18 september – H. Jozef van Cupertino, belijder † 1663
Jozef van Cupertino werd geboren uit godvruchtige ouders en was reeds van zijn jeugd af door eenvoud van zeden en onschuld van leven onderscheiden. Na vele moeilijkheden werd hij opgenomen onder de conventuele minderbroeders en later tot priester gewijd. Hij legde zich met grote ijver toe op gebed, versterving en gehoorzaamheid en brandde van liefde tot God en de allerheiligste Maagd. Zo dikwijls werd hij door hemelse vervoeringen aangegrepen dat hij dikwijls van de aarde werd opgeheven, hetgeen door vele getuigen werd aanschouwd. Uit nederigheid en gehoorzaamheid verdroeg hij geduldig vele beproevingen en veranderingen van verblijf. Beroemd om deugden en wonderen stierf hij te Osimo op 18 september 1663. Paus Clemens XIII schreef hem in 1767 onder de heiligen in.

Leven van de H. Jozef van Cupertino
Jozef Desa werd op 17 juni 1603 geboren te Cupertino, een klein dorp in het bisdom Nardò, tussen Brindisi en Otranto, op zes mijl van de kust van de Golf van Tarente. Zijn ouders waren arm, maar deugdzaam. Zijn moeder voedde hem op in een grote godsvrucht, maar behandelde hem met grote strengheid en strafte hem dikwijls voor de geringste fout, om hem te gewennen aan een streng en boetvaardig leven. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij tekenen van een buitengewone vurigheid en alles in hem scheen erop te wijzen dat hij reeds de zoetheid van hemelse vertroostingen smaakte. Hij was zeer aandachtig bij de goddelijke eredienst en op een leeftijd waarop de liefde voor genoegens gewoonlijk de overhand heeft, droeg hij een boetekleed en verstierf hij zijn lichaam door verschillende gestrengheden. Hij werd als leerling bij een schoenmaker in dienst gedaan en legde zich enige tijd op dit ambacht toe. Toen hij zeventien jaar oud was, meldde hij zich bij de conventuele franciscanen om in hun Orde te worden opgenomen. Hij had daar twee ooms die binnen de Orde aanzien genoten. Toch werd hij geweigerd, omdat hij niet had gestudeerd. Het enige wat hij kon verkrijgen, was dat hij bij de kapucijnen als lekenbroeder werd opgenomen. Na acht maanden werd hij echter weggestuurd, omdat hij niet in staat werd geacht de plichten van de Orde te vervullen. Verre van hierdoor ontmoedigd te raken, bleef hij vasthouden aan zijn voornemen om de religieuze staat te omhelzen. Ten slotte namen de franciscanen hem uit medelijden op in hun klooster van Grotella, dat zo genoemd werd naar een onderaardse kapel die aan God was toegewijd onder de aanroeping van de Allerheiligste Maagd. Dit klooster lag nabij Cupertino. Nadat de heilige met grote vurigheid zijn noviciaat had voltooid, legde hij zijn geloften af en werd hij als lekenbroeder opgenomen onder de oblaten van de Derde Orde. Hoewel hij met de geringste werkzaamheden van het huis werd belast, vervulde hij die met de grootste trouw. Hij verdubbelde zijn vasten en gestrengheden, bad voortdurend en sliep iedere nacht slechts drie uur. Zijn nederigheid, zijn zachtmoedigheid en zijn liefde voor versterving en boete verwierven hem zoveel eerbied, dat tijdens een provinciaal kapittel, dat in 1625 te Altamura werd gehouden, besloten werd hem onder de koorreligieuzen op te nemen, zodat hij zich aldus kon voorbereiden op de heilige wijdingen. Jozef verzocht een tweede noviciaat te mogen doorlopen. Daarna trok hij zich nog meer dan tevoren uit het gezelschap van mensen terug, om zich door gebed en beschouwing inniger met God te verenigen. Hij beschouwde zichzelf als een groot zondaar en meende dat men hem het religieuze habijt slechts uit louter liefdadigheid had gegeven. Zijn geduld deed hem de strengste berispingen voor fouten die hij niet had begaan, zwijgend en met vreugde verdragen. Zijn gehoorzaamheid