij deze vorst bezat, verhalen zijn levensbeschrijvers het volgende. De keizer had een bevel ondertekend tot terechtstelling van enige voorname personen die wegens verraad waren veroordeeld en noch de aartsbisschop van Toledo, noch zijn eigen zoon Filips, noch de gehele Spaanse adel konden hem door hun dringendste smeekbeden tot barmhartigheid bewegen. Ten slotte ging onze heilige op verzoek van Filips van Spanje naar hem toe en nadat hij enige tijd met hem gesproken had, wist hij de vertoornde vorst ertoe te bewegen zijn verzoek in te willigen. Toen de vorsten en edelen hierover hun verbazing uitspraken, zei de keizer hun dat wanneer de prior van de augustijnen van Valladolid iets van hem verlangde te verkrijgen, hij eerder gebood dan vroeg, zo sterk wist hij hem tot hetgeen hij verlangde te bewegen door hem ervan te overtuigen dat dit de wil van de Almachtige was. Hij is een ware dienaar Gods, zei de vorst, en hoewel hij onder stervelingen woont, is hij de eer waardig die verschuldigd is aan hen die reeds de kroon der onsterfelijkheid bezitten. Mensen van alle standen en rangen raadpleegden hem. Niet uit te drukken is met hoeveel ijver, voorzichtigheid en liefde hij trachtte de heerlijkheid Gods onder de mensen te bevorderen, vooral onder hen die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Hij ijverde zeer voor het behoud van de kloostertucht in zijn orde en was een groot vijand van gesprekken over nieuwtjes onder zijn medebroeders en van alles wat hun geest kon verstrooien of de wereld in hun kloosters kon binnenbrengen. Wanneer een van zijn onderdanen een ernstige fout had begaan, verenigde hij vasten en strenge lichamelijke boete met vurig gebed en tranen, opdat het de Heer van barmhartigheid zou behagen het verdwaalde schaap terug te brengen waarvoor Hij Zijn bloed had vergoten. Hij verdroeg geduldig de zwakheden en onvolmaaktheden van anderen en schikte zich, zoals de H. Paulus, naar ieders aard en zwakheid wanneer daardoor geen plicht werd geschonden. Toen hij provinciaal was bezocht hij zijn kloosters met bijzondere zorg en lette hij vooral op vier zaken. Ten eerste op de eredienst van God, opdat het goddelijk officie met de grootste eerbied en aandacht werd verricht, bij het zingen in het koor in het midden van ieder vers een gepaste rust werd gehouden en alles wat tot het altaar behoorde met grote netheid en reinheid werd onderhouden. Ten tweede beval hij de ijverige lezing van de Heilige Schrift en vrome boeken aan, samen met heilige overweging, zonder welke, zo zei hij, de godsvrucht onmogelijk lang kan standhouden. Ten derde droeg hij er grote zorg voor dat alle religieuzen in ieder klooster in de volmaaktste eendracht en eenheid leefden en spoorde hij allen aan tot de oprechtste en tederste broederlijke liefde. Ten vierde zorgde hij ervoor dat ieder naar zijn talenten werd ingezet en die ambten vervulde waarvoor hij het meest geschikt was.

