15 oktober – H. Teresia van Jezus, maagd en kerklerares † 1582
Vandaag viert de Kerk het feest van de H. Teresia van Jezus, beter bekend als de H. Teresia van Ávila, een van de grootste heiligen van de katholieke Kerk. Zij werd in 1515 in Spanje geboren, trad toe tot de Karmel en werd de grote hervormster van deze orde. Samen met de H. Johannes van het Kruis legde zij de grondslag voor de ongeschoeide Karmel. Haar geschriften over het gebed en de vereniging van de ziel met God behoren tot de voornaamste werken van de katholieke mystiek. In 1970 werd zij als eerste vrouw tot kerklerares verheven door paus Paulus VI.
nada te espante,
todo se pasa,
Dios no se muda.
La paciencia
todo lo alcanza.
Quien a Dios tiene
nada le falta.
Sólo Dios basta.
niets verschrikke u,
alles gaat voorbij,
God verandert niet.
Het geduld
bereikt alles.
Wie God bezit,
hem ontbreekt niets.
God alleen is genoeg.
1. Leven en geestelijke leer: de hervorming van de Karmel en de weg van het gebed
2. Florilegium: levensfeiten, kloosterstichtingen en overleveringen
3. Het Christus-visioen: Teresia over de nabijheid van de verrezen Heer
4. Daden vraagt de Heer: naastenliefde als toetssteen van het gebed
5. In gezelschap van de Meester: leren bidden in de tegenwoordigheid van Christus
6. Martha en Maria: het werkende en het beschouwende leven
Feestdag: 15 oktober
Klasse: IIIe klasse volgens het Missaal van 1962
Liturgische kleur: wit
Geboren: 28 maart 1515 te Ávila
Ingetreden: 2 november 1536 bij de karmelitessen
Overleden: 4 oktober 1582 te Alba de Tormes
Heiligverklaring: 12 maart 1622 door paus Gregorius XV
Kerklerares: 27 september 1970 door paus Paulus VI, als eerste vrouw in de geschiedenis van de Kerk
Als zevenjarig meisje wilde Teresia samen met haar broertje Rodrigo naar het land van de Moren trekken om daar voor Christus de marteldood te sterven. Een oom onderschepte de kinderen buiten Ávila en bracht hen naar huis. Daarna probeerden zij als kluizenaars te leven en bouwden kleine kluizen van stenen, die telkens instortten.
Als jong meisje hield Teresia van mooie kleding, sieraden en aangenaam gezelschap. Later beschreef zij openhartig hoe haar ijdelheid en verlangen om anderen te behagen haar van het gebed hadden afgeleid. Haar levensverhaal is daardoor ook het verhaal van een vrouw die haar eigen zwakheden goed kende.
In 1536 trad Teresia in bij de karmelitessen van het klooster van de Menswording in Ávila. Het was een groot klooster, waar bezoek en maatschappelijk verkeer een aanzienlijke plaats innamen. Teresia zou later verlangen naar kleinere gemeenschappen, waarin stilte, armoede en gebed het leven bepaalden.
In 1539 werd Teresia zo ernstig ziek dat men haar voor overleden hield. In het klooster maakte men al een graf gereed. Haar vader weigerde echter haar dood te aanvaarden, omdat hij meende nog haar polsslag te voelen. Na vier dagen kwam zij weer bij bewustzijn. Zij bleef nog jarenlang gedeeltelijk verlamd en zou haar hele leven met ernstige lichamelijke kwalen kampen.
Omstreeks 1554 werd Teresia diep getroffen door een afbeelding van de gegeselde Christus. Zij knielde voor het beeld en smeekte de Heer haar voortaan geheel aan Zich te verbinden. Ook de Belijdenissen van de H. Augustinus maakten diepe indruk op haar. Zelf beschouwde zij deze tijd als het begin van een nieuw leven.
Op 24 augustus 1562 stichtte Teresia het Sint-Jozefklooster te Ávila, het eerste klooster van haar hervorming. Het begon met vier zusters. Zij verlangde kleine gemeenschappen, een eenvoudig leven, strenge afzondering en een bijzondere toewijding aan het gebed. De zusters gingen eenvoudige sandalen dragen, waaraan de naam ongeschoeide karmelitessen is ontleend.
Teresia had een buitengewone verering voor de H. Jozef. Tijdens een ernstige ziekte had zij zich aan zijn voorspraak toevertrouwd en schreef zij haar herstel aan hem toe. Zij spoorde anderen aan hun toevlucht tot hem te nemen. Haar eerste hervormde klooster stelde zij onder zijn bescherming.
De stichting van het Sint-Jozefklooster veroorzaakte grote opschudding in Ávila. Tegenstanders vreesden onder meer dat een arm klooster uiteindelijk op kosten van de stad zou moeten worden onderhouden. De zaak werd zelfs voor de stedelijke autoriteiten gebracht. Teresia hield ondanks de tegenwerking vast aan haar stichting.
Teresia was niet alleen een mystica. Zij onderhandelde over huizen, regelde geldzaken, schreef talloze brieven en reisde over slechte wegen in eenvoudige wagens. Ondanks ziekte, armoede en tegenstand kwamen tussen 1562 en 1582 onder haar leiding zeventien kloosters voor karmelitessen tot stand.
In 1567 ontmoette Teresia de jonge karmeliet Johannes van het Kruis. Zij wist hem voor haar hervorming te winnen. In 1568 begon in het armoedige kloostertje van Duruelo de hervormde mannelijke tak van de Karmel. Zo werden twee van de grootste mystici van Spanje medewerkers aan hetzelfde werk.
De uitbreiding van haar kloosters riep hevige tegenstand op binnen de orde. Teresia kreeg bevel zich voorlopig in een klooster terug te trekken en geen nieuwe stichtingen te ondernemen. Johannes van het Kruis werd in 1577 zelfs gevangengezet door tegenstanders van de hervorming. De conflicten duurden jaren.
In 1580 kreeg de hervormde Karmel toestemming een eigen provincie te vormen. Daarmee werd het voortbestaan van Teresia’s werk verzekerd. Zij had toen nog slechts twee jaar te leven, maar bleef nieuwe stichtingen voorbereiden.
Teresia beschreef hoe een engel haar hart met een vurige pijl doorboorde. Zij ervoer daarbij zowel hevige pijn als een overweldigende liefde tot God. De beeldhouwer Bernini vereeuwigde deze gebeurtenis later in zijn beroemde marmeren beeldengroep De extase van de H. Teresia in Rome.
In Alba de Tormes wordt het hart van de heilige afzonderlijk vereerd. Volgens de overlevering vertoont het een wond die met haar visioen van de vurige pijl in verband wordt gebracht.
Volgens een bekende, maar historisch niet vaststaande overlevering viel Teresia tijdens een van haar reizen in de modder. Toen zij zich bij God beklaagde, kreeg zij ten antwoord dat Hij zijn vrienden zo behandelde. Teresia zou hebben geantwoord: Geen wonder, Heer, dat Gij er zo weinig hebt!
Teresia hield van opgewektheid in het klooster. Zij wantrouwde overdreven plechtstatigheid en vond dat godsvrucht niet tot zwaarmoedigheid mocht leiden. Haar brieven getuigen van een levendige humor, scherpe mensenkennis en een opmerkelijk gevoel voor het alledaagse.
Teresia leerde haar zusters dat het geestelijk leven niet beperkt bleef tot het koorgebed. Ook in de keuken kon men God ontmoeten. Het gewone huishoudelijke werk was voor haar geen belemmering voor de heiligheid.
Teresia kon streng zijn, maar had oog voor de zwakheid van haar medezusters. Zij hechtte belang aan gezonde voeding, voldoende rust en een opgewekte gemeenschap. Zij verzette zich tegen buitensporige verstervingen die de gezondheid ondermijnden.
Teresia bezat een scherp inzicht in menselijke eigenaardigheden, ook in die van zichzelf. In haar geschriften vertelt zij openhartig over haar ijdelheid, haar gehechtheid aan vriendschappen en de moeite die het haar kostte zich geheel aan God over te geven.
Teresia schreef haar geestelijke ervaringen aanvankelijk op bevel van haar biechtvaders. Zij werd een van de belangrijkste schrijvers van de Spaanse Gouden Eeuw. Haar bekendste werken zijn Het boek van haar leven, De Weg der volmaaktheid, De Kloosterstichtingen en De innerlijke burcht. Ook liet zij honderden brieven na.
Teresia vergeleek de menselijke ziel met een schitterend kasteel van kristal, waarin zich vele vertrekken bevinden. In het binnenste verblijf woont God. De weg naar dit middelpunt beschreef zij in haar meesterwerk Het Kasteel der ziel, dat zij in 1577 schreef.
Teresia gebruikte de gedaanteverwisseling van de zijderups als beeld van het geestelijk leven. Zoals uit de cocon een witte vlinder tevoorschijn komt, zo wordt de ziel door de vereniging met God geheel omgevormd.
Teresia’s beroemde woorden Solo Dios basta, God alleen is genoeg, vatten haar gehele geestelijke leven samen. Ze vormen de slotregel van haar bekende gebed Nada te turbe.
Toen haar einde naderde, verlangde Teresia vurig naar de ontmoeting met Christus. Bij haar laatste communie sprak zij volgens de overlevering: Het is tijd, mijn Bruidegom, dat wij elkaar zien.
Teresia overleed op 4 oktober 1582 te Alba de Tormes, 67 jaar oud. Door de invoering van de gregoriaanse kalender volgde in Spanje op 4 oktober onmiddellijk 15 oktober. Op deze datum wordt haar feest gevierd.
In 1970 verhief paus Paulus VI haar als eerste vrouw tot kerklerares. Daarmee erkende de Kerk haar bijzondere gezag als leermeesteres van het gebed en het geestelijk leven.