was zo groot dat hij zonder uitstel de moeilijkste opdrachten uitvoerde die hem werden opgelegd. Zoveel deugden maakten hem tot een voorwerp van algemene bewondering. Nadat hij in 1628 tot priester was gewijd, droeg hij zijn eerste Mis op met onuitsprekelijke gevoelens van geloof, liefde en eerbied. Hij koos voor zichzelf een afgezonderde cel die donker en ongemakkelijk was. Dikwijls ging hij bidden in de minst bezochte kapellen, om zich daar vrijer aan de beschouwing te kunnen overgeven. Hij ontdeed zich van alles wat hem volgens zijn regel was toegestaan. Toen hij zich aldus van alles beroofd zag, wierp hij zich voor zijn kruisbeeld neer en riep uit: Zie mij, o Heer, beroofd van alle aardse dingen. Wees Gij, zo smeek ik U, mijn enige goed. Al het overige beschouw ik als een werkelijk gevaar en als een verlies voor mijn ziel. Nadat hij het priesterschap had ontvangen, bracht hij vijf jaar door zonder brood of wijn te proeven. Gedurende die tijd leefde hij uitsluitend van kruiden en gedroogde vruchten. Zelfs de kruiden die hij op vrijdag at, waren zo onsmakelijk dat niemand anders ze kon eten. Zijn vasten gedurende de Veertigdagentijd was zo streng dat hij zeven jaar lang alleen op donderdag en zondag voedsel tot zich nam, afgezien van de heilige Eucharistie, die hij dagelijks ontving. In de ochtend was zijn gelaat buitengewoon bleek, maar na de heilige Communie kreeg het kleur en werd het levendig. Hij had zich zozeer aan het vasten gewend dat zijn maag tenslotte nauwelijks nog voedsel kon verdragen. Zijn verlangen naar versterving bracht hem ertoe verschillende werktuigen van boete te vervaardigen. Gedurende twee jaar onderging hij vele innerlijke beproevingen, die hem zeer kwelden, maar op deze storm volgde een diepe rust. Toen het bericht zich verspreidde dat hij dikwijls in geestvervoering raakte en dat door hem vele wonderen werden verricht, volgde het volk hem in menigten terwijl hij door de provincie Bari reisde. Een zekere vicaris generaal nam hier aanstoot aan en diende een klacht tegen hem in bij de inquisiteurs van Napels. Jozef kreeg bevel voor hen te verschijnen. Nadat de beschuldigingen tegen hem waren onderzocht, werd hij onschuldig verklaard en heengezonden. Hij droeg te Napels de Mis op in de kerk van de H. Gregorius de Armeniër, die behoorde tot een klooster van religieuzen. Nadat het heilig Offer was geëindigd, raakte hij in extase, zoals vele ooggetuigen later tijdens zijn heiligverklaringsproces verklaarden. De inquisiteurs zonden hem naar Rome, naar zijn generale overste. Deze ontving hem streng en beval hem zich terug te trekken in het klooster van Assisi. Jozef werd door dit bericht met vreugde vervuld vanwege zijn grote godsvrucht jegens de heilige stichter van zijn Orde. Ook de gardiaan van Assisi behandelde hem streng. Zijn heiligheid straalde echter steeds duidelijker uit en personen van de hoogste rang spraken een vurig verlangen uit hem te mogen zien. Hij kwam in 1639 te Assisi aan en bleef daar dertien jaar. Aanvankelijk onderging hij vele beproevingen, zowel innerlijke als uiterlijke. Zijn overste noemde hem dikwijls een huichelaar en behandelde hem met grote strengheid. Van de andere kant scheen God hem verlaten te hebben. Zijn godsdienstige oefeningen gingen gepaard met een geestelijke dorheid die hem buitengewoon kwelde. Onreine voorstellingen die zich aan zijn verbeelding opdrongen, gevoegd bij de verschrikkelijkste bekoringen, brachten hem in zulk een diepe neerslachtigheid dat hij nauwelijks zijn ogen durfde opslaan. Toen zijn generale overste van zijn toestand hoorde, riep hij hem naar Rome. Nadat hij hem daar drie weken had gehouden, zond hij hem terug naar zijn klooster te Assisi. Onderweg naar Rome ondervond de heilige de terugkeer