7 augustus – De heilige Cajetanus werd in oktober 1480 te Vicenza geboren uit het aanzienlijke geslacht Da Thiene. Zijn vader Gaspare had als kapitein in keizerlijke dienst gestaan en zijn moeder Maria stamde uit het voorname huis Da Porto. Zijn vader stierf toen Cajetanus nog zeer jong was, zodat zijn opvoeding vooral aan zijn moeder toeviel. Zij was een godvruchtige vrouw, diep doordrongen van de geest van de heilige Dominicus. Cajetanus groeide op als een ernstige, ijverige en ingetogen jongeman. Hij studeerde filosofie en vervolgens burgerlijk en kerkelijk recht aan de beroemde universiteit van Padua. Op 17 juli 1504 behaalde hij, vierentwintig jaar oud, met onderscheiding het doctoraat in beide rechten. Toen hij met zijn oudere broer Battista de beschikking kreeg over de familiebezittingen te Rampazzo, lieten de beide broers daar een kerk bouwen, die zij van een inkomen voorzagen en aan de heilige Maria Magdalena toewijdden. Zij werd op 10 juli 1505 gewijd.
Kort daarna vertrok Cajetanus naar Rome. Hij werd apostolisch secretaris en verkreeg de rang van protonotarius apostolicus. Zo kwam de jonge edelman midden in het kerkelijke en maatschappelijke leven van het Rome van Julius II en Leo X te staan. Hij zocht echter geen aanzien en leefde eenvoudig en teruggetrokken. In Rome sloot hij zich aan bij het Gezelschap van de Goddelijke Liefde, een vereniging van geestelijken en leken die door gebed, werken van naastenliefde en hervorming van het eigen leven naar een ernstiger beoefening van het christelijk leven streefden. Hoewel Cajetanus reeds jaren tot de pauselijke hofhouding behoorde, was hij nog geen priester. Eerst op zesendertigjarige leeftijd besloot hij de heilige wijdingen te ontvangen. Met bijzondere toestemming van paus Leo X ontving hij in september 1516 binnen enkele dagen de verschillende wijdingen. Op 30 september, het feest van de heilige Hiëronymus, werd hij tot priester gewijd. Vanaf dat ogenblik werd vooral zijn grote eerbied voor het heilig Misoffer zichtbaar. Hij naderde het altaar met een diepe overtuiging van zijn eigen onwaardigheid en met grote liefde voor het allerheiligste Sacrament.
In de kerstnacht van 1517 bad Cajetanus in de basiliek van Santa Maria Maggiore bij de relieken van de kribbe van Bethlehem. Daar ontving hij een buitengewone genade die hij aanvankelijk voor anderen verborgen hield. Hij zag de allerheiligste Maagd met het Kind Jezus en mocht het goddelijk Kind uit haar armen in de zijne ontvangen. Eerst ruim een maand later vertrouwde hij deze gebeurtenis in een brief toe aan de augustines Laura Mignani, met wie hij een geestelijke briefwisseling onderhield. Kerstmis bleef daarna voor hem een feest van bijzondere vreugde en godsvrucht.

In 1518 keerde Cajetanus naar Vicenza terug. Zijn moeder was ernstig ziek en stierf op de vooravond van Maria Tenhemelopneming. Na haar dood nam hij de zorg op zich voor Elisabetta, de jonge dochter van zijn reeds overleden broer. Tegelijk werd zijn leven steeds meer bepaald door de daadwerkelijke dienst aan zijn naaste. Hij sloot zich te Vicenza aan bij de broederschap van de heilige Hiëronymus. Deze bestond hoofdzakelijk uit eenvoudige burgers en ambachtslieden. Cajetanus liet zich er als gewoon lid opnemen en schreef bij zijn toetreding dat hij als de laatste der broeders was ontvangen. Vooral de armen en zieken werden hem dierbaar. Hij wist de broederschap ertoe te bewegen een klein hospitaal voor ongeneeslijk zieken te openen en besteedde daaraan zijn eigen vermogen. Hij beperkte zijn naastenliefde niet tot het geven van geld. Zelf bezocht hij de zieken, verzorgde hen en gaf hun te eten. De voormalige pauselijke hoveling ging de armste woningen binnen en verrichtte daar eigenhandig diensten waarvoor anderen terugschrokken. Eens zei hij tot een vriend dat hij wel zag dat hij niet zou ophouden zijn bezit aan anderen weg te geven en dat hij tenslotte niets zou overhouden dan de weinige aarde die voor zijn begrafenis nodig was.