Het leven en de geestelijke leer van de H. Teresia van Jezus
Op 28 maart 1515 werd Santa Teresa te Ávila, een roemrijke stad in Oud-Castilië, geboren. Zij stamde uit een oud Spaans riddergeslacht. In de bergen van León lag zijn oudste woonplaats, de burcht Cepeda, waarvan de naam steeds door de hoofden van de familie werd gedragen. Deze ging dus van vaderszijde op Teresa over, terwijl zij volgens Spaans gebruik van haar moeder de naam de Ahumada erfde. Deze adellijke namen zou zij later vervangen door een eenvoudiger, maar niet minder diepzinnige kloosternaam: Teresa de Jesús. Tegenwoordig is zij in heel de wereld bekend als de H. Teresia van Ávila. Een korte beschrijving van haar leven en leer is het doel van deze inleiding tot de bloemlezing uit haar werken. Haar vader Alonso Sánchez de Cepeda en haar moeder Beatriz Dávila de Ahumada, beiden afkomstig uit de aanzienlijke oude adel, waren volgens het getuigenis van Santa Teresa deugdzame en godvrezende ouders. Haar vader las graag goede boeken, die hij ook zijn kinderen te lezen gaf. De armen droeg hij een warm hart toe, de zieken stond hij met grote toewijding bij en hij was vol goedertierenheid tegenover zijn dienstpersoneel. Een man met vele deugden. Ook haar moeder was zeer deugdzaam. Haar korte leven — zij was slechts drieëndertig jaar oud toen zij stierf — was een voortdurend lijden. Hoewel zij een zeer schoon uiterlijk had, hechtte zij daaraan niet de minste waarde. Teresa leefde in een groot gezin. Alonso was tweemaal getrouwd. Uit zijn eerste huwelijk met Catharina del Peso had hij drie kinderen en uit zijn tweede huwelijk met Beatriz negen, van wie Teresa het derde was. Zij hield bijzonder veel van haar broertje Rodrigo, met wie zij samen de levens van de heiligen las. De gedachte dat de heiligen door het martelaarschap voor een geringe prijs het geluk van de hemel hadden verworven, maakte op haar kindergemoed zo’n diepe indruk dat ook zij zo wenste te sterven. Zij was toen zeven jaar. Met Rodrigo overlegde en besprak zij haar gedachten en wensen. Een vast besluit werd genomen. Zij zouden samen naar het land van de Moren gaan, opdat zij daar uit liefde tot God onthoofd zouden worden. En dan zouden zij voor altijd, altijd, altijd! Gods heerlijkheid aanschouwen en gelukkig zijn. Inderdaad gingen zij samen op weg, maar een oom ontmoette hen en bracht hen weer veilig thuis. Daar stonden nu die kleine helden. Wat moesten zij doen? Martelaar worden bleek toch niet zo gemakkelijk te gaan. Een ander besluit werd genomen. Zij zouden kluizenaar worden en maakten in de tuin bij hun huis kluizenaarswoningen. Veel plezier beleefden zij er echter niet aan, want die huisjes stortten al spoedig weer in elkaar. Voor zover zij als kind daartoe in staat was, gaf zij aalmoezen en zocht zij dikwijls de eenzaamheid op om er haar gebeden te verrichten, vooral de rozenkrans, waarvoor haar moeder zo’n grote devotie had. Op twaalfjarige leeftijd verloor zij deze voortreffelijke moeder. Diep bedroefd over het grote verlies wierp zij zich neer voor een beeld van Onze-Lieve-Vrouw en smeekte Haar met vele tranen voortaan haar moeder te willen zijn.
De kinderjaren waren voorbij. Als meisje van veertien jaar had zij veel omgang met haar neefjes en een nichtje, met wie zij bijzonder bevriend was. Beïnvloed door het lezen van ridderromans trachtte zij nu uit te blinken, niet in de deugd, maar in de verzorging van haar uiterlijke schoonheid, om daarmee anderen te behagen. Zij verzekert ons uitdrukkelijk dat zij daarbij geen verkeerde bedoelingen had, maar later zou zij dat alles als grote ijdelheden bestempelen. In die tijd van ontwakende jeugd liet zij zich vooral leiden door haar eergevoel, dat haar voor erger behoedde. Haar vader maakte aan dit leven een einde door haar voor verdere opvoeding naar het klooster van de Augustinessen te sturen. Een verblijf van anderhalf jaar aldaar kwam haar zielenleven zeer ten goede. Meer verstandelijke overwegingen traden nu op de voorgrond. Wegens een ernstige ziekte moest zij naar huis terugkeren. Haar vader stuurde haar voor volledig herstel naar haar zuster Maria, die op het land woonde. Op de heenreis bezocht zij haar oom Pedro Sánchez de Cepeda. Aan deze verstandige en deugdzame man had Teresa veel te danken. Zij keerde terug naar de gedachten van haar eerste jeugd en drong dieper door in de eeuwige waarheden: dat alles niets is en de wereld vol ijdelheid, en hoe alles in korte tijd voorbijgaat. Nu kwam ook de gedachte om in het klooster te treden weer krachtiger bij haar op. Zij was hierover in een geestelijke strijd gewikkeld die drie maanden duurde. Daarna nam zij, gelouterd door lichamelijk en geestelijk lijden, na rijpe overweging en gesterkt door het lezen van de brieven van de H. Hiëronymus, het besluit haar vader mee te delen dat zij in het klooster wilde treden. Zijn goedkeuring kon zij echter niet krijgen. Na zijn dood mocht zij doen wat zij wilde. Op 2 november 1536 ging zij daarom heel vroeg in de morgen stilletjes weg en vertrok naar het karmelitessenklooster te Ávila, waar zij werd aangenomen. De uitvoering van dit besluit was voor haar gevoelige ziel erger dan de dood. Op 3 november 1537 legde zij haar religieuze geloften af. Al spoedig werd zij zeer ernstig ziek. Op aanraden van de artsen ging zij ergens een kuur volgen. In plaats van beter werd zij steeds zieker. Vier dagen lang lag zij in een toestand van volkomen machteloosheid. Er scheen geen hoop op beterschap meer te zijn. In het klooster drong het gerucht door dat zij was overleden. Er werd een graf gemaakt. Aan haar vader had zij het te danken dat zij niet levend werd begraven. Hij meende nog steeds haar polsslag te voelen. Ten slotte keerde het leven terug. In een laken gedragen werd zij naar het klooster teruggebracht. Heel haar verdere leven was een aaneenschakeling van lichamelijk en geestelijk lijden. Hierdoor niet terneergeslagen of overwonnen, maar gelouterd en gesterkt, door God opgevoerd tot de hoogste toppen van de mystiek, staat zij nog steeds voor ons als mulier fortis, als de sterke vrouw.
Wat zij in die jaren in het diepst van haar ziel heeft ervaren en doorleefd, wat zij aan wijsheid van boven mocht ontvangen, heeft zij op bevel van haar biechtvaders zo nauwkeurig mogelijk en tot in de kleinste bijzonderheden beschreven. We kunnen dit tijdperk van haar leven als volgt kort samenvatten. In 1556 begon zij met snelle schreden de weg van de volmaaktheid te bewandelen. Het jaar daarvoor, het twintigste van haar kloosterleven, had een heel bijzondere genade haar bekering bepaald en voltrokken. Hoe moeten wij deze bekering, waarvan zij zelf zo uitdrukkelijk spreekt, opvatten? Deze was geen overgang van een zwaar zondig naar een christelijk leven, ook niet van een werkelijk lauw naar een vuriger leven, maar veeleer de beslissende overgang van een reeds vurig en deugdzaam leven naar dat van algehele volmaaktheid. Het 23ste hoofdstuk van haar Leven begint zij aldus: Van hieraf aan is het een ander, nieuw boek, een ander, nieuw leven. Het leven dat ik tot dan toe geleid heb, was het mijne. Maar het leven dat ik geleid heb sinds ik begonnen ben het gebedsleven te verklaren, is het leven dat God in mij leefde. Het was dus de overgang van de weg van de verlichting naar die van de vereniging. Gewoonlijk voltrekt deze overgang zich langzaam, geleidelijk en als het ware onmerkbaar. Bij haar was hij het gevolg van een uitzonderlijk krachtige genade. Deze had zij ontvangen toen zij een Ecce Homo aanschouwde en de Belijdenissen van de H. Augustinus las. Wel had zij sinds de zalige dood van haar vader in 1541, die zo’n diepe indruk op haar had gemaakt, het overwegend gebed beoefend en was ook dat een keerpunt in haar geestelijk leven geweest, maar vanaf nu was zij een geheel andere vrouw, geheel aan God toegewijd en geheel in Hem opgaand.

Vanaf nu bleef zij niet alleen op deze bovennatuurlijke hoogten van het mystieke leven wonen, maar werd zij ook de apostel van dit leven. Voorlopig predikte zij dit leven door haar voorbeeld. Door haar gestadige vooruitgang bereikte zij zeventien jaar later (1572) die omvormende vereniging, die zij in haar boek Het Kasteel der ziel zou beschrijven. De laatste tien jaar van haar leven bracht zij door in een staat van heldhaftige heiligheid. Tot dit leven in en met God riep zij ook anderen. Haar hervorming van het kloosterleven had geen ander doel dan uitverkoren zielen naar de volmaakte vereniging met God te leiden. Onder haar invloed kwamen zelfs haar geestelijke leidslieden en biechtvaders tot dit leven van het volmaakte gebed, zoals de paters dominicanen Ibáñez, García de Toledo en de beroemde Báñez. Het waren vooral dezen die haar de plicht oplegden te schrijven, deels opdat zij haar hierdoor beter zouden leren kennen, deels om zichzelf beter te onderrichten. Zo werd zij geheel tegen haar zin schrijfster, om haar grote kruistocht te prediken. Toen zij op 4 oktober 1582 stierf, was het visioen dat zij gedurende de bovengenoemde vier dagen van volkomen machteloosheid had gehad, werkelijkheid geworden. Ik heb de kloosters gezien die ik moet stichten en vele zielen die door mijn hulp zalig moeten worden. Omdat paus Gregorius XIII in dat jaar de verbetering van de Juliaanse kalender invoerde, werden tien dagen in de tijdrekening overgeslagen, zodat de dag van haar dood als 15 oktober gold. Op deze dag wordt jaarlijks haar feest door de Kerk gevierd.

