Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten

15 september – Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten

Het feest van Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten op 15 september richt de aandacht van de Kerk op Maria als de Moeder van Smarten, de Mater Dolorosa. Haar smarten worden beschouwd in hun bijzondere verbondenheid met het verlossend lijden en sterven van Christus. Het hoogtepunt daarvan is Calvarië. Maria staat onder het Kruis terwijl haar Zoon sterft. Bij de evangelist Johannes lezen wij: Bij het Kruis van Jezus stond zijn Moeder. Dat staan heeft in de katholieke traditie groot gewicht. Maria blijft bij Christus en aanschouwt de voltrekking van Zijn Offer. De gedachte gaat terug tot het evangelie van de Opdracht in de tempel. De oude Simeon neemt het Kind Jezus in zijn armen en voorzegt Zijn lijden. Tot Maria zegt hij dat een zwaard haar eigen ziel zal doorboren. Dat zwaard werd een van de voornaamste beelden van de devotie tot de Moeder van Smarten. Daarom wordt Maria in de kunst dikwijls met één zwaard in haar hart afgebeeld, en later ook met zeven zwaarden. Die zeven zwaarden verwijzen naar de zeven smarten die in de devotionele traditie afzonderlijk worden overwogen. De eerste is de voorspelling van Simeon. De tweede is de vlucht naar Egypte. De derde is het verlies van het twaalfjarige Kind Jezus in Jeruzalem. De vierde is de ontmoeting van Maria met Jezus op zijn kruisweg. De vijfde is de kruisiging en dood van Christus. De zesde is het afnemen van zijn lichaam van het Kruis en het ontvangen daarvan door Maria. De zevende is de graflegging. De verering van Maria’s smarten is oud, terwijl de vaste vorm van de zeven smarten zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Vooral de Servieten, de Orde van de Dienaren van Maria, hebben vanaf de middeleeuwen een grote rol gespeeld in de verbreiding ervan. De Kerk kende twee liturgische gedachtenissen van Maria’s smarten. Er was het feest op de vrijdag na Passiezondag, vlak voor de Goede Week. Dat richtte zich direct op Maria onder het Kruis en droeg de naam van de Zeven Smarten van de Heilige Maagd Maria. Het septemberfeest hing nauw samen met de Servieten. Paus Pius VII breidde het in 1814 uit tot de gehele Latijnse Kerk, na zijn terugkeer uit de gevangenschap waaraan Napoleon hem had onderworpen. Daarmee kreeg het feest een bijzondere historische achtergrond. De Kerk had jaren van vernedering en vervolging doorgemaakt en herdacht de Moeder die in haar smarten trouw bij Christus was gebleven. Onder paus Pius X kreeg het feest in 1913 zijn vaste datum van 15 september. Die plaats in de kalender is betekenisvol, want 14 september is het feest van de Kruisverheffing. Eerst verheft de Kerk het heilig Kruis van Christus. De volgende dag richt zij haar blik op Maria aan de voet van dat Kruis. Zo staan Kruisverheffing en Zeven Smarten onmiddellijk naast elkaar. Voor de liturgie van 15 september is het Stabat Mater van uitzonderlijk belang. Het begint met het beeld van de Moeder die wenend naast het Kruis staat terwijl haar Zoon eraan hangt. De bidder vraagt om met Maria bij Christus te mogen staan, om het lijden van Christus in het eigen hart te dragen en uiteindelijk door het Kruis tot het eeuwige leven te komen. Daarin ligt de kern van het feest. Maria brengt de gelovige naar het Kruis. Haar smarten zijn geheel bepaald door haar liefde voor Christus. Zo is de devotie tot de Zeven Smarten ten diepste op Christus en zijn Offer gericht. Ook de oude voorstelling van de Pietà hoort in deze wereld thuis. Maria ontvangt het dode lichaam van Christus. In de middeleeuwse kunst wordt dat vaak buitengewoon sober weergegeven. Zij is de Moeder die haar Zoon te Bethlehem heeft ontvangen en de Moeder die Hem na Calvarië opnieuw in haar armen ontvangt. Het Kind van Bethlehem en het geofferde Lichaam van Christus worden zo in één lijn van moederschap en lijden verbonden.

Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten
Onze Lieve Vrouw van Zeven Smarten, voorgesteld met de zeven zwaarden die haar hart doorboren.

Mater Dolorosa

O, hoe overstelpt met tranen,
hoe met bittere smart doorwond,
ziet de Maagd en Moeder neder
op haar Zoon die van het hout,
het bloedend hout is afgenomen,
die terneerligt in haar schoot.

O zijn zoete mond, zijn teder lichaam,
zijn doorboorde zij,
en zijn rechterhand doorstoken
en zijn linker zwaar gewond,
zijn met bloed bedekte voeten,
baadt zij in haar tranenstroom.

Honderd malen, duizend malen
klemt zij in haar armen vast
deze borst en deze armen,
streelt de wonden eindeloos,
ja, zij voelt zich gans versmelten
in haar kussen, in haar smart.

Moeder Gods, o, laat u bidden
om uw tranen, om uw smart,
om uw Zoon, ten grave dalend,
om zijn wonden purperrood,
o, doordring ons diep van binnen
met de diepte van uw smart.

Zij de Vader, zij de Zoon ook,
zij de Geest die met Hen leeft,
de Drievuldigheid tezamen,
eer en lof en majesteit,
glorie durend zonder einde
nu en tot in eeuwigheid. Amen.

De Zeven Smarten van Maria, Simon Bening
Simon Bening, De Zeven Smarten van Maria, ca. 1525–1530. Rond Maria zijn de zeven smarten afgebeeld: de voorspelling van Simeon, de vlucht naar Egypte, het verlies van Jezus in de tempel, de ontmoeting op de weg naar Calvarië, de dood van Jezus aan het Kruis, de afneming van het Kruis en de graflegging van Jezus. J. Paul Getty Museum, Los Angeles.

In De heerlijkheden van Maria wijdt de H. Alfonsus Maria de Liguori een afzonderlijke beschouwing aan ieder van de Zeven Smarten van de Moeder Gods. Hij overweegt achtereenvolgens de gebeurtenissen waarin Maria op bijzondere wijze deelnam aan het lijden van haar goddelijke Zoon. Iedere beschouwing wordt gevolgd door een voorbeeld en een gebed. Hieronder volgen de zeven beschouwingen in Nederlandse vertaling.