van de hemelse vertroostingen die hem ontnomen waren geweest. Bij het horen van de naam van God, Jezus of Maria raakte hij als het ware buiten zichzelf. Dikwijls riep hij uit: Gewaardig U, o mijn God, mijn gehele hart te vervullen en in bezit te nemen. Ach, mocht mijn ziel bevrijd worden van de boeien van het lichaam en met Jezus Christus verenigd worden. Jezus, Jezus, trek mij tot U. Ik kan niet langer op aarde leven. Men hoorde hem dikwijls anderen aansporen tot de liefde van God en tot hen zeggen: Heb God lief. Hij in wie deze liefde heerst, is rijk, ook al beseft hij het niet. Zijn geestvervoeringen waren even veelvuldig als buitengewoon. Hij had er vele in het openbaar, waarvan een groot aantal personen van de hoogste stand ooggetuige waren en waarvan zij later onder ede de waarheid bevestigden. Onder hen bevond zich Johan Frederik, hertog van Brunswijk en Hannover. Deze vorst, die luthers was, werd zo getroffen door hetgeen hij had gezien dat hij zijn vroegere geloofsopvattingen afzwoer en het katholieke geloof omhelsde. Jozef bezat bovendien een bijzondere gave om de meest verstokte zondaars tot bekering te brengen en de geest tot rust te brengen van hen die door zorgen werden gekweld. Tot sommige gewetensvolle mensen die hem kwamen raadplegen, placht hij te zeggen: Ik houd noch van gewetensangsten, noch van zwaarmoedigheid. Laat uw bedoeling oprecht zijn en vrees niet. Hij verklaarde de diepste geheimen van ons geloof met de grootste helderheid. Deze verheven kennis dankte hij aan de innige omgang die hij in het gebed met God had. Zijn voorzichtigheid bij het leiden van zielen was zo opmerkelijk dat grote menigten mensen naar hem toestroomden, onder wie zelfs kardinalen en vorsten. Aan Johan Casimir, zoon van Sigismund III, koning van Polen, voorspelde hij dat deze eenmaal zou regeren tot welzijn van het volk en tot heiliging van de zielen. Hij raadde hem daarom af in een religieuze Orde te treden. Deze vorst trad later echter bij de jezuïeten in, legde de geloften van de scholastieken van de Sociëteit af en werd in 1646 door paus Innocentius X tot kardinaal verheven. Jozef ontraadde hem vervolgens zijn voornemen om de heilige wijdingen te ontvangen. Wat de heilige had voorspeld, kwam uit. Toen Wladislaus, de oudste zoon van Sigismund, in 1648 stierf, werd Johan Casimir tot koning van Polen gekozen. Na enige tijd legde hij zijn kroon neer en trok hij zich terug in Frankrijk, waar hij in 1672 stierf. Het was deze vorst zelf die later alle bijzonderheden bekendmaakte van hetgeen wij hier hebben verhaald. Zijn wonderen waren niet minder opmerkelijk dan de andere buitengewone gunsten die hij van God ontving. Vele zieken dankten hun genezing aan zijn gebeden. Toen de heilige op 10 augustus 1663 te Osimo door koorts werd getroffen, voorspelde hij dat zijn laatste uur nabij was. Op de dag voor zijn dood ontving hij het heilig Viaticum en daarna het heilig Oliesel. Men hoorde hem dikwijls deze verzuchtingen herhalen van een hart dat brandde van liefde tot God: Ach, mocht mijn ziel bevrijd worden van de boeien van mijn lichaam om met Jezus Christus verenigd te worden. Lof en dank zij God. De wil van God geschiede. Gekruisigde Jezus, ontvang mijn hart en ontsteek daarin het vuur van Uw heilige liefde. Hij stierf op 18 september 1663, op de leeftijd van zestig jaar en drie maanden. Zijn lichaam werd in de kerk opgebaard en de gehele stad kwam het met eerbied bezoeken. Daarna werd hij begraven in de kapel van de Onbevlekte Ontvangenis. Nadat de heldhaftigheid van zijn deugden bewezen en de waarheid van zijn wonderen bevestigd was, werd hij in 1753 door Benedictus XIV zalig verklaard en in 1767 door Clemens XIII heilig verklaard. Clemens XIV nam zijn officie op in het Romeins Brevier.