Een kostbare vrucht van haar gehoorzaamheid zijn haar talrijke geschriften. Zij worden alom geprezen wegens de verhevenheid en schoonheid van haar gedachten en de zuiverheid en sierlijkheid van haar taal. De vijf voornaamste werken zijn haar Leven, De Weg der volmaaktheid, De Kloosterstichtingen, Gedachten over Gods liefde en Het Kasteel der ziel. Kleinere geschriften zijn: De wijze om de kloosters te visiteren, De Constituties der ongeschoeide karmelitessen, De Verzuchtingen der ziel tot God, ook wel Overwegingen genoemd, Enige geestelijke berichten, Raadgevingen en gedichten, en talrijke brieven. Het Leven was het eerste werk dat zij schreef, in 1561–1562, en dat zij in 1565 verbeterde, aanvulde en in hoofdstukken verdeelde. In zijn geheel is het veeleer een beschrijving van haar innerlijk leven, de geschiedenis van haar ziel, dan van haar uiterlijk leven. Het bestaat uit veertig hoofdstukken en behandelt in het eerste gedeelte haar leven tot haar bekering (1515–1555). Het tweede gedeelte handelt over het gebed, hoofdstuk 11 tot en met 22. Vervolgens beschrijft zij haar leven van 1555 tot 1562 en ten slotte de geschiedenis van de stichting van het zusterklooster Sint-Jozef te Ávila, het eerste klooster van haar hervorming, dat wil zeggen de naleving van de oorspronkelijke regel zonder verzachting. In de laatste vier hoofdstukken bespreekt zij enkele gunsten en genaden die zij van God mocht ontvangen. De Weg der volmaaktheid, geschreven te Ávila in de jaren 1564–1567, is wel het meest praktische boek dat zij, hoewel bestemd voor de eenvoudige zusters van het klooster Sint-Jozef, heeft nagelaten aan alle zielen die naar waarachtige zielengrootheid streven. Het Kasteel der ziel, geschreven in 1577, is haar meesterwerk. Het is het rijkste en rijpste van al haar mystieke geschriften. Het is niet alleen volledig, maar ook in opzet en vorm het volmaaktste en mooiste. Het mist het vertrouwelijke karakter van haar Leven en de gemoedelijke aansporingen en opmerkingen van De Weg der volmaaktheid. Niettemin is in dit werk alles volmaakter: heel het geestelijk leven wordt vanuit één grondgedachte, één grondplan begrepen, ontwikkeld en samengevat. Nu staat haar zelf alles klaar en duidelijk voor de geest. Thans beschikt zij over het geniale vermogen om haar rijpe gedachten zo zuiver en volkomen mogelijk uit te drukken en weer te geven. Uit deze drie hoofdwerken is de bloemlezing samengesteld. De tekst is ontleend aan de vertaling van prof. dr. Titus Brandsma O.Carm. en dr. Athanasius van Rijswijck O.Carm. Wij hebben getracht een zo volledig mogelijk beeld te geven van de rijke gedachtenwereld van Santa Teresa. Hier volgen enkele richtlijnen die voor het volgen en goed begrijpen van haar gedachten van dienst kunnen zijn.
Van de vele beelden die zij gebruikt om haar mystieke gedachtenwereld te vertolken, treden er vooral drie op de voorgrond: het innerlijke kasteel, de tuin en de zijderups. Het zijn beelden waarin zij haar gedachten over de ziel met betrekking tot het geestelijk leven weergeeft. Zoals iedere mystieke schrijver heeft ook Santa Teresa haar eigen beeldspraak. Sint-Jan van het Kruis spreekt van de bestijging van de berg Karmel als de langzame en moeizame opgang van de ziel naar God. Voor haar echter is dat opstijgen en beklimmen het veroveren van een kasteel. En dat kasteel is de ziel zelf, die een strijd op leven en dood moet voeren tegen alle vijanden die haar kasteel belagen en bestormen. Bij Sint-Jan van het Kruis woont God in zijn licht en heerlijkheid op de top van de berg. Bij Teresa heeft God, de lichtende en alle vertrekken doorschijnende zon, in het middelpunt van dat voortreffelijke kasteel zijn woonplaats. De kastelen van Castilië waren voor Teresa geen onbekenden. Zij kende ze niet alleen van buiten, maar ook van binnen, zoals dat van de hertog van Alba. Haar kasteel is gemaakt uit één diamant of uit heel zuiver kristal. Het telt talloze verblijven. In het midden bevindt zich het voornaamste, waar de meest geheime dingen tussen God en de ziel plaatsvinden. Het kasteel heeft zijn ringmuur en grachten. Daar verblijft het soldatenvolk, aan wie het niet vergund is het kasteel binnen te treden. In de grachten wemelt het van allerlei ongedierte dat soms kans ziet de eerste verblijven van het kasteel binnen te sluipen. Dat alles verzinnebeeldt de wereld van de ijdelheden, de wereld van de duivel en de zonde. Hiertegen moet de ziel, in zichzelf kerend en op weg naar het verblijf van haar Koning, de strijd voeren. Binnen het kasteel schittert en flonkert het licht van de waarheid en de genade, buiten heerst de duisternis van de zonde. Het is de verheven roeping van de ziel om het kasteel binnen te treden en te delen in de heerlijkheid van de Koning, om met Hem te zijn in zijn eigen verblijf. De poort waardoor de ziel het kasteel binnentreedt, is het gebed. Het gebed in al zijn graden is de spiegel waarin het licht van de zon wordt weerkaatst. Dit licht begeleidt de ziel bij het gaan door de vertrekken en drijft haar aan om de strijd tot een gelukkig einde te brengen. De Koning roept, nodigt uit, schenkt en deelt zichzelf mee aan de ziel door het gebed. Het gebed is bovennatuurlijk leven. Het ontwikkelt zich en komt tot volle groei en bloei. Heel dit ontwikkelingsproces, dat Teresa zelf heeft doorgemaakt, beschrijft zij aan de hand van de zeven verblijven van het kasteel. Trapsgewijs gaat de ziel die in en door het gebed God zoekt, vanuit het eerste verblijf door de zes volgende verblijven. Door het weinig verlichte verblijf van de zelfkennis en de strijd, het eerste en tweede, gaat de biddende ziel over naar het verblijf ofwel het gebed van ingekeerdheid, rust, vereniging en verrukking, door visioenen en verschillende andere grote genaden, het derde, vierde, vijfde en zesde, totdat in het zevende verblijf, waar God zelf troont, het mystieke huwelijk tussen God en de ziel wordt gesloten en gevierd.
Het tweede zinnebeeld van de ziel is dat van de tuin. De ziel is een tuin waarin allerlei planten groeien, goede en slechte, bloemen en distels. Het geestelijk leven bestaat hierin dat de ziel uit haar tuin het onkruid wiedt, de distels uitrukt en opruimt, hem voorziet van goede planten en mooie, welriekende bloemen en deze met grote zorg en toewijding verzorgt, totdat zij bloeien en vruchten voortbrengen: de deugden met hun daden, want daden vraagt de Heer. De tuin is dor en droog. Hij heeft besproeiing en bevloeiing nodig, het water van de genade. Op vier wijzen, zegt Santa Teresa in het boek van haar Leven, kan deze bevloeiing plaatsvinden. Het zijn de vier trappen van het gebed. De eerste wijze is het water uit de put ophalen met behulp van de eigen armen. Het is een langzame, moeizame en primitieve arbeid van besproeiing. Hiermee vergelijkt zij het beschouwende gebed, het gebed van de overweging, van de inkeer van de ziel in zichzelf. De ziel arbeidt met behulp van de rede en het licht van het geloof. Zij zoekt beweegredenen om God te beminnen, de zonde te verafschuwen en zichzelf aan te sporen de deugd te beoefenen. In deze tijd overweegt zij de christelijke waarheden en geheimen, het leven en vooral het lijden van Christus. Ondanks alle neiging tot verstrooidheid en dorheid is het voor de ziel noodzakelijk deze trap van het gebed te bestijgen. Met eigen handen moet zij uit de bron van haar geest en hart het water scheppen dat zij zozeer nodig heeft. De tweede wijze van bevloeiing is die met behulp van de noria, het scheprad. Het werk gaat sneller en gemakkelijker. Het levert heel wat nieuw levenswater op. De tuin wordt overvloediger gedrenkt, brengt meer en betere vruchten voort en de tuinman zelf geniet meer rust. In deze wijze van besproeiing ziet Santa Teresa een beeld van het gebed van rust. Wel moet de ziel ook nu nog arbeiden zoals in het beschouwende gebed, maar alleen met tussenpozen. Zo nu en dan brengt zij het scheprad in beweging. God zelf neemt haar arbeid over, want dit gebed is reeds van mystieke aard, bovennatuurlijk. Hoeveel moeite wij ook aanwenden, wijzelf kunnen hiertoe niet geraken. God zelf openbaart zich in het gebed van rust aan de ziel, waardoor zij met al haar vermogens, geheugen, verstand en wil, tot rust komt. In stille vreugde geniet zij Gods nabijheid. Van veel hogere orde is de derde wijze van bevloeiing. Hier geen put en emmer of scheprad, maar uit een rivier die langs de tuin loopt, vloeit het water door kanalen de tuin binnen. De ziel hoeft slechts de sluizen open te zetten en overvloedig stroomt het levenswater binnen en doordrenkt haar geheel en al. Dit gebeurt op de derde trap van het gebed, die de slaap of de vereniging van de vermogens wordt genoemd. God laat overvloedig de stroom van zijn genade vloeien. Hier kan de ziel tegelijk Martha en Maria zijn. Verzonken in de beschouwing van God geniet de ziel een grote heerlijkheid en rust. Haar deugden worden krachtig en sterk. Zo kan zij ongestoord het werk van Martha verrichten. Dit gebed is geheel en al bovennatuurlijk. De vierde wijze van bevloeiing is de beste en verhevenste. De regen valt in stromen op de tuin neer. Hier is het niet de tuinman die besproeit, maar de hemel, en wel op zo’n volmaakte wijze dat alle planten een gelijk aandeel daaraan hebben. Dit is het zinnebeeld van het gebed van algehele vereniging ofwel het gebed van de verrukking. Plotseling doorstroomt Gods genade heel de ziel met al haar vermogens. Zij verkeert in een goddelijke roes. Gods licht doorstraalt haar verstand, God openbaart haar in visioenen geheimen en spreekt haar diep in de ziel woorden toe. Een onmetelijke, goddelijke liefdegloed brandt in haar hart, dat als met pijlen wordt doorboord. Nu geniet zij volkomen rust. Het is heerlijk zomerweer, haar tuin telt een overvloed aan bloemen en vruchten. De ziel is gestorven om voor God te leven. In haar vlucht naar omhoog wordt ook haar lichaam dikwijls mee opgenomen.