terug naar inhoud

Aartsbisschop van Valencia

Terwijl de heilige zijn kloosters visiteerde, werd hij door keizer Karel V voor het aartsbisdom Granada voorgedragen en bevolen zich naar Toledo te begeven. Hij gehoorzaamde, maar ondernam de reis uitsluitend met het doel de waardigheid af te wijzen, waarin hij door zijn dringende smeekbeden naar wens slaagde. Enige tijd later legde George van Oostenrijk, oom van de keizer, het aartsbisdom Valencia neer om naar het bisdom Luik over te gaan. De keizer, die zich toen in Vlaanderen bevond, wilde Thomas deze zetel aanvankelijk niet aanbieden, omdat hij wist hoe zwaar deze waardigheid diens nederigheid zou vallen. Daarom beval hij zijn secretaris een benoemingsbrief op te stellen voor een bepaalde religieus van de orde van de H. Hiëronymus. Toen hij later bemerkte dat de secretaris daarin de naam van pater Thomas van Villanova had geschreven, vroeg hij naar de reden. De secretaris antwoordde dat hij meende deze naam gehoord te hebben, maar de vergissing gemakkelijk kon herstellen. Geenszins, zei de keizer, dit is door een bijzondere voorzienigheid Gods geschied. Laten wij daarom Zijn wil volgen. Zo ondertekende hij de benoeming van de H. Thomas en deze werd onmiddellijk naar Valladolid gezonden, waar Thomas prior was. De heilige weende bitter toen hij het bericht ontving en gebruikte alle mogelijke middelen om zich te verontschuldigen. Maar prins Filips, die tijdens de afwezigheid van zijn vader regent van Spanje was, liet zich niet gemakkelijk overreden en de aartsbisschop van Toledo en verscheidene anderen, die vreesden dat de benoeming anders zou mislukken, bewogen de provinciaal van de heilige ertoe hem krachtens zijn religieuze gehoorzaamheid en onder bedreiging met excommunicatie te bevelen zich aan de wil van de keizer te onderwerpen. Paus Paulus III zond de bul voor zijn wijding en deze plechtigheid werd te Valladolid verricht door kardinaal Juan de Tavera, aartsbisschop van Toledo. Reeds zeer vroeg de volgende ochtend vertrok de heilige naar Valencia. Zijn moeder, die zijn huis tot ziekenhuis voor armen en zieken had gemaakt en besloten had de rest van haar dagen aan hun dienst te wijden, smeekte hem zijn reis over Villanueva te laten gaan, zodat zij de voldoening zou hebben hem nog eenmaal te zien voordat zij stierf. Maar de heilige bisschop legde deze zaak volgens zijn gewoonte in Gods handen en reisde rechtstreeks naar zijn bisdom, overtuigd dat zijn nieuwe ambt hem verplichtte alle andere overwegingen achter te stellen bij zijn plicht zich zo spoedig mogelijk naar de kudde te begeven die aan zijn zorg was toevertrouwd. Hij reisde te voet, gekleed in zijn oude kloosterhabijt en met geen andere hoed dan die welke hij sinds zijn professie had gedragen, vergezeld door één religieus van zijn orde en twee dienaren. Bij zijn aankomst te Valencia trok hij zich terug in een klooster van zijn orde, waar hij verscheidene dagen in boete en godvruchtig gebed doorbracht om van God de genade af te smeken zijn ambt waardig te kunnen vervullen. Op de eerste dag van het volgende jaar, 1545, nam hij bezit van zijn kathedraal. Men wist hem ertoe te bewegen dit volgens de gebruikelijke plechtigheden te doen, te midden van de vreugde en toejuichingen van het volk. Toen hij echter naar de voor hem gereedgemaakte bisschopszetel in de kerk werd geleid, wierp hij de kussens en zijden bekleding terzijde, viel op zijn knieën op de kale vloer, omhelsde de voet van het kruis en aanbad Onze Heer onder een stroom van tranen. Voordat hij opstond kuste hij nederig de grond. Het kapittel schonk hem wegens zijn armoede vierduizend dukaten voor de inrichting van zijn huis. Hij nam het geschenk nederig en hoffelijk aan en dankte hen voor hun goedheid, maar zond het geld onmiddellijk naar het grote ziekenhuis met de opdracht het te besteden aan herstel van het gebouw en aan de arme zieken. Het eerste wat hij na afloop van de openbare plechtigheden deed was de gevangenissen van zijn bisdom bezoeken. Omdat hij deze te donker en ongeschikt bevond, beval hij dat zij veranderd en behoorlijk ingericht zouden worden.