De eerste smart: de voorspelling van Simeon

In dit tranendal wordt ieder mens geboren om te wenen en moet ieder de verdrukkingen ondergaan die hem dagelijks treffen. Maar hoeveel ellendiger zou het leven zijn indien ieder ook de toekomstige rampen kende die hem zullen treffen. Al te ongelukkig, zegt Seneca, zou degene zijn aan wie dit lot ten deel viel. De Heer betoont ons deze barmhartigheid, dat Hij ons de kruisen die ons wachten niet van tevoren bekendmaakt, opdat wij, wanneer wij ze moeten dragen, ze ten minste slechts eenmaal behoeven te lijden. Maar deze barmhartigheid betoonde Hij niet aan Maria. Omdat God wilde dat zij de Koningin der Smarten zou zijn en in alles aan haar Zoon gelijkvormig, moest zij voortdurend voor ogen hebben en voortdurend lijden onder alle smarten die haar wachtten. Dit waren de smarten van het lijden en de dood van haar geliefde Jezus. Want toen de H. Simeon in de tempel het goddelijk Kind in zijn armen had ontvangen, voorspelde hij haar dat dit Kind het voorwerp zou worden van alle tegenspraak en vervolging van de mensen: Hij is gesteld tot een teken dat weersproken zal worden, en dat daarom het zwaard van smart haar ziel zou doorboren: En uw eigen ziel zal een zwaard doorboren. De heilige Maagd zelf zei tot de H. Mechtildis dat bij deze aankondiging van de H. Simeon al haar vreugde in smart veranderde. Want zoals aan de H. Teresia werd geopenbaard, wist de zalige Moeder weliswaar reeds tevoren dat het leven van haar Zoon zou worden geofferd voor het heil van de wereld, maar toen leerde zij meer in het bijzonder en duidelijker het lijden en de wrede dood kennen die haar arme Zoon wachtten. Zij wist dat Hij in alles zou worden tegengesproken. Tegengesproken in zijn leer, want in plaats van geloofd te worden, zou Hij voor een godslasteraar worden gehouden omdat Hij leerde dat Hij de Zoon van God was, zoals de goddeloze Kajafas verklaarde: Hij heeft God gelasterd, Hij is des doods schuldig. Tegengesproken in zijn goede naam, want hoewel Hij van edele en koninklijke afkomst was, werd Hij veracht als de zoon van een eenvoudige werkman: Is deze niet de zoon van de timmerman? Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria? Hij was de Wijsheid zelf en werd behandeld als een onwetende: Hoe kent deze de Schriften zonder ze geleerd te hebben? Als een valse profeet: Zij blinddoekten Hem en sloegen Hem in het aangezicht en zeiden: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft? Hij werd behandeld als een waanzinnige: Hij is bezeten, waarom luistert gij naar Hem? Als een wijndrinker, een gulzigaard en een vriend van zondaars: Zie, een gulzigaard en wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. Als een tovenaar: Door de vorst der duivelen drijft Hij de duivelen uit. Als een ketter en een bezetene: Zeggen wij niet terecht dat Gij een Samaritaan zijt en een duivel hebt? Kortom, Jezus werd voor zo slecht en berucht gehouden dat men geen rechtsgeding nodig achtte om Hem te veroordelen, zoals de Joden tot Pilatus zeiden: Als Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd. Hij werd tegengesproken in zijn ziel, want zelfs zijn eeuwige Vader liet, om aan de goddelijke gerechtigheid voldoening te geven, zijn gebed onverhoord toen Hij bad: Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk aan Mij voorbijgaan, en liet Hem over aan vrees, afmatting en droefheid, zodat onze bedroefde Heer sprak: Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe. Zijn innerlijk lijden deed Hem zelfs bloed zweten. Tenslotte werd Hij tegengesproken en vervolgd in zijn lichaam en in zijn leven, want Hij werd gefolterd in al zijn heilige ledematen, in zijn handen, zijn voeten, zijn aangezicht, zijn hoofd en zijn gehele lichaam, totdat Hij, van zijn bloed beroofd tot de laatste druppel, een smadelijke dood aan het Kruis stierf. Toen David, te midden van al zijn genoegens en koninklijke heerlijkheid, van de profeet Nathan vernam dat zijn zoon zou sterven, Het kind dat u geboren is, zal zeker sterven, kon hij geen rust vinden, maar weende, vastte en sliep op de grond. Maria ontving met de grootste kalmte de aankondiging dat haar Zoon zou sterven en bleef zich er vreedzaam aan onderwerpen. Maar welke smart moet zij voortdurend hebben geleden wanneer zij die beminnelijke Zoon steeds bij zich zag, van Hem de woorden van eeuwig leven hoorde en zijn heilige levenswandel aanschouwde. Abraham leed grote smart gedurende de drie dagen die hij met zijn geliefde Isaak doorbracht nadat hij wist dat hij hem zou verliezen. O God, niet drie dagen, maar drieëndertig jaren moest Maria een dergelijke smart dragen. Een dergelijke smart, zeg ik? Haar smart was zoveel groter als de Zoon van Maria beminnelijker was dan de zoon van Abraham. De zalige Maagd zelf openbaarde aan de H. Birgitta dat er, zolang zij op aarde leefde, geen uur was waarin deze smart haar ziel niet doorboorde. Zo dikwijls, vervolgde zij, als ik mijn Zoon aanschouwde, zo dikwijls als ik Hem in zijn windsels wikkelde, zo dikwijls als ik zijn handen en voeten zag, zo dikwijls werd mijn ziel als door een nieuwe smart overstelpt, omdat ik bedacht hoe Hij gekruisigd zou worden. Abt Rupertus stelt zich Maria voor terwijl zij haar Zoon voedt en Hem met deze woorden aanspreekt: Een bundel mirre is mijn Beminde voor mij, Hij zal tussen mijn borsten rusten. Ach, mijn Zoon, ik druk U in mijn armen omdat Gij mij zo dierbaar zijt, maar hoe dierbaarder Gij mij zijt, des te meer wordt Gij voor mij een bundel mirre en smart wanneer ik aan uw lijden denk. De H. Bernardinus van Siena zegt dat Maria overwoog dat de kracht der heiligen de dood zou ondergaan, dat de schoonheid van het paradijs misvormd zou worden, dat de Heer van het heelal als een misdadiger gebonden zou worden, dat de Schepper van alle dingen blauw geslagen zou worden, dat de Rechter van allen veroordeeld zou worden, dat de heerlijkheid des hemels veracht zou worden en dat de Koning der koningen met doornen gekroond en als een schijnkoning bespot zou worden. Pater Engelgrave schrijft dat aan dezelfde H. Birgitta werd geopenbaard dat de bedroefde Moeder, wetend wat haar Zoon zou moeten lijden, wanneer zij Hem voedde aan gal en azijn dacht, wanneer zij Hem in doeken wikkelde aan de koorden waarmee Hij gebonden zou worden, wanneer zij Hem in haar armen droeg aan zijn vastnageling aan het Kruis en wanneer Hij sliep aan zijn dood. Zo dikwijls zij Hem zijn kleren aantrok, bedacht zij dat deze eens van Hem zouden worden afgerukt om Hem te kruisigen. En wanneer zij zijn heilige handen en voeten aanschouwde en aan de nagels dacht die ze zouden doorboren, waren, zoals Maria tot de H. Birgitta zei, mijn ogen met tranen gevuld en werd mijn hart door smart gefolterd. De evangelist zegt dat Jezus Christus, naarmate Hij in jaren toenam, ook toenam in wijsheid en genade bij God en de mensen. Dat wil zeggen dat Hij toenam in wijsheid en genade voor de mensen, of in hun achting, en voor God, volgens de H. Thomas, in zoverre al zijn werken voortdurend zijn verdiensten zouden hebben kunnen vermeerderen, indien Hem niet reeds vanaf het begin de genade in haar volle volheid was geschonken krachtens de hypostatische vereniging. Maar indien Jezus toenam in de achting en liefde van anderen, hoeveel meer nam Hij dan toe in de liefde van Maria. Maar, o God, naarmate haar liefde toenam, nam ook haar smart toe bij de gedachte Hem door zo’n wrede dood te moeten verliezen. En hoe dichter het uur van het lijden van haar Zoon naderde, des te pijnlijker doorboorde het door de H. Simeon voorspelde zwaard van smart het hart van de Moeder. Juist dit openbaarde de engel aan de H. Birgitta: Dat zwaard van smart kwam ieder uur dichter bij de Maagd, naarmate het uur van het lijden van haar Zoon naderde. Indien dan Jezus, onze Koning, en zijn allerheiligste Moeder uit liefde tot ons niet geweigerd hebben gedurende hun gehele leven zulke wrede smarten te lijden, hebben wij geen reden te klagen wanneer wij een weinig moeten lijden. Jezus, aan het Kruis gehecht, verscheen eens aan zuster Magdalena Orsini, een dominicanes die reeds lange tijd een zware beproeving onderging, en moedigde haar aan om met Hem aan het Kruis te blijven met de smart die haar kwelde. Zuster Magdalena antwoordde Hem klagend: O Heer, Gij hebt slechts drie uren aan het Kruis geleden, maar ik draag dit kruis al meer dan drie jaren. Toen antwoordde de Verlosser: Ach, onwetende ziel, wat zegt gij? Ik heb vanaf het eerste ogenblik van mijn ontvangenis in mijn hart geleden wat Ik later aan het Kruis heb geleden. Wanneer wij dus een beproeving ondergaan en klagen, laat ons dan bedenken dat Jezus en zijn Moeder Maria dezelfde woorden tot ons spreken.

Voorbeeld

Pater Roviglione van de Sociëteit van Jezus verhaalt dat een jongeman de gewoonte had iedere dag een afbeelding van de bedroefde Maria te bezoeken, waarop zij was voorgesteld met zeven zwaarden die haar hart doorboorden. Op zekere nacht viel de ongelukkige jongeman in een doodzonde. Toen hij de volgende morgen de afbeelding bezocht, zag hij in het hart van de heilige Maagd niet zeven, maar acht zwaarden. Terwijl hij ernaar stond te kijken, hoorde hij een stem die hem zei dat zijn zonde het achtste zwaard aan het hart van Maria had toegevoegd. Hierdoor werd zijn verharde hart vermurwd. Hij ging onmiddellijk biechten en verkreeg door de voorspraak van zijn Voorspreekster opnieuw de goddelijke genade.

Gebed

O mijn zalige Moeder, niet slechts één zwaard, maar evenzovele zwaarden als ik zonden heb bedreven, heb ik aan die zeven in uw hart toegevoegd. Ach, mijn Vrouwe, uw smarten zijn niet verschuldigd aan u, die onschuldig zijt, maar aan mij, die schuldig ben. Maar daar gij zoveel voor mij hebt willen lijden, verkrijg voor mij door uw verdiensten een groot berouw over mijn zonden en geduld in de beproevingen van dit leven. Deze zullen altijd licht zijn in vergelijking met hetgeen ik verdiend heb, want dikwijls heb ik de hel verdiend. Amen.