Het derde zinnebeeld van de ziel is dat van de zijderups. Ten tijde van Santa Teresa was de teelt van dit wonderbare insect in Toledo en Sevilla reeds tot een aanzienlijke ontwikkeling gekomen. Op haar tochten door deze streken had zij gelegenheid gehad zich hiervan op de hoogte te stellen. Het ontwikkelingsproces van het leven van de zijderups past zij toe op het leven van de ziel. Dat beeld trok haar aan. Het vertolkte zo fijn en mooi wat zij zelf in een veel hogere orde, die van de mystiek, beleefde. Het nietige eitje, nauwelijks zichtbaar — Santa Teresa noemt het een kiempje, een zaadje — begint zich bij het zachte, warme lenteweer te ontwikkelen, te herleven. Het wormpje groeit door zich te voeden met de bladeren van de moerbeiboom. Groot geworden spint de rups zijde en maakt zich een zeer nauwe cocon, een omhulsel waarin zij zich opsluit. Daar verandert zij in een pop, om vervolgens als een mooie, witte vlinder uit de cocon tevoorschijn te komen. Die zijderups, zegt Santa Teresa, is de ziel. De ziel, waarvan het geestelijk leven in het begin nietig is, bijna niet waar te nemen als een zaadje, begint zich te ontwikkelen bij de warmte van de genade. Zij voedt zich met heilige overwegingen en alle middelen die de Kerk haar schenkt. Groter geworden, opgestegen tot een verhevener graad van gebed, weeft zij zich haar cocon door zich van de wereld af te zonderen. In dit huis moet zij evenals de zijderups sterven, en wel de dood van de oude mens. Omgevormd in de heerlijkheid van God verrijst zij en komt als een witte vlinder tevoorschijn. In Christus, in God gestorven, leeft nu Christus, God, in haar. O grootheid van God, en hoe heerlijk treedt de ziel hieruit tevoorschijn, nadat zij een korte tijd in Gods grootheid verslonden en zo innig met Hem verenigd is geweest. Diezelfde ziel kent zichzelf niet meer. Want zie, hetzelfde verschil dat er bestaat tussen een lelijke worm en een witte vlinder, bestaat ook hier.
Van nog vele andere symbolen maakt Santa Teresa in haar geschriften gebruik om haar gedachten zo juist en goed mogelijk weer te geven. Deze drie echter zijn fundamentele beelden waarin zij haar gedachten over de ziel en over het bovennatuurlijke leven van God in de ziel neerlegt. Hebben wij de betekenis en de waarde ervan begrepen, dan zal het niet moeilijk zijn om in haar leer, in haar verheven gedachtenwereld door te dringen. Bij het lezen van haar geschriften mogen wij deze beelden niet uit het oog verliezen, want zij dienen als leidraad voor de uiteenzetting van haar drievoudige opvatting van het leven van de ziel: een kasteel dat veroverd moet worden, een tuin die verzorgd en besproeid moet worden, een rups die moet sterven om vervolgens te herrijzen als een mooie, witte vlinder. Eerst zo kan de ziel opvliegen naar de hoogste toppen en de hoogten vol glans en schittering, waar God woont.
Wat Santa Teresa interesseert, is God en de ziel. Al het andere is van weinig belang en ondergeschikt aan het eerste. Al te veel, zo niet geheel, vertoeft de ziel met haar zintuigen en vermogens buiten het kasteel, en wel tot haar schade en ondergang. De wereld is schijn, betovering en droom. Daarom: ga niet naar buiten, maar treed binnen in uzelf, daar woont de waarheid. Teresa eist van de ziel een zeer besliste houding. Zonder deze valt er niets te bereiken. Zijne Majesteit wil moedige zielen. Zielen met grote verlangens, begeerten en hoge gedachten. Deze zijn met Sint-Paulus van mening dat zij uit zichzelf niets, maar in God alles vermogen. Deze spreken met Sint-Augustinus het vrijmoedige woord: Heer, geef mij de kracht tot hetgeen Gij beveelt en beveel mij wat Gij wilt. En zonder enige vrees storten zij zich met Sint-Petrus in de woeste golven. Toch blijft voorzichtigheid geboden. Wil deze moed niet omslaan in overmoed, dan is het noodzakelijk dat de ziel zich van al het aardse onthecht. Daardoor wordt zij pas meester over de wereldse zaken. Door nederigheid en zelfverloochening blijft zij op de goede weg. Door de liefde en de vreze Gods bezit zij twee sterke kastelen, van waaruit zij de wereld en de duivelen kan bestrijden. Zonder deugden is het voor de ziel niet mogelijk op te gaan tot God. Die weg is lang en moeilijk, niet bezaaid met rozen, maar met doornen en distels. Zelfs de moedigste ziel zou nog kunnen bezwijken. Hier geeft het geduld weer nieuwe kracht, want de ziel weet ook: Zijne Majesteit weet vele dagen en jaren te wachten. De ziel kan deze weg van de ascese aanmerkelijk verkorten en het doel van de reis, het drinken van het levende water, dat de bovennatuurlijke beschouwing is, in korte tijd bereiken. Zij kan zich daartoe geschikt maken door het brengen van een offer: zich geheel aan de Schepper overgeven, haar wil aan de Zijne onderwerpen en zich volkomen van de schepselen onthechten. Daardoor maakt de ziel zich geschikt om de weg van de mystiek te bewandelen. Meer niet, want tot de volmaakte beschouwing dragen wij van onze kant niets bij. Wij behoeven er geen moeite voor te doen of te trachten haar te bewerken. Een grote kracht gaat van dit offer uit. Als wij het brengen met de vaste wil waarmee het gebracht moet worden, dan bezit het de macht de Almachtige te doen besluiten één met onze nietigheid te worden, ons in Zich te veranderen en de Schepper met het schepsel te verenigen. Dan is de ziel geschikt voor het ontvangen van grote genaden.
Duidelijk geeft Teresa te kennen dat de weg van de ascese, van de beoefening van de deugden en de overweging — ook het mondgebed moet van overweging vergezeld gaan –, van het ontvangen van de sacramenten, geestelijke lezing enzovoort, tot de christelijke volmaaktheid voert. Op deze weg ligt immers het offer van de wil, die daardoor volmaakt gelijkvormig met Gods wil is geworden. De zijderups is gestorven, de ziel is doorgedrongen tot bij het verblijf waar de Koning woont, de distels en allerlei onkruid hebben plaatsgemaakt voor mooie en geurige bloemen. Of de ziel nu overgaat van de weg van de ascese naar die van de mystiek, die op een hoger plan ligt, hangt enkel en alleen van God af. Teresa’s inzicht in de kracht van het hoogste offer is hierboven vermeld. Maar ook zegt zij: Het niet overtuigd zijn van de waarheid dat de beschouwing een gave Gods is, zal dan ook slechts een oorzaak van grote neerslachtigheid zijn voor degenen die deze gunst niet van God ontvangen. De beschouwing is niet noodzakelijk ter zaligheid en zonder haar kan de ziel zeer volmaakt zijn, als zij doet wat ik gezegd heb. De weg van de ascese is slechts spaarzaam verlicht. De ziel wandelt hier in het licht van het geloof, dat haar wel het bestaan van Gods geheimen verzekert, maar het wezen ervan verborgen houdt. Op de weg van de mystiek wandelt de ziel in een licht van hogere orde. Hierdoor krijgt zij een zeer diep inzicht in het wezen van de geheimen, maar niet de volledige openbaring ervan, zoals door het licht van de heerlijkheid in de hemel. Gods tegenwoordigheid in de ziel wordt hierdoor bewust, als het ware tastbaar, ervaren. Wanneer Santa Teresa spreekt over het visioen waarin alle dingen in God kunnen worden gezien, zegt zij het volgende: Laten wij zeggen dat de Godheid is als een zeer heldere diamant, groter dan de gehele wereld. Laten wij verder zeggen dat in deze diamant alles wat wij doen te zien is. Alles toch sluit deze in zich, want er is niets wat zich buiten zijn grootte zou kunnen uitstrekken. Het wekte mijn grootste verwondering dat ik in zo korte tijd in die heldere diamant zoveel dingen tegelijk aanschouwde. Heel uitvoerig beschrijft zij de mystieke verschijnselen, zoals verrukkingen, visioenen, de woorden die God tot de ziel spreekt, openbaringen en geestelijke gevoelens. In het algemeen kunnen zij een drievoudige oorsprong hebben. Zij kunnen voortkomen uit een ziekelijk of overspannen zenuwgestel, van de duivel of van God. Zij geeft de kenmerken aan waardoor men in staat is de oorzaak ervan vast te stellen. Men leze bijvoorbeeld Visioenen van verstand en verbeelding en Het doel der mystieke genaden. Komen deze gunsten van God, dan blijft de ziel gedurende enige tijd zo’n grote zekerheid bij, dat men haar niet de minste vrees kan aanjagen dat zij zich vergist, hoeveel moeite men ook zou aanwenden om haar van het tegendeel te overtuigen. De biechtvaders moeten met grote omzichtigheid te werk gaan en de tijd afwachten om de uitwerkingen te zien die deze verschijnselen hebben, namelijk nederigheid en sterkte in de deugd. Komt dit visioen van de duivel, dan zal dit spoedig blijken en men zal hem op duizenden leugens betrappen. Alles wat de ziel op deze weg ervaart, moet in overeenstemming zijn met de Heilige Schrift en de leer van de Kerk. Mocht ik ook al duizend woorden horen en alle hemelen open zien, maar werd daardoor slechts een onbeduidendheid aan het geloof tekortgedaan, dan wist ik ook zonder geleerden en bewijsvoeringen dat dit alles van de duivel kwam. Zij onderscheidt drie soorten visioenen: die welke met de ogen van het lichaam worden waargenomen, die van de verbeelding en ten slotte de visioenen van het verstand. Deze laatste zijn verhevener dan de tweede, en deze overtreffen op hun beurt verre de eerste. In het verstandsvisioen wordt de waarheid zonder hulp van de zintuigen en zonder enig beeld van de verbeelding onmiddellijk door God aan het verstand meegedeeld. Terwijl ik op een feestdag van de roemrijke H. Petrus in gebed was, zag ik bij mij, of liever, nam ik waar, want noch met de ogen van het lichaam noch met die van de ziel vermocht ik iets te zien, maar het scheen mij niettemin dat vlak naast mij Christus stond. Daar het geen visioen van de verbeelding was, zag ik niet onder welke gedaante, maar duidelijk nam ik waar dat Jezus Christus altijd aan mijn zijde bleef en getuige was van al wat ik deed.