terug naar inhoud

Herder van zijn bisdom

Men zegt dikwijls dat eerbewijzen de zeden veranderen, maar onze heilige behield niet alleen dezelfde volmaakte nederigheid van hart, maar voor zover mogelijk ook dezelfde uiterlijke tekenen van zijn volkomen verachting van zichzelf en van alle wereldse ijdelheid. Hij bleef bijna even eenvoudig gekleed gaan als tevoren en droeg zelfs enige jaren hetzelfde habijt dat hij uit zijn klooster had meegebracht. Soms verstelde hij het zelf, zoals hij in het klooster gewoon was geweest. Toen een van zijn kanunniken hem daar eens bij aantrof, zei deze dat hij zich erover verwonderde dat de aartsbisschop zijn tijd aan zulk gering werk besteedde, terwijl een kleermaker hem dat voor een kleinigheid uit handen kon nemen. De dienaar Gods antwoordde dat hij nog altijd een religieus was en dat die kleinigheid een arme te eten kon geven, maar hij verzocht de kanunnik niemand te vertellen wat hij hem had zien doen. Gewoonlijk droeg hij slechts oude kleren, zodat zijn kanunniken en huisgenoten zich voor hem schaamden, terwijl hijzelf als enige niet beschaamd was. Toen zij er bij hem op aandrongen zich te kleden en een staat te voeren die bij zijn waardigheid paste, antwoordde hij dat hij een gelofte van armoede had afgelegd en dat zijn gezag niet afhing van zijn kleding of uiterlijk, maar gedragen moest worden door zijn ijver en waakzaamheid. Met veel moeite bereikten zijn kanunniken dat hij zijn wollen hoed aflegde en een zijden hoed ging dragen. Daarna liet hij die soms lachend zien en zei: Zie mijn bisschoppelijke waardigheid. Mijn heren de kanunniken hebben geoordeeld dat ik deze zijden hoed moest dragen om onder de aartsbisschoppen gerekend te kunnen worden. De soberheid van zijn tafel was niet minder buitengewoon. Hij bleef de vasten en onthouding onderhouden die zijn regel voorschreef en stond nooit toe dat kostbare vis voor zijn tafel werd gekocht. De meerprijs, zei hij, kon een arme te eten geven, en hij was geen eigenaar maar slechts beheerder van de goederen van de Kerk. In de Advent en de Vasten, op woensdagen en vrijdagen en op vigiliedagen stelde hij zich tevreden met een weinig brood en water en vastte hij tot de avond. Zijn paleis was werkelijk een huis van armoede. Er was geen wandtapijt te zien en hij gebruikte geen linnengoed tenzij hij ziek was. Dikwijls rustte hij op een bundel droge takken met niets anders dan een harde steen als hoofdkussen. Hij vervulde alle plichten van een goede herder en bezocht de kerken van zijn bisdom. Overal, zowel in steden als dorpen, preekte hij met zoveel ijver en bezieling dat de woorden uit zijn mond als bliksemstralen en donderslagen schenen. Zijn preken werden overal waar hij kwam gevolgd door een wonderbare verandering in het gedrag en leven van de mensen, zodat men kon zeggen dat God een nieuwe apostel of profeet had verwekt om dit volk te hervormen. Na zijn visitatie riep hij een provinciaal concilie bijeen, waar hij met raad van zijn medebisschoppen heilige verordeningen vaststelde om de misbruiken die hij tijdens zijn visitatie had aangetroffen weg te nemen en vooral een volmaakte hervorming van zijn geestelijkheid tot stand te brengen. Het kostte hem veel moeite en tijd om ook zijn eigen kapittel te hervormen, maar uiteindelijk bereikte hij zijn doel. Bij alle moeilijke aangelegenheden nam hij als een andere Mozes zijn toevlucht tot het tabernakel om de wil van God te leren kennen. Dikwijls bracht hij dagen en nachten in zijn bidvertrek door om licht van boven af te smeken. Toen de heilige bemerkte dat zijn dienaren aarzelden hem tijdens zijn gebeden te storen wanneer mensen hem wilden raadplegen, gaf hij hun streng bevel hem onmiddellijk te roepen zodra iemand naar hem vroeg en niemand te laten wachten. Hij gaf hun daarvoor als reden dat eenzaamheid en afzondering weliswaar zijn grootste vreugde waren, maar dat hij sinds hij het aartsbisdom had aanvaard niet langer zichzelf toebehoorde en in dienst van zijn kudde stond. Door zijn volharding in het gebed verkreeg hij een zo voortreffelijke gave van raad en voorzichtigheid dat de rechtsgeleerden, wanneer hij een uitspraak had gedaan of zijn oordeel over een belangrijke zaak had gegeven, gewoon waren te zeggen dat er geen ruimte voor verdere twijfel overbleef. Wanneer een zaak van groot belang moest worden afgehandeld of een beruchte zondaar of misdadiger doof bleef voor alle vermaningen, bracht de heilige herder gehele nachten in gebed door. Om zijn gebeden krachtiger te maken voegde hij er tranen, buitengewone verstervingen en aalmoezen aan toe. Zo verkreeg hij van God verscheidene wonderbare bekeringen van hardnekkige zondaars en misdadigers, in het bijzonder van twee slechte priesters. Een van hen had hij in de tederste en krachtigste bewoordingen bezworen te bedenken tegen welke hoge prijs onze Verlosser zijn ziel had gekocht. Toen hij bemerkte dat de man daardoor nog niet voldoende werd bewogen, wierp hij zich voor een crucifix neer en terwijl hij een vloed van tranen stortte ontblootte hij zijn rug en geselde zijn lichaam zo hevig dat zijn kleren met bloed werden bevlekt. Deze liefde bracht de ander ertoe zelf te beginnen wenen, zich aan zijn voeten te werpen en hem te smeken deze gestrengheid tegen zichzelf te staken, terwijl hij zei dat hij degene was die gezondigd had en alle straf verdiende.