De wonderbare vervoeringen
Domenico Bernini wijdt in zijn leven van de H. Jozef van Cupertino een afzonderlijk hoofdstuk aan diens wonderbare extasen en vervoeringen. Zij kwamen gedurende zijn leven zo dikwijls voor dat zij een van de meest kenmerkende buitengewone gaven van de heilige werden. Tijdens een extase hield de werking van de zintuigen op en bleef zijn lichaam onbeweeglijk in de houding waarin de vervoering hem had getroffen. Geen menselijke poging kon hem daaruit terugbrengen. Het bevel van zijn overste vermocht dit echter wel. Een woord uit heilige gehoorzaamheid was voldoende om hem tot zichzelf te doen terugkeren.

Tijdens een processie van Cupertino naar de Grottella werden in de verte de kruisen zichtbaar. Jozef riep zeer luid: O, o, o! Terwijl zijn ziel en zijn lichaam als het ware zijn uitroep volgden, vloog hij over een aanzienlijke afstand door de lucht en kwam hij in extase op een van de kruisen terecht. Onder de mensen ontstond grote ontsteltenis. Sommigen hadden zijn vlucht gezien, anderen zijn luide uitroep gehoord en allen zagen hem daar hoog boven hen in extase op het kruis. Een deel van de aanwezigen liep uit godsvrucht naar hem toe en verzamelde zich onder het kruis, anderen weken uit schrik terug. Allen bewonderden ten slotte de almacht van God, die zich zo duidelijk in deze dienaar van Hem openbaarde.
Een bijzonder uitvoerige getuigenis werd afgelegd door fra Filippo Preite over hetgeen hij in de nacht van Witte Donderdag in de kerk van de Grottella zag. Jozef lag ongeveer drie passen van het Heilig Graf geknield in gebed. Plotseling hoorde de broeder hem een luide kreet slaken. Op hetzelfde ogenblik dat hij die kreet slaakte, zag ik hem van de plaats waar hij geknield lag als een vogel wegvliegen. Jozef vloog naar de plaats waar het Allerheiligste rustte. Daar brandden olielampen en vele waskaarsen en de ruimte was met beschilderd papier en bloemen versierd. Hij ging erdoorheen zonder een lamp of kaars omver te werpen en zonder de versieringen te beschadigen. Daarna bleef hij geknield op het altaar voor het Allerheiligste, ongeveer twee passen boven de vloer. Hij boog zich voor het Allerheiligste neer, met de handen gevouwen, en bleef enige tijd zo. De gardiaan, pater Panaca, werd uit zijn kamer gehaald. Hij liet eerst de lampen en kaarsen verwijderen, klom vervolgens naar Jozef toe en riep hem krachtens de gehoorzaamheid terug. Jozef kwam uit zijn vervoering, daalde af en ging volgens de getuige met grote nederigheid en als beschaamd heen. De aanwezige broeders bleven diep getroffen achter.
In 1637 bevond Jozef zich met de priesters Don Donato Antonio en Don Candeloro bij een kruisbeeld. Hij vroeg hun waar zij Christus zouden willen kussen indien zij Hem werkelijk gekruisigd voor zich zagen. Toen zij op hun beurt aan Jozef vroegen waar hij Hem zou kussen, antwoordde hij: Op de heilige mond. Nauwelijks had hij dit gezegd of hij raakte in extase. Vanuit zijn geknielde houding verhief hij zich door de lucht naar het kruis, omhelsde het en bracht zijn mond aan de mond van de gekruisigde Christus. Deze gebeurtenis werd later afgebeeld op de gegraveerde titelprent van Bernini’s Vita del venerabile Padre Fr. Giuseppe da Copertino uit 1722.