Hier ontvangt de ziel door God ingestorte kennis. Zij ziet zich in één ogenblik van kennis vervuld en zo onderwezen in het geheim van de Allerheiligste Drie-eenheid en andere hoogverheven dingen, dat zij met iedere godgeleerde over de waarheid van deze verheven dingen zou durven redetwisten. Zonder woorden of enig ander teken verstaan God en de ziel elkaar en kennen zij de liefde die zij elkaar toedragen, alleen door elkaar aan te zien (het Christusvisioen). Met de zintuigen en hun gewone vermogens zou de ziel in geen duizend jaren leren kennen wat zij hier in één enkel ogenblik leert. Al deze verlichtingen doen de liefde van de ziel voor haar Beminde steeds toenemen. Haar liefde toch groeit des te meer naarmate haar duidelijker wordt geopenbaard hoezeer deze grote God en Heer verdient bemind te worden. Het duifje vliegt hoger. Heel de wereld laat zij achter zich, want niets ter wereld kan met haar Beminde vergeleken worden. Zij heeft een andere wereld ontdekt, oneindig veel schoner en voortreffelijker dan deze. Zij ziet reeds op geheimzinnige wijze wie de Bruidegom is die zij moet nemen. Al haar krachten spant zij in om zich deze Bruidegom waardig te maken, want zij weet dat zij door zorgeloosheid, door haar liefde op iets anders te vestigen, alles weer zou verliezen. De verloving wordt voorbereid. Reeds gewond door de liefde van Hem die haar Bruidegom wil zijn, wil de ziel alleen en één met Hem wezen. Zij is zich ervan bewust dat zij smetteloos als een witte lelie voor Hem zal moeten verschijnen. Zij is vastbesloten in alles de wil van haar Geliefde te doen en Hem op alle mogelijke wijzen te behagen. Zijn bezoeken worden veelvuldiger. Eén enkele aanblik van Hem maakt haar waardiger om elkaar de hand te geven. Door liefde ontvlamd doet de ziel al het mogelijke opdat niets deze goddelijke verloving verstoort. Zij is vastbesloten geen andere Bruidegom meer te kiezen. Evenwel slaat de Bruidegom geen acht op het vurige verlangen dat zij koestert om nu reeds het verlovingsfeest te vieren. Het grootste van alle goederen, het geestelijk huwelijk, voorafgegaan door de mystieke verloving, wordt haar pas geschonken nadat zij door de donkere nacht van de geest is gegaan, door een afgrond van lichamelijk, geestelijk en mystiek lijden. O God, hoe groot is het innerlijke en uiterlijke lijden dat een ziel moet verduren voordat zij het zevende verblijf kan binnengaan. Om dit lijden te kunnen doorstaan, blijft een bewijs of teken nodig dat haar dat geluk ten deel zal vallen. In al deze smarten voelt zij zich eenzaam en verlaten, het ergste lijden dat haar kan overkomen. Zij zoekt haar Geliefde her en der en vindt Hem niet. Heeft Hij haar afgewezen en verlaten? Maar de Bruidegom handelt met de ziel op een Hem eigen wijze. Plotseling wordt zij, die in haar eenzaamheid zo vurig naar Hem verlangt, door Zijne Majesteit gewekt. Het is zo vreemd en toch zo goddelijk. Een ster die plotseling verschiet, een donderslag, maar zonder dat het donderen wordt gehoord. Zij voelt dat haar een wond is toegebracht, overvloeiend van zoetheid. Een wond die kostbaar is. En nooit zou zij van deze wond willen genezen. Het hart is door een pijl van de goddelijke liefde doorboord. De ziel wordt verteerd van verlangen en het schijnt haar toe dat Hij die de wond toebrengt, bij het terugtrekken van de pijl haar ingewanden meetrekt, zo hevig is voor haar gevoel die liefdespijn. Het is het mystieke martelaarschap van de liefde. O almachtige God, hoe groot zijn uw verborgen werken en hoezeer verschillen de geestelijke dingen van hetgeen wij hier beneden kunnen zien en begrijpen.

En het zijn juist al deze smarten die het duifje een hogere vlucht hebben doen nemen. Het ogenblik van de verloving is aangebroken. De Bruidegom beveelt de deuren van de verblijven en zelfs die van het kasteel en de omheining te sluiten. God brengt de ziel in verrukking. Zijne Majesteit, bewogen door medelijden omdat Hij haar reeds zo lang door haar verlangen naar Hem ziet lijden, doet de liefdesvonk uit het binnenste van de ziel oplaaien. Hierdoor geheel in gloed ontstoken, komt zij daaruit als de vogel Feniks verjongd tevoorschijn, gezuiverd van alle schulden. Aldus gereinigd verenigt God haar met Zich, zonder dat iemand hiervan iets weet behalve zij beiden. De ziel, geheel één geworden met God, wordt verplaatst in het hemelse verblijf, het verblijf van God in de ziel. Het verlovingsfeest is gevierd. Dit houdt in dat de Bruidegom aan de ziel beloofd heeft haar met Zich te verenigen door de band van het geestelijk huwelijk. En de ziel heeft Hem beloofd Hem alleen te beminnen. Kostbare kleinodiën heeft zij reeds van Hem ontvangen: kennis van de grootheid van God, kennis van zichzelf en een grote nederigheid, en ten slotte een diepe minachting voor de dingen van deze aarde.
Voordat de Bruidegom de ziel binnenleidt in het zevende verblijf, waar het geestelijk huwelijk voltrokken wordt, moet zij nog een zware beproeving doorstaan. God beware mij, Heer, maar hoe beproeft Gij wie U beminnen. Maar het betekent toch weer alles weinig in vergelijking met hetgeen Gij later geeft. Het is goed dat wat veel waard is, ook veel kost. Hoeveel mag het dan niet kosten als het gaat om het zuiveren van de ziel, opdat zij het zevende verblijf kan binnengaan. De ziel dwaalt weer rond in de donkere nacht van de geest, gefolterd door het martelaarschap van de liefde. Wat is het doel van deze troosteloze verlatenheid, wat de uitwerking van deze marteling? Het is heel zeker dat, als wij ons van al het geschapene ontledigen en ons uit liefde tot God daaraan onthechten, de Heer zelf ons met Zichzelf moet vervullen. Zijne Majesteit is overtuigd van de trouw van zijn bruid. Hij heeft medelijden met haar, die zoveel omwille van Hem geleden heeft en nog lijdt. Hij leidt haar zijn verblijf binnen door een visioen van het verstand. In dit visioen openbaart zich de Heilige Drie-eenheid op een geheel bijzondere wijze en met grote helderheid aan de ziel. Alle drie de Personen delen zich hier aan haar mee, spreken tot haar en doen haar de woorden begrijpen die Christus sprak, dat Hij en de Vader en de Heilige Geest zullen komen en hun verblijf zullen nemen in de ziel die Hem bemint en zijn geboden onderhoudt. Het geestelijk huwelijk, deze geheime verbintenis, wordt voltrokken in het meest innerlijke middelpunt van de ziel, dat wel de plaats moet zijn waar God zelf woont. Hier hoeft God geen deur te openen om binnen te treden, want Hij openbaart zich niet door middel van een visioen van de verbeelding, maar door een visioen van het verstand, op dezelfde wijze waarop Hij zonder door de deur te gaan aan de apostelen verscheen en tot hen zei: Vrede zij u. Op dit ogenblik verenigt de hemelse Bruidegom zich zo innig met zijn bruid dat Hij niet meer van haar wil scheiden. De ziel, geheel ontdaan van al het geschapene, wordt nu vervuld van het licht en de liefde van de Ongeschapene, van de drie-ene God. De woorden van de H. Paulus: Wie tot God nadert en zich met Hem verbindt, wordt één geest met Hem en Leven is mij Christus en sterven een gewin worden in dit alles overtreffende huwelijk werkelijkheid. Hier immers sterft de kleine vlinder, en wel in een allerzoetst genot, daar nu zijn leven Christus is. Geheel vergoddelijkt keert de ziel nu in de wereld terug. Zij voelt en kent geen vrees meer, want de volmaakte liefde heeft alle vrees uitgebannen. Haar wil is volkomen gelijkvormig met de wil van God, waarin het wezenlijke en fundamentele van het geestelijk huwelijk besloten ligt. En omdat God heel de schepping in zijn goedheid doet delen en haar bemint, en Christus voor alle mensen gestorven is, wil nu ook de ziel, die zich de bruid weet van zo’n machtige en algoede Heer, niets anders dan de wereld vervullen met Gods licht en liefde. Uit de dood werd het leven geboren, uit het lijden ontsproot de heerlijkheid en glorie. De vergoddelijkte ziel kent slechts één bede: O Heer, of sterven of lijden. Voor mijzelf vraag ik niets anders. En in de beslommeringen en wisselvalligheden van elke dag houdt de ziel haar oog gevestigd op deze wijze levensregel:
Bron: P. dr. Fr. Sanders O.Carm., inleiding bij een bloemlezing uit de werken van de H. Teresia van Jezus. Villarreal (Castellón), 29 maart 1946. De aangehaalde teksten van de H. Teresia zijn ontleend aan de vertaling van prof. dr. Titus Brandsma O.Carm. en dr. Athanasius van Rijswijck O.Carm.