Terug naar inhoud

De tweede smart: de vlucht van Jezus naar Egypte

Zoals een hert dat door een pijl gewond is de pijn overal met zich meedraagt, omdat het de pijl die het verwond heeft met zich draagt, zo droeg ook de goddelijke Moeder, na de voorspelling van de H. Simeon, zoals wij bij de eerste smart hebben overwogen, haar smart altijd met zich mee door de voortdurende herinnering aan het lijden van haar Zoon. Ailgrin verklaart de woorden uit het Hooglied, Het haar van uw hoofd is als het purper van de koning, gebonden in de watergangen, en zegt dat het haar van Maria haar voortdurende gedachten aan het lijden van Jezus voorstelde, waardoor zij steeds het bloed voor ogen had dat eens uit zijn wonden zou vloeien. Uw geest, o Maria, en uw gedachten, gekleurd door het bloed van het lijden van onze Heer, werden voortdurend door smart bewogen alsof gij het bloed werkelijk uit zijn wonden zag stromen. Zo was haar eigen Zoon die pijl in het hart van Maria die, naarmate Hij zich haar beminnenswaardiger toonde, haar des te dieper verwondde door de smartelijke gedachte dat zij Hem door zo wrede een dood zou verliezen. Laat ons nu de tweede smart overwegen die Maria verwondde, toen zij met het Kind Jezus naar Egypte moest vluchten voor de vervolging van Herodes. Herodes had gehoord dat de verwachte Messias geboren was en vreesde in zijn dwaasheid dat de pasgeboren Koning hem van zijn koninkrijk zou beroven. Daarom zegt de H. Fulgentius hem verwijtend: Waarom zijt gij zo verontrust, o Herodes? Deze geboren Koning is niet gekomen om koningen met wapens te overwinnen, maar om hen op wonderbare wijze door zijn dood aan zich te onderwerpen. De goddeloze Herodes wachtte daarom af totdat hij van de heilige Wijzen zou vernemen waar de Koning geboren was, om Hem van het leven te beroven. Maar toen hij bemerkte dat de Wijzen hem hadden misleid, liet hij alle kinderen in de omgeving van Bethlehem doden. Toen verscheen een engel in een droom aan de H. Jozef en zei: Sta op, neem het Kind en zijn Moeder en vlucht naar Egypte. Volgens Gerson maakte Jozef nog in diezelfde nacht dit bevel aan Maria bekend en begonnen zij, nadat zij het Kind Jezus hadden meegenomen, onmiddellijk hun reis, zoals duidelijk blijkt uit het Evangelie: Hij stond op, nam het Kind en zijn Moeder in de nacht en vertrok naar Egypte. O God, zegt de zalige Albertus de Grote in de naam van Maria, moet Hij dan vluchten die gekomen is om de wereld te redden? Toen begreep de bedroefde Maria dat de voorspelling van Simeon over haar Zoon reeds in vervulling begon te gaan: Hij is gesteld tot een teken dat weersproken zal worden. Nauwelijks is Hij geboren of men vervolgt Hem reeds ten dode. Welke smart moet het hart van Maria hebben gevoeld, schrijft de H. Johannes Chrysostomus, toen zij hoorde dat zij met haar Zoon in zo wrede ballingschap moest gaan. Vluchten van vrienden naar vreemden, van de heilige tempel van de enige ware God naar de tempels van de afgoden. Welke beproeving kan groter zijn dan dat een pasgeboren Kind, rustend aan de borst van zijn Moeder, samen met haar gedwongen wordt te vluchten? Ieder kan zich voorstellen hoeveel Maria tijdens deze reis moet hebben geleden. De afstand naar Egypte was groot. De schrijvers stemmen met Barrada overeen dat het ongeveer vierhonderd mijl was, zodat de reis ten minste dertig dagen duurde. De weg was, volgens de H. Bonaventura, ruw, onbekend, voerde door bossen en werd weinig gebruikt. Het was winter en daarom moesten zij reizen door sneeuw, regen, wind en storm, over slechte en moeilijke wegen. Maria was toen vijftien jaar oud, een tere Maagd, niet gewend aan zulke reizen. Zij hadden geen dienaar om hen bij te staan. De H. Petrus Chrysologus zegt dat Jozef en Maria geen knecht en geen dienstmaagd hadden, maar zelf meester en dienaar waren. O God, welk een aangrijpend schouwspel moet het geweest zijn die tere Maagd met dat pasgeboren Kind in haar armen door de wereld te zien trekken. De H. Bonaventura vraagt: waar vonden zij voedsel? Waar rustten zij in de nacht? Waar vonden zij onderdak? Welk voedsel konden zij hebben behalve een stuk hard brood dat Jozef had meegenomen of door liefdadigheid verkreeg? Waar konden zij slapen, vooral tijdens de tweehonderd mijl door de woestijn waar, zoals de schrijvers verhalen, huizen noch herbergen waren, tenzij op het zand of onder een boom in het bos, onder de open hemel, blootgesteld aan rovers en aan de wilde dieren waarvan Egypte overvloedig was? Wie deze drie grootste personen ter wereld op hun weg had ontmoet, zou hen voor niets anders hebben aangezien dan drie arme rondtrekkende bedelaars. Volgens Brocardus en Jansenius woonden zij in Egypte in een streek die Matarea werd genoemd, terwijl zij volgens de H. Anselmus in Heliopolis verbleven. Daar moeten zij gedurende de zeven jaren die zij er volgens de H. Antoninus, de H. Thomas en anderen doorbrachten grote armoede hebben geleden. Zij waren vreemdelingen, onbekend, zonder inkomsten, zonder geld en zonder verwanten. Slechts met moeite konden zij door hun nederige arbeid in hun levensonderhoud voorzien. De H. Basilius zegt dat, daar zij van alles beroofd waren, duidelijk is welke inspanningen zij moesten verrichten om het noodzakelijke voor het leven te verkrijgen. Landulfus van Saksen schrijft bovendien, en dit mag tot troost van de armen worden herhaald, dat de armoede van Maria daar zo groot was dat zij soms zelfs geen stukje brood had wanneer haar Zoon, door honger gedwongen, haar erom vroeg. De H. Mattheüs verhaalt ook dat, nadat Herodes gestorven was, de engel opnieuw in een droom aan de H. Jozef verscheen en hem opdroeg naar Judea terug te keren. De H. Bonaventura beschouwt bij deze terugkeer opnieuw de smart van de heilige Maagd vanwege het lijden dat Jezus tijdens de reis moest ondergaan. Hij was toen ongeveer zeven jaar oud, een leeftijd waarop Hij, zegt de heilige, te groot was om gedragen te worden en te klein om zonder hulp te lopen. Het gezicht van Jezus en Maria, die als vluchtelingen door deze wereld trokken, leert ons dat ook wij als pelgrims op aarde moeten leven, losgemaakt van de goederen die de wereld ons aanbiedt, omdat wij ze spoedig moeten verlaten om naar de eeuwigheid te gaan: Wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomstige. De H. Augustinus voegt daaraan toe: Gij zijt een vreemdeling, gij ziet en gaat voorbij. Het leert ons ook de kruisen te aanvaarden, want wij kunnen in deze wereld niet zonder kruis leven. De zalige Veronica van Binasco, augustines, werd in de geest meegenomen om Maria en het Kind Jezus op deze reis naar Egypte te vergezellen. Aan het einde van de reis zei de goddelijke Moeder tot haar: Mijn kind, hebt gij gezien door hoeveel moeilijkheden wij deze plaats bereikt hebben? Leer nu dat niemand genaden ontvangt zonder te lijden. Wie de smarten van dit leven het minst wil voelen, moet Jezus en Maria met zich meenemen: Neem het Kind en zijn Moeder. Voor wie deze Zoon en deze Moeder liefdevol in zijn hart draagt, worden alle smarten licht en zelfs zoet en dierbaar. Laten wij hen dan liefhebben en Maria troosten door haar Zoon in ons hart te ontvangen, Hem die de mensen ook nu nog door hun zonden blijven vervolgen.

Voorbeeld

Op zekere dag verscheen de allerheiligste Maria aan de zalige Coleta, franciscanes, en toonde haar het Kind Jezus in een schaal, geheel in stukken gescheurd. Daarna zei zij tot haar: Zo behandelen de zondaars voortdurend mijn Zoon, doordat zij zijn dood en mijn smarten vernieuwen. O mijn dochter, bid voor hen, opdat zij zich bekeren. Hieraan gelijk is een ander visioen dat de eerbiedwaardige zuster Johanna van Jezus en Maria, eveneens franciscanes, ontving. Terwijl zij op zekere dag het Kind Jezus overdacht, vervolgd door Herodes, hoorde zij een groot geraas alsof gewapende mannen iemand achtervolgden. Toen verscheen voor haar een zeer schoon Kind dat in grote angst vluchtte en tot haar riep: Mijn Johanna, help Mij, verberg Mij. Ik ben Jezus van Nazareth. Ik vlucht voor de zondaars die Mij willen doden en Mij vervolgen zoals Herodes deed. Red gij Mij.

Gebed

O Maria, zelfs nadat uw Zoon gestorven is door de handen van mensen die Hem tot de dood toe vervolgden, zijn deze ondankbare mensen nog niet opgehouden Hem door hun zonden te vervolgen en u, o Moeder van Smarten, voortdurend te bedroeven. En ook ik, o God, ben een van hen geweest. Ach, mijn allerliefste Moeder, verkrijg voor mij tranen om over zo grote ondankbaarheid te wenen. En door de smarten die gij tijdens uw reis naar Egypte hebt geleden, sta mij bij op de reis die ik naar de eeuwigheid maak, opdat ik mij tenslotte met u mag verenigen om mijn vervolgde Verlosser lief te hebben in het vaderland der zaligen. Amen.