In 1519 verbleef hij enige tijd te Verona. Daarna werd hij naar Venetië geroepen om mee te werken aan de hervorming van een ziekenhuis. Iedere morgen ging hij reeds bij het aanbreken van de dag op zoek naar armen en bezocht hij hen in hun woningen. Hij bekommerde zich daarbij juist om degenen die door anderen werden gemeden. Hij bezocht gevangenen en gebruikte het weinige geld dat hij bezat om, wanneer dat mogelijk was, mensen die wegens schulden gevangen zaten vrij te krijgen. Soms sprak hij met zeelieden op schepen die op het punt stonden uit te varen. Zijn voornaamste werk bleef echter de verzorging van zieken. In deze jaren werd het vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid een van de kenmerkendste trekken van zijn geestelijk leven. Cajetanus wilde zich niet alleen van rijkdom ontdoen, maar zich zonder menselijke zekerheid in Gods handen stellen.
Na zijn terugkeer in Rome ontmoette hij Giovanni Pietro Caraffa, bisschop van Chieti en de latere paus Paulus IV. Met Caraffa, Bonifacio de Colli en Paolo Consiglieri besloot hij een gemeenschap van reguliere clerici te vormen. Zij wilden de hervorming van de geestelijkheid niet slechts prediken, maar haar in hun eigen leven verwezenlijken. De leden zouden gemeenschappelijk leven, zich aan gebed, studie en zielzorg wijden en door een streng en waardig priesterleven tot hervorming van de geestelijkheid bijdragen. Paus Clemens VII keurde de nieuwe gemeenschap in 1524 goed. Op 14 september, het feest van de Kruisverheffing, legden de eerste vier leden hun geloften af in de Sint Pieter. Uit de bisschoppelijke zetel van Caraffa, Chieti, in het Latijn Theate, ontstond later de naam Theatijnen. Cajetanus deed afstand van zijn bezit. De gemeenschap wilde geen vaste inkomsten bezitten en evenmin haar bestaan verzekeren door het gewone bedelen. Zij moest leven van hetgeen de Voorzienigheid haar zonder vragen zou schenken.
Nog geen drie jaar later werd deze armoede op verschrikkelijke wijze beproefd. In mei 1527 werd Rome door de troepen van keizer Karel V ingenomen en geplunderd. Ook het huis van de Theatijnen werd overvallen. Soldaten konden niet geloven dat Cajetanus, die uit een rijke adellijke familie stamde en vroeger een voornaam kerkelijk ambt had bekleed, werkelijk niets bezat. Zij beschuldigden hem ervan zijn schatten verborgen te houden, wierpen hem op de grond en dreigden hem met folteringen. Cajetanus antwoordde dat hij vroeger inderdaad rijk was geweest, maar sinds vier jaar niets meer bezat dan zijn liefde voor de armoede. De soldaten kleedden hem uit, bonden een touw om zijn lichaam en hingen hem aan het plafond om hem te dwingen de plaats van zijn vermeende rijkdommen bekend te maken. Maar Cajetanus kon hun niets anders zeggen dan de waarheid. Er waren geen schatten. Later viel een andere groep soldaten het huis binnen. Ook de overige Theatijnen werden gegeseld, mishandeld en gevangengezet. Na de plundering van Rome vertrokken de Theatijnen naar Venetië. Cajetanus hervatte daar het leven dat hij vóór de stichting van de orde reeds had geleid. Gebed, de dienst van God, zorg voor zieken en armen en het leven in vrijwillige armoede vulden zijn dagen.