terug naar inhoud

Vader van de armen

De H. Thomas was buitengewoon vrijgevig en liefdevol tegenover allen die hem dienden. Zijn bisdom bracht jaarlijks achttienduizend dukaten op, waarvan tweeduizend als bij zijn aftreden voorbehouden pensioen aan prins George van Oostenrijk werden betaald. Twaalfduizend gaf de heilige aan de armen, zonder ook maar één penning voor het volgende jaar te bewaren, en slechts vierduizend behield hij voor alle kosten van zijn huishouding, herstelwerkzaamheden aan zijn paleis en andere uitgaven. Iedere dag kwamen ongeveer vijfhonderd armen aan zijn deur en ieder van hen ontving een aalmoes, gewoonlijk brood en soep, een beker wijn en een geldstuk. Hij nam alle arme wezen onder zijn bijzondere bescherming en gedurende de elf jaar waarin hij aartsbisschop was trouwde geen enkel arm meisje zonder door zijn liefdadigheid te zijn geholpen. Alle vondelingen in zijn bisdom liet hij met de tederheid van een zorgzame moeder grootbrengen. Hij bezocht hen dikwijls en beloonde de voedsters die bijzonder liefdevol en zorgvuldig voor hen zorgden extra. Om zijn portiers ertoe aan te moedigen ijverig naar door hun ouders te vondeling gelegde kinderen uit te zien, gaf hij hun voor iedere vondeling die zij bij hem brachten een kroon. Toen in 1550 een zeerover een stad aan de kust van zijn bisdom had geplunderd, zond de aartsbisschop onmiddellijk vierduizend dukaten en voor eenzelfde bedrag aan stoffen om de inwoners van het noodzakelijke te voorzien en de gevangenen vrij te kopen.

De H. Thomas van Villanova deelt aalmoezen uit aan de armen
De H. Thomas van Villanova deelt aalmoezen uit aan de armen. Hij is tweemaal afgebeeld: links op de voorgrond en rechts bij een tweede groep behoeftigen. Pedro Orrente, ca. 1620–1645, penseel en rode wassing over zwart krijt. The Metropolitan Museum of Art, New York.