Terug naar inhoud

De derde smart: het verlies van Jezus in de tempel

De apostel Jacobus zegt dat onze volmaaktheid bestaat in de deugd van het geduld: Het geduld moet een volmaakt werk hebben, opdat gij volmaakt en ongeschonden zijt en in niets tekortschiet. Daar de Heer ons de Maagd Maria als voorbeeld van volmaaktheid heeft gegeven, was het noodzakelijk dat zij met smarten werd overladen, opdat wij in haar haar heldhaftig geduld zouden bewonderen en navolgen. De smart die wij nu overwegen is een van de grootste die onze goddelijke Moeder gedurende haar leven heeft geleden, namelijk het verlies van haar Zoon in de tempel. Wie blind geboren is, voelt slechts weinig wat het betekent van het daglicht beroofd te zijn. Maar wie eenmaal heeft kunnen zien en het licht heeft genoten, ondervindt grote smart wanneer hij door blindheid ervan beroofd wordt. Zo is het ook met die ongelukkige zielen die, verblind door het slijk van deze aarde, weinig kennis van God hebben en daarom nauwelijks smart voelen wanneer zij Hem niet vinden. Daarentegen, o God, hoeveel treurt de mens die door hemels licht verlicht is en door de liefde de zoete tegenwoordigheid van het hoogste Goed heeft mogen smaken, wanneer hij merkt dat hij daarvan beroofd is. Hieruit kunnen wij begrijpen hoe smartelijk voor Maria, die gewend was voortdurend de zoete tegenwoordigheid van Jezus te genieten, dat derde zwaard geweest moet zijn dat haar verwondde toen zij Hem in Jeruzalem verloor en drie dagen van Hem gescheiden was. In het tweede hoofdstuk van de H. Lucas lezen wij dat de zalige Maagd gewoon was ieder jaar tijdens het paasfeest met Jozef, haar bruidegom, en Jezus de tempel te bezoeken. Toen Jezus ongeveer twaalf jaar oud was, ging zij opnieuw, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zij het wist, omdat zij meende dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond. Toen zij bemerkte dat haar Zoon niet bij hen was, keerde zij onmiddellijk naar Jeruzalem terug om Hem te zoeken, maar zij vond Hem pas na drie dagen. Laat ons ons voorstellen welke benauwdheid deze bedroefde Moeder gedurende die drie dagen moet hebben gevoeld, terwijl zij overal naar haar Zoon zocht met de woorden van de bruid uit het Hooglied: Hebt gij Hem gezien die mijn ziel bemint? Maar zij kon geen bericht over Hem verkrijgen. Met hoeveel grotere tederheid moet Maria, uitgeput van vermoeidheid en nog altijd zonder haar geliefde Zoon gevonden te hebben, de woorden van Ruben over zijn broer Jozef hebben herhaald: De jongen is er niet, en waar zal ik heengaan? Mijn Jezus is er niet en ik weet niet wat ik moet doen om Hem te vinden. Waar zal ik heengaan zonder mijn schat? Onophoudelijk wenend herhaalde zij gedurende die drie dagen met David: Mijn tranen waren mij tot brood dag en nacht, terwijl men dagelijks tot mij zei: Waar is uw God? Daarom zegt Pelbartus terecht dat de bedroefde Moeder tijdens die nachten geen rust nam, maar zonder ophouden weende en God bad dat Hij haar haar Zoon zou laten terugvinden. Volgens de H. Bernardus richtte zij in die tijd dikwijls tot haar Zoon zelf de woorden van de bruid: Toon mij waar Gij weidt, waar Gij rust op de middag, opdat ik niet begin rond te dwalen. Mijn Zoon, zeg mij waar Gij zijt, opdat ik niet langer tevergeefs ronddwaal terwijl ik U zoek. Sommige schrijvers zeggen, en niet zonder reden, dat deze smart niet alleen een van de grootste, maar de grootste en pijnlijkste van alle was. In haar andere smarten had Maria Jezus immers bij zich. Zij leed toen de H. Simeon zijn voorspelling in de tempel uitsprak. Zij leed tijdens de vlucht naar Egypte, maar steeds was Jezus bij haar. In deze smart leed zij echter ver van Jezus, zonder te weten waar Hij was: En zelfs het licht van mijn ogen is niet bij mij. Onder tranen kon zij toen uitroepen: Ach, het licht van mijn ogen, mijn geliefde Jezus, is niet meer bij mij. Hij is ver van mij en ik weet niet waar Hij is. Origenes zegt dat deze heilige Moeder door de liefde die zij haar Zoon toedroeg bij dit verlies van Jezus meer leed dan welke martelaar ook bij zijn dood. Ach, hoe lang waren deze drie dagen voor Maria. Zij schenen haar drie eeuwen toe. Bittere dagen, want niemand kon haar troosten. Met Jeremias kon zij zeggen: Wie kan mij troosten wanneer Hij die mij kon troosten ver van mij is? Daarom zijn mijn ogen niet verzadigd van tranen: Daarom ween ik en mijn ogen vloeien over van tranen, omdat de Trooster ver van mij is. En met Tobias herhaalde zij: Welke vreugde kan er voor mij zijn, die in duisternis zit en het licht van de hemel niet ziet? Ten tweede kende Maria bij haar andere smarten de oorzaak en het doel ervan, namelijk de verlossing van de wereld en de goddelijke wil. Maar hier kende zij de reden van de afwezigheid van haar Zoon niet. De bedroefde Moeder leed omdat Jezus zich aan haar onttrokken had. Volgens Lanspergius deed haar nederigheid haar denken dat zij misschien niet langer waardig was bij Hem te blijven, Hem op aarde te dienen en voor zo grote een schat te zorgen. Misschien, dacht zij, heb ik Hem niet gediend zoals ik had moeten doen. Misschien ben ik in iets nalatig geweest en heeft Hij mij daarom verlaten. Origenes zegt dat zij Hem zochten uit vrees dat Hij hen misschien verlaten had. Voor een ziel die God liefheeft bestaat zeker geen grotere smart dan de vrees Hem te hebben mishaagd. Daarom klaagde Maria in geen van haar andere smarten, maar hier sprak zij na Hem teruggevonden te hebben liefdevol tot Jezus: Zoon, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik hebben U met smart gezocht. Met deze woorden wilde zij Jezus niet berispen, zoals ketters godslasterlijk hebben beweerd, maar Hem slechts de smart bekendmaken die zij gedurende zijn afwezigheid door de liefde tot Hem had geleden. De zalige Dionysius de Kartuizer zegt: Het was geen berisping, maar een liefdevolle klacht. Dit zwaard doorboorde het hart van de Maagd zo wreed dat de zalige Benvenuta, die op zekere dag verlangde te delen in de smart van de heilige Moeder bij deze gebeurtenis en haar bad die genade voor haar te verkrijgen, Maria aan haar verscheen met het Kind Jezus in haar armen. Terwijl Benvenuta zich verheugde over het aanschouwen van dat zeer schone Kind, werd het haar plotseling uit het oog genomen. Haar smart werd zo groot dat zij haar toevlucht tot Maria nam en haar smeekte medelijden met haar te hebben, opdat zij niet van verdriet zou sterven. Drie dagen later verscheen de heilige Maagd opnieuw en zei tot haar: Leer nu, mijn dochter, dat uw smart slechts een klein deel is van hetgeen ik heb geleden toen ik mijn Zoon verloor. Deze smart van Maria moet in de eerste plaats tot troost dienen voor zielen die verlaten zijn en niet meer de zoete tegenwoordigheid van hun Heer genieten die zij vroeger hebben gekend. Zij mogen wenen, maar laten zij in vrede wenen, zoals Maria weende in de afwezigheid van haar Zoon. Laten zij moed houden en niet vrezen dat zij daarom de goddelijke gunst verloren hebben. God zelf zei tot de H. Teresia: Niemand gaat verloren zonder het te weten en niemand wordt misleid zonder misleid te willen worden. Wanneer de Heer zich aan het gezicht van een ziel die Hem liefheeft onttrekt, verlaat Hij daarom haar hart niet. Dikwijls verbergt Hij zich opdat zij Hem met groter verlangen en grotere liefde zal zoeken. Maar wie Jezus wil vinden, moet Hem niet zoeken tussen de genoegens en vermaken van de wereld, maar tussen kruisen en verstervingen, zoals Maria Hem zocht: Met smart zochten wij U. Origenes zegt: Leer van Maria Jezus te zoeken. Bovendien moeten wij in deze wereld geen ander goed zoeken dan Jezus. Job was niet ongelukkig toen hij alles verloor wat hij op aarde bezat, zijn rijkdom, zijn kinderen, zijn gezondheid en zijn eer, en zelfs van zijn troon op de mesthoop terechtkwam. Omdat hij God nog bezat, was hij zelfs toen gelukkig. De H. Augustinus zegt over hem: Hij had alles verloren wat God hem gegeven had, maar hij bezat God zelf. Ongelukkig en werkelijk ellendig zijn alleen de zielen die God verloren hebben. Wanneer Maria drie dagen weende over de afwezigheid van haar Zoon, hoeveel meer zouden zondaars dan moeten wenen die de goddelijke genade verloren hebben en tot wie God zegt: Gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. De zonde doet immers juist dit, zij scheidt de ziel van God: Uw ongerechtigheden hebben scheiding gebracht tussen u en uw God. Daarom worden voor zondaars die alle goederen van de aarde bezitten maar God verloren hebben, alle dingen op aarde slechts ijdelheid en kwelling, zoals Salomo bekende: Zie, alles is ijdelheid en kwelling des geestes. De H. Augustinus zegt dat het grootste ongeluk van deze arme verblinde zielen hierin bestaat dat zij, wanneer zij een os verliezen, hem onmiddellijk gaan zoeken, wanneer zij een schaap verliezen alle moeite doen om het terug te vinden, en wanneer zij een lastdier verliezen geen rust hebben, maar wanneer zij het hoogste Goed, God zelf, verliezen, rustig eten, drinken en slapen.

Voorbeeld

In de jaarbrieven van de Sociëteit van Jezus wordt verhaald dat in India een jongeman juist zijn kamer wilde verlaten om een zonde te begaan, toen hij een stem hoorde die zei: Halt, waar gaat gij heen? Hij keerde zich om en zag een reliëfafbeelding van de bedroefde Maria. Zij trok het zwaard uit haar borst en zei tot hem: Neem deze dolk en doorboor liever mijn hart dan mijn Zoon door deze zonde te verwonden. Bij het horen van deze woorden wierp de jongeman zich ter aarde. Met diepe rouw en onder tranen vroeg en verkreeg hij van God en van de Maagd vergiffenis voor zijn zonde.

Gebed

O zalige Maagd, waarom zijt gij bedroefd terwijl gij uw verloren Zoon zoekt? Is het omdat gij niet weet waar Hij is? Maar weet gij niet dat Hij in uw hart is? Ziet gij niet dat Hij tussen de lelies weidt? Gijzelf hebt gezegd: Mijn Beminde is van mij en ik ben van Hem, die tussen de lelies weidt. Uw nederige, zuivere en heilige gedachten en genegenheden zijn allen lelies die de goddelijke Bruidegom uitnodigen bij u te verblijven. Ach Maria, zucht gij naar Jezus, gij die niemand anders dan Jezus liefhebt? Laat het zuchten over aan mij en aan zoveel andere zondaars die Hem niet liefhebben en Hem door hun zonden verloren hebben. Mijn allerliefste Moeder, indien uw Zoon door mijn schuld nog niet in mijn ziel is teruggekeerd, verkrijg voor mij dan dat ik Hem mag vinden. Ik weet dat Hij zich laat vinden door allen die Hem zoeken: De Heer is goed voor de ziel die Hem zoekt. Maak dat ik Hem zoek zoals ik Hem moet zoeken. Gij zijt de poort waardoor allen Jezus vinden. Door u hoop ook ik Hem te vinden.