Het Christus-visioen
Maar ik wil terugkeren tot het verhaal van mijn leven, hoe ik zoveel had te lijden en, zoals ik te kennen gaf, vurige gebeden werden gestort dat de Heer mij een andere, veiliger weg zou doen gaan, want de weg waarop ik mij bevond, was, naar men zei, verdacht. Het is waar dat ik, hoewel ik het God vroeg en mijn best deed om naar een andere weg te verlangen, niet in staat was daarnaar te verlangen, al vroeg ik er ook voortdurend om. Ik zag immers hoe mijn ziel op deze weg zoveel beter was geworden. Misschien verlangde ik er een enkele keer naar, wanneer ik mij zeer terneergeslagen voelde door alles wat men mij zei en door de vrees die men mij aanjoeg. Twee jaar lang werd zowel door mij als door anderen voor dit doel gebeden, namelijk dat de Heer mij een andere weg zou doen bewandelen, of dat de waarheid zich duidelijk mocht openbaren. Voortdurend toch sprak de Heer mij toe op de wijze die ik heb beschreven. Aan het einde van deze twee jaar gebeurde het volgende. Terwijl ik op een feestdag van de roemrijke H. Petrus in gebed was, zag ik bij mij, of liever, nam ik waar, want noch met de ogen van het lichaam noch met die van de ziel kon ik iets zien, maar het scheen mij niettemin dat Christus vlak naast mij stond. Ik meende ook te begrijpen dat Hij het was die tot mij sprak. Omdat ik helemaal niet wist dat een dergelijk visioen kon bestaan, voelde ik aanvankelijk grote vrees en deed ik niets dan wenen. Maar zodra Hij slechts één woord had gesproken om mij gerust te stellen, was ik weer volkomen gerust en vol vreugde. Ik voelde niet meer de minste vrees. Het scheen mij dat Jezus Christus altijd aan mijn zijde bleef. Omdat het geen visioen van de verbeelding was, zag ik niet onder welke gedaante Hij verscheen, maar ik nam duidelijk waar dat Hij steeds aan mijn rechterzijde bleef en getuige was van alles wat ik deed. Als ik mij maar enigszins in mijzelf keerde of niet al te zeer verstrooid was, kon ik de gewaarwording dat Hij bij mij was niet van mij afzetten. Bij de woorden waarover wij eerder gesproken hebben, doet God het verstand, ook al wil het dit niet, toch aandachtig luisteren naar wat gezegd wordt. Het is alsof de ziel met andere oren kan horen en God haar dwingt te luisteren en haar aandacht niet laat afleiden, zoals wanneer men iemand die goed hoort, belet zijn oren dicht te stoppen en hem van dichtbij luid toespreekt. Al zou hij het niet willen, hij moet het horen. Maar zo iemand doet ten slotte toch nog iets, doordat hij aandacht schenkt aan wat men hem zegt. Hier doet men niets. Het weinige dat men vroeger nog deed door alleen te luisteren, valt ook hier weg. De ziel vindt het voedsel niet alleen bereid, maar ook reeds gegeten. Zij heeft niets anders te doen dan ervan te genieten. Zij is als iemand die, zonder te hebben leren lezen of daarvoor enige inspanning te hebben verricht, ja, zonder iets bestudeerd te hebben, alle wetenschap in zich opgenomen vindt, zonder te weten hoe of vanwaar die tot hem gekomen is, want nooit heeft hij er enige moeite voor gedaan, zelfs niet om het alfabet te leren. Deze laatste vergelijking geeft, dunkt mij, enige verklaring van deze hemelse gave, want de ziel ziet zich in één ogenblik vervuld van kennis en zo onderwezen in het geheim van de Allerheiligste Drie-eenheid en andere hoogverheven dingen, dat zij met iedere godgeleerde over de waarheid van deze verheven dingen zou durven redetwisten. Om terug te keren tot de wijze van begrijpen waarover wij nu spreken, lijkt het mij dat de Heer de ziel op allerlei manieren enig begrip wil geven van wat er in de hemel gebeurt. Daar begrijpt men elkaar zonder dat er gesproken wordt. Ik wist nooit zeker of dit werkelijk zo was, totdat de Heer het mij in zijn goedheid heeft willen laten aanschouwen en het mij in een verrukking toonde. Mij dunkt dat, zoals dit daar gebeurt, het ook hier op aarde plaatsvond, dat God en de ziel elkaar leren verstaan, omdat Zijne Majesteit wil dat de ziel Hem verstaat, zonder dat er andere middelen nodig zijn om de liefde te doen kennen die deze twee beminden elkaar toedragen. Ook hier op aarde schijnen twee personen die elkaar innig beminnen en goed verstaan, elkaar zonder tekenen, alleen door elkaar aan te zien, te begrijpen. Zo moet het ook hier zijn. Zonder dat wij iets zien, zien die twee geliefden elkaar als het ware recht in de ogen, zoals de Bruidegom in het Hooglied tot zijn Bruid spreekt. Ik geloof tenminste, en ik heb ook gehoord, dat het hier zo is. Om terug te keren tot mijn onderwerp: niet vele, maar toch enige dagen bracht ik in dit bijna voortdurend aanhoudende visioen door. Het had zo'n gunstige invloed op mij dat ik voortdurend in gebed bleef. Bij alles wat ik deed, trachtte ik zo te handelen dat ik Hem niet mishaagde, van Wie ik duidelijk zag dat Hij daarvan getuige was. Hoewel ik door alles wat men mij zei soms enige vrees koesterde, duurde die vrees slechts kort. De Heer stelde mij gerust. Terwijl ik eens op een dag in gebed was, behaagde het de Heer mij alleen zijn handen te tonen, maar in zo grote schoonheid dat ik ze niet zou kunnen beschrijven. Het joeg mij grote vrees aan. Telkens wanneer de Heer mij voor het eerst een bovennatuurlijke gunst verleende, wekte het nieuwe ervan immers grote vrees in mij op. Enige dagen later zag ik ook dat goddelijke aanschijn. Ik raakte er, dunkt mij, geheel in verzonken. Lange tijd kon ik niet begrijpen waarom de Heer Zich telkens slechts gedeeltelijk liet zien, terwijl Hij mij later toch de gunst zou verlenen Hem geheel te aanschouwen. Later begreep ik echter dat Zijne Majesteit zo handelde vanwege de zwakheid van mijn natuur. Hij zij eeuwig gezegend.
Een wezen zo nietig en slecht als ik zou zo'n grote heerlijkheid niet kunnen verdragen en daarom regelde de goede Heer het in zijn wijsheid aldus. Terwijl ik op een feestdag van de H. Paulus de Mis bijwoonde, vertoonde de Allerheiligste Mensheid Zich geheel. Zij verscheen mij zoals zij na de Verrijzenis wordt afgebeeld, met de grootste schoonheid en majesteit, zoals ik Uwe Eerwaarde, omdat u er zo op aandrong, reeds uitvoerig heb beschreven. Het viel mij zeer zwaar dit te doen, want men kan het niet beschrijven zonder geheel buiten zichzelf te geraken. Ik heb het echter zo goed ik kon verhaald en er is dus geen reden het hier nogmaals te vertellen. Alleen zeg ik dat, al bestond er in de hemel niets anders om ons oog te boeien dan de grote schoonheid van de verheerlijkte lichamen, dit reeds de grootste heerlijkheid zou zijn. En in het bijzonder geldt dit voor de aanschouwing van de Mensheid van Onze Heer Jezus Christus. Wanneer Zijne Majesteit Zich hier op aarde toont, houdt Hij nog rekening met wat onze nietige natuur kan verdragen. Wat zal het zijn wanneer wij zulk een genot volledig mogen smaken! Hoewel dit een visioen van de verbeelding was, zag ik het nooit, zelfs niet één enkele keer, met de ogen van het lichaam, maar alleen met die van de ziel. Zij die het beter weten dan ik, zeggen dat de eerstbesproken visioenen verhevener zijn dan deze laatste, maar dat deze weer verhevener zijn dan die welke men met de ogen van het lichaam aanschouwt. Dit is de laagste vorm en daarbij kan van de kant van de duivel gemakkelijker misleiding plaatsvinden. Ik kon dit toen niet begrijpen en verlangde zelfs dat mij de gunst zou worden verleend wat ik zag met de ogen van het lichaam te zien, opdat mijn biechtvader niet zou kunnen zeggen dat ik mij het inbeeldde. De Heer schonk mij deze gunst echter zo spoedig opnieuw en haastte Zich zozeer mij de werkelijkheid ervan te doen erkennen, dat mijn twijfel of het verbeelding kon zijn spoedig verdween. Later zag ik duidelijk hoe dwaas ik was geweest, want al had ik het vele jaren geprobeerd, ik zou niet in staat zijn geweest mij iets zo heerlijks in mijn verbeelding voor te stellen. Alleen al de helderheid en schittering overtreffen alles wat men zich hier op aarde kan voorstellen. Het is geen schittering die verblindt, maar een zacht, helder licht waarin die schittering is uitgegoten. Het aanschouwen ervan schenkt het grootste genot. Het vermoeit niet, evenmin als de overvloed van licht die men ziet om die goddelijke schoonheid te kunnen aanschouwen. Het is een licht dat zo verschilt van het licht van deze aarde, dat zelfs het zonlicht dat wij zien, vergeleken met het licht dat zich hier aan ons vertoont, zo donker schijnt dat wij na het aanschouwen ervan onze ogen niet meer zouden willen openen. Het is alsof wij heel helder water waarin de zon zich weerspiegelt, over kristal zagen vloeien naast ander, heel troebel water dat bij een donkere hemel over stoffige grond stroomt. Ik wil niet zeggen dat zich een zon vertoont of dat het licht op dat van de zon lijkt, maar toch schijnt dit licht natuurlijk en het andere kunstmatig te zijn. Het is licht dat geen nacht kent, integendeel, omdat het altijd licht is, wordt het door niets verduisterd. Kortom, het is van dien aard dat iemand, hoe groot zijn verstand ook is, zich gedurende zijn hele leven geen voorstelling van de aard ervan zou kunnen maken. En God plaatst haar zo plotseling voor dat licht dat zij zelfs geen tijd zou hebben haar ogen ervoor te openen, als het nodig zou zijn die te openen. Het maakt echter niet uit of men de ogen geopend of gesloten houdt. Wanneer de Heer het wil, zien wij, ook al zouden wij het niet willen. Hier helpt het niet de ogen af te wenden en is geen weerstand mogelijk. Maar ook geen opzet of inspanning helpt hier. Zoals ik nog zal vertellen, heb ik dit door eigen ervaring voldoende geleerd. Ik zou nu willen zeggen op welke wijze de Heer Zich bij deze visioenen vertoont. Ik zeg niet dat ik zal verklaren hoe het mogelijk is dat de innerlijke