Vrijdagmeditatie over het Heilig Hart van Onze Heer Jezus Christus
door Alexis M. Lepicier O.S.M.
HOOFDSTUK X
Het opschrift boven het kruis, een bewijs van de koninklijke waardigheid van Jezus Christus
Wonderbaar zijn de beschikkingen van de goddelijke Voorzienigheid, die haar doeleinden dikwijls bereikt door middelen welke daartoe het minst geschikt schijnen. Niet zelden bedient God Zich van het handelen van mensen om juist het tegenovergestelde te bewerken van hetgeen zij zelf bedoelen. Zo geschiedde het ook bij de openbaring van de koninklijke waardigheid van onze Heer. God wilde dat deze waarheid aan de gehele wereld zou worden verkondigd en met kracht bevestigd, juist door hem die Jezus ter dood had veroordeeld: Pontius Pilatus.
Sommigen menen dat het bij de Romeinen gebruikelijk was de reden van iemands veroordeling te vermelden op het kruis waaraan hij werd terechtgesteld. Hoe dit ook zij, vast staat dat Pilatus aan de wereld duidelijk heeft willen tonen dat de enige reden waarom hij Jezus Christus ter dood veroordeelde, gelegen was in de titel die de Zaligmaker voor Zichzelf had opgeëist: Koning der Joden. Voordat hij het opschrift liet aanbrengen, had hij immers tot de Joden gezegd: Zal ik uw Koning kruisigen? En eerst nadat zij daarop bevestigend hadden geantwoord, sprak hij het doodvonnis uit. Daarmee gaf hij te verstaan dat hij dit vonnis niet uit eigen overtuiging velde, want hij wist dat de koninklijke waardigheid die Jezus Zichzelf toeschreef, geen enkel gevaar opleverde voor het gezag van de Romeinse keizer.
Opmerkelijk is de eenstemmigheid waarmee alle vier de evangelisten melding maken van dit opschrift. Hoewel zij het niet allen op dezelfde wijze weergeven, ontbreekt bij geen van hen de wezenlijke aanduiding: Koning der Joden. Marcus vermeldt uitsluitend deze woorden. Matteüs laat eraan voorafgaan: Dit is Jezus. Lucas schrijft: Dit is. Johannes geeft de volledige tekst weer: Jezus van Nazareth, Koning der Joden. Hierover zegt de heilige Hiëronymus: Ik houd niet op mij erover te verwonderen dat de Joden geen andere reden vonden om Jezus ter dood te brengen dan dat Hij Zich Koning der Joden noemde.1 De heilige Augustinus merkt eveneens op: De Wijzen kwamen uit het Oosten, vanwaar de zon opgaat; Pilatus kwam uit het Westen, waar de zon ondergaat. De eersten getuigden van de opgaande geboorte van de Koning der Joden, de tweede van Zijn ondergang, dat is van Zijn dood.2
Nog wonderlijker is echter de houding die Pilatus daarna aannam. Eerder had hij toegegeven aan de wil van de Joden en zelfs zijn geweten en zijn eer opgeofferd aan hun afgunst en geweld door Hem te veroordelen van Wiens onschuld hij overtuigd was. Toen echter dezelfde Joden er bij Pilatus op aandrongen het opschrift te veranderen en niet te schrijven: Jezus, Koning der Joden, maar: Hij heeft gezegd: Ik ben de Koning der Joden, weigerde hij kort en beslist aan hun verlangen toe te geven. Met een standvastigheid die men bij een zo zwak karakter niet zou hebben verwacht, antwoordde hij eenvoudig: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.3 Terecht merkt de heilige Augustinus hierbij op: Om dezelfde reden waarom de Heer gezegd heeft wat Hij gezegd heeft, heeft Pilatus geschreven wat hij geschreven heeft.4
Groot is de waardigheid en heerlijkheid van dit opschrift: Jezus van Nazareth, Koning der Joden. Nog groter is de betekenis die het in zich draagt, ook al heeft hij die het schreef haar zelf niet ten volle begrepen. Het Joodse volk was over de gehele wereld bekend om de wonderen die God voor het in Egypte had verricht, om de luister en rijkdom van de tempel te Jeruzalem en om zijn belijdenis van de ene ware God, de Schepper van hemel en aarde. Eveneens wist men dat de Joden de komst verwachtten van een koninklijke Messias. Zie dan deze Koning, plechtig aan de gehele wereld verkondigd; zie deze Koning, verwacht door zowel Israëlieten als heidenen. Hij die op Golgotha gestorven is, is waarlijk die Koning der Joden, uit Wie het heil van heel het menselijk geslacht voortkomt.