Terug naar inhoud

De vierde smart: de ontmoeting van Maria met Jezus op weg naar Calvarië

De H. Bernardinus zegt dat wij, om ons enig denkbeeld te vormen van de smart van Maria bij het verlies van Jezus door de dood, moeten bedenken hoe groot de liefde was die deze Moeder haar Zoon toedroeg. Alle moeders voelen het lijden van hun kinderen als hun eigen lijden. Daarom vroeg de Kanaänitische vrouw, toen zij de Verlosser smeekte haar dochter te bevrijden van de duivel die haar kwelde, Hem medelijden te hebben met de moeder en niet alleen met de dochter: Heer, Zoon van David, ontferm U over mij, mijn dochter wordt hevig door een duivel gekweld. Maar welke moeder heeft ooit een kind zo liefgehad als Maria Jezus liefhad? Hij was haar enige Zoon, grootgebracht te midden van zoveel moeilijkheden en smarten, een allerbeminnelijkst Kind dat zijn Moeder innig liefhad, een Zoon die tegelijk haar Zoon en haar God was. Hij was op aarde gekomen om in de harten van allen het heilige vuur van de goddelijke liefde te ontsteken, zoals Hijzelf verklaarde: Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen, en wat wil Ik anders dan dat het ontstoken wordt? Bedenken wij dan hoezeer Hij dat zuivere hart van zijn heilige Moeder moet hebben ontvlamd, dat geheel vrij was van iedere aardse gehechtheid. De zalige Maagd zelf zei tot de H. Birgitta dat haar hart en het hart van haar Zoon door de liefde één waren: Mijn hart en het hart van mijn Zoon waren één. De vereniging van dienstmaagd en Moeder, van Zoon en God, ontstak in het hart van Maria een vuur dat uit duizend vlammen bestond. Maar ten tijde van het Lijden veranderde deze vlam van liefde in een zee van smart. Daarom zegt de H. Bernardinus dat alle smarten van de wereld tezamen niet gelijk zouden zijn aan de smart van de heerlijke Maagd Maria. Want, zoals de H. Laurentius Justinianus schrijft, hoe tederder zij Hem liefhad, des te dieper werd zij gewond. Hoe groter de liefde waarmee zij Hem beminde, des te groter was haar smart bij het aanschouwen van zijn lijden, vooral toen zij haar reeds ter dood veroordeelde Zoon ontmoette terwijl Hij zijn Kruis naar de plaats van terechtstelling droeg. Dit is het vierde zwaard van smart dat wij nu overwegen. De zalige Maagd openbaarde aan de H. Birgitta dat, toen het Lijden van onze Heer naderde, haar ogen voortdurend met tranen gevuld waren wanneer zij dacht aan haar geliefde Zoon die zij weldra op aarde zou verliezen. Zij zei ook dat haar lichaam met koud zweet werd bedekt door de vrees voor het lijden dat naderde. Eindelijk brak de vastgestelde dag aan en Jezus kwam, onder tranen, afscheid nemen van zijn Moeder voordat Hij zijn dood tegemoetging. De H. Bonaventura beschouwt Maria in die nacht en zegt dat zij die zonder slaap doorbracht. Terwijl anderen sliepen, bleef zij waken. Toen de morgen gekomen was, kwamen de leerlingen van Jezus Christus naar deze bedroefde Moeder. De een bracht haar dit bericht, een ander weer iets anders, maar alles wat zij hoorde bracht haar smart. Toen werden in haar de woorden van Jeremias vervuld: Wenend weent zij in de nacht en haar tranen zijn op haar wangen, niemand van allen die haar dierbaar waren troost haar. De een vertelde haar hoe wreed haar Zoon in het huis van Kajafas behandeld was, een ander welke beledigingen Hij bij Herodes had ondergaan. Om tot hetgeen wij hier overwegen te komen laat ik de overige gebeurtenissen voorbijgaan. Tenslotte kwam de H. Johannes en deelde Maria mee dat de hoogst onrechtvaardige Pilatus haar Zoon reeds tot de kruisdood had veroordeeld. Ik noem hem onrechtvaardig omdat, zoals de H. Leo opmerkt, deze onrechtvaardige rechter Hem met dezelfde mond ter dood veroordeelde waarmee hij Hem onschuldig had verklaard. Ach, bedroefde Moeder, zo moet de H. Johannes haar hebben gezegd, uw Zoon is reeds ter dood veroordeeld. Hij is al onderweg naar Calvarië en draagt zelf zijn Kruis, zoals Johannes later in zijn Evangelie schreef: En terwijl Hij zelf zijn Kruis droeg, ging Hij naar de plaats die Calvarië wordt genoemd. Kom, indien gij Hem nog wilt zien en Hem een laatste vaarwel wilt zeggen, ga dan naar een van de straten waar Hij voorbij moet komen. Maria gaat met de H. Johannes mee en aan het bloed waarmee de weg besprenkeld is, bemerkt zij dat haar Zoon daar reeds voorbijgegaan is. Dit openbaarde zij aan de H. Birgitta: Aan de voetstappen van mijn Zoon herkende ik de weg die Hij gegaan was, want overal waar Hij voorbijging was de grond met bloed besprenkeld. De H. Bonaventura stelt zich voor dat de bedroefde Moeder een kortere weg nam en zich op een straathoek opstelde om haar lijdende Zoon daar te ontmoeten. De diepbedroefde Moeder ontmoette haar diepbedroefde Zoon, zegt de H. Bernardus. Terwijl Maria daar stond, hoeveel beledigingen tegen haar Zoon zal zij uit de mond van de Joden die haar kenden hebben gehoord, en misschien ook bespottingen die tegen haarzelf gericht waren. Ach, welk een schouwspel van smart verscheen voor haar ogen toen zij de spijkers, de hamers, de touwen en de andere werktuigen van de dood van haar Zoon voor Hem uit zag dragen. Welk een zwaard moet haar hart hebben doorboord toen zij de bazuin hoorde waarmee onderweg het doodvonnis van haar Zoon werd afgekondigd. Maar zie, nadat de werktuigen, de bazuin en de dienaren van het gerecht voorbijgegaan zijn, heft zij haar ogen op en ziet zij, o God, een jonge man van hoofd tot voeten bedekt met bloed en wonden, met een kroon van doornen op het hoofd en twee zware balken op zijn schouders. Zij kijkt naar Hem en herkent Hem nauwelijks, zodat zij met Isaïas kan zeggen: Wij hebben Hem gezien en er was geen schoonheid in Hem. Door zijn wonden, kneuzingen en het gestolde bloed zag Hij eruit als een melaatse: Wij hebben Hem beschouwd als een melaatse. Hij was nauwelijks nog herkenbaar: Zijn gelaat was als verborgen en veracht, daarom achtten wij Hem niet. Maar uiteindelijk herkent de liefde Hem. Zodra zij Hem herkent, wat moet er toen, zoals de H. Petrus van Alcántara in zijn overwegingen zegt, in het hart van Maria aan liefde en vrees zijn omgegaan. Aan de ene kant verlangde zij Hem te zien, aan de andere kant kon zij het aanschouwen van zo’n erbarmelijke toestand nauwelijks verdragen. Eindelijk ontmoeten hun ogen elkaar. De Zoon veegt het gestolde bloed uit zijn ogen dat Hem het zien belemmerde, zoals aan de H. Birgitta werd geopenbaard, en ziet zijn Moeder aan. De Moeder ziet haar Zoon aan. Ach, blikken vol smart, die als evenzovele pijlen de twee heilige en liefhebbende harten doorboorden. Toen Margaretha, de dochter van Thomas More, haar vader ontmoette terwijl hij naar het schavot werd gebracht, kon zij slechts uitroepen: O vader, o vader, waarna zij aan zijn voeten neerviel. Maria viel niet bewusteloos toen zij haar Zoon naar Calvarië zag gaan. Dat paste niet bij deze Moeder, merkt pater Suárez op. Zij stierf evenmin, want God bewaarde haar voor nog grotere smart. Maar al stierf zij niet, zij leed genoeg om duizendmaal te sterven. De Moeder wilde Hem omhelzen, zegt de H. Anselmus, maar de gerechtsdienaren duwden haar weg, beledigden haar en dreven onze bedroefde Heer verder. Maria volgde Hem. Ach, heilige Maagd, waar gaat gij heen? Naar Calvarië. Kunt gij het verdragen Hem die uw leven is aan een Kruis te zien hangen? Uw leven zal als het ware voor uw ogen hangen. Sta stil, mijn Moeder, zegt de H. Laurentius Justinianus als sprak de Zoon zelf tot haar. Waarheen haast gij u? Waar gaat gij heen? Indien gij komt waar Ik heen ga, zult gij door mijn lijden gefolterd worden en Ik door het uwe. Maar hoewel het aanschouwen van haar stervende Jezus haar zo’n bittere smart zou kosten, wilde de liefhebbende Maria Hem niet verlaten. De Zoon ging voorop en de Moeder volgde Hem, opdat zij met haar Zoon gekruisigd zou worden. Zoals abt Willem zegt: De Moeder nam haar kruis op en volgde Hem om met Hem gekruisigd te worden. Wij hebben zelfs medelijden met wilde dieren, zegt de H. Johannes Chrysostomus. Wanneer wij een leeuwin haar jong zouden zien volgen terwijl het ter dood wordt gebracht, zou zelfs dit dier ons medelijden opwekken. Zullen wij dan geen medelijden hebben wanneer wij Maria haar onbevlekte Lam zien volgen terwijl men Hem naar de dood voert? Laten wij daarom medelijden met haar hebben en trachten haar en haar Zoon te volgen door met geduld het kruis te dragen dat de Heer ons oplegt. Waarom, vraagt de H. Johannes Chrysostomus, wilde Jezus Christus tijdens zijn andere smarten alleen zijn, maar wilde Hij bij het dragen van het Kruis geholpen worden door de Cyreneeër? Hij antwoordt: Opdat gij begrijpt dat het Kruis van Christus zonder het uwe niet voldoende is. Het Kruis van Jezus alleen zal ons niet baten indien wij niet ook ons eigen kruis met overgave dragen tot aan de dood.

Voorbeeld

De Verlosser verscheen eens aan zuster Diomira, een kloosterzuster te Florence, en zei tot haar: Denk aan Mij en bemin Mij, dan zal Ik aan u denken en u beminnen. Tegelijk gaf Hij haar een bos bloemen en een kruis, waarmee Hij te kennen gaf dat de vertroostingen van de heiligen op aarde altijd met het kruis verbonden zijn. Het kruis verenigt de zielen met God. De zalige Hiëronymus Aemilianus leidde als soldaat een zeer zondig leven en werd door zijn vijanden in een toren opgesloten. Daar werd hij diep getroffen door zijn ellende en door God verlicht om zijn leven te verbeteren. Hij nam zijn toevlucht tot de allerheiligste Maria en begon met de hulp van deze goddelijke Moeder een heilig leven te leiden. Daardoor verdiende hij eenmaal in de hemel de verheven plaats te aanschouwen die God voor hem had bereid. Hij werd stichter van de orde der Somaschi, stierf als een heilige en werd later door de heilige Kerk zalig verklaard.

Gebed

O mijn bedroefde Moeder, door de verdienste van de smart die gij gevoeld hebt toen gij uw geliefde Jezus naar de dood zag voeren, verkrijg voor mij de genade ook de kruisen die God mij zendt met geduld te dragen. Gelukkig zal ik zijn indien ook ik u met mijn kruis tot aan de dood weet te volgen. Gij en Jezus hebt beiden, hoewel onschuldig, een zwaar kruis gedragen. Zal ik, een zondaar die de hel verdiend heb, dan weigeren het mijne te dragen? Ach, onbevlekte Maagd, ik vertrouw erop dat gij mij zult helpen mijn kruisen met geduld te dragen. Amen.