In 1533 werd hij naar Napels gezonden. Toen Caraffa hem vroeg zelf een medebroeder als reisgezel te kiezen, wees Cajetanus naar het kruisbeeld. Hij wilde dat niet zijn eigen voorkeur, maar de gehoorzaamheid zijn gezel zou bepalen. Caraffa gaf hem daarop Giovanni Marinoni mee, die later zalig werd verklaard. Zij vertrokken op 2 augustus, midden in de grote zomerhitte. In Rome werden zij door paus Clemens VII ontvangen. De paus zag hoe vermoeid en uitgemergeld Cajetanus was en waarschuwde hem dat hij door onder zulke omstandigheden verder te reizen zijn leven in gevaar bracht. Cajetanus antwoordde dat hij liever zijn leven in gevaar bracht dan te laat te komen in de gehoorzaamheid.

Napels werd het voornaamste arbeidsveld van zijn laatste levensjaren. Ook daar leefden de Theatijnen zonder vaste inkomsten. Cajetanus zette zijn werk voor de geestelijkheid, de zieken en de armen voort en bleef vasthouden aan het vertrouwen op de Voorzienigheid. De vestiging van de gemeenschap verliep niet zonder moeilijkheden. Op een gegeven ogenblik meende Cajetanus zelfs dat zij Napels moesten verlaten, omdat zij in vier jaar driemaal hun verblijf hadden moeten opgeven. De onderkoning Pedro de Toledo hield hem daarvan terug. Napels, zo verklaarde hij, had behoefte aan goede voorbeelden. De Theatijnen kregen daarop de kerk van San Paolo Maggiore toegewezen en namen haar op 16 mei 1538 officieel in bezit. Cajetanus werd begin 1543 tot overste van het huis te Napels gekozen. Zijn gezondheid was toen reeds ernstig ondermijnd door de jaren van arbeid, vasten, boete en ontbering. In 1544 kreeg hij toestemming het ambt van overste aan Marinoni over te dragen. In juli 1545 bevond hij zich nog eenmaal in Rome. Daar kreeg hij bezoek van de heilige Ignatius van Loyola en pater Diego Laínez. Er werd zelfs gesproken over een mogelijke vereniging van de jonge Sociëteit van Jezus met de Theatijnen, maar dit plan werd niet verwezenlijkt.
Op 15 mei 1547 werd Cajetanus voor een vergadering van zijn congregatie opnieuw naar Rome geroepen. Op de terugreis naar Napels weigerde hij onderweg rust te nemen. Hij kwam midden in de nacht in de stad aan en ging, zonder zich eerst van de reis te herstellen, onmiddellijk naar het koor om te bidden. Zijn gezondheid vereiste inmiddels het tegenovergestelde. Zijn lichaam was uitgeput en hij leed onder de koude, maar hij bleef zijn gewone leven van gebed voortzetten. In zijn laatste dagen werd Napels door ernstige onlusten getroffen. De strijd en verdeeldheid in de stad deden Cajetanus diep lijden. Zijn ziekte verergerde snel. Op 7 augustus 1547, omstreeks half drie in de middag, stierf hij.
Ook na zijn dood bleef de armoede zichtbaar die hij vrijwillig had gekozen. Voor de edelman uit het huis Da Thiene, doctor in beide rechten en voormalig apostolisch protonotaris, werd geen praalgraf opgericht. Hij werd bij zijn medebroeders in een gemeenschappelijk graf begraven. Later werden ook andere Theatijnen daar bijgezet en vermengden hun gebeenten zich met de zijne. Daarmee kwam overeen wat Cajetanus jaren tevoren aan een vriend had gezegd, dat hij zijn bezit zou blijven weggeven totdat hem niets anders restte dan de aarde die voor zijn begrafenis nodig was.
Wat hij naliet was de door hem gestichte levenswijze van priesterlijke hervorming, daadwerkelijke naastenliefde en vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid. Zijn verering verbreidde zich vanuit Italië over andere delen van Europa. Cajetanus werd in 1629 door paus Urbanus VIII zalig verklaard en in 1671 door paus Clemens X heilig verklaard. Cajetanus wordt in het bijzonder aangeroepen om vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid en als voorspreker voor hen die in materiële nood verkeren. H. Cajetanus, O.P.N.