Niet alleen was hijzelf de steun van de armen, hij bewoog ook de grote heren en alle rijken ertoe hun grootheid niet door pracht en ijdelheden te tonen, maar door vaders en beschermers van hun onderhorigen te worden en door overvloedige milddadigheid jegens de behoeftigen. Hij spoorde hen aan rijker te zijn in barmhartigheid en liefde dan in aardse bezittingen. Antwoord mij, o zondaar, wat kunt gij met uw geld kopen dat beter of noodzakelijker is dan de verlossing van uw zonden? Een andere keer zei hij: Indien gij verlangt dat God uw gebeden verhoort, luister dan naar de stem van de armen. Indien gij verlangt dat God in uw noden voorziet, voorzie dan in de noden van de behoeftigen zonder te wachten tot zij u erom smeken. Kom vooral tegemoet aan de noden van hen die zich schamen te bedelen. Hen dwingen om een aalmoes te vragen is hen ervoor laten betalen. Zijn liefde tot de naaste en al zijn overige deugden ontvingen hun volmaaktheid uit de brandende liefde tot God die in zijn zuivere hart brandde en die hij zowel door zijn werken als door de tederste woorden en innigste verzuchtingen tot uitdrukking bracht. Gij gebiedt mij, o Heer, U in alle dingen en boven alle dingen lief te hebben en Gij gebiedt mij dit zeer streng, op straffe van voor eeuwig beroofd te worden van het aanschouwen van Uw schoon en beminnelijk aanschijn, dat de engelen voortdurend verlangen te zien. Is het mogelijk, mijn God, dat ik zo ondankbaar en zo laag zou zijn dat ik zulk een gebod nodig heb? Nadat Gij mij naar Uw eigen beeld hebt geschapen en mij hebt verlost tegen de oneindige prijs van het bloed van Uw geliefde Zoon, nadat ik zoveel en zulke grote gunsten heb ontvangen, heb ik dan een gebod nodig om U lief te hebben? Ach, mijn God, Gij beschaamt mij door dit gebod. Maar o oneindig zoet en heerlijk gebod, o lichte last. Ik dank U onsterfelijk, mijn God, dat Gij mij door zulk een heilige en begeerlijke wet hebt verplicht U lief te hebben. Wat zou aangenamer en heerlijker, rechtvaardiger en roemvoller kunnen zijn dan U lief te hebben? Is het mogelijk dat enig schepsel dat in staat is U te kennen U niet zou liefhebben? Indien het mij verboden was U lief te hebben, dan zou mij dat onmogelijk en ondraaglijk moeten voorkomen. Dit verschrikt mij meer dan alle andere kwaden en kwellingen van de hel. O rampzalige schepselen die tot die ongelukkige plaats veroordeeld zijn omdat gij uw Schepper niet liefhebt, maar Hem haat en lastert. Is dit de dank die gij Hem bewijst? Laat mij liever vergaan, mijn God, dan ooit op te houden U lief te hebben. Indien ik U vergeet, laat dan mijn rechterhand vergeten worden. Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven indien ik U niet gedenk en U niet altijd tot voorwerp van mijn vreugde en liefde maak. En elders: Wie kan zich verontschuldigen voor zulk een zoet en licht gebod? Hoe rechtvaardig wordt hij voor eeuwig veroordeeld die liever in de hel brandt dan U lief te hebben.