Terug naar inhoud

De vijfde smart: de dood van Jezus aan het Kruis

Nu moeten wij Maria volgen naar Calvarië, waar het vijfde zwaard van smart haar bij de dood van haar Zoon doorboorde. En bij het Kruis van Jezus stond zijn Moeder. De H. Johannes achtte het niet nodig meer te zeggen om het martelaarschap van Maria te beschrijven. Zie haar aan de voet van het Kruis, naast haar stervende Zoon, en vraag haar dan of er een smart gelijk is aan haar smart. Blijven wij ook op Calvarië en beschouwen wij deze Moeder, en onderzoeken wij of wij een smart kunnen vinden die aan de hare gelijk is. De H. Ambrosius zegt dat Maria, toen zij haar Zoon op Calvarië aan het Kruis zag hangen, staande bleef. Uiterlijk stond zij rechtop, maar innerlijk leed zij een smart die groter was dan wij kunnen begrijpen. De H. Antoninus zegt dat alle folteringen die de martelaren hebben ondergaan licht waren in vergelijking met de smart van Maria. De martelaren leden in hun lichaam, maar Maria leed in haar ziel. En daar de ziel edeler is dan het lichaam, was haar smart des te groter. De H. Bernardus zegt dat de smart van Maria zo groot was dat zij slechts door een wonder in leven kon blijven. Andere moeders lijden bij de dood van hun kinderen, maar zij zien niet dat hun kinderen zelf het werktuig van hun martelaarschap zijn. Bij Maria was dit anders. Hoe meer zij Jezus liefhad, des te groter was de smart die zij bij zijn lijden voelde. Iedere wond in het lichaam van Jezus was als een wond in het hart van Maria. Iedere geseling, iedere doorn, iedere spijker en iedere belediging die haar Zoon trof, trof ook haar. Daarom zegt de H. Hiëronymus dat zoveel wonden als er in het lichaam van Christus waren, zoveel wonden er in het hart van Maria waren. Wie toen op Calvarië aanwezig was, zag twee altaren waarop twee grote offers werden gebracht. Het ene was het lichaam van Jezus, het andere het hart van Maria. Ik zou echter liever zeggen dat er slechts één altaar was, namelijk het Kruis van de Zoon, waarop tegelijk met zijn goddelijk Lam ook de Moeder werd geofferd. Daarom vraagt de H. Bonaventura haar: O Vrouwe, waar zijt gij? Bij het Kruis? Nee, gij zijt veeleer zelf aan het Kruis, met uw Zoon gekruisigd. De H. Augustinus zegt dat het Kruis en de nagels van de Zoon ook het hart van de Moeder kruisigden. Maria stond dus bij het Kruis en zag hoe haar Zoon eraan hing. Zij zag hoe zijn handen en voeten doorboord waren. Zij zag hoe zijn lichaam door de geseling was verscheurd, zijn hoofd met doornen gekroond en zijn gehele lichaam met bloed bedekt. Zij zag hoe Hij, nergens steun vindend, aan de drie spijkers hing. Nu rustte Hij op zijn handen, dan weer op zijn voeten, maar waar Hij ook steun zocht, zijn smart werd slechts groter. Maria wilde dichter bij Hem komen en Hem omhelzen, maar het Kruis verhinderde haar dit. Zij kon Hem slechts aanzien en lijden. De H. Birgitta hoorde de heilige Maagd zeggen: Toen ik mijn Zoon zag, die mijn alles was, naakt en gegeseld aan het Kruis hangen, beefde mijn gehele lichaam en was mijn hart als gebroken. Maria zag haar Zoon in doodsangst en kon Hem geen verlichting schenken. Zij hoorde Hem zeggen: Ik heb dorst, maar zij kon Hem geen druppel water geven. Zij kon Hem slechts zeggen, zoals de H. Vincentius Ferrerius haar in de geest laat spreken: Mijn Zoon, ik heb alleen het water van mijn tranen. Zij zag hoe men Hem gal en azijn aanbood en hoe Hij de dood naderde. Zij hoorde Hem klagen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Zij hoorde zijn laatste woorden en zag Hem zijn hoofd buigen en sterven. En het hoofd buigend gaf Hij de geest. Bij die woorden, zegt een godvruchtig schrijver, werd de ziel van Maria als het ware van haar lichaam gescheiden. Jezus stierf en Maria bleef leven, maar haar leven was voortaan een voortdurend sterven. De H. Bernardinus zegt dat zij bij de dood van haar Zoon meer leed dan wanneer zij zelf alle pijnen van zijn Lijden had ondergaan. Niemand kan eraan twijfelen dat Maria door het lijden van haar Zoon nog meer leed dan wanneer zijzelf al die kwellingen had ondergaan. Maria stond bij het Kruis en hoorde hoe haar Zoon zevenmaal sprak. Zij hoorde Hem eerst bidden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Daarna hoorde zij Hem tot de goede moordenaar zeggen: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Vervolgens sprak Hij tot haar: Vrouw, zie daar uw zoon, en tot Johannes: Zie daar uw Moeder. Laten wij hier overwegen met welke smart Maria deze woorden hoorde. Jezus gaf haar Johannes in zijn plaats. Het was alsof Hij zei: Moeder, Ik ga sterven en laat u Johannes als zoon achter. De H. Bernardus zegt dat bij deze woorden de liefde van Maria haar smart nog vermeerderde. Hoe kon een leerling voor haar de Zoon van God vervangen? Daarna hoorde zij Hem zeggen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Vervolgens: Ik heb dorst. Daarna: Het is volbracht. En tenslotte: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Toen zag zij hoe haar Zoon het hoofd boog en stierf. Ach Maria, nu is uw Jezus dood. Spreek tot Hem, Hij hoort u niet meer. Zie Hem aan, Hij ziet u niet meer. Ach, welk een nacht viel toen over het hart van Maria. De bedroefde Moeder kon toen met Job zeggen: Hij heeft mij in duisternis gesteld en niet in het licht. Toen Jezus gestorven was, waren voor Maria alle aardse vertroostingen gestorven. De H. Birgitta zegt dat de ogen van Maria bij de dood van Jezus door tranen verduisterd waren en dat haar gehele gelaat veranderde. Zij zag hoe haar Zoon, die zij met zoveel liefde had grootgebracht, voor haar ogen stierf als een misdadiger. Maar wat haar smart nog groter maakte, was de gedachte aan de liefde waarmee Jezus dit alles voor de mensen onderging en aan de ondankbaarheid waarmee zoveel mensen die liefde zouden beantwoorden. Zij zag dat zijn bloed voor velen tevergeefs zou worden vergoten. Deze gedachte was voor haar een nieuwe bron van smart. De H. Simeon had haar voorzegd: En uw eigen ziel zal een zwaard doorboren, opdat de gedachten van vele harten openbaar worden. Maria zag hoe de mensen haar Zoon verwierpen en hoe velen in de toekomst zijn dood door hun zonden opnieuw zouden verachten. Laat ons daarom medelijden hebben met deze bedroefde Moeder en tegelijk bedenken dat onze zonden mede de oorzaak van haar smart zijn geweest. Wanneer wij Jezus liefhebben, moeten wij ook Maria liefhebben. Wanneer wij het Lijden van Jezus overwegen, moeten wij ook de smart van zijn Moeder gedenken. En wanneer wij onze zonden betreuren omdat zij Jezus aan het Kruis hebben gebracht, moeten wij ze eveneens betreuren omdat zij het hart van Maria hebben doorboord.

Voorbeeld

Een zondaar die lange tijd in zware zonden had geleefd, werd eens door een preek over de smarten van Maria diep getroffen. Hij besloot zijn leven te beteren en ging biechten. Maar uit schaamte verzweeg hij een van zijn zwaarste zonden. Daarna werd hij zo door wroeging gekweld dat hij geen rust meer vond. Eindelijk nam hij zijn toevlucht tot de Moeder van Smarten en smeekte haar hem de moed te geven een oprechte biecht te spreken. Maria verkreeg voor hem deze genade. Hij keerde naar zijn biechtvader terug, beleed zijn zonde met oprecht berouw en begon een nieuw leven. Zo leerde hij dat wie met vertrouwen zijn toevlucht neemt tot Maria, vooral door haar smarten te gedenken, door haar tot Jezus wordt teruggebracht.

Gebed

O mijn bedroefde Moeder, gij hebt uw Zoon zien sterven om mijn heil. Maar wat zal zijn dood mij baten wanneer ik Hem door mijn zonden opnieuw verlies? Door de smart die gij gevoeld hebt toen gij Jezus voor uw ogen het hoofd zag buigen en sterven, verkrijg voor mij een ware afkeer van de zonde en een grote liefde tot mijn Verlosser. Laat mij voortaan leven voor Hem die uit liefde tot mij gestorven is. En wanneer ook voor mij het uur van de dood komt, blijf dan bij mij, o Maria, zoals gij bij het Kruis van Jezus zijt gebleven. Sta mij bij in mijn laatste strijd en verkrijg voor mij dat ik sterf in de genade en liefde van uw Zoon, opdat ik Hem met u voor eeuwig in de hemel mag liefhebben. Amen.

Terug naar inhoud

De zesde smart: de doorboring van de zijde van Jezus en zijn afneming van het Kruis