De bekering van de hertog van Brunswijk
Tijdens zijn verblijf in Italië kwam Johan Frederik, hertog van Brunswijk en Hannover, die luthers was, naar Assisi om de H. Jozef van Cupertino te ontmoeten en zijn Mis bij te wonen. Bij de consecratie zag hij Jozef, terwijl deze de heilige Hostie in zijn handen hield, in extase geraken en zich van de grond verheffen. Bij een andere Mis bemerkte de hertog dat Jozef na de consecratie vergeefs trachtte de heilige Hostie te breken. Toen hij later naar de oorzaak daarvan vroeg, kreeg hij te horen dat dit wegens de hardheid van zijn hart was geschied. De hertog woonde opnieuw de Mis van Jozef bij en hetgeen hij te Assisi aanschouwde maakte diepe indruk op hem. Hij sprak met Jozef over het geloof en verliet ten slotte het lutheranisme om tot de katholieke Kerk terug te keren. Butler vermeldt hem later uitdrukkelijk onder de voorname ooggetuigen van Jozefs vervoeringen en schrijft dat de vorst door hetgeen hij gezien had zo getroffen werd dat hij zijn vroegere geloof afzwoer en katholiek werd.
Bernini bewaart bovendien het getuigenis van Benedicta Henriëtte, de weduwe van Johan Frederik. Zij verklaarde dat aan het hof ten tijde van haar echtgenoot voortdurend over de dienaar Gods Jozef van Cupertino werd gesproken, dat de hertog hem een zeer innige verering toedroeg en een beeltenis van hem bezat. Toen hij religieuzen in zijn gebieden wilde hebben, koos hij de kapucijnen omdat zij, evenals Jozef, tot de franciscaanse familie behoorden. Onder hen koos hij ook zijn biechtvader en hij onderhield hen zolang hij leefde.
Bernini vermeldt ten slotte dat in 1679, negen maanden voor de dood van Johan Frederik, in de kathedraal van Hannover in aanwezigheid van de hertog uitvoerig over de deugden van Jozef van Cupertino werd gepreekt. De aanwezigen waren volgens zijn relaas tot tranen toe bewogen.
Mater Dei, Mater mea
De verering van de allerheiligste Maagd nam in het geestelijk leven van de H. Jozef van Cupertino een bijzondere plaats in. Zij was vanaf zijn jeugd nauw verbonden met Onze Lieve Vrouw van de Grottella. In het heiligdom buiten Copertino werd een oude beeltenis van Maria met het Kind vereerd. Hier zocht Jozef na zijn moeilijkheden om in een klooster te worden opgenomen zijn toevlucht, hier werd hij uiteindelijk als oblaat aanvaard en hier bracht hij vervolgens vele jaren van zijn religieuze leven door. Voor de beeltenis van de Moeder Gods bad hij dikwijls en hier vonden ook verscheidene van zijn vervoeringen plaats. De Grottella bleef hem zijn leven lang bijzonder dierbaar. Maria was voor Jozef niet alleen de verheven Moeder Gods, maar ook zijn eigen Moeder. Die verhouding wordt kernachtig uitgedrukt in de van hem overgeleverde woorden: Mater Dei, Mater mea, Moeder Gods, mijn Moeder. Haar naam en het spreken over haar konden hem reeds in vervoering brengen. Ook Maria-afbeeldingen grepen hem dikwijls zo sterk aan dat hij in extase raakte. Toen hij Copertino eenmaal had moeten verlaten, keerde hij niet meer naar de Grottella terug, maar zijn liefde voor Onze Lieve Vrouw van de Grottella bleef hem vergezellen. Zelfs vanuit Assisi bleef hij met het heiligdom verbonden.

Zijn liefde voor Maria stond niet los van zijn gehele geestelijk leven. Dezelfde Jozef die bij de namen van Jezus en Maria in vervoering kon raken, vond in de Moeder Gods van zijn jeugd tot zijn laatste jaren een bijzonder voorwerp van liefde en verering. De oude Madonna van de Grottella bleef daarbij de beeltenis waarmee hij het innigst verbonden was. De woorden Mater Dei, Mater mea geven in hun eenvoud weer wat zijn Mariaverering kenmerkte: de Moeder van God was voor hem tevens zijn Moeder.
Patroonheilige
Patroon van studenten en examenkandidaten, in het bijzonder aangeroepen bij examens en moeilijkheden met de studie. Vanwege zijn vele wonderbare vervoeringen wordt de vliegende heilige ook vereerd als patroon van vliegeniers en de luchtvaart.
H. Jozef van Cupertino, O.P.N.