terug naar inhoud

Laatste jaren en dood

Omdat de H. Thomas wegens zijn zwakke gezondheid niet persoonlijk aan het Concilie van Trente kon deelnemen, zond hij de bisschop van Huesca als zijn vertegenwoordiger. De meeste Spaanse bisschoppen die naar het concilie gingen, begaven zich eerst naar Valencia om zijn raad te ontvangen. De heilige leefde voortdurend in vrees en bezorgdheid onder de zware verplichtingen van het bisschopsambt en placht te zeggen dat hij nooit zozeer had gevreesd uit het getal der uitverkorenen te worden geschrapt als sinds hij in de rij der bisschoppen was opgenomen. Dikwijls had hij zijn invloed in Rome en aan het Spaanse hof aangewend om toestemming te verkrijgen zijn waardigheid neer te leggen. Uiteindelijk behaagde het God zijn gebed te verhoren door hem tot Zich te roepen. De zalige man was door een visioen gewaarschuwd dat hij op het feest van de Geboorte van de Heilige Maagd zou sterven. Op 29 augustus werd hij getroffen door een keelontsteking die met hevige koorts gepaard ging. Hij begon zijn onmiddellijke voorbereiding op zijn overgang door een algemene biecht van zelfs zijn geringste fouten, die hij onder vele tranen aflegde alsof hij de grootste van alle zondaars was. Daarna ontving hij het Viaticum en bij die gelegenheid bracht hij door een zeer aangrijpende vermaning allen die aanwezig waren tot bittere tranen. Vervolgens beval hij dat al het geld dat hij nog bezat, ongeveer vierduizend dukaten, onder de armen van alle parochies van de stad zou worden verdeeld. Daarna liet hij al zijn bezittingen aan de rector van zijn college geven, behalve het bed waarop hij lag. Omdat hij naakt uit deze wereld wilde heengaan, schonk hij ook dit bed aan de gevangenbewaarder voor gebruik door de gevangenen, maar leende het van hem terug totdat hij gestorven zou zijn. Toen hij vernam dat er nog geld voor hem was binnengebracht, liet hij het midden in de nacht onmiddellijk naar de armen brengen. Op de ochtend van 8 september bemerkte hij dat zijn krachten afnamen en liet hij het lijdensverhaal van Onze Heer volgens de H. Johannes voorlezen. Daarbij hief hij dikwijls zijn met tranen gevulde ogen op naar een crucifix. Vervolgens liet hij in zijn tegenwoordigheid de Mis opdragen. Na de consecratie bad hij de psalm In te, Domine, speravi, terwijl tranen uit zijn ogen stroomden. Na de communie van de priester sprak hij het vers: In Uw handen, o Heer, beveel ik mijn geest. Bij deze woorden gaf hij zijn ziel in Gods handen, in het zevenenzestigste jaar van zijn leven en het elfde van zijn bisschoppelijke waardigheid, in het jaar des Heren 1555. Volgens zijn wens werd hij begraven in de kerk van de augustijnen te Valencia. Paus Paulus V verklaarde hem in 1618 zalig en paus Alexander VII verklaarde hem in 1658 heilig. Zijn feest werd vastgesteld op 18 september. Zijn preken en zijn verklaring van het Hooglied, gedrukt in twee kwartodelen, ademen een bewonderenswaardige geest van nederigheid en een brandende liefde tot God en onze gezegende Verlosser. Het relaas van de vele wonderen die door zijn voorspraak en zijn relieken geschiedden, met de meest authentieke getuigenissen, is te vinden in het proces van zijn heiligverklaring dat vóór zijn werken is afgedrukt. Niets kan vuriger of tederder zijn dan zijn aansporing tot de goddelijke liefde: O wonderbare goedheid, God belooft ons de hemel als beloning voor onze liefde tot Hem. Is Zijn liefde zelf niet reeds een grote beloning, een hoogst begeerlijke, beminnelijke en zoete zegening? En toch wacht daarop nog een beloning, en wel een zo onmetelijke beloning. O wonderbare overvloed van goedheid. Gij schenkt ons Uw liefde en voor deze liefde tot U schenkt Gij ons het paradijs. Uw liefde is een zo groot goed dat men, om haar te verkrijgen, alle kwellingen en moeiten met vreugde zou moeten doorstaan. Toch schenkt Gij haar ons om niet en geeft Gij vervolgens de hemel als haar beloning. O almachtige Jezus, geef mij wat Gij gebiedt. Want hoewel U liefhebben het zoetste van alle dingen is, gaat het toch de kracht van de natuur te boven. Niettemin ben ik zonder verontschuldiging indien ik U niet liefheb, want Gij schenkt Uw liefde aan allen die haar verlangen of erom vragen. Ik kan niet zien zonder licht. Maar wanneer ik midden in het volle licht van de middag mijn ogen sluit, ligt de schuld bij mij en niet bij de zon.

Alban Butler, The Lives of the Fathers, Martyrs, and Other Principal Saints, september, Life of St. Thomas of Villanova, Archbishop of Valencia.

terug naar inhoud


Patroonheilige
Embleem van de Augustijner Orde

Patroon van de studenten en de studie binnen de Augustijner Orde.

H. Thomas van Villanova, O.P.N.