O gij allen die langs de weg voorbijgaat, let op en ziet of er een smart is gelijk aan mijn smart. Godvruchtige zielen, luister naar hetgeen de bedroefde Maria u vandaag zegt: Mijn geliefde kinderen, ik verlang niet dat gij mij troost, want mijn hart kan op deze aarde niet meer getroost worden na de dood van mijn geliefde Jezus. Indien gij mij wilt behagen, vraag ik u slechts dit: ziet naar mij en overweegt of er ooit in de wereld een smart geweest is gelijk aan de mijne, toen ik Hem die al mijn liefde was zo wreed van mij zag weggenomen. Maar, o Vrouwe, daar gij niet getroost wilt worden en zozeer naar lijden verlangt, moet ik u zeggen dat uw smarten met de dood van uw Zoon nog niet geëindigd zijn. Vandaag zult gij door een nieuw zwaard van smart worden doorboord, wanneer gij een wrede lans de zijde van uw reeds gestorven Zoon ziet doorboren en Hem daarna, van het Kruis afgenomen, in uw armen ontvangt. Wij gaan nu deze zesde smart van de bedroefde Moeder overwegen. Let op en ween. Tot nu toe hebben de smarten van Maria haar één voor één gekweld, maar vandaag verenigen zij zich alle om haar tegelijk te treffen. Wanneer een moeder verneemt dat haar kind gestorven is, is dit alleen al genoeg om haar gehele ziel met liefde voor het verloren kind te vervullen. Sommigen proberen het verdriet van moeders die een kind verloren hebben te verzachten door hun te herinneren aan het verdriet dat het kind hun vroeger misschien heeft veroorzaakt. Maar indien ik, o mijn Koningin, uw smart over de dood van Jezus op die wijze wilde verzachten, welk leed heeft Hij u ooit aangedaan dat ik u in herinnering zou kunnen brengen? Ach nee, Hij heeft u altijd liefgehad, gehoorzaamd en geëerd. Nu hebt gij Hem verloren, en wie kan uw smart beschrijven? Gij alleen die haar gevoeld hebt, kunt haar verklaren. Een godvruchtig schrijver zegt dat, toen onze Verlosser gestorven was, het hart van de grote Moeder zich eerst bezighield met het begeleiden van de allerheiligste ziel van haar Zoon en deze aan de eeuwige Vader aan te bieden. Maria moet toen hebben gezegd: Mijn God, ik bied U de onbevlekte ziel aan van uw en mijn Zoon, die U gehoorzaam is geweest tot de dood. Neem haar dan in uw armen aan. Uw gerechtigheid is nu voldaan, uw wil is volbracht, het grote Offer tot uw eeuwige heerlijkheid is voltooid. Vervolgens richtte zij zich tot het levenloze lichaam van haar Jezus: O wonden, moet zij hebben gezegd, o liefdevolle wonden, ik vereer u en verheug mij over u, omdat door u het heil aan de wereld gegeven is. Gij zult open blijven in het lichaam van mijn Zoon als toevlucht voor allen die tot u hun toevlucht nemen. Hoevelen zullen door u vergiffenis van hun zonden ontvangen en door u ontvlamd worden in liefde tot het hoogste Goed. Om de feestvreugde van de komende sabbat niet te verstoren, verlangden de Joden dat het lichaam van Jezus van het Kruis zou worden afgenomen. Maar omdat een veroordeelde niet van het kruis mocht worden afgenomen voordat hij gestorven was, kwamen zij met ijzeren hamers om zijn benen te breken, zoals zij reeds bij de twee met Hem gekruisigde misdadigers gedaan hadden. Maria bleef wenend bij haar gestorven Zoon en zag deze gewapende mannen op Jezus afkomen. Bij dit gezicht beefde zij eerst van vrees en zei daarna: Ach, mijn Zoon is reeds gestorven, houdt op Hem te mishandelen en houdt op mij, zijn arme Moeder, nog langer te folteren. Volgens de H. Bonaventura smeekte zij hen zijn benen niet te breken. Maar terwijl zij zo spreekt, o God, ziet zij een soldaat met geweld een lans opheffen en de zijde van Jezus doorboren: Een van de soldaten opende met een lans zijn zijde, en terstond kwam er bloed en water uit. Het Kruis beefde onder de stoot van de lans en, zoals aan de H. Birgitta werd geopenbaard, werd het Hart van Jezus doorboord. Er kwam bloed en water uit, want er waren nog slechts enkele druppels bloed over en ook die wilde de Verlosser vergieten, om te tonen dat Hij ons niets meer te geven had. De belediging van deze lansstoot werd Jezus aangedaan, maar de smart werd Maria aangedaan. Christus, zegt de godvruchtige Lanspergius, deelde deze wonde met zijn Moeder, want Hij ontving de belediging en zij de pijn. De heilige Vaders verklaren dat dit juist het zwaard was dat de H. Simeon aan de Maagd had voorzegd, geen ijzeren zwaard, maar een zwaard van smart, dat haar gezegende ziel doorboorde in het Hart van Jezus, waarin haar eigen hart altijd woonde. Zo zegt onder anderen de H. Bernardus dat de lans die de zijde van Jezus opende door de ziel van de Maagd ging, omdat haar ziel niet van het Hart van Jezus gescheiden kon worden. De goddelijke Moeder zelf openbaarde hetzelfde aan de H. Birgitta: Toen de lans werd teruggetrokken, zag ik de punt rood van het bloed, en het was mij alsof mijn eigen hart doorboord werd toen ik het Hart van mijn geliefde Zoon doorboord zag. De engel zei tot de H. Birgitta dat de smarten van Maria zo groot waren dat zij slechts door de wonderbare macht van God voor de dood werd bewaard. In haar andere smarten had zij ten minste haar Zoon die met haar kon meevoelen. Nu had zij zelfs Hem niet meer om haar te troosten. De bedroefde Moeder vreesde nog steeds dat haar Zoon verdere mishandelingen zouden worden aangedaan en smeekte daarom Jozef van Arimathea bij Pilatus het lichaam van Jezus te vragen, opdat zij Hem ten minste na zijn dood zou kunnen bewaken en tegen verdere beledigingen beschermen. Jozef ging naar Pilatus en maakte hem de smart en het verlangen van deze bedroefde Moeder bekend. De H. Anselmus meent dat medelijden met de Moeder het hart van Pilatus verzachtte en hem ertoe bracht haar het lichaam van de Verlosser toe te staan. Nu wordt Jezus van het Kruis afgenomen. O allerheiligste Maagd, nadat gij met zoveel liefde uw Zoon aan de wereld gegeven hebt voor ons heil, geeft de wereld Hem nu aan u terug. Maar, o mijn God, hoe geeft de wereld Hem aan mij terug, moet Maria hebben gezegd. Mijn Zoon was blank en rood: Mijn Beminde is blank en rood, maar gij geeft Hem mij terug zwart van de kneuzingen en rood, niet van een gezonde kleur, maar van de wonden die gij Hem hebt toegebracht. Hij was schoon, maar nu is er geen schoonheid meer in Hem, Hij is geheel misvormd. Allen werden eens door zijn aanblik aangetrokken, nu wekt Hij afschuw bij allen die Hem aanschouwen. O hoeveel zwaarden, zegt de H. Bonaventura, doorboorden de ziel van deze Moeder toen zij het lichaam van haar Zoon ontving nadat het van het Kruis was afgenomen. Overwegen wij welk een smart een moeder zou voelen wanneer zij het levenloze lichaam van haar zoon in haar armen ontving. Aan de H. Birgitta werd geopenbaard dat drie ladders tegen het Kruis werden geplaatst om het lichaam van Jezus af te nemen. De heilige leerlingen trokken eerst de nagels uit zijn handen en voeten en gaven ze volgens Metaphrastes aan Maria. Daarna ondersteunde de een het bovenste deel van het lichaam van Jezus en de ander het onderste, en zo namen zij Hem van het Kruis af. Bernardinus de Bustis beschrijft hoe de bedroefde Moeder zich opricht en haar armen uitstrekt om haar geliefde Zoon te ontvangen. Zij omhelst Hem en gaat vervolgens aan de voet van het Kruis zitten. Zij ziet zijn geopende mond en zijn gesloten ogen. Zij beschouwt het verscheurde vlees en de blootliggende beenderen. Zij neemt de doornenkroon af en ziet welke wrede verwondingen de doornen in dat heilige hoofd hebben gemaakt. Zij ziet zijn doorboorde handen en voeten en zegt: Ach, mijn Zoon, waartoe heeft uw liefde voor de mensen U gebracht. Welk kwaad hebt Gij hun aangedaan dat zij U zo wreed hebben behandeld? Gij waart mijn Vader, zo stelt Bernardinus de Bustis zich haar woorden voor, mijn broeder, mijn bruidegom, mijn vreugde, mijn heerlijkheid, mijn alles. O mijn Zoon, zie hoe bedroefd ik ben, zie mij aan en troost mij, maar Gij ziet mij niet meer aan. Spreek, spreek slechts één woord tot mij en troost mij, maar Gij spreekt niet meer, want Gij zijt dood. Dan richt zij zich tot de werktuigen van het Lijden en zegt: O wrede doornen, o nagels, o meedogenloze lans, hoe hebt gij uw Schepper zo kunnen folteren? Maar welke doornen, welke nagels? Ach, zondaars, roept zij uit, gij zijt het die mijn Zoon zo wreed hebt behandeld. Zo sprak Maria en zo klaagde zij over ons. Maar indien zij nu nog zou kunnen lijden, wat zou zij dan zeggen? Welke smart zou zij voelen wanneer zij zag dat de mensen ook na de dood van haar Zoon voortgaan Hem door hun zonden te kwellen en opnieuw te kruisigen? Laten wij deze bedroefde Moeder niet langer smart aandoen. En indien wij haar tot nu toe door onze zonden bedroefd hebben, laten wij dan doen wat zij ons zegt: Keert terug tot uw hart, gij overtreders. Zondaars, keert terug tot het gewonde Hart van mijn Jezus. Keert berouwvol terug, want Hij zal u ontvangen. Vlucht van Hem naar Hem, zegt zij met abt Guerricus, van de Rechter naar de Verlosser, van de rechterstoel naar het Kruis. De Maagd zelf openbaarde aan de H. Birgitta dat zij de ogen van haar Zoon sloot toen Hij van het Kruis was afgenomen, maar dat zij zijn armen niet kon sluiten. Daardoor gaf Jezus Christus te kennen dat Hij met geopende armen wilde blijven om alle berouwvolle zondaars te ontvangen die tot Hem terugkeren. O wereld, vervolgt Maria, zie, nu is uw tijd een tijd van liefde. Nu mijn Zoon, o wereld, gestorven is om u te redden, is dit voor u niet langer een tijd van vrees, maar een tijd van liefde, een tijd om Hem lief te hebben die zoveel heeft willen lijden om u de liefde te tonen die Hij u toedroeg. Daarom, zegt de H. Bernardus, werd het Hart van Jezus verwond, opdat door de zichtbare wonde de onzichtbare wonde van zijn liefde zichtbaar zou worden. Indien dan, zo besluit Maria met de woorden van de abt van Celles, mijn Zoon zijn zijde heeft willen laten openen om u zijn Hart te schenken, dan is het rechtvaardig, o mens, dat gij Hem ook uw hart schenkt. En indien gij, kinderen van Maria, een plaats wilt vinden in het Hart van Jezus zonder vrees eruit verdreven te worden, ga dan met Maria, zegt Ubertinus van Casale, want zij zal deze genade voor u verkrijgen.

Voorbeeld

De schrijver die bekendstaat als de Leerling verhaalt dat er eens een ongelukkige zondaar was die, naast andere misdaden, zijn vader en een broer had gedood en daarom voortvluchtig was geworden. Op zekere dag hoorde hij gedurende de vastentijd een preek over de goddelijke barmhartigheid. Daarna ging hij naar de predikant zelf om zijn biecht te spreken. Nadat de biechtvader zijn misdaden had gehoord, stuurde hij hem naar een altaar van de Moeder van Smarten om haar te vragen hem berouw en vergiffenis van zijn zonden te verkrijgen. De zondaar gehoorzaamde en begon te bidden. Plotseling werd hij door zo’n groot berouw overvallen dat hij dood neerviel. Toen de priester de volgende dag de gelovigen vroeg voor de overledene te bidden, verscheen in de kerk een witte duif die een briefje aan de voeten van de priester liet vallen. Hij raapte het op en vond daarop geschreven: De ziel van de overledene is, zodra zij het lichaam verliet, onmiddellijk naar het paradijs gegaan. Ga voort met de oneindige barmhartigheid van God te verkondigen.

Gebed

O bedroefde Maagd, o ziel, groot in deugden en groot ook in smarten. Beide komen voort uit het grote vuur van liefde dat gij voor God bezit, gij wier hart niets anders kan liefhebben dan God. Ach, Moeder, heb medelijden met mij, want ik heb God niet liefgehad en Hem zozeer beledigd. Uw smarten geven mij groot vertrouwen op vergiffenis. Maar dit is niet genoeg. Ik wil mijn Heer liefhebben, en wie kan deze genade beter voor mij verkrijgen dan gij, die de Moeder van de schone liefde zijt? Ach Maria, gij troost allen, troost ook mij. Amen.