waarneming zo'n sterk licht en het verstand zo'n duidelijk beeld ontvangen dat men meent Hem werkelijk te aanschouwen. Dit is het werk van geleerden. De Heer heeft mij niet willen laten weten hoe dit mogelijk is en ikzelf ben zo onwetend en mijn verstand is zo weinig ontwikkeld dat ik, hoe men ook geprobeerd heeft het mij uit te leggen, er niet in geslaagd ben te begrijpen hoe dit mogelijk is. Ik zal dan vertellen wat mijn ervaring mij heeft laten zien. Uwe Eerwaarde zal beter kunnen zeggen hoe de Heer dit doet en zo alles kunnen verklaren wat nog onduidelijk mocht zijn of wat ik niet heb kunnen uitdrukken. Soms meende ik wel dat wat ik zag een beeld was, maar dikwijls meende ik ook dat het Christus zelf was. Dit hing af van de helderheid waarmee het Hem behaagde Zich te vertonen. Soms was het zo vaag dat het mij een beeld toescheen, maar toch geen beeld zoals die van deze aarde, hoe volmaakt ze ook kunnen zijn, en ik heb vele mooie gezien. Het zou dwaas zijn te menen dat er enige overeenkomst tussen beide bestaat. Die is er evenmin als tussen een levende persoon en zijn portret. Hoe goed dit ook gemaakt is, het kan nooit zo natuurlijk zijn dat men uiteindelijk niet ziet dat het iets levenloos is. Maar laat dit zo zijn, het beeld is hier zeer toepasselijk en letterlijk van toepassing. Ik zeg dit niet bij wijze van vergelijking, nee, een vergelijking kan het nooit zo goed weergeven. Het is de zuivere waarheid. Hier bestaat hetzelfde verschil als tussen een levende persoon en zijn geschilderde afbeelding, niet meer en niet minder. Want al is wat wij hier zien een beeld, het is toch een levend beeld, geen gestorven mens, maar de levende Christus. En Hij geeft te verstaan dat Hij Mens en God is, niet zoals Hij in het graf lag, maar zoals Hij daaruit opstond na de Verrijzenis. Soms komt Hij met zo'n grote majesteit dat men er onmogelijk aan kan twijfelen dat het de Heer zelf is, vooral wanneer wij zojuist de Heilige Communie hebben ontvangen en dus weten dat Hij daar is, omdat het geloof ons dit zegt. Hij toont Zich zozeer Heer van zijn verblijf dat de ziel, geheel buiten zichzelf, meent geheel in Christus op te gaan. O mijn Jezus, wie kan de majesteit beschrijven waarmee Gij U openbaart en de wijze waarop Gij U Heer toont van de gehele wereld, van de hemelen, van duizenden andere werelden en ontelbare hemelen die Gij zoudt willen scheppen? Uit de majesteit waarmee Gij U vertoont, begrijpt de ziel dat het voor U niets is Heer van dat alles te zijn. Ik zeg dat, als de Heer aan de ziel veel van zijn grootheid en majesteit wilde tonen, de aanblik daarvan zo overweldigend zou zijn dat ik het onmogelijk acht dat iemand, wie dan ook, dit zou kunnen verdragen, als de Heer hem niet op bijzondere bovennatuurlijke wijze te hulp zou komen door hem in verrukking en extase te brengen, zodat de aanschouwing van zijn goddelijke tegenwoordigheid plaatsmaakt voor het genieten ervan. Het is waar dat men het later vergeet, maar toch maken die majesteit en schoonheid zo'n diepe indruk dat men ze alleen kan vergeten wanneer de Heer de ziel die grote dorheid en verlatenheid wil doen lijden waarover ik nog zal spreken. Dan schijnt zij zelfs God te vergeten. De ziel is in dit visioen geheel veranderd en voortdurend in God verzonken. Het is alsof opnieuw een vurige liefde tot God, en naar mijn mening in zeer hoge mate, in haar wordt opgewekt. Hoewel de eerstbesproken visioenen, die God, zoals ik zei, zonder enig beeld voorstellen, verhevener zijn, is het toch zeer nuttig dat in de verbeelding een voorstelling van de goddelijke tegenwoordigheid aanwezig blijft, omdat bij onze zwakheid de herinnering eraan voortduurt en onze gedachten er goed mee bezig kunnen blijven. Bijna altijd gaan deze twee vormen van visioenen samen. Dit komt doordat men met de ogen van de ziel de verhevenheid, schoonheid en heerlijkheid van de Allerheiligste Mensheid aanschouwt en op de andere wijze die ik heb aangeduid, te verstaan krijgt dat God bij ons is, dat Hij machtig en almachtig is, dat Hij over alles gebiedt en dat zijn liefde alles vervult.
Bron: H. Teresia van Jezus, Leven, hoofdstukken XXVII en XXVIII, in P. dr. Francus Sanders O.Carm., Santa Teresa, blz. 156–164. Vertaling van Titus Brandsma O.Carm. en Athanasius van Rijswijck O.Carm. Spelling gemoderniseerd.
Daden vraagt de Heer
Ik moet vaak lachen om sommige zielen die, wanneer zij in gebed zijn, denken graag voor God veracht en openlijk bespot te willen worden en daarna een kleine fout zouden willen verbergen, als zij konden. En wee hun als zij beschuldigd worden van een fout die zij niet hebben begaan! God beware ons dan. Laten degenen die zoiets nog niet kunnen verdragen, eraan denken niet veel waarde te hechten aan wat zij naar eigen keuze bij zichzelf hebben voorgenomen. Want in werkelijkheid was het geen besluit van de wil, want was het dat, dan stond de zaak heel anders, maar een voorstelling van de verbeelding, waarin de duivel zijn sprongen en kunsten uitvoert. Vooral vrouwen en ongeletterden kan hij hierin gemakkelijk misleiden, omdat zij geen onderscheid weten te maken tussen de vermogens van de ziel en de verbeelding en duizenden andere innerlijke zaken. O mijn zusters, hoe duidelijk kan men zien wie van u de naastenliefde werkelijk beoefenen en wie haar nog niet in grote volmaaktheid bezitten. Als gij inzag hoe belangrijk deze deugd voor ons is, zoudt gij u om niets anders bekommeren. Wanneer ik zielen zie die eropuit zijn te weten welke trap van gebed zij hebben bereikt en gedurende het gebed zo angstvallig zijn dat zij zich schijnbaar niet durven verroeren of hun verstand in werking durven brengen, om maar niets te verliezen van de geestelijke genietingen en godsvrucht die zij voelen, leid ik hieruit af dat zij weinig begrip hebben van de weg die tot de vereniging voert. Zij denken dat alles afhangt van deze voelbare godsvrucht. Neen, mijn zusters, neen. Daden vraagt de Heer. Wanneer gij ziet dat gij een zieke enige opbeuring kunt verschaffen, maakt het dan niets uit dat gij die godsvrucht prijsgeeft. Bewijs haar die liefdedienst. Lijdt zij pijn, lijd dan met haar mee en is het nodig, ontzeg uzelf dan voedsel opdat zij kan eten, niet zozeer omwille van haar als wel omdat gij weet dat de Heer dit verlangt. Hierin bestaat de ware vereniging met zijn wil. Wordt in uw tegenwoordigheid een ander hoog geprezen, verheug u daarover dan meer dan wanneer men u zou prijzen. Dit laatste is werkelijk gemakkelijk, want wanneer men nederig is, zal het eerder pijn doen geprezen te worden. Maar het getuigt van grote deugd wanneer wij ons erover verblijden dat de deugden van onze medezusters bekend worden en wanneer wij een van hen een fout zien begaan, die voelen alsof wij haar zelf hadden begaan en haar tegenover anderen verbergen. Veel heb ik reeds op andere plaatsen over deze deugd gezegd, omdat ik weet, mijn dochters, dat wij verloren gaan wanneer wij hierin tekort zouden schieten. Moge het de Heer behagen dat dit nooit gebeurt. Maar onderhoudt gij de naastenliefde, dan verzeker ik u dat gij van Zijne Majesteit de vereniging waarover ik gesproken heb, zult verkrijgen. Ziet gij dat gij nog tekortschiet in de liefde, geloof mij dan dat gij nog niet tot de vereniging bent opgestegen, al voelt gij zoveel godsvrucht en geestelijke troost dat gij meent haar bereikt te hebben, zelfs al geniet gij een of andere kleine verrukking in het gebed van rust, waaruit sommigen onmiddellijk besluiten dat alles in orde is. Bid dan onze Heer dat Hij u de deugd van naastenliefde in haar volmaaktheid schenkt en laat het andere aan Zijne Majesteit over. Hij zal u meer geven dan gij zult weten te verlangen, wanneer gij u slechts beijvert alles te doen wat in uw vermogen ligt, uw wil dwingt zich in alles gelijk te maken aan die van uw medezusters, zelfs met opoffering van uw recht, uw eigen voordeel vergeet voor dat van haar, hoezeer de natuur zich hiertegen ook verzet, en zo dikwijls de gelegenheid zich voordoet, zelf de last op u neemt om uw naaste te ontlasten. Meent echter niet dat dit u niets zal kosten en dat gij het werk al gedaan zult vinden. Ziet wat onze Bruidegom de liefde heeft gekost die Hij ons toedroeg. Om ons van de dood te verlossen, is Hij een zo pijnlijke dood als die aan het kruis gestorven.
Bron: H. Teresia van Jezus, Het Kasteel der ziel, vijfde verblijf, hoofdstuk III, in P. dr. Francus Sanders O.Carm., Santa Teresa, blz. 122–124. Vertaling van Titus Brandsma O.Carm. en Athanasius van Rijswijck O.Carm. Spelling gemoderniseerd.
In gezelschap van de Meester
Keren wij nu terug tot het mondgebed, opdat wij het op een wijze verrichten dat God ons, zonder dat wij het merken, tot een meer verheven gebed opvoert. Alles is eraan gelegen, ik zei dit reeds, dat wij bidden zoals het behoort. Gij weet reeds dat gij moet beginnen met het geweten te onderzoeken, het Confiteor te bidden en het kruisteken te maken. Vervolgens moet gij, mijn dochters, daar gij u in de eenzaamheid bevindt, gezelschap zoeken. En wiens gezelschap zal voordeliger zijn dan dat van de Meester zelf, die u het gebed dat gij gaat bidden, heeft geleerd? Stelt u de Heer voor in uw tegenwoordigheid en beschouwt met welke nederigheid en liefde Hij u onderwijst. Gelooft mij, gij moet zoveel gij kunt bij deze goede vriend verblijven. Indien gij eraan gewend raakt in zijn tegenwoordigheid te wandelen en Hij ziet dat gij dit uit liefde tot Hem doet en u beijvert Hem te behagen, zult gij Hem niet meer kwijt kunnen raken, zoals men zegt. Steeds zal Hij bij u zijn, u in alle moeilijkheden helpen en overal zult gij Hem vinden. En denkt gij dat het een zaak van weinig belang is, zulk een vriend steeds aan uw zijde te hebben?