Jezus, de Zaligmaker van de wereld, ontvangen en opgevoed te Nazareth en daarom de Nazarener genoemd, draagt, verheven boven de aarde, boven Zijn hoofd het opschrift dat de oorkonde is van de verzoening van het menselijk geslacht. En opdat allen zouden verstaan dat het heil door Hem zowel aan de Hebreeën als aan de Grieken en de Latijnen wordt geschonken, vermeldt de evangelist uitdrukkelijk dat het opschrift gesteld was in de drie talen die destijds het meest verbreid waren: het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn.
Zo had God alles beschikt tot meerdere heerlijkheid van Zijn eniggeboren Zoon, opdat allen de betekenis en de draagwijdte van Zijn kruisdood zouden verstaan. Het Hebreeuws was de taal van het land waar dit grote mysterie zich voltrok. Het Grieks en het Latijn waren weliswaar niet de enige talen van de heidenen, maar wel de meest verbreide en aanzienlijke. Het Grieks was de taal van de wijsgeren, het Latijn die van het machtige Romeinse rijk, dat heerste over de toen bekende landen en zeeën. Zo had de eeuwige Vader beschikt dat de koninklijke waardigheid van Zijn welbeminde Zoon, Jezus Christus, zou worden verkondigd tot aan de uiteinden der aarde.
Hieruit mogen wij echter niet afleiden dat Jezus Christus, omdat Hij als Koning der Joden werd uitgeroepen, niet tevens Koning van de gehele wereld is. De ware Hebreeën zijn immers de kinderen van Abraham, Isaäk en Jakob, de kinderen der belofte, de aangenomen kinderen van God. Het volk van God, het uitverkoren volk, was de voorafbeelding van heel de gemeenschap der gelovigen, die door het Bloed van Jezus Christus verlost, één grote familie zouden vormen: de christelijke familie, de heilige Kerk van God. Daarom is Jezus Christus inderdaad Koning der Joden, maar van hen die niet volgens de letter, doch volgens de geest Joden zijn; van hen wier hart door Gods genade is geheiligd en wier lof niet van mensen komt, maar van God. Hierover zegt de heilige Augustinus: Wie moeten wij verstaan onder de Koning der Joden, zo niet de kinderen van Abraham, de kinderen der belofte, die waarlijk kinderen van God zijn? Christus is dus Koning der Joden, maar van hen die door de besnijdenis van het hart, naar de geest en niet naar de letter, Joden zijn, wier lof niet van mensen komt, maar van God.5
Ook wij verlangen kinderen van Abraham, kinderen der belofte en kinderen van God te zijn. Daarom belijden ook wij Jezus als de beminnelijke Koning van ons hart. Kom dan, o Jezus, heers over mijn hart, over mijn geest en over al mijn genegenheden. In Uw handen leg ik de teugels van mijn ziel. Leid mij waar Gij wilt; bedwing mij naar Uw welbehagen; spreek tot mij, Uw toegewijde dienaar, en ik zal met ootmoed luisteren en Uw geboden en Uw goddelijke ingevingen getrouw volbrengen. Spreek, Heer, want Uw dienaar luistert.6
1 H. Hiëronymus, Commentaar op Mattheüs 27, 37.
2 H. Augustinus, Sermo 201, 2.
3 Joh. 19, 22.
4 H. Augustinus, Tractatus 117 in Joannem.
5 H. Augustinus, Tractatus 117 in Joannem.
6 1 Kon. 3, 10.
Deze meditatie is ontleend aan Jesus Christ the King of Our Hearts, de Engelse uitgave van Lepiciers werk over het koningschap van Onze Heer Jezus Christus over de harten, de Kerk en de wereld.
De auteur, Alexis M. Lepicier O.S.M. (1863–1936), was priester van de Orde der Servieten en een vooraanstaand theoloog en marioloog. Zijn geestelijke geschriften ademen een klassieke katholieke geest en verbinden Schrift, dogma en devotie op sobere en verheven wijze.
Katholieke Klassieken