Terug naar inhoud

De zevende smart: de graflegging van Jezus

Wanneer een moeder bij haar stervende zoon aanwezig is, voelt zij ongetwijfeld grote smart. Maar wanneer zij hem reeds dood ziet en vervolgens het graf voor hem gereedgemaakt ziet, wanneer het ogenblik gekomen is waarop zij voor de laatste maal afscheid van hem moet nemen, o God, dan wordt de gedachte dat zij hem nooit meer zal zien een smart die alle andere smarten overtreft. Dit was het laatste zwaard van smart dat wij nu moeten overwegen, toen Maria, nadat zij bij de dood van haar Zoon aan het Kruis aanwezig was geweest en Hem daarna dood in haar armen had gehouden, Hem tenslotte in het graf moest achterlaten om Hem niet meer te zien. Maar om deze laatste smart beter te begrijpen, keren wij terug naar Calvarië en beschouwen wij de bedroefde Moeder die haar gestorven Zoon nog in haar armen houdt. O mijn Zoon, zo kon Maria met Job zeggen, Gij zijt veranderd en zijt mij wreed geworden. Ja, want al zijn schoonheid, zijn bevalligheid, zijn lieflijkheid en alle tekenen van zijn liefde, alle herinneringen aan de bijzondere liefde die Hij haar had betoond, waren nu veranderd in smart en vergrootten haar verlangen om Hem lief te hebben evenzeer als zij haar smart om Hem verloren te hebben vermeerderden. Ach, mijn Zoon, hoe meer ik U heb liefgehad, des te meer doet uw verlies mij lijden. De H. Birgitta openbaarde dat Maria tot haar Zoon sprak: Ach, mijn Jezus, wie heeft U van mij weggenomen? Wie heeft mijn vreugde weggenomen? Wie heeft mijn leven gedood? Mijn tranen zijn met uw bloed vermengd. Ik had U liever in mij willen begraven dan U in een ander graf achter te laten. De bedroefde Moeder wilde Hem zelf naar het graf dragen, zoals aan dezelfde heilige werd geopenbaard, maar de leerlingen vreesden dat haar smart haar zou doen bezwijken en namen het heilige lichaam uit haar armen om het te balsemen. Zij balsemden het, wikkelden het in een zuiver lijnwaad en legden het in een nieuwe lijkwade. Het ogenblik van de begrafenis was gekomen. De leerlingen namen het heilige lichaam op hun schouders. De engelen uit de hemel kwamen in grote menigte om de begrafenis te begeleiden. De heilige vrouwen volgden en met hen de bedroefde Moeder. Zij gingen naar het graf. Toen zij daar aangekomen waren, zou Maria zich, volgens een godvruchtig schrijver, graag met haar Zoon levend hebben laten begraven. Maar omdat dit niet de goddelijke wil was, vergezelde zij het heilige lichaam tot het graf, waarin de leerlingen de spijkers en de doornenkroon zouden hebben gelegd. Toen de leerlingen de steen wilden wentelen om de ingang van het graf te sluiten, moesten zij zich tot de heilige Maagd wenden en tot haar zeggen: Nu, o Vrouwe, moet het graf gesloten worden. Heb geduld, zie uw Zoon voor de laatste maal en neem afscheid van Hem. Ach, mijn geliefde Zoon, moet de bedroefde Moeder toen hebben gezegd, ach, mijn geliefde Zoon, zal ik U dan niet meer zien? Ontvang ten minste deze laatste blik van uw Moeder voordat het graf U voor mijn ogen verbergt. Eindelijk namen zij de steen en sloten daarmee het heilige lichaam van Jezus in het graf, die kostbare schat, een schat zoals er geen grotere in de hemel of op aarde bestaat. Hier kunnen wij opmerken dat het hart van Maria bij Jezus begraven bleef, omdat Jezus haar gehele schat was. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. En waar moeten wij onze harten begraven? Bij de schepselen? In het slijk? Waarom niet bij Jezus, die, hoewel Hij naar de hemel is opgevaren, toch in het allerheiligste Sacrament bij ons is gebleven en daar woont, opdat Hij onze harten zou bezitten en wij de onze bij Hem zouden houden? Maar keren wij terug tot Maria. Voordat zij het graf verliet, zegent zij volgens de H. Bonaventura de heilige steen die het lichaam van haar Zoon omsloot: O heilige steen, zegt zij, o gelukkige steen, die nu Hem omsluit die ik negen maanden in mijn schoot heb gedragen. Ik zegen u en benijd u. Ik laat u achter als bewaker van mijn Zoon, van Hem die mijn gehele goed en mijn gehele liefde is. Daarna keerde zij zich tot de eeuwige Vader en zei: O Vader, aan U beveel ik Hem die uw en mijn Zoon is. En nadat zij Hem voor de laatste maal vaarwel had gezegd, verliet zij het graf en keerde naar haar huis terug. De H. Bernardus zegt dat deze Moeder zo bedroefd en smartelijk was dat zij velen die haar ontmoetten tot tranen bewoog, zelfs tegen hun wil. Allen die haar zagen konden niet anders dan wenen en hadden meer medelijden met haar dan met de Heer zelf die gestorven was. De heilige leerlingen en de vrouwen die haar vergezelden weenden, zegt de H. Bonaventura, nog meer om haar dan om de dood van hun Meester. Bernardinus de Bustis schrijft dat Maria bij haar terugkeer opnieuw langs het Kruis ging dat nog nat was van het bloed van haar Jezus. Zij was de eerste die het Kruis na de dood van haar Zoon vereerde. O heilig Kruis, moet zij toen gezegd hebben, ik kus u en vereer u. Gij zijt geen schandelijk hout meer, maar een troon van liefde en een altaar van barmhartigheid, geheiligd door het bloed van het goddelijk Lam dat zich op u heeft geofferd voor het heil van de wereld. Daarna verliet zij het Kruis en keerde naar huis terug. Daar aangekomen keek de bedroefde Moeder rond en zag Jezus nergens meer. In plaats van de lieflijke tegenwoordigheid van haar Zoon kwamen haar alle herinneringen aan zijn schone leven en zijn wrede dood voor ogen. Zij herinnerde zich de omhelzingen die zij Hem in de kribbe van Bethlehem had gegeven, de gesprekken die zij gedurende zoveel jaren met Hem had gevoerd in het huis van Nazareth, hun wederzijdse liefdevolle blikken en de woorden van eeuwig leven die uit zijn goddelijke mond waren gekomen. Daarna kwamen de verschrikkelijke gebeurtenissen van die dag haar opnieuw voor ogen. Zij zag de spijkers, de doornen, het verscheurde vlees van haar Zoon, zijn diepe wonden, zijn ontblote beenderen, zijn geopende mond en zijn gesloten ogen. Ach, welk een nacht van smart was dat voor Maria. De bedroefde Moeder richtte zich tot de H. Johannes en vroeg hem smartelijk: Johannes, waar is uw Meester? Daarna vroeg zij aan Magdalena: Dochter, waar is uw Beminde? O God, wie heeft Hem ons ontnomen? Maria weende en allen die bij haar waren weenden met haar. En gij, mijn ziel, weent gij niet? Ach, wendt u tot Maria en zegt met de H. Bonaventura: Laat mij, o mijn Vrouwe, met u wenen. Zij weent uit liefde. Ook gij moet wenen uit smart over uw zonden. Laten wij door onze tranen verdienen eenmaal met haar in de hemel te mogen juichen. De H. Bernardus zegt: Zoals wij met Maria medelijden hebben in haar smarten, zo zullen wij ook met haar delen in haar vreugde. Laten wij ons altijd aan deze goddelijke Moeder verbonden houden en haar niet verlaten zoals wij dat vroeger door onze zonden hebben gedaan. Laten wij haar om vergiffenis vragen en vertrouwen op haar goedheid. De H. Petrus Damianus zegt dat Maria zozeer bemind wordt door haar goddelijke Zoon dat zij niets kan vragen zonder verhoord te worden. Daarom spoort Richard van Sint Laurentius ons aan vertrouwen te hebben en zegt dat Maria de schat van de barmhartigheid is, omdat de Heer de genaden die Hij ons wil schenken in haar handen heeft gelegd. Laten wij haar dan in al onze noden zoeken, maar vooral in het uur van onze dood. Zoals zij na de dood van haar Zoon bij zijn graf bleef, zo smeken wij haar ook bij ons te blijven wanneer wij deze wereld moeten verlaten. En wanneer ons lichaam in het graf wordt gelegd, moge zij onze ziel naar Jezus brengen om Hem eeuwig lief te hebben.

Voorbeeld

Er wordt verhaald dat een zekere zondaar, nadat hij zijn goederen had verkwist en zich aan allerlei ondeugden had overgegeven, tenslotte tot grote armoede verviel. Door zijn ellende tot bezinning gekomen, begon hij dagelijks de Smarten van Maria te overwegen en haar om hulp te vragen. De Moeder van Barmhartigheid liet hem niet in de steek. Zij verkreeg voor hem het licht om zijn zonden oprecht te betreuren en de kracht om zijn leven te veranderen. Hij legde een goede biecht af, verliet zijn vroegere leven en bleef voortaan trouw aan de goddelijke genade. Zo ondervond hij dat Maria niemand verlaat die met oprecht berouw en vertrouwen zijn toevlucht tot haar neemt.

Gebed

O mijn bedroefde Moeder, ik wil u niet alleen laten wenen. Ik wil u met mijn tranen vergezellen. Deze genade vraag ik u vandaag: verkrijg voor mij een voortdurende herinnering aan en een tedere godsvrucht tot het Lijden van Jezus en tot uw smarten, opdat alle dagen die mij nog resten gebruikt mogen worden om te wenen over uw smarten, o mijn Moeder, en over die van mijn Verlosser. Ik hoop dat deze smarten mij in het uur van mijn dood de moed en de kracht zullen geven om niet te wanhopen bij de herinnering aan de beledigingen die ik mijn Heer heb aangedaan. Zij moeten mij vergiffenis, volharding en de hemel verkrijgen, waar ik mij met u zal verheugen en de oneindige barmhartigheid van mijn God voor eeuwig zal bezingen. Zo hoop ik, zo zij het. Amen.

Terug naar inhoud

De beroemde toonzetting van het Stabat Mater door Giovanni Battista Pergolesi, hier uitgevoerd door Raquel Camarinha en Andreas Scholl. De gregoriaanse zang van het Stabat Mater is eveneens te beluisteren.

Terug naar inhoud