O mijn dochters, als gij niet lang kunt overwegen en uw verstand niet zonder verstrooiing op dezelfde zaak gevestigd kunt houden, maakt er u dan aan gewend. Bedenkt dat ik uit ondervinding weet dat gij het wel kunt. Ook ikzelf heb vele jaren de kwelling verduurd dat ik mijn gedachten niet op één zaak gevestigd kon houden. Het is inderdaad een grote kwelling. Ik weet echter ook dat onze Heer ons nooit in die mate aan onszelf overlaat dat, als wij Hem met nederigheid vragen ons gezelschap te houden, Hij dit niet zou doen. Kunnen wij het in één jaar niet zover brengen, welnu, dan doen wij er meer jaren over. Betreuren wij nooit de tijd die wij aan een zo verdienstelijke oefening hebben besteed. Wie toch zit ons achterna? Ik zeg u dan ook dat men zich deze gewoonte eigen kan maken door zijn best te doen in tegenwoordigheid van deze goede Meester te wandelen. Ik vraag u niet dat gij in uw gedachten met Hem bezig blijft of dat gij verheven gedachten vormt of lange, hoge bespiegelingen houdt, ik vraag u alleen dat gij uw blikken op Hem vestigt. En wie belet u de ogen van uw ziel één enkel ogenblik, als gij het niet langer kunt, op onze Heer te slaan?
Zijt gij in lijden of in droefheid, beschouwt Hem op weg naar de Hof van Olijven. Welk een smart moet Hij toen in zijn ziel gevoeld hebben, dat Hij, die het Geduld zelf is, ze openbaarde en Zich daarover beklaagde. Beschouwt Hem anders aan de geselkolom gebonden, vol pijn, uit liefde tot u over heel zijn lichaam gewond. O, hoeveel heeft Hij verduurd. Door sommigen vervolgd, door anderen bespuwd, door zijn vrienden verloochend en verlaten, zonder dat iemand medelijden met Hem heeft, verstijfd van koude, eindelijk aan zo grote verlatenheid ten prooi, dat het ene zowel als het andere u moet troosten. Beschouwt Hem anders nog beladen met het kruis en hoe men Hem zelfs geen adem liet scheppen. Hij zal u aanzien met zijn schone en medelijdende ogen vol tranen, zijn eigen smarten vergeten om u in de uwe te troosten, enkel en alleen omdat gij bij Hem troost komt zoeken en het hoofd naar Hem opbeurt om Hem te beschouwen.
O Heer der wereld, o mijn ware Bruidegom, ja, gij moogt Hem zo noemen, indien dit gezicht uw hart zozeer heeft geroerd dat gij Hem niet slechts wilt beschouwen, maar blij zijt met Hem te spreken, niet in sierlijke taal, maar zo goed uw hart het vermag, want de taal van het hart schat Hij zeer hoog. O mijn Heer en Opperste Goed, waart Gij zo hulpbehoevend dat Gij een armzalig gezelschap als het mijne voor lief wilt nemen en ik in uw blikken zie dat Gij bij mij troost gevonden hebt. Hoe is het mogelijk, Heer, dat de engelen U zo alleen laten en uw Vader U zelfs niet troost? Indien Gij, o Heer, uit liefde tot mij zoveel hebt willen lijden, hoe weinig verdraag ik dan voor U en waarover mag ik mij dan nog beklagen? Beschaamd U in zulk een toestand te hebben gezien, wil ik alle smarten die mij overkomen verdragen en beschouwen als een groot geluk, omdat ik U daardoor in iets kan navolgen. Laat ons tezamen gaan, o Heer, waarheen Gij gaat, zal ik U volgen. Wat Gij lijdt, wil ook ik verduren.
Een krachtdadig middel om het verstand in zichzelf te doen keren en het mondgebed goed te leren verrichten, is het gebruiken van een goed boek, in de moedertaal geschreven. Dat middel is zeer geschikt om de ziel geleidelijk en zonder geweld aan het gebed gewend te maken. Houdt er rekening mee dat de ziel vele jaren geleden haar Bruidegom heeft verlaten en dat er veel overleg nodig is haar weer naar huis te doen terugkeren. Zo is het immers met ons, arme zondaars, gesteld. Wij hebben onze ziel zozeer gewend in haar gedachten te gaan waarheen zij verkiest of, beter gezegd, waar haar druk en lijden wacht, dat de arme ziel zichzelf niet meer herkent en veel overleg nodig is om haar weer vol liefde thuis te doen blijven. Wanneer wij het niet op deze wijze geleidelijk doen, zullen wij er nooit in slagen. Ik verzeker het u nogmaals, indien gij u met ijver gewend maakt aan hetgeen ik u gezegd heb, dan zult gij hierin zulk een groot voordeel vinden dat ik er u, al zou ik het willen, geen verklaring van zou kunnen geven. Blijft dus in de tegenwoordigheid van de goede Meester, vastbesloten in u op te nemen wat Hij u zal leren. De goddelijke Majesteit zal goede leerlingen van u maken. Hij zal u en gij zult Hem niet meer verlaten. Luistert naar de woorden die zijn goddelijke mond tot u zal spreken. Reeds aan het eerste woord bemerkt gij welke liefde Hij u toedraagt. En het is voor een leerling geen gering genot en geen kleine troost te weten dat zijn meester hem bemint.
Bron: H. Teresia van Jezus, De Weg der volmaaktheid, hoofdstuk XXVI, in P. dr. Francus Sanders O.Carm., Santa Teresa, blz. 78–81. Vertaling van Titus Brandsma O.Carm. en Athanasius van Rijswijck O.Carm. Spelling gemoderniseerd.
Martha en Maria
De zielen die geen vertroostingen genieten, leven dikwijls heel nederig. Zij vrezen dat dit gemis een gevolg is van eigen schuld en beijveren zich voortgang te maken in de deugd. Zij kunnen iemand geen traan zien storten of zij denken, omdat zij zelf de gave van de tranen niet bezitten, dat zij in de dienst van God ver bij hen ten achter staan. En wellicht zijn zij beter dan degenen die deze gave bezitten. Want niet alle tranen, ofschoon ze goed zijn, zijn volmaakt. Meer zekerheid biedt de beoefening van de nederigheid, de versterving, de onthechting en de andere deugden. Als gij de deugden beoefent, behoeft gij niet te vrezen dat gij niet, evengoed als de beschouwende zielen, tot de volmaaktheid zult komen. De H. Martha was heilig, ofschoon van haar gezegd wordt dat zij geen beschouwende ziel was. Welnu, wat verlangt gij meer dan gelijkvormig te zijn aan deze heilige, die verdiende Christus onze Heer zo dikwijls in haar huis te ontvangen, te dienen en met Hem aan tafel aan te zitten? Indien Martha en Maria beiden in de beschouwing waren opgegaan, zou er niemand geweest zijn om de goddelijke Gast te eten te geven. Bedenkt dat dit klooster het huis van de H. Martha is, waarin men zowel het een als het ander moet doen. Zij die langs de weg van het werkende leven geleid worden, mogen niet morren tegen degenen die dikwijls in beschouwing verdiept zijn. Zij weten dat de Heer deze laatsten verdedigen zal, ook al zwijgen zij zelf, want meestal zal Hij hen noch aan zichzelf noch aan iets anders doen denken.
Men bedenke dat er onder u moeten zijn die voor het eten zorgen en men achte zich gelukkig als men mag dienen als Martha. Men moet eraan denken dat de ware nederigheid bestaat in zich tevreden te stellen met datgene waartoe de Heer ons roept en zich onwaardig te achten zijn dienares genoemd te worden. Hetzij wij dus beschouwen of mediteren of mondgebeden storten, hetzij wij zieken verplegen of huiselijke bezigheden verrichten of ons met de nederigste werkzaamheden bezighouden, dit alles is de Gast dienen, die tot ons komt om bij ons te verblijven, te eten en Zich te verkwikken. Wat is het ons gelegen of wij Hem op de ene of op de andere wijze dienen? Ik zeg niet dat wij vrij zijn onze eigen zin te volgen. Neen, gij moet u gereedmaken voor alles, want de keuze hangt niet van u, maar van de Heer af. Wanneer Hij wil dat gij, hoewel gij Hem reeds vele jaren in hetzelfde ambt gediend hebt, nog in dit ambt blijft, dan zou het een zonderlinge nederigheid zijn een andere bediening te willen hebben. Laat dit aan de Heer des huizes over. Hij is wijs en machtig en weet wat voor ons het beste is en het meest tot zijn eer strekt.
Weest ervan verzekerd dat, wanneer gij doet wat in uw vermogen ligt en gij door de beoefening van de volmaaktheid waarover ik gesproken heb, uzelf in de gesteltenis brengt die nodig is voor de beschouwing en Hij ze u niet geeft, ofschoon ik geloof dat Hij u de gave van de beschouwing schenken zal wanneer gij werkelijk onthecht en nederig zijt, Hij dit genoegen voor u bewaart om het u eens overvloedig in de hemel te schenken. Hij leidt u, zoals ik reeds gezegd heb, als waart gij sterke zielen aan wie Hij hier op aarde het kruis oplegt, zoals Hij dit zelf altijd heeft gedragen. Welke grotere vriendschap kan Hij u betonen dan u te geven wat Hij altijd voor Zichzelf heeft verkozen? Wellicht zoudt gij door de beschouwing niet zoveel verdiensten verwerven. Dit zijn de oordelen Gods, die wij niet mogen doorgronden. Het is heilzaam voor ons dat de keuze niet aan ons is overgelaten, want in de mening dat in het beschouwende leven meer voldoening te vinden is, zouden wij allen plotseling tot de beschouwing willen opklimmen. O, wat een groot voordeel is het niets naar eigen goeddunken te willen verdienen. Dan hebben wij geen verlies te vrezen. Want de Heer laat niet toe dat iemand zich uit versterving een goed ontzegt zonder dat hij daardoor groter goed verwerft.
Bron: H. Teresia van Jezus, De Weg der volmaaktheid, hoofdstuk XVII, in P. dr. Francus Sanders O.Carm., Santa Teresa, blz. 68–70. Vertaling van Titus Brandsma O.Carm. en Athanasius van Rijswijck O.Carm. Spelling gemoderniseerd.